Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
09/777180-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot straatroof. Het slachtoffer is naar aanleiding van een reactie op zijn marktplaatsadvertentie van zijn scooter op een afspraak met de medeverdachte verschenen. Vervolgens werd hij daar geconfronteerd met fysiek geweld door drie mannen en werd gepoogd om het slachtoffer van zijn scooter te beroven.

De verdachte mag van geluk spreken dat de taser of het stroomstootwapen, dat gericht was op de nek van het slachtoffer, geen (ernstig) letsel heeft opgeleverd. Het vertrouwen van het slachtoffer in de goede bedoelingen van een potentiële koper van zijn scooter is geschaad.

Dergelijke (pogingen tot) berovingen zijn zeer ernstig en veroorzaken sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder. Bovendien wekken dergelijke feiten verontwaardiging op in de maatschappij, mede gezien het kennelijke gemak waarmee berovingen worden gepleegd en het gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777180-14

Datum uitspraak: 16 juli 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te ’ [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 2 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.B. Peters, advocaat te Zoetermeer, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 maart 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een motorscooter, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen zich naar voornoemde [aangever] heeft begeven en/of een taser/stroomstootwapen tegen de nek/jas van die [aangever] heeft geduwd en/of een steen/stok tegen het hoofd van die [aangever] gegooid en/of voornoemde motorscooter vast heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht 

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het jeugdstrafrecht heeft een bijzonder karakter. De strafrechtelijke reactie dient snel, doeltreffend en op maat te zijn. Het Openbaar Ministerie dient hier rekening mee te houden. De rechtbank Amsterdam heeft daartoe overwogen dat het Openbaar Ministerie zich ook heeft gecommitteerd aan de zogenoemde Kalsbeeknorm en dat tussen het eerste verhoor van de minderjarige verdachte en de beslissing van de kinderrechter in beginsel een periode van maximaal zes maanden dient te liggen (Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6632).

Ook de Europese regelgeving is in dit kader van belang, waarin is vastgelegd dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen en dat ieder kind de garantie heeft dat zonder vertraging door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of gerechtelijke instantie wordt beslist. Ook het VN Kinderrechtencomité heeft hier aandacht aan besteed.

Voorts stelt de rechtbank Amsterdam dat het standpunt van de Hoge Raad, inhoudende dat een overschrijding van de redelijke termijn nimmer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging leidt daar waar het gaat om de vervolging van minderjarige verdachten, genuanceerd dient te worden.

De raadsman heeft voorts gewezen op een andere uitspraak van de rechtbank Amsterdam (Rechtbank Amsterdam, 7 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8048).

In de zaak van de verdachte zijn al langere tijd geen handelingen uitgevoerd en het feit heeft niet veel onderzoek gevergd. Op het moment dat de voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeschort in juli 2014, was het dossier al zo goed als rond.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

In de onderhavige zaak kan overschrijding van de redelijke termijn niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In de door de raadsman naar voren gebrachte uitspraken van de rechtbank Amsterdam is sprake van eenvoudige misdrijven. In die omstandigheden is het voorstelbaar dat overschrijding van de redelijke termijn in die zaken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft geleid. De Hoge Raad heeft duidelijke richtlijnen geformuleerd waarbij het uitgangspunt is dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging leidt, tenzij sprake is van uitzonderlijke gevallen. Daarin moeten alle omstandigheden worden meegewogen.

3.3

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer van de raadsman. Zij overweegt daartoe dat de arresten van de Hoge Raad leidend zijn voor de lagere rechtspraak. De lagere gerechtelijke instanties brengen in bijzondere gevallen nuanceringen aan op de regels welke door de Hoge Raad zijn geformuleerd.. Het VN-Kinderrechtencomité heeft aandacht besteed aan de kwestie van onnodige vertraging in het strafproces van minderjarige verdachten, maar dan in het bijzonder in geval van vrijheidsberoving in het kader van voorlopige hechtenis. Daar is in de onderhavige zaak geen sprake van. De voorlopige hechtenis van de verdachte is vorig jaar, op 30 juli 2014 opgeschort.

