Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15264

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
NL15.183 en NL15.184
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

“Dublin Duitsland. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond voor wat betreft het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag. Ten onrechte vertrektermijn onthouden. Beroep gegrond voor zover bepaald is dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Proceskostenveroordeling verweerder.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL15.183 (bodemprocedure) en NL15.184 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en van de voorzieningenrechter van 23 december 2015 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. C.W.M. van Breda.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 december 2015 waarbij de asielaanvraag van eiser niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag (het bestreden besluit). Tevens is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2015. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer NL15.183:

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Kosovaarse nationaliteit te bezitten. Op 21 juni 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EG) nr. 604/2013 (de Verordening). Duitsland heeft zijn verantwoordelijkheid ook geaccepteerd bij schrijven van 6 juli 2015.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat er vanuit gegaan kan worden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aan het asielsysteem gerelateerde tekortkomingen. Er is geen aanleiding de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Verordening in Nederland te behandelen, aldus verweerder.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, indien op grond van de Verordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

6. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

7. Zoals blijkt uit paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het asielverzoek hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Verordening. De bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt in de volgende situaties:

- er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt;

- bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de asielzoeker aan de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming alsnog bij Nederland moet worden gelegd.

9. Eiser heeft aangevoerd dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. De asielprocedure in Duitsland is onzorgvuldig gelet op het gebrek aan gefinancierde rechtsbijstand, de verkorte procedure, het feit dat een herhaalde aanvraag op voorhand kansloos is, er geen sprake is van een effectief rechtsmiddel, het feit dat uitgeprocedeerde asielzoekers meteen worden gedetineerd en er geen adequate medische zorg wordt gegeven. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar:

  1. het AIDA rapport Germany, 4e update, november 2015;

  2. het jaarlijks mensenrechtenrapport van de US Department of State van juni 2015;

  3. het Amnesty International Report van 2014/15;

  4. een artikel van euroactiv.com van 12 februari 2015: German government plans to accelerate deportation of Kosovar refugees;

  5. een artikel van Inter Press Service van 27 mei 2015: Germany’s Asylum Seekers – You Can’t Evict a Movement;

  6. een bericht van BBC.com: Migrant Crisis: Germany tightens Balkan asylum laws van 29 september 2015;

  7. het internetartikel van Elsevier van 11 augustus 2015: Duitsland waarschuwt Balkan-migrant: ‘Kans op blijven is nihil’.

10. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel vanuit gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3 of 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt in het bijzonder betrokken de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land. Ook in een situatie waarin over deze aspecten informatie is overgelegd die niet specifiek op de betrokken vreemdeling ziet, moet de lidstaat zich er van vergewissen dat de wetgeving van de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen op deze punten wordt toegepast op een wijze die in overeenstemming is met het EVRM. Dit is het beoordelingskader dat ook de rechtbank in deze zaak toepast.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet na zou komen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan strijdig met artikel 3 van het EVRM. Dat uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat asielaanvragen van vreemdelingen uit de Balkan versneld worden afgedaan, brengt niet zonder meer mee dat deze asielaanvragen niet zorgvuldig worden onderzocht. Het feit dat Kosovo als veilig land van herkomst wordt beschouwd, betekent niet dat er geen ruimte is om feiten of bewijs naar voren te brengen waaruit blijkt dat eiser, ondanks de algemene situatie in het land van herkomst, wel te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De eigen verklaringen van eiser geven evenmin aanwijzingen om aan te nemen dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de opvang en asielprocedure in Duitsland. Eiser heeft immers in Duitsland opvang gehad en heeft beroep kunnen instellen tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Ook van het gestelde feit dat eiser geen toegang heeft gehad of opnieuw zal krijgen tot noodzakelijke medische voorzieningen is niet gebleken. Voorts is ook niet gebleken dat eiser hierover niet kan klagen bij de (hogere) autoriteiten in Duitsland.

12. Voor zover eiser zich beroept op het ontbreken van gefinancierde rechtsbijstand verwijst de rechtbank naar artikel 20, eerste lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (herziene Procedurerichtlijn). In dit artikel is bepaald dat in beroepsprocedures recht bestaat op kosteloze rechtsbijstand. In het derde lid staat evenwel dat lidstaten kunnen bepalen dat de kosteloze rechtsbijstand niet wordt aangeboden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie geen reële kans van slagen heeft. De vraag of een zaak kans van slagen heeft, en een vreemdeling dus recht heeft op kosteloze rechtsbijstand, wordt in Duitsland beoordeeld door een onafhankelijke rechter, hetgeen in overeenstemming is met artikel 20, eerste lid van de herziene Procedurerichtlijn.

13. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht de behandeling van het asielverzoek van eiser niet aan zich getrokken. Evenmin heeft verweerder aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 17 van de Verordening de aanvraag naar zich toe te trekken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

14. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hem ten onrechte een vertrektermijn is onthouden nu de vertrekplicht niet in overeenstemming is met de Verordening en de Uitvoeringsverordening (EG) nr. 1560/2003.

15. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat, gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2015 (zaaknummer 201406763/1/V3) en van 5 november 2015 (zaaknummer 201503958/1/V3), ten onrechte is aangenomen dat op eiser een vertrekplicht rust en ten onrechte een vertrektermijn aan eiser is opgelegd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn ter zitting ingenomen primaire standpunt dat de rechtbank deze schending kan passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, nu niet aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Ook voor inwilliging van het subsidiaire verzoek van verweerder, namelijk om het bestreden besluit in zoverre te vernietigen, met instandlating van de rechtsgevolgen, ziet de rechtbank geen grond, nu aan het onthouden van een vertrektermijn andere rechtsgevolgen zijn verbonden.

16. Het beroep, voor zover daarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, is derhalve gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer NL15.184:

17. Nu de gevraagde voorziening ertoe strekt uitzetting achterwege te laten totdat is beslist op het beroep, bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorziening.

Ten aanzien van beide zaken:

18. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 1.470,- in verband met het verzoek, het beroep en het verschijnen ter zitting (3 punten met een waarde van € 490,- per punt, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

In de zaak met zaaknummer NL15.183:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser, ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het onthouden van een vertrektermijn, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen aan eiser.

De voorzieningenrechter:

In de zaak met zaaknummer NL15.184:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 490,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.