Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1506

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
16-02-2015
Zaaknummer
AMS 14/18207 en 14/18208
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is van Pakistaanse nationaliteit en wil op basis van het recht van de Europese Unie (EU-recht) verblijf bij referent, zijn partner, in Nederland. Referent is van Belgische nationaliteit en verblijft in Nederland als burger van de EU. Referent is gehuwd. Zijn echtgenote heeft de Belgische nationaliteit en verblijft in België.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat niet van een duurzame relatie tussen eiser en referent kan worden gesproken, omdat referent nog is gehuwd. Het is een gemeenschappelijke Europese waarde dat polygamie niet wordt gehonoreerd.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Volgens artikel 3, tweede lid, van de richtlijn vergemakkelijkt het gastland overeenkomstig zijn nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft. In artikel 8:7, vierde lid, van het Vb 2000 en het in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 vastgelegde beleid is uitvoering gegeven aan deze bepaling uit de richtlijn. Noch de tekst van – artikel 3, tweede lid, van – de richtlijn, noch de interpretatie ervan in de richtsnoeren, noch artikel 8:7, vierde lid, noch paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 sluit uit dat een vreemdeling een verblijfsrecht kan hebben op basis van zijn relatie met een Unieburger indien die Unieburger nog is gehuwd met een ander. Volgens voornoemde bepalingen is alleen vereist dat tussen de Unieburger en de vreemdeling een deugdelijke bewezen duurzame relatie bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/18207

(beroep)

AWB 14/18208

(voorlopige voorziening)

V-nr: 279.435.1364

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 11 februari 2015 in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser,

(gemachtigde: mr. E.M.M. Wantenaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. K.E. van der Lugt).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 2 december 2013 om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juli 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 4 augustus 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en referent, de heer[naam 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1

Eiser is van Pakistaanse nationaliteit en wil op basis van het recht van de Europese Unie (EU-recht) verblijf bij referent, zijn partner, in Nederland. Referent is van Belgische nationaliteit en verblijft in Nederland als burger van de EU. Referent is gehuwd. Zijn echtgenote heeft de Belgische nationaliteit en verblijft in België.

2.1

Artikel 2 van Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de richtlijn) bepaalt – voor zover van belang – dat voor de toepassing van de richtlijn wordt verstaan onder:

1) "burger van de Unie": eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit;

2) "familielid":

a. a) de echtgenoot;

b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat

een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover de wetgeving van het

gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van

de wetgeving van het gastland is voldaan.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de richtlijn is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Volgens artikel 3, tweede lid, onder b, van de richtlijn, voor zover van belang, vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft. Het gastland onderzoekt de persoonlijke situatie nauwkeurig en motiveert een eventuele weigering van toegang of verblijf.

2.2

Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 is paragraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk 8 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 is voornoemde paragraaf van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft.

2.3

Op grond van artikel 3.16, eerste lid, van het Vb 2000 wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerde partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen

2.4

In paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

‘In aanvulling op artikel 8.7, vierde lid, van het Vb neemt de IND aan dat een duurzame relatie bestaat als de burger van de Unie en de ongehuwde partner:

- voorafgaand aan het moment van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht of het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden; of

- gezamenlijk een kind hebben.

In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.’

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen verblijfsrecht aan de richtlijn kan ontlenen, omdat zijn partner, de EU burger bij wie hij wenst te verblijven, gehuwd is. Eiser heeft weliswaar een verklaring van een advocaat te België van 3 juni 2014 overgelegd met de mededeling dat referent op consultatie is geweest over echtscheidingsvormen. Dit laat onverlet dat referent nog immer gehuwd is. Deze juridische band tussen referent en zijn echtgenote is leidend. Het vereiste van duurzaamheid van de relatie moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het doel van de richtlijn om de eenheid van het gezin in een verruimde betekenis te handhaven. De omstandigheid dat referent thans een andere invulling geeft aan zijn huwelijk maakt het dat niet anders. Evenmin is gesteld of gebleken van een feitelijke onmogelijkheid van referent om het huwelijk met zijn echtgenote te ontbinden. Dat referent dit om humanitaire redenen (nog) niet wenst te doen, leidt niet tot een ander oordeel.

3.2

Eiser heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat van een bij de richtlijn voorgeschreven weigeringsgrond geen sprake is. Uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de richtlijn volgt niet dat in de hier aan de orde zijnde situatie, waarin sprake is van een slapend huwelijk waar geen enkele invulling aan wordt gegeven, geen verblijf kan worden verstrekt aan de persoon met wie de burger van de Unie een duurzame relatie heeft. Dit blijkt ook niet uit de mededeling van de Europese Commissie aan het Parlement en de Raad van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de Richtlijn (COM(2009) 313; hierna: de richtsnoeren). Ook in de nationale wetgeving en beleid is geen rechtvaardiging te vinden voor de weigering van de gevraagde verblijfskaart. Er had moeten worden getoetst of ondanks het slapende huwelijk tussen referent en zijn echtgenote sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie tussen eiser en referent, indien daaraan nog twijfel bestond. In dat kader had een hoorzitting kunnen plaatsvinden, waarbij eiser en referent de feitelijke situatie hadden kunnen toelichten. Er is ten onrechte niet gehoord.

3.3

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat niet van een duurzame relatie tussen eiser en referent kan worden gesproken, omdat referent nog is gehuwd. Het is een gemeenschappelijke Europese waarde dat polygamie niet wordt gehonoreerd.

3.4

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Volgens artikel 3, tweede lid, van de richtlijn vergemakkelijkt het gastland overeenkomstig zijn nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft. In artikel 8:7, vierde lid, van het Vb 2000 en het in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 vastgelegde beleid is uitvoering gegeven aan deze bepaling uit de richtlijn. Noch de tekst van – artikel 3, tweede lid, van – de richtlijn, noch de interpretatie ervan in de richtsnoeren, noch artikel 8:7, vierde lid, noch paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 sluit uit dat een vreemdeling een verblijfsrecht kan hebben op basis van zijn relatie met een Unieburger indien die Unieburger nog is gehuwd met een ander. Volgens

voornoemde bepalingen is alleen vereist dat tussen de Unieburger en de vreemdeling een deugdelijke bewezen duurzame relatie bestaat.

3.5

Dat polygamie op grond van de Europese regelgeving aan toelating in de weg staat, heeft verweerder niet kunnen concretiseren of onderbouwen. Daarentegen bevestigt het bepaalde in artikel 3.16, eerste lid, van het Vb 2000 dat in het geval van polygamie toelating van één van de partners volgens de Nederlandse regelgeving mogelijk is.

3.6

Uit het bovenstaande volgt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft

gesteld dat geen sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie in de zin van artikel 8.7 van het Vb 2000, om de enkele reden dat referent nog is gehuwd met zijn echtgenote. Verweerder had moeten beoordelen of tussen eiser en referent, ondanks het huwelijk tussen referent en zijn echtgenote, een deugdelijke bewezen duurzame relatie bestaat. Dit vergt een feitelijke beoordeling. Nu verweerder dat heeft nagelaten ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering. Daaruit volgt tevens dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en heeft afgezien van het horen van eiser en referent.

4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Gezien de schending van de hoorplicht en de vereiste feitelijke beoordeling ziet de rechtbank geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal daarom binnen tien weken na deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461 ,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/18207,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/18208,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 330,-- (zegge: driehonderddertig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.461,-- (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FZ

Coll.: NV

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.