Ook om een andere reden kunnen de door de raadsman genoemde uitspraken van de rechtbank Amsterdam in deze zaak geen navolging verdienen. In de uitspraak van 7 oktober 2013 was sprake van een eenvoudige strafzaak, welke is afgehandeld door de kinderrechter en was er in die zaak sprake van een tijdsverloop van 27 maanden. De uitspraak van 7 november 2013 betrof een leerplichtzaak. In die zaak ging het om het schoolverzuim dat twee jaren voor de behandeling ter terechtzitting had plaatsgevonden. De verdachte was op dat moment inmiddels meerderjarig geworden en had zijn opleiding succesvol afgerond.

Nu in de onderhavige zaak de verdachte niet in voorlopige hechtenis zit, het een ernstig strafbaar feit betreft en het tijdsverloop niet onaanvaardbaar lang is, is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 16 maart 2014 is in Den Haag een poging gedaan tot de diefstal in vereniging van de motorscooter van het merk Gilera, type Runner van de heer [aangever] (verder: de aangever).2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte betrokken is geweest bij voornoemde poging tot diefstal met geweld in vereniging en zo ja, op welke wijze dit feit gekwalificeerd dient te worden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de tenlastegelegde poging tot diefstal met geweld in vereniging bepleit. De verdachte ontkent het feit en er bestaat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De verdachte heeft verklaard dat hij thuis was, welke verklaring door de moeder van de verdachte is bevestigd. Hij is op 16 maart 2014 van 17:00 uur tot 18:00 uur van huis geweest, terwijl het incident heeft plaatsgevonden om 18:30 uur. Hier kan de verdachte dus niet bij betrokken zijn geweest.

Hoewel een WhatsApp-bericht zou zijn gestuurd naar de aangever met het telefoonnummer dat toebehoorde aan de verdachte, heeft de verdachte telkens verklaard dat hij zijn telefoon geruime tijd voor 16 maart 2014 was kwijtgeraakt. Ook deze verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de verklaring van de moeder van de verdachte.

De fotoconfrontatie met de aangever is gemanipuleerd en niet naar behoren verlopen, zodat deze dient te worden uitgesloten van het bewijs. De in eerste instantie aan aangever getoonde foto’s zijn gefotoshopt.

Op basis van het gesprek tussen [medeverdachte] en een onbekende man, weergegeven bovenaan pagina 135 van het procesdossier, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer [06-nummer] , dat dit gesprek heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [medeverdachte] en dat de inhoud van dit gesprek enig verband heeft met het ten laste gelegde feit. Het enkele feit dat [medeverdachte] en de verdachte vrienden zijn en eerder door de politie samen zijn aangetroffen tijdens een controle biedt geen steunbewijs in deze zaak.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het aanvullende proces-verbaal, dat de raadsman een dag voor de zitting heeft ontvangen, dient te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft onvoldoende gelegenheid gehad dit aanvullend proces-verbaal te bespreken met de verdachte.

Indien de rechtbank van oordeel is dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, kan zij volgens de raadsman slechts komen tot een poging diefstal. Het geweld kan op grond van de verklaring van de aangever niet worden aangenomen, aldus de raadsman.

De rechtbank merkt op dat ter terechtzitting onduidelijkheid is ontstaan over de door de raadsman overgelegde verschillende pleitnotities, nadat de voorzitter de raadsman om duidelijkheid heeft verzocht welk gedeelte van de pleitnotitie onder het kopje “Foslo” dient te worden weggestreept, bleek dat de volgende passage te zijn:

‘Voorts was cliënt de enige persoon op de getoonde foto’s met een bril. Naar aanleiding hiervan zijn de gebruikte foto’s aangepast. Het kwaad was echter toen al geschied omdat de beïnvloeding van de aangever reeds had plaatsgevonden.”

