Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:15070

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
09/197465-14 en 09/777181-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot straatroof. Het slachtoffer is naar aanleiding van een reactie op zijn marktplaatsadvertentie van zijn scooter op een afspraak met de verdachte verschenen. Vervolgens werd hij daar geconfronteerd met fysiek geweld door drie mannen en werd gepoogd om het slachtoffer van zijn scooter te beroven.

De verdachte mag van geluk spreken dat de taser of het stroomstootwapen, dat gericht was op de nek van het slachtoffer, geen (ernstig) letsel heeft opgeleverd. Het vertrouwen van het slachtoffer in de goede bedoelingen van een potentiële koper van zijn scooter is geschaad.

Dergelijke (pogingen tot) berovingen zijn zeer ernstig en veroorzaken sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder. Bovendien wekken dergelijke feiten verontwaardiging op in de maatschappij, mede gezien het kennelijke gemak waarmee berovingen worden gepleegd en het gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen één persoon. Daarbij is het voor de verdachte bekende slachtoffer door de verdachte en de medeverdachten aangesproken en meegenomen de hoek om, een andere straat in. Het slachtoffer is vervolgens met geweld naar de grond gewerkt en daar in enigszins machteloze toestand geconfronteerd met fysiek geweld door meerdere personen. Door het alerte reactievermogen van het slachtoffer, en niet door enig aan de verdachte toe te rekenen omstandigheid, is het letsel van het slachtoffer minimaal gebleven. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zonder enige reden geweld gebruikt richting een persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/197465-14 en 09/777181-14

Datum uitspraak: 16 juli 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de (door de kinderrechter naar de meervoudige strafkamer verwezen) zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] [verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 maart 2015 en

2 juli 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. S.I. Kouwenhoven, advocaat te Naaldwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


in de zaak met parketnummer 09/197465-14:
hij op of omstreeks 21 mei 2014 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Joubertplantsoen en of de Smitstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het omsingelen van die [slachtoffer 1] en het bij de nek pakken van die [slachtoffer 1] en/of het meetrekken van die [slachtoffer 1] en/of het geven van een knietje tegen die [slachtoffer 1] en/of het schoppen tegen de achterkant van de knie van die [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam en/of het slaan en/of schoppen tegen die [slachtoffer 1] ;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

in de zaak met parketnummer 09/777181-14:

hij op of omstreeks 16 maart 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een motorscooter, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen zich naar voornoemde [slachtoffer 2] heeft begeven en/of een taser/stroomstootwapen tegen de nek/jas van die [slachtoffer 2] heeft geduwd en/of een steen/stok tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] gegooid en/of voornoemde motorscooter vast heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/197465-141

3.1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 21 mei 2014 is in Den Haag openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] .2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte betrokken is geweest bij voornoemde openlijke geweldpleging.

3.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de tenlastegelegde openlijke geweldpleging bepleit. De verdachte ontkent directe betrokkenheid bij het feit. De verschillende verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn onduidelijk en stemmen niet met elkaar overeen. Nadat de aangevers op verzoek van de raadsman opnieuw zijn gehoord door de politie, verklaren de aangevers wederom anders en verschillend. Aangever [slachtoffer 4] verklaart over een verdachte die niet voldoet aan het signalement van de verdachte. Er wordt gesproken over jongens met een Marokkaans uiterlijk. Buiten de aangevers zijn er geen onafhankelijke getuigen die iets over het aandeel van de verdachte kunnen zeggen. Er zijn voldoende twijfels of de verdachte geen daadwerkelijk aandeel in de openlijke geweldpleging heeft gehad.

