Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14777

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
C/09/487519 / HA ZA 15-514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

erfrecht; persoonlijke aansprakelijkheid executeur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/487519 / HA ZA 15-514

Vonnis van 9 december 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. G. de Bock te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Blok te Veenendaal.

Partijen zullen hierna eiser en gedaagde genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 april 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het tussenvonnis van 24 juni 2015 waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2015, en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het B-16 formulier d.d. 6 oktober 2015 zijdens gedaagde waarin gevraagd wordt vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Uit het huwelijk tussen de heer [A] (hierna: de vader) en mevrouw [B] (hierna: de moeder), zijn geboren een vijftal kinderen: eiser, gedaagde, twee zussen ( [C] en [D] ) en een broer ( [E] ). [C] is gehuwd met [F] (hierna: [F] ).

2.2.

De vader en de moeder hebben ieder bij testament van 11 februari 2005 zowel eiser als [C] uitgesloten als erfgenamen. In deze testamenten is gedaagde aangewezen als executeur.

2.3.

Op 23 februari 2010 is de vader overleden en op 24 augustus 2010 is de moeder overleden. Na het overlijden van zijn ouders, heeft gedaagde het executeurschap in beide nalatenschappen aanvaard.

2.4.

Bij mailbericht van 29 oktober 2010 aan gedaagde, [D] en [E] (hierna gezamenlijk: de erfgenamen) heeft [F] bericht dat [C] haar legitieme portie opeist.

2.5.

Bij mailbericht van 2 november 2010 aan de erfgenamen heeft [F] de erfgenamen onder meer bericht:

“Onder verwijzing naar mijn schrijven van 29 oktober 2010 deel ik jullie mee, dat ook [eiser] zijn legitieme deel van de nalatenschap van jullie moeder opeist”.

2.6.

Op 17 maart 2011 is een verklaring opgemaakt strekkende tot akkoord beëindiging executeurschap, welke is ondertekend door de erfgenamen. In deze verklaring komt de volgende passage voor:

“Alle door mij beheerde goederen en gelden zijn ter beschikking gesteld van de erfgenamen na voldoening van de schulden der nalatenschap en nakoming der lasten.

De rekening en verantwoording is reeds separaat ter goedkeuring aangeboden en aanvaard.

De te betalen verwachte lasten m.b.t. de erfbelasting is reeds gereserveerd en zal na definitieve vaststelling worden voldaan door de erfgenamen via [gedaagde] .

Er is een overeengekomen bedrag gereserveerd voor mogelijke nakoming van betaling, indien er tijdig volgens de wettelijke norm een claim wordt ingediend m.b.t. de legitieme portie. Na afloop van de wettelijke termijn zal alsnog een verdeling plaatsvinden volgens erfrecht.”

2.7.

Kort na het opmaken van deze verklaring is aan de erfgenamen een voorschot op ieders erfdeel uitgekeerd.

2.8.

Op 24 en 25 april 2011 zijn tussen eiser en gedaagde enkele bij de beoordeling verder te bespreken e-mailberichten uitgewisseld.

2.9.

De legitimaire massa van beide nalatenschappen samen is op 28 juni 2012 vastgesteld op € 325.900,19 en de legitieme portie op één tiende deel daarvan (€ 32.590,02). Aan [C] is rond 20 juli 2012 de legitieme portie uitgekeerd.

2.10.

In december 2012 heeft gedaagde het resterende saldo van de nalatenschappen verdeeld onder de erfgenamen.

2.11.

Op 13 oktober 2014 heeft eiser aan het door gedaagde gebruikte emailadres [emailadres 1] het volgende emailbericht gezonden:

“Beste [gedaagde] , aangezien dat ik jou niet kan bereiken voor een normaal gesprek deel ik je mede dat ik mijn kindsdeel opeist, ook refereer jou aan een brief van 2 november 2010 met het verzoek tot uitbetaling wat aantoonbaar is! Graag reactie binnen 6 dgn, anders ben ik genoodzaakd om verdere stappen te ondernemen, ook jij heb je wettelijke verplichtingen ! grt [eiser] ”

3. Het geschil

3.1.