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Bewijsuitsluiting

De raadsman heeft gepleit voor bewijsuitsluiting van de fotoconfrontatie met de aangever en het aanvullende proces-verbaal, voorzien van nummer PL1500-2014053663-57.

De rechtbank is van oordeel dat de fotoconfrontatie met de aangever niet van het bewijs zal worden uitgesloten. Hoewel de politie gebruik heeft gemaakt van een ongelukkige woordkeuze door in het proces-verbaal simulatie fotobewijsconfrontatie op pagina 177 aan te geven dat de foto van de [verdachte] bewerkt is, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan leiden tot bewijsuitsluiting. Door het Pelle-kapsel (naar de rechtbank begrijpt: een kapsel zoals voetballer Graziano Pellè) van de [verdachte] op de foto aan te passen, viel de verdachte minder op tussen de foto’s van de figuranten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de fotoconfrontatie voor de aangever eerder bemoeilijkt. Desalniettemin heeft de aangever bij de foto van de verdachte aangegeven “Die is het zeker en zijn gezicht trekt mij heel erg aan met de bril”.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het aanvullende proces-verbaal, zoals door de raadsman en de rechtbank van de officier van justitie is ontvangen op 1 juli 2015, te weten een dag voor de zitting, niet zal worden uitgesloten van het bewijs. Het aanvullende proces-verbaal is op een laat moment in de procedure ingebracht. Het is echter niet omvangrijk en bevat geen nieuwe informatie. De raadsman heeft aangegeven dat hij niet in de gelegenheid was om het aanvullende proces-verbaal voor de zitting met de verdachte te bespreken. Ter terechtzitting is de raadsman in de gelegenheid gesteld het aanvullende proces-verbaal alsnog te bespreken met de verdachte, hier wenste hij echter geen gebruik van te maken. Het aanvullende proces-verbaal is op verzoek van de officier van justitie ter terechtzitting voorgehouden en besproken, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet het bewijsmiddel uit te sluiten van het bewijs.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Aangifte [aangever]

De aangever heeft verklaard dat hij zijn motorscooter van het merk Gilera, type Runner, wilde verkopen en daartoe een marktplaatsadvertentie had geplaatst. Op 16 maart 2014 werd hij naar aanleiding van de advertentie gebeld door een anoniem telefoonnummer. De aangever maakte een afspraak voor later die dag, om 18:30 uur, bij het pannenkoekenhuis op het Malieveld te Den Haag. Tussen 17:30 uur en 18:30 uur had de aangever zes oproepen gemist. Om 18:12 uur ontving hij een WhatsApp-bericht van het telefoonnummer [06-nummer] met de vraag of de afspraak nog door zou gaan. De aangever heeft de afspraak vervolgens bevestigd. Bij het Malieveld ontmoette de aangever een jongen bij de skatebaan achter het pannenkoekenhuis. De aangever is ervan overtuigd dat dit dezelfde jongen was als die hij eerder aan de telefoon had gesproken. Nadat de aangever een tijd stond te praten met deze jongen, zag de aangever de jongen weglopen naar twee jongens die bij de skatebaan zaten. Vervolgens kwamen de drie jongens in de richting van de aangever lopen. De jongen die de scooter wilde kopen stond achter de aangever te draaien en pakte iets uit zijn jaszak. De aangever voelde dat iets tegen zijn jas ter hoogte van zijn nek werd geduwd en hoorde een tikkend geluid zoals “tak, tak, tak”. De jongen probeerde een taser tegen de rechterzijde van de nek van de aangever te duwen. De aangever viel samen met de scooter om. Toen de aangever zag dat de andere twee jongens de scooter pakten, haalde hij een ploertendoder uit zijn zak en rende hij naar de jongens toe. De jongens lieten de scooter los en gingen achteruit. Toen de aangever zijn scooter pakte, kwamen de jongens opnieuw op hem af. Dit ging een aantal keer zo door totdat de aangever kans zag de scooter met draaiende motor van de grond te pakken en weg te rijden. Tijdens het verdedigen van de motorscooter werd een steen of stok tegen het gezicht van de aangever gegooid door de jongen met de taser. Als gevolg daarvan heeft de aangever een klein wondje boven zijn rechteroog.

