Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15100

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
09/777173-14; 09/777277-14; 09/817686-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte en haar mededaders hebben geweld tegen het slachtoffer in de tram gebruikt omdat zij zich beledigend, dan wel racistisch zou hebben uitgelaten over de verdachte en de medeverdachten. Mocht daarvan al sprake zijn geweest, is dit nog geen reden om geweld te gebruiken. Het slachtoffer stond er alleen voor. Door het geweld heeft zij pijn opgelopen aan haar hoofdhuid, een blauw oog en een zwelling boven het oog. Blijkens het schadeopgaveformulier is zij sinds het voorval angstig om met de tram te reizen. De verdachte en haar mededaders hebben met hun buitenproportionele gedrag een grens overschreden, hetgeen de verdachte wordt aangerekend.

Voorts heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen. Uit het handelen van de verdachte en haar mededaders is gebleken dat zij geen enkel respect toont voor de eigendommen van anderen. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat veel overlast en financiële schade veroorzaakt bij de betrokken winkeliers. Uiteindelijk raakt dit de gehele maatschappij. De verdachte dient zich hiervan rekenschap te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/777173-14; 09/777277-14 en 09/817686-15

Datum uitspraak: 3 december 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] [verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 19 november 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Tuinenburg en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. G. van der Steen, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 09/777173-14:

zij op of omstreeks 11 juni 2014 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of in een voor het publiek toegankelijke ruimte en/of op de openbare weg, te weten in de tram (lijn 1) bij halte Hollands Spoor, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

  • -

    het trekken aan de haren van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het trekken aan het rechterbeen en/of de rechterschoen van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het (met de vuist) met kracht geven van meerdere klappen en/of stompen in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het geven van meerdere schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] ;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

in de zaak met parketnummer 09/777277-14:

zij op of omstreeks 18 december 2014 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid verzorgingsproducten en/of een grote hoeveelheid cosmetica en/of luiers, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

in de zaak met parketnummer 09/817686-15:

zij op of omstreeks 13 maart 2015 te 's-Gravenhage en/of Leidschendam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, in elk geval eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en wel:

  • -

    in/uit [bedrijf 1] , gelegen aan [adres 1] , een spijkerbroek en/of een spijkerblouse, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of

  • -

    in/uit [bedrijf 1] , gelegen aan [adres 2] , twee paar kinderschoentjes (kleur: wit en/of rose) en/of een short en/of een broek en/of een zonnebril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of

  • -

    in/uit [bedrijf 3] , gelegen aan de [adres 3] , een (witte) damestrui en/of een (zwarte) jurk (maat: XS) en/of een (wit) dameshorloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] en/of

  • -

    in/uit [bedrijf 4] , gelegen aan de [adres 4] , vijf, althans een (aantal) spijkerbroek(en) en/of een (zwarte) jurk en/of rok (maat: 42), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , en/of

  • -

    in/uit [bedrijf 6] , gelegen aan de [adres 5] , een (witte) damestrui en/of een (zwarte) jurk (maat: XS) en/of een (zwarte) jurk (maat: M), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 6] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/777173-14

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich op 11 juni 2014 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer] (hierna ook te noemen: het slachtoffer).

De verdachte heeft bij de politie, bij de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting bekend het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd.

3.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de wettige en overtuigende bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.1.3

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever,
    d.d. 11 juni 2014, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2014114193-1, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (blz. 74 t/m 76);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    19 november 2015.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/777277-14

3.2

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich op 18 december 2014 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in vereniging bij [bedrijf 2] .

De verdachte heeft bij de politie, bij de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting bekend het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd.

3.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de wettige en overtuigende bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.3

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever,
    d.d. 18 december 2014, opgenomen in het dossier met het nummer
    PL1500-2014327254-1, inhoudende de verklaring van [getuige 1] , namens
    [bedrijf 2] (blz. 4 t/m 5);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    19 november 2015.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar ten laste gelegde feit heeft begaan met uitzondering van de luiers, nu verdachte heeft ontkend deze te hebben gestolen en er voor het overige onvoldoende bewijs aanwezig is om dit onderdeel bewezen te verklaren.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/817686-15

3.3

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich op 13 maart 2015 schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in vereniging bij twee winkels van [bedrijf 1] , bij [bedrijf 3] , bij [bedrijf 4] en bij [bedrijf 6] .

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd.

3.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte dit feit heeft begaan, met uitzondering van de diefstal van een witte damestrui en een zwarte jurk bij de [bedrijf 3] .

3.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de wettige en overtuigende bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.