3.1.3

De beoordeling van de tenlastelegging.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Aangever [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 21 mei 2014 op school, het [School] , hoorde dat [verdachte] met hem wilde vechten. [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij niet wilde vechten zonder reden. Vervolgens is [slachtoffer 1] met [slachtoffer 3] naar het Joubertplantsoen gegaan. Daar was ook de neef van [slachtoffer 3] (naar later bleek: [slachtoffer 4] ). Plotseling kwamen vijftien personen naar [slachtoffer 1] toe. [slachtoffer 1] zag dat de [verdachte] bij deze groep zat en hoorde [verdachte] zeggen dat hij wilde vechten. De groep stond achter [verdachte] en omsloot [slachtoffer 1] . Toen hij wilde weglopen, werd hij telkens teruggeduwd en teruggetrokken. [slachtoffer 1] werd bij zijn nek gepakt door een jongen met een Marokkaans uiterlijk en de Smitstraat in getrokken. De rest van de groep volgde. Vervolgens kreeg [slachtoffer 1] een knietje en voelde hij een trap tegen de achterkant van zijn knie waardoor hij ten val kwam. [slachtoffer 1] struikelde en kon met moeite op handen en voeten uit het strijdgewoel komen.3

[slachtoffer 1] heeft vervolgens verklaard dat [verdachte] op het Joubertplantsoen voorop liep in een groep van ongeveer 30 personen. De groep kwam rechtstreeks op [slachtoffer 1] af. [slachtoffer 1] hoorde [verdachte] vragen waarom [slachtoffer 1] wilde vechten. [slachtoffer 1] zei dat hij geen reden had om met [verdachte] te vechten. De Marokkaanse jongen die naast [verdachte] stond zei dat [slachtoffer 1] even mee moest lopen om te praten. [slachtoffer 1] voelde dat de Marokkaanse jongen hem bij zijn nek pakte. Op het moment dat [slachtoffer 1] zei dat hij gewoon wilde praten en de hand van de Marokkaanse jongen weg duwde, werd hij opnieuw bij zijn nek gepakt. [verdachte] stond vlak achter deze jongen en liep mee. [verdachte] zei verder niets. De Marokkaanse jongen gaf [slachtoffer 1] een schop en raakte hem in zijn knieholte waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam. Terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, zag hij dat [verdachte] een snelle, harde, schoppende beweging maakte richting de ribben van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] blokte deze trap met zijn arm, waardoor zijn arm pijn deed. [slachtoffer 1] kon snel opstaan en zag dat [verdachte] met zijn vuisten naar hem uithaalde, gericht op zijn hoofd. [slachtoffer 1] voelde dat hij twee of drie keer werd geraakt door de vuisten van [verdachte] . Deze slagen kon [slachtoffer 1] met zijn handen afweren. Vervolgens kregen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] nog klappen vanuit de groep.4

Aangever [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 21 mei 2014 op school hoorde dat een vechtpartij zou plaatsvinden en dat [verdachte] met [slachtoffer 1] wilde vechten. Een groep van ongeveer tien personen kwam in de richting van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] gelopen en een Marokkaanse jongen uit de groep zei tegen [slachtoffer 1] “Als je [verdachte] slaat, dan sla ik je tanden eruit”. Op het moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wegliepen, hoorde [slachtoffer 3] iemand uit de groep zeggen dat [verdachte] had gebeld dat de vechtpartij door zou gaan. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] liepen vervolgens naar het Joubertplantsoen waar zij [slachtoffer 4] , de neef van [slachtoffer 3] , zagen. Vervolgens zag [slachtoffer 3] dat een groep van ongeveer 20 personen in hun richting kwam gelopen. [slachtoffer 3] zag dat [verdachte] en een paar personen uit de eerdere groep onderdeel waren van de groep. Nadat een Marokkaanse jongen zei dat [verdachte] en [slachtoffer 1] het moesten uitpraten, zag [slachtoffer 3] dat [slachtoffer 1] , [verdachte] , de Marokkaanse jongen en de rest van de groep de hoek om liepen, de Smitstraat in. Vervolgens zag [slachtoffer 3] dat [verdachte] en de hele groep [slachtoffer 1] begon de slaan en te schoppen. [slachtoffer 1] viel naar achteren.5

[slachtoffer 3] heeft vervolgens verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] door [verdachte] en een jongen die het woord deed, werd gedwongen om de hoek om te lopen. Zij duwden of trokken [slachtoffer 1] de hoek om. Het was duidelijk dat [slachtoffer 1] niet zelf de hoek om liep. [slachtoffer 3] zag goed dat [slachtoffer 1] hard werd geduwd door de jongen, waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam. Terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, zag [slachtoffer 3] dat [slachtoffer 1] hard werd geslagen door [verdachte] . [slachtoffer 3] zag [slachtoffer 1] vervolgens in elkaar kruipen. De andere jongen schopte [slachtoffer 1] . Vervolgens zag [slachtoffer 3] dat de groep voorbij [verdachte] liep en [slachtoffer 1] omsloot.6