De aangever gaf de volgende signalementen van de drie jongens:

  • -

    de jongen die de scooter wilde kopen: getint uiterlijk (Turks of Marokkaans), 1.78 meter lang, slank postuur, glimmende zwarte jas tot zijn middel, witte capuchon, zwarte joggingbroek, glimmende zwarte sneakers;

  • -

    jongen 2: Antilliaans uiterlijk, Pelle-kapsel, slank postuur, ongeveer 1.80 meter lang, brildragend, donkere spijkerbroek, donkere gewatteerde jas;

  • -

    jongen 3: Antilliaans uiterlijk, Pelle-kapsel slank postuur, ongeveer 1.78 meter lang, donkere spijkerbroek, donkere jas soortgelijk aan de jas van jongen 2.3

De aangever heeft voorts verklaard dat de leeftijd van de drie verdachten rond de 15 of 16 jaar zou zijn.4

Bevindingen politie

Onderzoek door de politie heeft de volgende bevindingen opgeleverd.

[verbalisant 1] heeft de camerabeelden bekeken van de eigenaar van het pannenkoekenhuis, gevestigd op het Malieveld. De beelden van 16 maart 2014 zijn afkomstig van een camera die is bevestigd aan de achterzijde van het pannenkoekenhuis.

De verbalisant ziet om 18:49:16 uur twee mannen met een scooter lopen op de Koekamplaan in de richting van de Boslaan. De eerste man is gekleed in een donkere broek en een donkere jas met daaronder een witte capuchon. Om 18:49:45 uur lopen de mannen uit beeld. Om 18:55:30 lopen twee mannen vanaf het grasveld naar de skatebaan en gaan op een bankje zitten. Om 18:58:02 uur komt een jongen, gekleed in donkere jas en broek, petje en capuchontrui, aan rennen. Hij praat met de twee mannen op het bankje. Vervolgens staan de mannen op en lopen zij met de andere man mee in de richting van de Boslaan. Om 19:08:33 uur loopt een man in de richting van de Koningskade. Hij heeft een voorwerp in zijn hand dat zichtbaar felle lichtflitsen afgeeft. Om 19:08:49 uur rijdt een man op een scooter hard vanuit de Boslaan in de richting van de Koningskade. Een van de mannen loopt hard naar de scooter maar komt er niet bij. Om 19:09:20 uur rennen drie mannen in de richting van de Koningskade.5

[verbalisant 2] heeft onderzoek verricht naar het mobiele telefoonnummer [06-nummer] . Uit de zoekmachine “google”, waar voornoemd nummer werd ingevoerd, bleek dit nummer gekoppeld te zijn aan het [instagram account] .6

Aan dit account is een foto gekoppeld, welke is bijgevoegd bij het proces-verbaal.7

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de persoon op de foto is en dat deze foto is gekoppeld aan zijn Facebook-account.8

Uit onderzoek door de politie is gebleken dat als verdachte van de poging tot diefstal kon worden aangemerkt: [medeverdachte] . Deze verdenking werd gebaseerd op de volgende omstandigheden:

  • -

    [medeverdachte] werd op 27 februari 2014 gehoord als verdacht van diefstal/heling van scooterkappen. Tijdens dit verhoor gaf [medeverdachte] aan dat hij bereikbaar was op onder andere het telefoonnummer [06-nummer] ;

  • -

    Op 8 maart 2014 wordt melding gemaakt van de controle van een motor, Gilera Runner. [06-nummer] was op dat moment in gezelschap van [verdachte] .9

Telefoontaps

De politie heeft de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] in de periode van

27 maart 2014 tot en met 10 april 2014 opgenomen en afgeluisterd nadat [medeverdachte] telefonisch is uitgenodigd op het politiebureau te verschijnen ter zake een straatroof.10

Op 31 maart 2014 te 14:43:09 uur belt [medeverdachte] met het telefoonnummer [06-nummer] . In dit gesprek vertelt [medeverdachte] dat hij naar het politiebureau gaat.

