Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14814

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
07-01-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5961
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing kostendelersnorm. Onvoldoende duidelijke standpunt verweerder over hoogte huurprijs. Motiveringsgebrek. Tussenuitspraak.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 22a
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:51b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/5961 en SGR 15/6753

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2015 in de zaken tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.A. Timmer),

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , verweerder

(gemachtigde: mr. P.S. Theunissen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 juli 2015 met toepassing van de kostendelersnorm vastgesteld op 50% van het Wettelijk Minimumloon (WML).

Bij besluit van 6 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Ook heeft eiseres op 17 september 2015 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat verweerder wordt gelast het toepassen van de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Pw per 1 juli 2015 te staken (zaaknummer SGR 15/6753).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres woont op het adres [adres] in [plaats] . Zij huurt daar een kamer in de woning van de heer [naam] (de verhuurder) en staat op dit adres ingeschreven. De verhuurder staat eveneens ingeschreven op voornoemd adres.

1.2

Bij een herbeoordeling in verband met de invoering van de kostendelersnorm heeft verweerder besloten de woonsituatie van eiseres nader te onderzoeken. In dit kader heeft verweerder eiseres bij brief van 28 januari 2015 verzocht om vóór 14 februari 2015 de volgende gegevens te overleggen:

- bewijzen van huurbetalingen van de laatste 3 maanden;

- het huurcontract en/of het laatste bewijs van huurverhoging;

- schriftelijke verklaring van de relatie met de andere bewoner.

Eiseres heeft daarop een huurovereenkomst, ingaande 2 oktober 2014 overgelegd, waarin staat dat zij een kamer in de woning van de verhuurder huurt tegen een maandelijkse huur van € 250,- inclusief gas, water, elektra en televisie. Ook staat in de overeenkomst vermeld dat eiseres de keuken, badkamer, wc, balkon en de woonkamer deelt met de verhuurder. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de Pw op de bijstandsuitkering van eiseres moet worden toegepast. Dit omdat eiseres met een andere meerderjarige persoon op haar adres woont en aan hem geen commerciële huurprijs voor haar kamer betaalt. De maandelijkse huur bedraagt volgens het huurcontract € 250,- en voor het aanwezig achten van een commerciële relatie dient op grond van het gemeentelijk beleid een huur van minimaal

€ 275,- te worden voldaan. Er zijn geen kwitanties en ook anderszins heeft eiseres niet aangetoond dat wel sprake is van een commerciële relatie. De uitzondering op toepassing van de kostendelersnorm als bepaald in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b van de Pw is daarom niet op de bijstandsuitkering van eiseres van toepassing, aldus verweerder. Dit betekent dat de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 juli 2015 op 50% van het WML wordt vastgesteld. Dat is volgens de bijlage bij het primaire besluit een bedrag van

€ 686,31 per maand.

3. Eiseres betoogt - samengevat - dat de kostendelersnorm niet op haar geval van toepassing is, omdat zij een kamer huurt tegen een commerciële huurprijs. Eiseres betwist dat zij € 250,- aan huur betaalt. Anders dan in het huurcontract is vermeld, betaalt zij € 350,- aan de verhuurder. Dat zij hiervan geen kwitanties krijgt, is bevestigd door de verhuurder. Zij verkeert hierdoor in bewijsnood.

4.1

Ingevolge het vierde lid van artikel 22a, van de Pw wordt tot de personen, bedoeld in het eerste lid, niet gerekend de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger.

Ingevolge het vijfde lid van voornoemd artikel legt de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b of onderdeel c, over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

4.2

In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten (Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten) is over de commerciële huurprijs het volgende opgemerkt: “Er moet sprake zijn van een commerciële prijs; de prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens periodieke aanpassing van de prijs.” (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, p. 60).

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Uit de dossierstukken is gebleken dat eiseres verweerder bij brief van 19 maart 2015 heeft meegedeeld dat haar relatie met de verhuurder enkel zakelijk is. In de door eiseres in bezwaar overgelegde brief van 24 maart 2015 heeft zij uiteengezet wat zij in beroep heeft herhaald, te weten dat zij elke maand € 350,- aan de verhuurder betaalt, dat het in de huurovereenkomst vermelde bedrag van € 250,- dus onjuist is, en dat zij van de verhuurder geen kwitanties krijgt. Hierover, zo staat ook in de brief vermeld, durft eiseres niet te praten met verhuurder, omdat zij bang voor hem is, hij eerder heeft gedreigd dat zij de woning moet verlaten en zij geen zicht heeft op een andere woning. Eiseres wenst daarom van verweerder te vernemen wat zij in dit geval moet ondernemen, waarbij zij erop wijst dat verweerder de verhuurder zou kunnen verzoeken om bewijzen van de betaling van huur te overleggen. Daarnaast wijst eiseres erop dat zij bankafschriften zal overleggen, waaruit volgens haar blijkt dat zij maandelijks € 350,- heeft gepind om de huur mee te betalen.