Aangifte [slachtoffer 4]

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij zich op 21 mei 2014 bevond op het Joubertplantsoen in Den Haag en dat hij daar zijn neef [slachtoffer 3] en diens vriend [slachtoffer 1] zag. [slachtoffer 4] zag dat een groep jongens, bestaande uit vijftien tot twintig personen, aan kwam lopen. Een Marokkaanse jongen uit de groep liep op [slachtoffer 1] af, pakte hem in zijn nek en trok hem de hoek om de Smitstraat in. De groep liep mee en [slachtoffer 4] zag dat [slachtoffer 1] werd geslagen door de Marokkaanse jongen. [slachtoffer 1] werd geschopt, geslagen en tegen de grond geduwd.7

Getuige [getuige]

[getuige] heeft verklaard dat [verdachte] een van de jongens was die ruzie had met een jongen van het [School] . [getuige] heeft voorts verklaard dat hij bevriend is met [verdachte] . De Marokkanen die bij de vechtpartij betrokken waren zeiden allemaal dat zij bij [verdachte] hoorden.8

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij op 21 mei 2014 naar het Joubertplantsoen is gegaan met de intentie om de situatie uit te praten met [slachtoffer 1] .9

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] betrouwbaar zijn. De verklaringen komen op belangrijke punten overeen. Zij verklaren beiden over de situatie dat [verdachte] wilde vechten met [slachtoffer 1] , dat zij werden aangesproken door een groep jongens, dat zij vervolgens een groep jongens op het Joubertplantsoen zagen, dat [slachtoffer 1] werd aangesproken door een Marokkaanse jongen, dat de verdachte daarbij stond, dat [slachtoffer 1] om de hoek naar de Smitstraat werd meegenomen en daar vervolgens werd geschopt, geslagen en naar de grond werd gewerkt. Overigens worden voornoemde handelingen ook bevestigd door de verklaring van aangever [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] heeft niet specifiek verklaard over de verdachte, maar wel over de situatie op het Joubertplantsoen en in de Smitstraat en het geweld dat richting [slachtoffer 1] is gebruikt.

De verklaring van de verdachte dat hij niets met de vechtpartij te maken heeft en dat hij slechts naar het Joubertplantsoen is gekomen om met [slachtoffer 1] te praten en niet om te vechten, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Deze verklaring van de verdachte vindt geen steun in het dossier en er bestaat geen logische verklaring voor de situatie dat de verdachte slechts naar [slachtoffer 1] toe kwam om te praten, vervolgens geweld tegen hem is gebruikt door de andere jongens, terwijl de verdachte vanaf een afstand heeft toegekeken. Het was tenslotte het conflict van de verdachte. Overigens blijkt uit de verklaring van [getuige] – die nota bene heeft verklaard bevriend te zijn met de verdachte – dat hij de Marokkaanse jongens die bij de vechtpartij betrokken waren, hoorde zeggen dat zij bij de verdachte hoorden.

De rechtbank stelt derhalve vast dat [verdachte] met een groep jongens naar [slachtoffer 1] is gekomen op het Joubertplantsoen en dat daar vervolgens geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 1] .

De rechtbank is, gelet op voornoemde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang en verband bezien – van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich op 21 mei 2014 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/777180-1410

3.2

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 16 maart 2014 is in Den Haag een poging gedaan tot de diefstal in vereniging van de motorscooter van het merk Gilera, type Runner van de heer [slachtoffer 2] ). Daarbij is door de daders geweld gebruikt richting de aangever.11

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte betrokken is geweest bij voornoemde poging tot diefstal met geweld in vereniging en zo ja, op welke wijze dit feit gekwalificeerd dient te worden.