Eiser vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat gedaagde handelend als executeur bij zijn taakvervulling in strijd met zijn wettelijke verplichtingen heeft gehandeld en dat daarmee gedaagde zich onrechtmatig heeft gedragen jegens eiser en dat dit aan gedaagde kan worden toegerekend en de schade aan eiser dient te worden vergoed;

2. gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag groot € 32.590,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2012 tot de dag der algehele voldoening, binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

3. gedaagde te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten begroot op een bedrag van € 1.029,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2015 tot de dag der algehele voldoening, binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

4. gedaagde te veroordelen in de volledige kosten van dit geding binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis vermeerderd met 21% btw;

5. en gedaagde te veroordelen tot betaling van de nakosten volgens het liquidatietarief indien gedaagde niet tijdig voldoet aan de veroordeling.

3.2.

Eiser stelt daartoe dat gedaagde door na te laten aan hem zijn legitieme portie uit te keren onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld bij het uitoefenen van zijn taak als executeur testamentair in de nalatenschappen van hun beider ouders.

3.3.

Gedaagde voert verweer. Hij voert daartoe primair aan dat eiser heeft afgezien van zijn legitieme portie. Subsidiair stelt hij dat eiser zijn recht op een (hernieuwd) beroep op die legitieme portie dan wel op uitkering daarvan, verwerkt heeft door gedurende lange tijd niets van zich te laten horen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid en grondslag vordering

4.1.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van gedaagde dat eiser alle drie de erfgenamen had moeten dagvaarden en niet kon volstaan uitsluitend hem te dagvaarden. Immers, de grondslag van de vordering is onrechtmatig handelen door gedaagde in zijn hoedanigheid van executeur. In rechte wordt schadevergoeding gevorderd. De vraag of eiser zijn legitieme portie alsnog kan opeisen bij de erfgenamen, ligt niet voor. Eiser is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

4.2.

Alvorens kan worden beoordeeld of gedaagde al dan niet terecht in zijn hoedanigheid van executeur heeft nagelaten de legitieme portie aan eiser uit te keren, moet worden beoordeeld of eiser wel een vordering op de nalatenschap had. In dat verband stelt de rechtbank voorop dat hoewel gedaagde aanvankelijk heeft betwist dat eiser conform artikel 4:80 Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak heeft gemaakt op zijn legitieme portie, ter zitting door zowel gedaagde zelf als diens raadsman is erkend dat gedaagde er aanvankelijk vanuit is gegaan dat daarvan sprake was. Gelet daarop en op de inhoud van het hiervoor onder 2.5 genoemde e-mailbericht van [F] aan de erfgenamen, stelt de rechtbank vast dat met dat bericht door eiser een beroep is gedaan op zijn legitieme portie.

Afstand legitieme portie?

4.3.

Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is dat eiser bij nader inzien afstand zou hebben gedaan van zijn vorderingsrecht dienaangaande.

4.4.

Artikel 6:160 BW bepaalt dat een verbintenis teniet gaat door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij de schuldeiser van zijn vorderingsrecht afstand doet en de schuldenaar dit aanbod aanvaardt.

4.5.

Gedaagde baseert zijn stelling dat eiser afstand heeft gedaan op de mailwisseling tussen hem en eiser van 24 en 25 april 2011, in het bijzonder het mailbericht van gedaagde aan hem van 24 april 2011 te 9:35 uur. Deze mailwisseling luidt als volgt (spel- en tikfouten zijn overgenomen):

Op 24 april 2011 om 7:24 uur stuurt gedaagde aan eiser een email met als onderwerp “bereikbaarheid”:

“ [eiser] , Ik heb van [D] begrepen dat jij mij wilt bereiken per email. Het juiste emailadres is: [emailadres 2]

Je kunt, zoals omschreven in mijn aangetekend schrijven van 8 april jl., via dit emailadres een afspraak maken voor de gevraagde inzage bij mij thuis en de verdere afwikkeling.”