De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever,
    d.d. 13 maart 2015, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2015079267-1, inhoudende de verklaring van [getuige 2] , namens [bedrijf 1] (blz. 117 t/m 120);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever,
    d.d. 13 maart 2015, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2015079296-1, inhoudende de verklaring van [getuige 2] , namens [bedrijf 1] (blz. 122 t/m 124);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever,
    d.d. 14 maart 2015, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2015080198-1, inhoudende de verklaring van [getuige 3] , namens [bedrijf 3] (blz. 126 t/m 127);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever,
    d.d. 14 maart 2015, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2015080241-1, inhoudende de verklaring van [getuige 4] , namens [bedrijf 4] (blz. 133 t/m 134);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever,
    d.d. 14 maart 2015, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2015080300-1, inhoudende de verklaring van [getuige 5] , namens [bedrijf 6] (blz. 137 t/m 138);

  • -

    de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    19 november 2015.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar ten laste gelegde feit heeft begaan, met uitzondering van de witte damestrui en de zwarte jurk bij de [bedrijf 3] , nu deze niet bij [bedrijf 3] , maar - zoals eveneens ten laste is gelegd - bij [bedrijf 6] zijn weggenomen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

in de zaak met parketnummer 09/777173-14:

zij op 11 juni 2014 te 's-Gravenhage met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in de tram (lijn 1) bij halte Hollands Spoor, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit:

  • -

    het trekken aan de haren van die [slachtoffer] en

  • -

    het trekken aan de rechterschoen van die [slachtoffer] en

  • -

    het (met de vuist) met kracht geven van meerdere klappen in het gezicht en

  • -

    het geven van meerdere schoppen en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] ;

in de zaak met parketnummer 09/777277-14:

zij op 18 december 2014 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid verzorgingsproducten en een grote hoeveelheid cosmetica, toebehorende aan [bedrijf 2] ;

in de zaak met parketnummer 09/817686-15:

zij op 13 maart 2015 te 's-Gravenhage en Leidschendam, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, en wel:

  • -

    in [bedrijf 1] , gelegen aan [adres 6] , een spijkerbroek en een spijkerblouse, toebehorende aan [bedrijf 1] en

  • -

    in [bedrijf 1] , gelegen aan [adres 2] , twee paar kinderschoentjes en een short en een broek en een zonnebril, toebehorende aan [bedrijf 1] en

  • -

    in [bedrijf 3] gelegen aan de [adres 3] , een wit dameshorloge, toebehorende aan [bedrijf 3] en

  • -

    in [bedrijf 4] , gelegen aan de [adres 4] , vijf spijkerbroeken en een zwarte jurk en rok, toebehorende aan [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , en

  • -

    in [bedrijf 6] , gelegen aan [adres 5] , te Den Haag, een witte damestrui en twee zwarte jurken, toebehorende aan [bedrijf 6] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de haar bij dagvaardingen met parketnummers 09/777173-14, 09/777277-14 en 09/817686-15 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 70 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als (bijzondere) voorwaarden toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, de meldplicht, de verplichting om naar school te gaan en een behandeling te volgen bij de opvoedpoli.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening dient te houden met de volgende omstandigheden. Het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09/777173-14 heeft racistische opmerkingen geroepen in de richting van de verdachte en de medeverdachten, terwijl zij al bezig waren om de tram te verlaten. Hiermee heeft het slachtoffer ook enigszins schuld aan hetgeen is voorgevallen in de tram. Daarnaast heeft de verdachte last ondervonden van de op TV West getoonde beelden. Zij is door mensen herkend en schaamt zich daarvoor. Het tonen van de beelden op TV West was, gelet op de leeftijd van de verdachte en de ernst van het feit, disproportioneel. De verdachte heeft zich lange tijd gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, waaronder een avondklok. Tenslotte dient de rechtbank in de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop van de zaken.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte en haar mededaders hebben geweld tegen het slachtoffer in de tram gebruikt omdat zij zich beledigend, dan wel racistisch zou hebben uitgelaten over de verdachte en de medeverdachten. Mocht daarvan al sprake zijn geweest, is dit nog geen reden om geweld te gebruiken. Het slachtoffer stond er alleen voor. Door het geweld heeft zij pijn opgelopen aan haar hoofdhuid, een blauw oog en een zwelling boven het oog. Blijkens het schadeopgaveformulier is zij sinds het voorval angstig om met de tram te reizen. De verdachte en haar mededaders hebben met hun buitenproportionele gedrag een grens overschreden, hetgeen de verdachte wordt aangerekend.

Voorts heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen. Uit het handelen van de verdachte en haar mededaders is gebleken dat zij geen enkel respect toont voor de eigendommen van anderen. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat veel overlast en financiële schade veroorzaakt bij de betrokken winkeliers. Uiteindelijk raakt dit de gehele maatschappij. De verdachte dient zich hiervan rekenschap te geven.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een geweldsdelict en vermogensdelicten.

De rechtbank houdt in enigerlei mate rekening met de last die de verdachte heeft ondervonden van de op TV-West vertoonde bewegende beelden waarbij de verdachte duidelijk herkenbaar in beeld was.