3.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de tenlastegelegde poging tot diefstal met geweld in vereniging bepleit. De verdachte ontkent het feit en het dossier bevat onvoldoende overtuigende bewijsmiddelen. De verdachte heeft telkens verklaard dat hij de telefoon, waarmee volgens onderzoek is gebeld naar de aangever, niet altijd in zijn bezit heeft. Hij leent de telefoon vaak uit aan vrienden. Op het moment van contact met de aangever is de telefoon niet in het bezit van de verdachte. Uit onderzoek is gebleken dat zendmastgegevens een ruim gebied bestrijken en elkaar op punten overlappen. Dit betekent dat de zendmast die door de telefoon is gebruikt niet gelegen hoeft te zijn in het gebied waar de telefoon zich op dat moment bevond. Vaststaat met welke telefoon is gebeld naar de aangever, maar onduidelijk is door wie is gebeld.

Verder kan de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De verdachte heeft niet geheel consistente verklaringen afgelegd. Door zijn jonge leeftijd heeft hij moeite zich op de juiste wijze uit te drukken.

3.2.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Aangifte [slachtoffer 2]

De aangever heeft verklaard dat hij zijn motorscooter van het merk Gilera, type Runner, wilde verkopen en daartoe een marktplaatsadvertentie had geplaatst. Op 16 maart 2014 werd hij naar aanleiding van de advertentie gebeld door een anoniem telefoonnummer. De aangever maakte een afspraak voor later die dag, om 18:30 uur, bij het [Bedrijf] op het Malieveld te Den Haag. Tussen 17:30 uur en 18:30 uur had de aangever zes oproepen gemist. Om 18:12 uur ontving hij een WhatsApp-bericht van het telefoonnummer [Telefoonnummer 1] met de vraag of de afspraak nog door zou gaan. De aangever heeft de afspraak vervolgens bevestigd. Bij het Malieveld ontmoette de aangever een jongen bij de skatebaan achter het [Bedrijf] . De aangever is ervan overtuigd dat dit dezelfde jongen was die hij eerder aan de telefoon had gesproken. Nadat de aangever een tijd stond te praten met deze jongen, zag de aangever de jongen weglopen naar twee jongens die bij de skatebaan zaten. Vervolgens kwamen de drie jongens in de richting van de aangever lopen. De jongen die de scooter wilde kopen stond achter de aangever te draaien en pakte iets uit zijn jaszak. De aangever voelde dat iets tegen zijn jas ter hoogte van zijn nek werd geduwd en hoorde een tikkend geluid zoals “tak, tak, tak”. De jongen probeerde een taser tegen de rechterzijde van de nek van de aangever te duwen. De aangever viel samen met de scooter om. Toen de aangever zag dat de andere twee jongens de scooter pakten, haalde hij een ploertendoder uit zijn zak en rende hij naar de jongens toe. De jongens lieten de scooter los en gingen achteruit. Toen de aangever zijn scooter pakte, kwamen de jongens opnieuw op hem af. Dit ging een aantal keer zo door totdat de aangever kans zag de scooter met draaiende motor van de grond te pakken en weg te rijden. Tijdens het verdedigen van de motorscooter werd een steen of stok tegen het gezicht van de aangever gegooid door de jongen met de taser. Als gevolg daarvan heeft de aangever een klein wondje boven zijn rechteroog.

De aangever gaf de volgende signalementen van de drie jongens:

  • -

    de jongen die de scooter wilde kopen: getint uiterlijk (Turks of Marokkaans), 1.78 meter lang, slank postuur, glimmende zwarte jas tot zijn middel, witte capuchon, zwarte joggingbroek, glimmende zwarte sneakers;

  • -

    jongen 2: Antilliaans uiterlijk, Pelle-kapsel (naar de rechtbank begrijpt: een kapsel zoals voetballer Graziano Pellè), slank postuur, ongeveer 1.80 meter lang, brildragend, donkere spijkerbroek, donkere gewatteerde jas;

  • -

    jongen 3: Antilliaans uiterlijk, Pelle-kapsel slank postuur, ongeveer 1.78 meter lang, donkere spijkerbroek, donkere jas soortgelijk aan de jas van jongen 2.12

De aangever heeft voorts verklaard dat de leeftijd van de drie verdachten rond de 15 of 16 jaar zou zijn.13

Bevindingen politie

Onderzoek door de politie heeft de volgende bevindingen opgeleverd.