Op 31 maart 2014 te 16:35 uur belt [medeverdachte] opnieuw met het telefoonnummer [06-nummer] . De man aan de andere kant van de lijn zegt dat hij [naam] is en niet [verdachte] en dat [verdachte] in de straat aan het chillen is met [naam] . De politie heeft geconstateerd dat het zeer aannemelijk is dat [verdachte] de gebruiker is van het mobiele telefoonnummer [06-nummer] .11

Op 31 maart 2014 te 16:49 uur belt [medeverdachte] met het telefoonnummer [06-nummer] . De man aan de lijn zegt: “ [verdachte] zeg effe wat”. Vervolgens komt [verdachte] aan de lijn en wordt door [verdachte] aan [medeverdachte] gevraagd: “Wat het je gezegd dan?” en “Wat hebben ze gevraagd dan?”.12

Op 1 april 2014 te 16:19 uur belt [medeverdachte] met het telefoonnummer [06-nummer] . In dit gesprek geeft de man aan de andere kant van de lijn aan dat hij heeft gehoord dat er iets is gebeurd. [medeverdachte] zegt: “ja man ik moet morgen voor die dinges, kankerzooi man”. Vervolgens zegt de man: “Als je mijn naam ook noemt, nou ja je gaat in de fik, ja?”.13

De politie heeft de gesprekken, gevoerd met de telefoon met telefoonnummer [06-nummer] , vermoedelijk toebehorende aan [verdachte] , in de periode van 4 juli 2014 tot en met

18 juli 2014 opgenomen en afgeluisterd nadat [verdachte] op 7 juli 2014 schriftelijk en op 9 juli 2014 te 16:00 uur na telefonisch contact met de moeder van [verdachte] , is uitgenodigd op het politiebureau te verschijnen ter zake een straatroof.14

Op 9 juli 2014 te 17:24:12 uur wordt het telefoonnummer van [verdachte] gebeld. De man aan de andere kant van de lijn zegt: “ [verdachte] ?”. Waarop de andere persoon zegt: “Ja”. Vervolgens zegt de man aan de andere kant van de lijn: “Maandag ga je vastzitten voor die motorrunner, ik zweer ze hebben net jouw moeder gebeld en [naam] ”.15

De politie heeft geconstateerd dat het telefoonnummer [06-nummer] daadwerkelijk, zoals vermoed werd, in gebruik is bij de verdachte [verdachte] .16

Telefoongegevens

De verdachte heeft op 17 maart 2014 bij de politie verklaard dat hij ongeveer een week eerder zijn telefoon kwijt is geraakt en dat hij deze telefoon regelmatig heeft gebeld via de telefoon van een vriend.17

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoon op 7 of 8 maart 2014 is kwijtgeraakt en dat hij drie of vier keer heeft gebeld naar deze telefoon.18

Uit nader onderzoek door de politie is gebleken dat tussen 6 maart 2014 en het moment dat de verdachte bij de politie is gehoord op 17 maart 2014 tweemaal is gebeld naar het telefoonnummer [06-nummer] . Beide keren werd voornoemd nummer gebeld door een telefoonnummer waarvoor een KPN-abonnement was afgesloten op naam van de VTS Politie Nederland.19

Fotoconfrontatie

Bij een fotoconfrontatie waarbij de aangever een fotoselectie van acht foto’s is getoond, werd door de politie waargenomen dat de aangever direct kijkt naar de foto van de verdachte en daarnaar blijft kijken. Op de vraag of de bedoelde persoon zich in de selectie bevond, heeft de aangever verklaard dat hij het zeker is en dat zijn gezicht de aangever erg aantrekt met de bril.20