Op 24 april 2011 om 9:35 uur reageert eiser aan gedaagde op voormelde email:

“ [gedaagde] heb alleen [E] gebeld voor je telefoon nummer kon je niet bereiken

Wist niet dat die jongen ziek was! Heb een keuze gemaakt ik berust in alles! Heb aangegeven aan [C] dat ik jouw brief aan mij niet doorstuurd dus dat is einde verhaal ik mis ook mijn ouders bel me een keer om alles uit te leggen [tel.nr. 1] of [tel.nr. 2] heb ook weer kontakt met [D] super !! O ja vergeet niet dat ik je broer ben grtn f E2 8Q A6”

Op 25 april 2011 om 18:27 uur reageert gedaagde aan eiser als volgt:

“Zolang de afwikkeling van de nalatenschap nog loopt kan ik als woordvoerder van de erven alleen nog maar formeel en schriftelijk reageren.

Mijn excuses daarvoor, maar dit is nog even strikt noodzakelijk.

Dat is ook de reden dat ik telefonisch niets wil bespreken en alles schriftelijk wens te houden tot alles is afgewikkeld.

Juridisch gezien heb ik momenteel op schrift een claim op de legitieme portie van jou liggen en daar heb ik schriftelijk op gereageerd door jou een uitnodiging te zenden.

Hopelijk begrijp je dat ik door de juridische stappen van de familie [F] deze manier van communiceren slechts uit belang doe voor mijn boer en zus en dit dan formeel wens af te handelen zonder enige schijn van manipulatie mijnerzijds.

Je hebt mijn adres en ik zie jouw verklaring wel tegemoet. Groet, [gedaagde] ”

Bij mailbericht van 25 april 2011, 23:16 uur, reageert eiser richting gedaagde:

“ [gedaagde] we hebben een misverstand ik berust mij aan de beslissing van onze vader over mij in 2005! Niet in de claim en laten we dit clean oplossen zodat we weer verder kunnen met elkaar heb wel alle kontakt met woerden verbroken omdat ik jouw brief aan mij niet wenst door te faxen naar woerden ik heb nog wel vragen aan jou komt later wel iedereen de grtn en voor [E] veel beterschap fr…..”

Overigens betwist gedaagde dat hij dit e-mailbericht heeft ontvangen.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat uit de mededeling van eiser in het bericht van 25 april 9.35 uur niet kan worden afgeleid dat hij afstand doet van zijn legitieme portie. Eiser geeft aan dat hij ‘berust in alles’, maar waarin hij berust staat niet in het e-mailbericht.

4.7.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat uit het mailbericht van 9.35 uur blijkt dat eiser afstand heeft gedaan van zijn legitieme portie, heeft gedaagde verklaringen overgelegd van [D] en [E] . [D] verklaart daarin – zakelijk weergegeven – dat eiser aan haar heeft verteld dat hij (eiser) aan gedaagde had aangegeven zijn legitieme portie niet op te eisen. [E] verklaart – eveneens zakelijk weergegeven – dat eiser naar hem toe heeft aangegeven geen aanspraak te zullen maken op zijn legitieme portie.

4.8.

Deze schriftelijke verklaringen kunnen niet leiden tot het oordeel dat het betreffende emailbericht anders moet worden uitgelegd. [E] verklaart niets over een uitlating van eiser richting gedaagde. De uitlatingen van gedaagde jegens [E] zelf over het al dan niet afstand doen van zijn legitieme, zijn daarvoor niet van belang. De verklaring van [D] is nadrukkelijk door eiser weersproken: hij heeft haar gezegd dat hij het onterven accepteerde, maar niet dat hij geen recht zou hebben op de legitieme portie.

4.9.

Dat uit het bericht van 24 april 2011 te 9.35 uur niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser afstand doet van zijn legitieme portie, vindt naar het oordeel van de rechtbank voorts steun in het feit dat gedaagde in zijn antwoordmail van 8.27 uur reageert met de mededeling dat hij de claim van eiser op de legitieme portie nog heeft liggen. Of gedaagde er op dat moment vanuit is gegaan dat eiser daarvan afstand wenste te doen blijkt niet uit dat bericht. Gedaagde geeft aan dat hij een – de rechtbank begrijpt: schriftelijke – verklaring van eiser verwacht, maar dat de inhoud van die verklaring moet zijn dat eiser afstand doet van zijn legitieme portie, blijkt daar niet uit.