De rechtbank heeft geen recente rapportage ontvangen van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook te noemen: de Raad). Ter terechtzitting is namens de Raad naar voren gebracht dat de verdachte sinds mei 2015 in de gesloten jeugdhulpinstelling De Vaart te Sassenheim verblijft en dat daar sprake is van een positieve ontwikkeling. Op korte termijn zal de verdachte worden teruggeplaatst bij haar moeder. Dit is nog afhankelijk van de dagbesteding en de school van de verdachte, omdat zij dit jaar bij de school op De Vaart haar examen wenst te doen. De prioriteit ligt nu bij het civiele kader en strafoplegging heeft daarom weinig toegevoegde waarde. Toch is begeleiding van de verdachte, ook na haar achttiende jaar, noodzakelijk. Daarom heeft de Raad geadviseerd een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als (bijzondere) voorwaarden de meldplicht, toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering, begeleiding door de opvoedpoli, school en dagbesteding.

In aanvulling op hetgeen namens de Raad naar voren is gebracht, is namens Stichting Jeugdbescherming west (hierna ook te noemen: de jeugdreclassering) verklaard dat in de thuissituatie bij de moeder hulpverlening zal worden ingezet. Opvoedondersteuning van de opvoedpoli is van belang om de moeder te ondersteunen. Voorts kan een 16+ coach worden ingezet. De jeugdreclassering heeft zich aangesloten bij het advies van de Raad.

De rechtbank neemt de conclusies van de Raad en de jeugdreclassering over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal het gegeven advies opvolgen, met dien verstande dat de (bijzondere) voorwaarden de meldplicht, toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en begeleiding door de opvoedpoli worden opgelegd. De rechtbank ziet geen toegevoegde waarde in het opnemen van de verplichting tot school en dagbesteding in de bijzondere voorwaarden, nu het goed gaat met de verdachte op school en zij gemotiveerd is voor school en het halen van haar eindexamen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het strafblad van de verdachte, het opleggen van een werkstraf niet meer passend is. De eerder opgelegde werkstraffen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht een jeugddetentie, conform het advies van de officier van justitie, derhalve passend en geboden. Deze jeugddetentie zal deels voorwaardelijk worden opgelegd, enerzijds om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en anderzijds om te bewerkstelligen dat de verdachte onder toezicht van de jeugdreclassering het toezicht en de begeleiding kan worden geboden die noodzakelijk is.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in de zaak met parketnummer

09/777173-14 ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 619,90. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 119,90, bestaande uit de posten IPhone 4S zwart/eigen bijdrage verzekering, schoenen en medicijnen, en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 500,-.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, voor zover dit betreft de posten medicijnen ter hoogte van € 14,90 en immateriële schade ter hoogte van € 250,-, dus in totaal tot een bedrag van € 264,90, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dient te worden afgewezen. De telefoonkosten van de benadeelde partij zijn niet te wijten aan het handelen van de verdachte, zodat deze kosten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Voorts blijkt uit het dossier niet dat de schoenen van de benadeelde partij zijn weggenomen, immers blijkt uit de verklaring van het slachtoffer dat zij de schoenen buiten de tram zelf heeft opgepakt. De kosten van de medicijnen zijn niet onderbouwd en een bedrag van

€ 14,90 voor pijnstillers als paracetamol is te hoog. Voorts is geen verklaring opgesteld door een medisch specialist, zoals een huisarts, over de toestand van de benadeelde partij. Voor de immateriële schade is aansluiting gezocht bij zaken waarin sprake is van ernstig letsel. Hier is bij de benadeelde partij geen sprake van geweest, zodat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 100,-, als vergoeding van de immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid hoofdelijk toewijsbaar, aangezien bij de benadeelde partij sprake was van gering letsel en zij sinds de openlijke geweldpleging angstig is om te reizen met de tram.

De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

Materiële schade

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten schoenen en medicijnen, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering voor dit deel onvoldoende is onderbouwd en de behandeling van de vordering daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen, voor zover het betreft de post IPhone 4S, zwart, eigen bijdrage verzekering, aangezien van de schade onvoldoende is gebleken dat deze is veroorzaakt door het in de zaak met parketnummer 09/777173-14 bewezenverklaarde feit, en redelijkerwijs niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank zal de vordering derhalve hoofdelijk toewijzen ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 100,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, met ingang van 3 december 2015.

Vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de zaak met parketnummer 09/777173-14 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 100,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en/of maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de haar bij dagvaarding met parketnummers 09/777173-14, 09/777277-14 en 09/817686-15 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van parketnummer 09/777173-14:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

ten aanzien van parketnummers 09/777277-14 en 09/817686-15:

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 70 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 14 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, afdeling jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Opvoedpoli, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 100,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 100,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is, voor zover dit betreft de posten schoenen en medicijnen, en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af, voor zover het betreft de post IPhone 4S, zwart, eigen bijdrage verzekering.

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 100,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen.

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter, voorzitter,

mr. C.E. Voskens, rechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter plv.,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2015.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.