Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14997

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3138
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is, als bestuurder van de vennootschap, terecht aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden van de vennootschap. De aansprakelijkheid moet echter beperkt worden tot aan het moment van het instellen van het bodembeslag door de ontvanger omdat de ontvanger daarmee bekend had kunnen en moeten zijn met de belastingschulden van de vennootschap.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2696
FutD 2015-3101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/3138

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2015 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. T.J. Wintermans),

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 8 oktober 2014 aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting en omzetbelasting ten name van [X] B.V. (hierna: de vennootschap), tezamen € 125.099,17. In dit bedrag zijn kosten, invorderingsrente en boetes begrepen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en aansprakelijkstelling verlaagd naar een bedrag van € 94.213,17.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2015 te Den Haag.

De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken SGR 15/3134 en SGR 15/3136 van beide medebestuurders. In deze zaken is afzonderlijk uitspraak gedaan.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de medebestuurders van de vennootschap. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was ten tijde van het ontstaan van de belastingschulden medebestuurder van de vennootschap. Deze is opgericht op 17 april 2013 en exploiteerde restaurant [Y] in een huurpand. Het restaurant was een doorstart van het restaurant van [Y] B.V. De vennootschap is op eigen aangifte op 15 oktober 2014 failliet verklaard.

2. Tijdens het bestaan van de vennootschap zijn geen aangiften omzetbelasting gedaan. Verweerder heeft naheffingsaanslagen loonbelasting en omzetbelasting en boetebeschikkingen opgelegd. De naheffingsaanslagen en boeten zijn niet betaald. Er is geen melding van betalingsonmacht gedaan.

3. Op 8 april 2014 heeft verweerder bodembeslag gelegd op alle goederen die zich bevinden op de bodem van het restaurant. De verhuurder van het pand heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 15 oktober 2014 nummer C/09/475215 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verweerder verboden over te gaan tot de voorgenomen executieveiling.

4. Op 10 juli 2014 hebben de bestuurders van de vennootschap per e-mail verweerder verzocht om een betalingsregeling. Dit verzoek is afgewezen.

5. Bij de primaire beschikking heeft verweerder eiser aansprakelijk gesteld voor de door de vennootschap onbetaald gebleven aanslagen loonbelasting over de periode juli 2013 tot en met juli 2014 en omzetbelasting over de periode 16 april 2013 tot en met 31 december 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014, alsmede de daarmee verband houdende boetes, rente en kosten, tezamen € 125.099,77.

6. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is de aansprakelijkstelling verminderd tot € 94.213,17. Verweerder heeft eiser daarbij aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen met een dagtekening tot 10 juli 2014.

7. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de aansprakelijkheid kan worden verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting en de daarop betrekking hebbende boetes, rente en kosten.

Geschil

8. In geschil is of eiser terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven loonbelastingschulden en de daarop betrekking hebbende boetes, rente en kosten.

9. Eiser neemt primair het standpunt in dat de aansprakelijkstelling ten onrechte heeft plaatsgevonden en voert daarvoor –zakelijk weergegeven‒ het volgende aan. Verweerder was reeds vanaf het begin van de onderneming op de hoogte van de betalingsproblemen van de vennootschap waardoor van een melding betalingsonmacht kon worden afgezien. De bestuurders hebben er in het belang van de vennootschap voor gekozen andere schuldeisers voorrang te geven boven de belastingdienst omdat bij hen de gerechtvaardigde verwachting bestond dat op die wijze alle schulden later konden worden ingelopen.

10. Subsidiair is de hoogte van de aansprakelijkstelling in geschil. Eiser stelt dat het bedrag van de aansprakelijkheid dient te worden verminderd nu verweerder reeds eerder van het bestaan van de belastingschulden op de hoogte was. Daarnaast heeft verweerder niet het bewijs geleverd voor de aansprakelijkheid voor de rente, kosten en boeten.

11. Eiser concludeert primair tot vernietiging van de aansprakelijkstelling. Subsidiair concludeert eiser tot vermindering van de aansprakelijkstelling tot € 10.468.

12. Verweerder stelt dat eiser terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven loonbelasting nu er geen melding betalingsonmacht is gedaan. Aangezien verweerder met het verzoek om een betalingsregeling van 10 juli 2014 voor het eerst kennis heeft gekregen van de betalingsproblemen is de aansprakelijkheid beperkt tot de tot dat moment opgelegde aanslagen. Er is niet voor gekozen eiser voor de na dit moment opgelegde aanslagen aansprakelijk te stellen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Ten aanzien van de kosten, rente en boetes valt eiser een zelfstandig verwijt te maken nu gebleken is dat er tijdens het bestaan van de onderneming geen loonbelasting is betaald, dat hierop door de bestuurders geen dan wel onvoldoende toezicht is gehouden, dat er bewust voorrang is gegeven aan andere crediteuren dan de belastingdienst en dat zij, afgezien van het verzoek om een betalingsregeling, op opgelegde aanslagen en aanmaningen en zelfs na het bodembeslag, niet hebben gereageerd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Melding betalingsonmacht

13. Niet in geschil is dat er namens de vennootschap geen melding van betalingsonmacht is gedaan. Op grond van artikel 36, vierde lid van de Invorderingswet (hierna: Iw) wordt dan vermoed dat de niet betaling van de door de vennootschap verschuldigde loonbelasting aan eiser als medebestuurder van de vennootschap is te wijten. Tot weerlegging van dit vermoeden wordt eiser slechts toegelaten indien hij aannemelijk maakt dat de niet tijdige melding hem niet valt te verwijten.