Conclusie van de rechtbank

Dat de situatie bij het Malieveld in Den Haag op 16 maart 2014 is verlopen zoals door de aangever is beschreven, wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de camerabeelden afkomstig van het pannenkoekenhuis. Uit deze beelden blijkt dat sprake is van een situatie waarbij een man met een scooter en drie andere mannen betrokken zijn. De twee mannen bij de skatebaan worden op de beelden gezien. Ook wordt gezien dat één van de mannen een capuchon draagt en dat één van de mannen een voorwerp in zijn hand heeft dat lichtflitsen afgeeft. Vervolgens wordt bevestigd dat een man op een scooter hard wegrijdt, dat één van de andere mannen daar achteraan rent en dat drie mannen vervolgens in een andere richting rennen. De tijdstippen op de camerabeelden komen overeen met de verklaring van de aangever. Gelet op vorenstaande overeenkomsten, acht de rechtbank de verklaring van de aangever betrouwbaar en derhalve wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een poging tot diefstal met geweld in vereniging.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat voldoende is gebleken dat de verdachte betrokken is geweest bij de poging tot diefstal met geweld op 16 maart 2014. De rechtbank gaat ervan uit dat met de telefoon van de [medeverdachte] is gebeld met de aangever naar aanleiding van de marktplaatsadvertentie van de motorscooter van de aangever. Dat de verdachte degene is geweest die een WhatsApp-bericht heeft gestuurd naar de aangever en de aangever vervolgens, samen met de medeverdachten, heeft ontmoet bij het Malieveld in Den Haag, is voor de rechtbank voldoende gebleken uit het volgende. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat aan het nummer [06-nummer] het [instagram account] is gekoppeld. De foto behorende bij dit Instagram-account is ter terechtzitting aan de verdachte getoond, waarop de verdachte heeft verklaard dat hij de persoon op de foto is.

De verklaring van de verdachte, dat hij zijn telefoon met nummer [06-nummer] rond 7 maart 2014 is kwijtgeraakt en dus niet gebruikt kan hebben voor het versturen van een WhatsApp-bericht naar de aangever, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze verklaring vindt geen steun in het dossier. Ook de verklaring van de verdachte dat hij zijn telefoon heeft gebeld nadat hij deze is kwijtgeraakt gaat niet op. Dit blijkt immers niet uit de historische verkeersgegevens waarnaar door de politie uitvoerig onderzoek is verricht. Ook de verklaring van de moeder van de verdachte, inhoudende dat de verdachte zijn telefoon is kwijtgeraakt, acht de rechtbank in voornoemd verband onaannemelijk.

Dat de verdachte betrokken was bij de straatroof op 16 maart 2014 blijkt volgens de rechtbank ook uit het volgende. Uit de diverse telefoontaps is gebleken dat de medeverdachte [medeverdachte] belt met het telefoonnummer [06-nummer] , waarvan later op basis van de inhoud van de gesprekken is geconstateerd dat ook dit telefoonnummer toebehoort aan de verdachte, en dat zij spreken over de politie en over hetgeen [medeverdachte] gezegd zou hebben.

In een ander gesprek lijkt [medeverdachte] contact te hebben met een derde verdachte, die [medeverdachte] waarschuwt om zijn naam niet te noemen. Dat een derde verdachte betrokken is bij het incident blijkt ook uit de verklaring van de aangever.

De verdachte wordt, vlak nadat zijn moeder telefonisch op de hoogte is gesteld van de uitnodiging dat de verdachte zich dient te melden op het politiebureau, gebeld door een onbekend gebleven persoon. Deze persoon waarschuwt de verdachte dat zijn moeder is gebeld en dat hij zal gaan vastzitten voor die motorrunner.