4.10.

Op grond van het voorgaande kan er evenmin sprake van zijn dat de vordering van eiser teniet is gegaan op basis van opgewekt vertrouwen. De rechtbank voegt daaraan toe dat uit de mededeling van eiser in zijn laatste mailbericht van 23.16 uur dat hij niet in zijn claim berust, duidelijk blijkt dat eiser zijn legitieme portie niet wilde opgeven. Gelet op de inhoud van dit mailbericht heeft gedaagde niet er op mogen vertrouwen dat eiser afstand deed van zijn legitieme.

De rechtbank gaat daarbij voorbij aan de stelling van gedaagde dat hij dit mailbericht niet heeft ontvangen. Immers, dit mailbericht is door eiser als afdruk overgelegd als productie bij de dagvaarding. Op die afdruk staat vermeld dat het bericht is verzonden aan het zelfde emailadres waarvandaan ook de berichten van gedaagde aan eiser zijn verzonden. Als onderwerp staat vermeld “RE: bereikbaarheid” en direct eronder is afgedrukt het eerdere emailbericht van gedaagde aan eiser van 18:27 uur. Als tijdstip van verzending staat vermeld 25 april 2011 23:16. Met zijn enkele stelling dat hij het mailbericht niet heeft ontvangen, stelt gedaagde daar onvoldoende tegenover.

4.11.

Voor zover gedaagde heeft willen betogen dat eiser door zijn uitlatingen naar [D] en [E] op later moment (dus na de mailwisseling in april 2011) alsnog afstand heeft gedaan van zijn vordering, overweegt de rechtbank als volgt.

Zelfs al zou op basis van die verklaringen moet worden geconcludeerd dat eiser aan [E] en [D] heeft laten weten dat hij afstand deed van zijn legitieme – hetgeen eiser betwist – dan kan op grond daarvan niet een overeenkomst tussen eiser en de nalatenschap zijn ontstaan, aangezien gesteld noch gebleken is dat [E] en [D] bevoegdelijk de nalatenschap vertegenwoordigden of dat eiser daar vanuit mocht gaat, zodat zij een eventueel aanbod van eiser om af te zien van zijn legitieme niet namens de nalatenschap konden aanvaarden. Voor zover het bewijsaanbod van gedaagde ziet op het bewijzen van de juistheid van de verklaringen van [E] en [D] , wordt daaraan derhalve niet toegekomen.

4.12.

Tussen partijen staat voorts vast dat eiser nooit een ondertekende verklaring tot afstand aan gedaagde heeft toegezonden en dat op dit punt verder ook geen enkele ander mondelinge of schriftelijke communicatie heeft plaatsgevonden. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat eiser afstand heeft gedaan van zijn legitieme portie en wordt niet toegekomen aan beantwoording van de vraag of eiser een hernieuwd beroep op zijn legitieme portie heeft gedaan. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of gedaagde terecht een beroep doet op rechtsverwerking.

Rechtsverwerking?

4.13.

De redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen een schuldeiser en schuldenaar beheersen, kunnen beperkingen meebrengen ten aanzien van hun gedragingen over en weer. Voor een gegrond beroep op rechtsverwerking dient in ieder geval sprake te zijn van omstandigheden waardoor hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

4.14.

Voor een beroep op rechtsverwerking is een enkel tijdsverloop of stilzitten onvoldoende. Daarvoor dient immers de verjaringstermijn, die voor het opeisen van een legitieme portie vijf jaar bedraagt (artikel 3:307 BW). Niet in geschil is dat deze op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet was verstreken. Op het vorengaande strandt reeds de stelling van gedaagde dat eiser in de periode tussen 24 april 2011 en 13 november 2014 richting hem niets heeft laten horen.

4.15.