[verbalisant 1] heeft camerabeelden bekeken van de eigenaar van het [Bedrijf] , gevestigd op het Malieveld. De beelden van 16 maart 2014 zijn afkomstig van een camera die is bevestigd aan de achterzijde van het [Bedrijf] .

De verbalisant ziet om 18:49:16 uur twee mannen met een scooter lopen op de Koekamplaan in de richting van de Boslaan. De eerste man is gekleed in een donkere broek en een donkere jas met daaronder een witte capuchon. Om 18:49:45 uur lopen de mannen uit beeld. Om 18:55:30 lopen twee mannen vanaf het grasveld naar de skatebaan en gaan op een bankje zitten. Om 18:58:02 uur komt een jongen, gekleed in donkere jas en broek, petje en capuchontrui, aan rennen. Hij praat met de twee mannen op het bankje. Vervolgens staan de mannen op en lopen zij met de andere man mee in de richting van de Boslaan. Om 19:08:33 uur loopt een man in de richting van de Koningskade. Hij heeft een voorwerp in zijn hand dat zichtbaar felle lichtflitsen afgeeft. Om 19:08:49 uur rijdt een man op een scooter hard vanuit de Boslaan in de richting van de Koningskade. Een van de mannen loopt hard naar de scooter maar komt er niet bij. Om 19:09:20 uur rennen drie mannen in de richting van de Koningskade.14

Uit onderzoek door de politie is gebleken dat als verdachte van de poging tot diefstal kon worden aangemerkt: [verdachte] . Deze verdenking werd gebaseerd op de volgende omstandigheden:

  • -

    [verdachte] werd op 27 februari 2014 gehoord als verdacht van diefstal/heling van scooterkappen. Tijdens dit verhoor gaf [verdachte] aan dat hij bereikbaar was op onder andere het telefoonnummer [Telefoonnummer 2] ;

  • -

    Op 8 maart 2014 wordt melding gemaakt van de controle van een motor, Gilera Runner. [verdachte] was op dat moment in gezelschap van [betrokkene 1] .15

[verbalisant 2] heeft onderzoek verricht naar het mobiele telefoonnummer [Telefoonnummer 1] . Uit de zoekmachine “google”, waar voornoemd nummer werd ingevoerd, bleek dit nummer gekoppeld te zijn aan het Instagram-account van [Profielnaam] .16

Aan dit account is een foto gekoppeld, welke is bijgevoegd bij het proces-verbaal.17

Nadat een vordering tot het opnemen en afluisteren van de gesprekken gevoerd met het bij [verdachte] in gebruik zijnde mobiele telefoonnummer over de periode van 27 maart 2014 tot 10 april 2014 was afgegeven, werd op 31 maart 2014 te 12:00 uur door [verbalisant 3] gebeld met de oma van [verdachte] op de vaste huislijn. [verdachte] is woonachtig bij zijn oma. Met de oma werd besproken dat [verdachte] werd uitgenodigd om zich op 2 april 2014 te melden op het politiebureau Overbosch in verband met een verdenking van een straatroof. Daarbij is bewust de plek van de beroving, te weten het Malieveld, niet genoemd.18

Telefoontaps

Op 31 maart 2014 te 14:43:09 uur belt [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnumer 1] . In dit gesprek vertelt [verdachte] dat hij naar het politiebureau gaat.

Op 31 maart 2014 te 16:35 uur belt [verdachte] opnieuw met het telefoonnummer [telefoonnumer 1] . De man aan de andere kant van de lijn zegt dat hij [telefoonnumer 1] is en niet [betrokkene 1] en dat [betrokkene 1] in de straat aan het chillen is met [betrokkene 2] . De politie heeft geconstateerd dat het zeer aannemelijk is dat [betrokkene 1] de gebruiker is van het mobiele telefoonnummer [telefoonnumer 1] .19