14. Eiser heeft gesteld dat verweerder, door het vanaf de oprichting de vennootschap onbetaald blijven van de aanslagen, van meet af aan op de hoogte moet zijn geweest van de betalingsproblemen. Verweerder heeft gesteld dat de naheffingsaanslagen door middel van de geautomatiseerde systemen van de belastingdienst zijn opgelegd en dat ook de aanmaningen geautomatiseerd worden verzonden waardoor de problemen pas na het verzoek om een betalingsregeling zichtbaar werden. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiser dat verweerder eerder op de hoogte had moeten zijn nu als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze de financiële problemen van een onderneming niet duidelijk worden.

15. Eiser betoogt in dit verband voorts dat de niet tijdige melding hem niet valt te verwijten nu hij als gevolg van ziekte van de medebestuurder, die belast was met het financiële beleid van de onderneming, niet op de hoogte was van de financiële situatie van de onderneming.

16. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser ter zitting overgelegde doktersverklaring eiser niet disculpeert. In de door eiser ter zitting overgelegde verklaring van de huisarts is over de ziekte van de medebestuurder, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Bij bovengenoemde patiënte is in juni 2013 een te snel werkende schildklier vastgesteld. (ziekte van Graves). Hierbij ontstaan er tal van lichamelijke klachten, zoals afvallen, trillen etc. Er kunnen echter ook psychische klachten hierbij ontstaan, variërend van stemmingswisselingen en concentratieproblemen tot zelfs psychotische klachten. Het is mogelijk dat dit zijn functioneren in deze periode heeft beïnvloed.”. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met deze verklaring niet aannemelijk gemaakt dat de bestuurder als gevolg van de ziekte niet in staat is geweest te functioneren. De vermelde lichamelijke klachten en de mogelijkheid dat als er als gevolg van de ziekte psychische klachten kunnen ontstaan zijn daartoe ontoereikend.

17. Eiser heeft voorts gesteld dat het niet voldoen aan de meldingsplicht hem niet te verwijten is gelet op de onderlinge taakverdeling tussen de bestuurders. Eiser heeft gesteld dat zijn specifieke taak binnen de onderneming was de begeleiding van de dagelijkse gang van zaken in het restaurant alsmede de marketing- en communicatiezaken, waardoor hij niet van de betalingsproblemen op de hoogte was. De rechtbank overweegt dat een interne taakverdeling niet wegneemt dat eiser een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het geheel. De rechtbank neemt ook het volgende in aanmerking. Het welslagen van de onderneming was in grote mate afhankelijk van de realisatie van het nabij gelegen [theater]. Eiser heeft verklaard met het management van het theater in gesprek te zijn geweest over het verzorgen van cateringactiviteiten voor dit theater. Hij had zich door de vertraging van de ontwikkeling van het theater moeten realiseren dat de vennootschap in financiële moeilijkheden zou komen en had zich in de gevolgen daarvan behoren te verdiepen.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het niet melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Daarom wordt hij niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. De rechtbank concludeert dat verweerder eiser terecht voor de onbetaald gebleven belasting als zodanig aansprakelijk heeft gesteld.

Hoogte aansprakelijkstelling

19. Over de hoogte van de aansprakelijkstelling overweegt de rechtbank dat de meldingsregeling beoogt te bewerkstelligen dat verweerder op een vroeg tijdstip op de hoogte komt van de financiële moeilijkheden waarin een vennootschap verkeert. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vanaf 8 april 2014, de dag waarop het bodembeslag werd gelegd, bekend had kunnen en moeten zijn met de betalingsproblemen van de vennootschap. Hiervan uitgaande kan op en na die datum het niet melden niet langer aan eiser worden tegengeworpen.

20. Verweerder heeft eiser tevens aansprakelijk gesteld voor de in verband met de naheffingsaanslagen opgelegde boetes en in rekening gebrachte kosten en rente. Voor aansprakelijkheid van boetes en rente is op grond van artikel 32, tweede lid, Iw vereist dat de aansprakelijkgestelde van het belopen daarvan een zelfstandig verwijt kan worden gemaakt. Op verweerder rust de bewijslast om dat aannemelijk te maken, nu eiser zijn aansprakelijkheid daarvoor betwist. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er van verwijtbaarheid sprake is aangezien eiser heeft nagelaten loonbelasting af te dragen en eiser bij herhaling en voortduring heeft verzuimd contact met verweerder op te nemen ten aanzien van de belastingschulden. Aldus was het aan eiser te wijten dat kosten, rente en verzuimboetes zijn belopen, zodat eiser daarvoor terecht aansprakelijk is gesteld.

21. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard en moet de beschikking worden verminderd tot een aansprakelijk voor de onbetaald gebleven loonbelasting met een dagtekening vóór 8 april 2014, en voor de daarmee verband houdende boetes alsmede de rente en kosten tot genoemde datum.

Proceskosten

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.468 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Wegens samenhang met de beroepen die aanhangig zijn onder de zaaknummers SGR 15/3134 en SGR 15/3136 bepaalt de rechtbank dat in de onderhavige zaak één derde van deze kosten voor vergoeding in aanmerking komt. Daarmee bedraagt de totale kostenvergoeding in de onderhavige zaak (afgerond) € 490.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de beschikking tot een bedrag, te berekenen zoals aangegeven in rechtsoverweging 21;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 490;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, voorzitter, en mr. J.P.F. Slijpen en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. E.J.P. Nevens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.