Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15099

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
09/777247-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van een ontuchtige handeling bij de zevenjarige dochter van een vriendin van zijn moeder. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij daarmee inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, met name nu het leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de verdachte aanzienlijk is. Het vertrouwen van het slachtoffer en haar moeder in de verdachte is geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijk misdrijf hier nog lange tijd de negatieve gevolgen van kunnen ervaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777247-14

Datum uitspraak: 5 november 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] [verdachte] [verdachte]

geboren te Gouda op [geboortedag] 1999,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. van Schoonderwoerd den Bezemer-Wolters en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2014 tot en met 05 juli 2014 te Gouda met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het met zijn hand(en) en/of zijn vinger(s) (al dan niet over haar kleding heen) over/langs de vagina van die [slachtoffer] wrijven, althans zijn hand leggen op de vagina van die [slachtoffer] en/of het kussen op de mond en/of wang en/of hoofd van die [slachtoffer] ;

art 247 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 15 mei 2014 tot en met 5 juli 2014 te Gouda ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de toen zevenjarige [slachtoffer] door haar , al dan niet over haar kleding heen, te wrijven over haar vagina en haar te kussen op haar mond, wang of hoofd.2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode van 15 mei 2014 tot en met 5 juli 2014. Met betrekking tot het kussen heeft de raadsvrouw opgemerkt dat dit niet als ontuchtig kan worden aangemerkt .

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van het ten laste gelegde het volgende af.

De moeder van het slachtoffer, mevrouw [moeder slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat haar zevenjarige dochter [slachtoffer] op 5 juli 2014 is misbruikt door [verdachte] . Zij heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik, dan wel ontucht.3

Het slachtoffer is vervolgens gehoord in de kindvriendelijke verhoorstudio. Zij heeft daar verklaard dat zij op 5 juli 2014, op haar zevende verjaardag, op de kamer van haar broer op het onderste bed van het stapelbed lag met de verdachte. De verdachte ging met zijn hand naar de ‘mutsie’ (naar de rechtbank begrijpt: de vagina) van het slachtoffer. Daar ging hij met zijn vingers heen en weer. Dat kietelde eerst en toen ging het pijn doen. De verdachte deed dit heel eventjes. De verdachte heeft haar gekust op haar hand en wang.4

De verdachte heeft verklaard dat hij zijn hand op 5 juli 2014 op de kleding van het slachtoffer heeft gelegd ter hoogte van haar vagina.5

Ontuchtige handelingen zijn handelingen van seksuele aard, die in strijd zijn met de sociaal ethische norm. De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte gepleegde handeling, te weten het over de kleding van het slachtoffer heen wrijven over haar vagina, een ontuchtig karakter heeft en dat het opzet van de verdachte hier ook op gericht is geweest. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij binnen een paar seconden zijn hand terug trok, doet daaraan niet af. De rechtbank neemt hiertoe in aanmerking dat ten tijde van het plegen van deze handeling sprake was een zeer aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de verdachte en het zeer jonge slachtoffer. Bovendien is de door de verdachte gepleegde handeling dusdanig expliciet seksueel van aard dat deze handeling, naar het oordeel van de rechtbank, als ontuchtig kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende is gebleken dat een of meer handelingen gedurende een bepaalde periode heeft/hebben plaatsgevonden. Het dossier richt zich met name op de handeling die is verricht op de verjaardag van het slachtoffer, te weten op 5 juli 2014, zodat de rechtbank het verrichten van de ontuchtige handeling op die datum wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het ontuchtige karakter op het geven van kusjes ontbreekt, nu deze handeling niet gelijktijdig met het over de kleding heen wrijven over de vagina heeft plaatsgevonden en deze handeling niet expliciet seksueel van aard is geweest. De rechtbank acht daarbij de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij het slachtoffer een kus heeft gegeven omdat zij jarig was, geloofwaardig.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte een ontuchtige handeling heeft gepleegd met [slachtoffer] , terwijl zij de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, bestaande uit het wrijven over haar kleding heen over de vagina van het slachtoffer, en dat de verdachte zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 5 juli 2014 te Gouda met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande uit het met zijn hand over haar kleding heen over de vagina van die [slachtoffer] wrijven;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van twee maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde meewerken aan behandeling bij de Waag of een soortgelijke instantie.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank ten aanzien van het ten laste gelegde feit meent dat sprake is geweest van een of meer ontuchtige handeling(en), een zodanige straf aan de verdachte dient te worden opgelegd dat het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het aantal in voorarrest doorgebrachte dagen. De verdachte en zijn ouders kunnen zich vinden in het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de kinder- en jeugdpsychiater, tot het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie. De raadsvrouw heeft verzocht in de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop en de bij de verdachte geconstateerde licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. Ook heeft zij opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van een ontuchtige handeling bij de zevenjarige dochter van een vriendin van zijn moeder. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij daarmee inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, met name nu het leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de verdachte aanzienlijk is. Het vertrouwen van het slachtoffer en haar moeder in de verdachte is geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijk misdrijf hier nog lange tijd de negatieve gevolgen van kunnen ervaren.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in 2012 reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het psychiatrisch Pro Justitia rapport van G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater d.d. 14 februari 2015 en van het psychologisch onderzoek van dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog d.d. 12 februari 2015.