Op 31 maart 2014 te 16:49 uur belt [verdachte] met het telefoonnummer [Telefoonummer] . De man aan de lijn zegt: “ [betrokkene 1] zeg effe wat”. Vervolgens komt [betrokkene 1] aan de lijn en wordt door [betrokkene 1] aan [verdachte] gevraagd: “Wat het je gezegd dan?” en “Wat hebben ze gevraagd dan?”.20

Op 1 april 2014 te 16:19 uur belt [verdachte] met het telefoonnummer [Telefoonnummer 3] . In dit gesprek geeft de man aan de andere kant van de lijn aan dat hij heeft gehoord dat er iets is gebeurd. [verdachte] zegt: “ja man ik moet morgen voor die dinges, kankerzooi man”. Vervolgens zegt de man: “Als je mijn naam ook noemt, nou ja je gaat in de fik, ja?”.21

Op 1 april 2014 te 21:28 uur belt [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnumer 2] . Dit telefoonnummer is in gebruik bij de vriendin van [verdachte] . In het gesprek zegt [verdachte] herhaaldelijk dat hij met zijn vriendin bij het Malieveld was en dat zij dat moet onthouden. Vervolgens zegt [verdachte] : “want dadelijk als ze mij verdenken kan ik zeggen dat ik daar met mijn meisje was”. Later vraagt [verdachte] aan zijn vriendin of het mogelijk is dat via een abonnement gezien wordt waar je bent.22

Telefoongegevens

Uit onderzoek door de politie bleek dat de simkaart van [verdachte] , behorende bij het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in de gehele periode van 9 maart 2014 tot en met 3 april 2014 was geplaatst in een mobiele telefoon voorzien van het [Imeinummer] . Op 16 maart 2014 is 99 keer gebruik gemaakt van deze mobiele telefoon. Zowel het eerste als het laatste heeft contact heeft plaatsgevonden met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , behorende bij de vriendin van de verdachte, [betrokkene 3] . Op 16 maart 2014 is op verschillende tijden met de telefoon van de verdachte zes keer gebeld naar de telefoon van de aangever.23

Fotoconfrontaties

Bij een fotoconfrontatie waarbij de aangever een fotoselectie van acht foto’s is getoond, wijst de aangever de foto van de verdachte aan. Op de vraag of de bedoelde persoon zich in de selectie bevond, heeft de aangever verklaard dat hij hier erg aan twijfelt.24

Bij een fotoconfrontatie waarbij de aangever een fotoselectie van acht foto’s is getoond, werd door de politie waargenomen dat de aangever direct kijkt naar de foto van de medeverdachte [betrokkene 1] en daarnaar blijft kijken. Op de vraag of de bedoelde persoon zich in de selectie bevond, heeft de aangever verklaard dat de medeverdachte [betrokkene 1] het zeker is en dat zijn gezicht de aangever erg aantrekt met de bril.25

Conclusie van de rechtbank

Dat de situatie bij het Malieveld in Den Haag op 16 maart 2014 is verlopen zoals door de aangever is beschreven, wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de camerabeelden afkomstig van het [Bedrijf] . Uit deze beelden blijkt dat sprake is van een situatie waarbij een man met een scooter en drie andere mannen betrokken zijn. De twee mannen bij de skatebaan worden op de beelden gezien. Ook wordt gezien dat één van de mannen een capuchon draagt en dat één van de mannen een voorwerp in zijn hand heeft dat lichtflitsen afgeeft. Vervolgens wordt bevestigd dat een man op een scooter hard wegrijdt, dat één van de andere mannen daar achteraan rent en dat drie mannen vervolgens in een andere richting rennen. De tijdstippen op de camerabeelden komen overeen met de verklaring van de aangever.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat voldoende is gebleken dat met de telefoon van de verdachte en door de verdachte zelf is gebeld met de aangever naar aanleiding van de marktplaatsadvertentie van de motorscooter van de aangever. Dat de verdachte degene is geweest die contact heeft opgenomen met de aangever en de aangever vervolgens heeft ontmoet bij het Malieveld in Den Haag, is voor de rechtbank voldoende gebleken uit de verklaring van de aangever, inhoudende dat hij de stem van de verdachte herkent van het eerder die dag gevoerde telefoongesprek, en de feitelijke gegevens afkomstig van de telefoon van de verdachte. Hieruit is immers gebleken dat het eerste en laatste contact van het telefoonnummer van de verdachte op 16 maart 2014 heeft plaatsgevonden met de vriendin van de verdachte. Voorts is op 16 maart 2014 met het telefoonnummer van de verdachte zesmaal contact gezocht met het telefoonnummer van de aangever. De wisselende verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij zijn telefoon zou hebben uitgeleend, dat deze uit zijn handen zou zijn gegrist en dat zijn simkaart niet in zijn telefoon zat, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Temeer nu uit onderzoek door de politie is gebleken dat de simkaart van de verdachte zich in de periode van 9 maart 2014 tot en met 3 april 2014 in hetzelfde toestel, te weten de mobiele telefoon van de verdachte, heeft bevonden. Gelet op vorenstaande is het volstrekt onlogisch dat een ander, voor de verdachte onbekend persoon, de telefoon en de simkaart van de verdachte, dan wel één van beiden heeft gebruikt om op 16 maart 2014 eerst te bellen met de vriendin van de verdachte, vervolgens zesmaal met de aangever, en uiteindelijk als laatste nogmaals met de vriendin van de verdachte.