De rechtbank begrijpt dat gedaagde in dit verband stelt dat de uitlatingen die eiser volgens hem richting [D] en [E] heeft gedaan, bij hem het vertrouwen hebben gewekt dat eiser uitbetaling van de legtitieme portie niet meer zou vorderen.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat wat ook zij van de vermeende uitlatingen van eiser jegens [D] en [E] , gedaagde in zijn hoedanigheid van executeur die ervoor verantwoordelijk is dat de vorderingen op de nalatenschap worden voldaan, niet op uitlatingen jegens derden mocht vertrouwen. Dit klemt te meer nu er geen enkele goede reden was waarom eiser zijn vordering op de nalatenschap niet meer zou opeisen en dit bovendien een financieel voordeel zou betekenen voor de erfgenamen, waaronder gedaagde zelf. Eiser heeft onbetwist gesteld dat hij wist dat de legitieme portie een substantieel bedrag was en dat hij dat wilde hebben. Indien bij gedaagde inderdaad het idee is ontstaan dat eiser zijn legitieme portie niet meer zou opeisen, had hij dat bij gedaagde dienen te verifiëren alvorens de nalatenschap af te wikkelen.

4.17.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat eiser een vordering had op de nalatenschap, dat hij daarvan geen afstand heeft gedaan en dat hij evenmin zijn recht om zijn vordering op te eisen heeft verwerkt. Vast staat dat gedaagde in zijn hoedanigheid van executeur is overgegaan tot vereffening van de nalatenschap zonder de vordering van eiser te voldoen. Beoordeeld dient derhalve te worden of eiser onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld.

Aansprakelijkheid executeur?

4.18.

Onverminderd eventueel door erflater aan de executeur opgelegde testamentaire lasten is de taak van een executeur het beheren van de goederen van de nalatenschap en het voldoen van de schulden die nalatenschap, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan (artikel 4:144 lid 1 BW).

4.19.

Gedaagde had derhalve de wettelijke plicht om de vordering van eiser te voldoen. Een rechtvaardigingsgrond om zulks niet te doen is gesteld noch gebleken. Dit niet voldoen van eiser door gedaagde, is aan gedaagde toerekenbaar. Het tegendeel is gesteld noch gebleken. Voor zover gedaagde bedoelt te stellen dat voor hem niet kenbaar was dat eiser ook feitelijke betaling van zijn vordering wilde hebben, had het – zoals hiervoor ook reeds is overwogen in het kader van de rechtsverwerking – op de weg van gedaagde gelegen zich daarover nader te informeren. Door dat na te laten en de nalatenschap te vereffenen zonder de vordering van eiser te voldoen, heeft hij het risico genomen persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld.

4.20.

Gedaagde dient derhalve aan eiser de schade te vergoeden die hij heeft geleden door dit onrechtmatig handelen.

Omvang schade

4.21.

De schade omvat in ieder geval de vordering van eiser ter hoogte van zijn legitieme portie, derhalve een bedrag a € 32.590,02. Gelet op het feit dat de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag niet is betwist en de legitieme portie aan [C] is uitgekeerd rond 20 juli 2012, wordt deze toegewezen als gevorderd.

Overige vorderingen

4.22.

Als niet betwist worden tevens toegewezen de buitengerechtelijke kosten die eiser heeft gemaakt voor inschakeling van Het Wetsbureau en die blijken uit de door hem overgelegde stukken (€ 75,- voorschot en € 954 kosten). De rechtbank wijst derhalve in dat verband toe een bedrag ad € 1.029,-, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd.

4.23.

Voor zover eiser bedoeld heeft te vorderen een bedrag ad € 2.987,90 aan kosten advocaat, wordt deze afgewezen. De gemaakte kosten betreffen kosten van deze procedure welke zijn verdisconteerd in de hier na te bespreken proceskostenveroordeling op basis van het liquidatietarief.

4.24.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiser worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 876,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.128,19

4.25.

Voor de gevorderde veroordeling van gedaagde in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat gedaagde handelend als executeur toerekenbaar onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld en derhalve schadeplichtig is jegens eiser;

5.2.

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 32.590,02 te vermeerderen met de wettelijke rente per 19 juli 2012 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.029,- te vermeerderen met de wettelijke rente per 20 februari 2015 tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 2.128,19;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.