Uit de fotoconfrontatie met de aangever is voldoende gebleken dat de aangever de verdachte herkent als betrokken persoon bij de poging tot diefstal met geweld. Daarbij heeft de aangever ook verklaard dat het gezicht met de bril hem heel erg aantrekt. Dit komt overeen met het signalement dat de aangever eerder in zijn aangifte heeft gegeven van jongen 2. Dit sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat de verdachte betrokken is geweest bij de poging tot diefstal met geweld in vereniging.

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen, acht de rechtbank de verklaring van de moeder, inhoudende dat de verdachte op 16 maart 2014 thuis was vanaf 18:00 uur, niet geloofwaardig.

De rechtbank is gelet op vorenstaande bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang en verband bezien – van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan de poging tot diefstal met geweld.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 16 maart 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een motorscooter, toebehorende aan [aangever] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld tegen die [aangever] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, met zijn mededaders zich naar voornoemde [aangever] heeft begeven en een taser/stroomstootwapen tegen de nek/jas van die [aangever] heeft geduwd en een steen/stok tegen het hoofd van die [aangever] gegooid en voornoemde motorscooter vast heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, en tot jeugddetentie voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft een blanco strafblad, hij is van jonge leeftijd, het voorarrest heeft lange tijd geduurd en de fotoconfrontatie met de aangever is gemanipuleerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot straatroof. Het slachtoffer is naar aanleiding van een reactie op zijn marktplaatsadvertentie van zijn scooter op een afspraak met de medeverdachte verschenen. Vervolgens werd hij daar geconfronteerd met fysiek geweld door drie mannen en werd gepoogd om het slachtoffer van zijn scooter te beroven.

De verdachte mag van geluk spreken dat de taser of het stroomstootwapen, dat gericht was op de nek van het slachtoffer, geen (ernstig) letsel heeft opgeleverd. Het vertrouwen van het slachtoffer in de goede bedoelingen van een potentiële koper van zijn scooter is geschaad.

Dergelijke (pogingen tot) berovingen zijn zeer ernstig en veroorzaken sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder. Bovendien wekken dergelijke feiten verontwaardiging op in de maatschappij, mede gezien het kennelijke gemak waarmee berovingen worden gepleegd en het gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

De rechtbank weegt mee dat de verdachte in het verleden niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van 24 juni 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming. Uit voornoemde rapportage blijkt dat de Raad zich enige zorgen maakt over het functioneren van de verdachte. Indien het aandeel van de verdachte in het strafbare feit groter is dan hij zelf zegt, zal meer zicht moeten komen op de factoren die een rol hebben gespeeld bij het plegen van het feit. Het is positief dat al langere tijd geen meldingen betreffende de verdachte voorkomen bij de politie en dat de verdachte zijn VMBO-diploma heeft behaald. Verdere begeleiding van de verdachte door de jeugdreclassering is niet geïndiceerd.

De Raad heeft geadviseerd een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemd rapport en zal het gegeven advies opvolgen.

De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf van na te melden duur, conform de vordering van de officier van justitie, passend en geboden is. De door de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd zal op deze werkstraf, naar de wettelijke maatstaf, in mindering worden gebracht. Gelet op de ernst van het feit, is de rechtbank voorts van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie passend is, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

POGING TOT DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 100 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 50 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

jeugddetentie voor de duur van 1 MAAND;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014053663

2 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , blz. 108 t/m 110

3 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , blz. 108 t/m 110

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 119

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 128

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 125

7 Een afschrift van een print screen van het [instagram account] , blz. 126 en 127

8 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2015

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 129

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 134

11 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 135

12 Proces-verbaal van bevindingen, bovenste schema gespreksuitwerking, blz. 136

13 Proces-verbaal van bevindingen, onderste schema gespreksuitwerking, blz. 136

14 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 174

15 Proces-verbaal van bevindingen, woordelijke uitwerking van het gesprek, blz. 174

16 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 175

17 Proces-verbaal verhoor [verdachte] , blz. 43, vierde en zevende alinea

18 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2015

19 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1500-2014053663-57, ongenummerd

20 Proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie met de getuige [aangever] , blz. 179