Dat de verdachte in het telefoongesprek met zijn vriendin op 1 april 2014 zelf begint over de locatie Malieveld, terwijl de locatie van de straatroof in de telefonische uitnodiging aan de oma van de verdachte op 31 maart 2014 bewust niet is genoemd door de politie, is naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst verdacht. De verdachte is na de telefonische uitnodiging gaan werken aan een alibi en heeft daarbij ook meermalen contact opgenomen met de medeverdachte Yusuf Sheiko en een onbekend gebleven derde persoon die vermoedelijk als derde verdachte van de poging tot straatroof kan worden aangemerkt.

Hoewel de aangever zijn twijfel heeft geuit bij de foto van de verdachte tijdens de fotoconfrontatie, heeft hij de verdachte uit acht voorgelegde foto’s wel aangewezen en daarbij aangegeven dat hij dacht dat deze persoon bij de poging diefstal met geweld betrokken was. Voorts is uit de fotoconfrontatie gebleken dat de medeverdachte [betrokkene 1] duidelijk wordt herkend als verdachte van de poging diefstal met geweld. Gelet op het voornoemde telefonische contact tussen de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] sterken deze fotoconfrontaties de rechtbank in haar overtuiging dat de verdachte betrokken is geweest bij de poging tot diefstal met geweld.

Wie van de verdachten gebruik heeft gemaakt van de taser, dan wel het stroomstootwapen is niet van belang. Van belang is dat één van de verdachten de andere twee jongens heeft aangesproken bij de skatebaan en de drie jongens vervolgens samen geweld hebben gebruikt jegens de aangever met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de scooter van de aangever. De verdachte en de medeverdachten hebben met behulp van geweld geprobeerd de motorscooter van de aangever weg te nemen. De rechtbank stelt vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten, en acht wettig en overtuigend bewezen dat voornoemde poging tot diefstal met geweld tezamen en in vereniging is begaan.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 21 mei 2014 te 's-Gravenhage met anderen, op of aan de openbare weg, het Joubertplantsoen en de Smitstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het omsingelen van die [slachtoffer 1] en het bij de nek pakken van die [slachtoffer 1] en het meetrekken van die [slachtoffer 1] en het geven van een knietje tegen die [slachtoffer 1] en het schoppen tegen de achterkant van de knie van die [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam en het slaan en schoppen tegen die [slachtoffer 1] ;

hij op 16 maart 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een motorscooter, toebehorende aan [slachtoffer 2] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld tegen die [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, met zijn mededaders zich naar voornoemde [slachtoffer 2] heeft begeven en een taser/stroomstootwapen tegen de nek/jas van die [slachtoffer 2] heeft geduwd en een steen/stok tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] gegooid en voornoemde motorscooter vast heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, en tot jeugddetentie voor de duur van één maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft geen relevant strafblad en is nog jong. De verdachte heeft een moeilijke tijd gehad door de scheiding van zijn ouders. Hij heeft zich goed aan de voorwaarden in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis gehouden en hij is de afspraken met de jeugdreclassering goed nagekomen, waaronder de avondklok. Strafrechtelijk ingrijpen in het leven van de verdachte heeft grote impact gehad. Hij heeft zijn leven goed op orde. De verdachte is bereid tot een werkstraf en hij is bereid de begeleiding van de jeugdreclassering voort te zetten.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot straatroof. Het slachtoffer is naar aanleiding van een reactie op zijn marktplaatsadvertentie van zijn scooter op een afspraak met de verdachte verschenen. Vervolgens werd hij daar geconfronteerd met fysiek geweld door drie mannen en werd gepoogd om het slachtoffer van zijn scooter te beroven.