5.2

Op grond van artikel 22a., vijfde lid, van de Pw is vereist dat eiseres een huurovereenkomst én betalingsbewijzen overlegt. Het ligt dus in beginsel op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij daadwerkelijk huur betaalt. Uit de afschrijvingen op de overgelegde bankafschriften valt, zoals gemachtigde van eiseres ter zitting ook heeft erkend, niet af te leiden dat sprake is van (contante) huurbetalingen voor de kamer van eiseres. Ook heeft eiseres al in een vroeg stadium aan verweerder laten weten dat zij geen huurkwitanties kan overleggen, omdat zij deze niet krijgt. Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting heeft verweerder naar aanleiding van de door eiseres gestelde bewijsnood telefonisch navraag gedaan bij de verhuurder. Volgens verweerder is uit dat telefonisch contact onder andere gebleken dat de verhuurder geen kwitanties verstrekt, omdat hij geen problemen wil. Desondanks heeft verweerder eiseres in het bestreden besluit tegengeworpen dat zij geen kwitanties heeft ingeleverd waaruit blijkt dat zij huur voldoet en tot welk bedrag. De gevolgen daarvan dienen naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet voor rekening en risico van eiseres te komen. De rechtbank overweegt hiertoe ten eerste dat verweerder, gelet op het voorgaande, onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid -die ook blijkt uit het telefonisch contact tussen verweerder en de verhuurder- dat eiseres in bewijsnood verkeert. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat uitgangspunt in het bestreden besluit is dat eiseres niet heeft bewezen dat zij daadwerkelijk huur betaalt, terwijl het er gelet op de bewoordingen in het bestreden besluit en het verweerschrift op lijkt dat verweerder uitgaat van een maandelijks door eiseres betaalde huurprijs van € 250,-. Ook ter zitting heeft verweerder een tweeledig standpunt ingenomen, enerzijds dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij daadwerkelijk huur betaalt voor haar kamer en anderzijds dat, als verweerder daarvan wel zou uitgaan, een huurprijs van € 250,- te laag is voor het aanwezig achten van een commerciële prijs als bedoeld in artikel 22a, vijfde lid, van de Pw. Bij eiseres, die het bestreden besluit zo heeft gelezen dat verweerder is uitgegaan van een huurprijs van € 250,- die zij betaalt voor haar kamer, is terecht de vraag gerezen of verweerder enkel op basis van die huurprijs, zonder nader onderzoek te hebben gedaan naar de verhouding tussen de betaalde huur en de geleverde prestaties, kon besluiten dat met een dergelijke huur geen commerciële relatie aanwezig is.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Voorts doet de omstandigheid dat verweerders beleid over het aantonen van een commerciële huurrelatie, voor zover daarin uitgegaan wordt van een minimale huurprijs, de vraag rijzen of dat beleid – gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting – zich verdraagt met de bedoeling van de wetgever. Echter, alvorens inhoudelijk op deze vragen kan worden ingegaan, zal verweerder duidelijk moeten maken of hij het daadwerkelijk betalen van huur door eiseres als uitgangspunt neemt en zo ja, van welk huurbedrag hij dan uitgaat.

5.4

Nu het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, is dit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht genomen (Awb). Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:51a van de Awb (de zogeheten ‘bestuurlijke lus’) verweerder in de gelegenheid stellen het onder 5.2 en 5.3 weergegeven gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Verweerder zal duidelijk moeten maken of hij het daadwerkelijk betalen van huur door eiseres als uitgangspunt neemt en zo ja, van welk huurbedrag hij dan uitgaat. Indien verweerder van die gelegenheid gebruik wenst te maken, geldt hiervoor een termijn van vier weken. Indien verweerder meer tijd nodig heeft, dient hij vóór ommekomst van die termijn de rechtbank gemotiveerd om verlenging te verzoeken.

5.5

Gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb draagt de rechtbank verweerder op haar zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, kenbaar te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.

5.6

In afwachting van de uitkomst van de bestuurlijke lus houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht in beroep nu nog geen beslissing neemt.

5.7

Omdat de rechtbank verweerder in de gelegenheid stelt het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, en de rechtbank voldoende duidelijk is geworden dat eiseres als gevolg van het bestreden besluit over onvoldoende inkomsten beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien, ziet de rechtbank aanleiding om de in het dictum vermelde voorlopige voorziening te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van eiseres bij toewijzing van het verzoek zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing daarvan.

5.8

De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening vergoedt.

5.9

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het verzoek om een voorlopige voorziening. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 490,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift). De rechtbank ziet geen aanleiding kosten toe te kennen voor het verschijnen ter zitting, nu het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig met de bodemzaak is behandeld.

Beslissing

De rechtbank:

in zaak 15/5961

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na de dag van verzending

van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak de

rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te

herstellen;

- bepaalt dat verweerder, indien van deze gelegenheid gebruik wordt gemaakt, het

gebrek herstelt binnen vier weken na verzending van deze uitspraak met

inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

in zaak 15/6753

- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit en gelast verweerder het toepassen van de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Pw per 1 juli 2015 te staken tot zes weken na verzending van de einduitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht in zaak SGR 15/6753 van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in zaak SGR 15/6753 tot een bedrag van € 490,-, te betalen aan eiseres;

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.M. Lubbe, voorzitter, en mr. H. Lagas en

mr. B. Bastein, leden, in aanwezigheid van mr. M.B. Weel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in zaak SGR 15/5961.