Kort samengevat en zakelijk weergegeven luidt de conclusie als volgt.

Bij de verdachte is sprake van een (lichte) achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling. De ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten ADHD van het gecombineerde type, heeft de gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde vermoedelijk beïnvloed. De verdachte is ondanks behandeling gerecidiveerd. Er is sprake van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid, omdat de impulsiviteit mede uit de ADHD voortkomt. Het inlevingsvermogen van de verdachte is beperkt. De impulsiviteit kan de kans op recidive verhogen. Voortgezette behandeling bij de Waag is geïndiceerd, eventueel met medicamenteuze behandeling gericht op de impulsregulatie.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) van 9 juni 2015.

Kort samengevat en zakelijk weergegeven luidt de conclusie als volgt.

De verdachte is gediagnosticeerd met ADHD. Daarnaast is sprake van echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. De verdachte heeft moeite met het reflecteren op zijn eigen gedrag, gedachten en gevoel en inlevingsvermogen. De behandeling van de verdachte dient zich te richten op het beheersen van impulsen, het erkennen en leren omgaan met gevoelens, een beter beeld krijgen van eigen en andermans eigenschappen en het ontwikkelen van een grotere mate van inlevingsvermogen. Behandeling door de Waag, gericht op een gezonde ontwikkeling en het voorkomen van recidive, wordt in een voorwaardelijk kader toereikend geacht.

De Raad heeft geadviseerd een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich onder behandeling moet stellen van de Waag en laat begeleiden door de jeugdreclassering.

Namens de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, afdeling jeugdreclassering (verder: jeugdreclassering) is ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte individueel wordt begeleid door een behandelaar van de Waag en een systeemtherapeut. De verdachte lijkt meer inzicht te krijgen in zijn gedrag. Er is een veiligheidsplan opgesteld, waarbij ook de ouders betrokken zijn. Inmiddels is de verdachte gestart met het gebruik van medicatie. De behandelaren bij de Waag hebben de verwachting dat het inzicht van de verdachte nog kan groeien. Daar zal de behandeling zich ditmaal op richten.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapportages over en maakt die tot de hare. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden is. De verdachte heeft zich eerder schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen. Het is van belang dat het recidiverisico wordt verlaagd en dat herhaling in de toekomst wordt voorkomen. Daarom acht de rechtbank toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering aangewezen en ziet zij aanleiding als bijzondere voorwaarden op te leggen dat de verdachte zijn medewerking dient te verlenen aan behandeling bij de Waag.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAREN BUITEN ECHT ONTUCHTIGE HANDELINGEN PLEGEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 2 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west, afdeling jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Kramer, kinderrechter, voorzitter,

mr. V.J. de Haan, kinderrechter,

en mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014188897, doorgenummerd van blz. 1 t/m 83

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 28 t/m 34 en proces-verbaal van bevindingen, studioverhoor getuige [slachtoffer] , blz. 40 t/m 56

3 Proces-verbaal informatief gesprek zeden, blz. 23 t/m 27 en proces-verbaal van aangifte door [moeder slachtoffer] , blz. 28 t/m 34

4 Proces-verbaal van bevindingen, studioverhoor getuige [slachtoffer] , blz. 40 t/m 56

5 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 22 oktober 2015