De verdachte mag van geluk spreken dat de taser of het stroomstootwapen, dat gericht was op de nek van het slachtoffer, geen (ernstig) letsel heeft opgeleverd. Het vertrouwen van het slachtoffer in de goede bedoelingen van een potentiële koper van zijn scooter is geschaad.

Dergelijke (pogingen tot) berovingen zijn zeer ernstig en veroorzaken sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder. Bovendien wekken dergelijke feiten verontwaardiging op in de maatschappij, mede gezien het kennelijke gemak waarmee berovingen worden gepleegd en het gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen één persoon. Daarbij is het voor de verdachte bekende slachtoffer door de verdachte en de medeverdachten aangesproken en meegenomen de hoek om, een andere straat in. Het slachtoffer is vervolgens met geweld naar de grond gewerkt en daar in enigszins machteloze toestand geconfronteerd met fysiek geweld door meerdere personen. Door het alerte reactievermogen van het slachtoffer, en niet door enig aan de verdachte toe te rekenen omstandigheid, is het letsel van het slachtoffer minimaal gebleven. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zonder enige reden geweld gebruikt richting een persoon.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden wel eerder is veroordeeld, doch niet voor soortgelijke geweldsmisdrijven.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 19 juni 2015. Uit voornoemde rapportage blijkt dat aan de zijde van de Raad geen zorgen bestaan omtrent de opvoedsituatie, de vrijetijdsbesteding en het gedrag van de verdachte. Hij wordt in het kader van de schorsende voorwaarden sinds juli 2014 begeleid door de jeugdreclassering en houdt zich goed aan de afspraken en de daarbij behorende voorwaarden, zoals de avondklok. Er hebben geen politiecontacten meer plaatsgevonden. De Raad heeft geconcludeerd dat begeleiding van de jeugdreclassering of een gedragsinterventie niet is geïndiceerd.

De Raad heeft geadviseerd een werkstraf aan de verdachte op te leggen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemd rapport en zal het gegeven advies deels opvolgen.

De rechtbank acht een voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen. Voorts acht de rechtbank een werkstraf, conform de vordering van de officier van justitie, passend en geboden. In afwijking van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, zal de reeds door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd niet op voornoemde werkstraf in mindering worden gebracht. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij de twee geweldsmisdrijven, meer dan de officier van justitie, aan de verdachte aanrekent. Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank voorts van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie passend is, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

45, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaardingen in de zaken met parketnummers 09/197465-14 en 09/777180-14 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/197465-14:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/777180-14:

POGING TOT DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 18 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

jeugddetentie voor de duur van 1 MAAND;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 140 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 70 DAGEN;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014100210

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , blz. 41 en 42

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , blz. 41 en 42

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , blz. 120

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , blz. 48 en 49

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , blz. 123 en 124

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , blz. 51 en 52

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , blz. 89 en 90 tweede helft

9 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2015

10 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014053663

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , blz. 108 t/m 110

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , blz. 108 t/m 110

13 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 119

14 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 128

15 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 129

16 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 125

17 Een afschrift van een print screen van het Instagram-account van [Profielnaam] , blz. 126 en 127

18 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 134

19 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 135

20 Proces-verbaal van bevindingen, bovenste schema gespreksuitwerking, blz. 136

21 Proces-verbaal van bevindingen, onderste schema gespreksuitwerking, blz. 136

22 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 137

23 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 138

24 Proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie met de getuige [slachtoffer 2] , blz. 184

25 Proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie met de getuige [slachtoffer 2] , blz. 179