Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14755

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
C/09/461559 / FA RK 14-1688
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:4016, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

scheiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0015
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

7 x

Rekestnummer: FA RK 14-1688 (scheiding) / FA RK 15-1062 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/461559 (scheiding) / C/09/482801 (verdeling)

Datum beschikking: 3 december 2015

Scheiding

Beschikking op het op 5 maart 2014 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man]

de man,

wonende te [woonplaats] , Zuid-Korea,

advocaat: mr. M. van Yperen-Groenleer te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 14 juli 2015 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:

  • -

    de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

  • -

    iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 14 september 2015 van de zijde van de man;

  • -

    de akte inzake verdeling d.d. 30 september 2015 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 7 oktober 2015 van de zijde van de man;

  • -

    het f-formulier met bijlagen d.d. 8 oktober 2015 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 12 oktober 2015 van de zijde van de man.

Op 15 oktober 2015 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het faxbericht met bijlage d.d. 10 november 2015 van de zijde van de man;

  • -

    de nadere akte inzake verdeling d.d. 16 november 2015 van de zijde van de vrouw.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

De verdeling

Benadeling van de gemeenschap

De vrouw heeft het vermoeden dat de man de gemeenschap heeft benadeeld op een wijze zoals vermeld in artikel 1:164 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de man een zeer hoog inkomen heeft en relatief lage lasten zodat de man een aanzienlijk vermogen heeft moeten kunnen opbouwen. Dit vermogen ziet de vrouw niet terug in de vermogensbestanddelen zoals vermeld in de door de man overgelegde stukken, zodat zij het aannemelijk acht dat hij vermogen heeft onttrokken. In aanvulling op haar betoog heeft de vrouw erop gewezen dat de saldi op de buitenlandse bankrekeningen die de man op de peildatum (5 maart 2014) stelt te hebben aanzienlijk lager waren dan in 2012.

Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd gesteld dat de benadeling ten minste een bedrag van 50.000 Singapore Dollar (SD) beloopt.

Omkering bewijslast?

De vrouw heeft gesteld dat zij in bewijsnood verkeert en dat er in onderhavige zaak op grond van redelijkheid en billijkheid aanleiding is om de bewijslast om te keren zodat het de man is die moet aantonen dat er geen sprake is van benadeling van de gemeenschap.

Ingevolge het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt de hoofdregel dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast draagt van die feiten of rechten. Een andere bewijslastverdeling kan voortvloeien uit enige bijzondere regel of uit de eisen van de redelijkheid en de billijkheid. Toepassing van deze tweede uitzondering kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden waarbij het bestaan van bewijsnood op zichzelf in beginsel onvoldoende reden vormt om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid. Echter, indien de partij die volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast draagt in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt door toedoen van de wederpartij, kan omkering van de bewijslast geboden zijn. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in dit geval, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de man, waarbij hij de nodige financiële stukken met betrekking tot zijn inkomsten en uitgaven heeft overgelegd, onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die een andere bewijslastverdeling zouden rechtvaardigen.

In hoeverre is de man gehouden inzage te geven?

Ter bepaling van haar aandeel in het huwelijksvermogen, heeft de vrouw met een beroep op artikel 1:83 BW en artikel 843a Rv gesteld dat de man gehouden is in ieder geval de volgende stukken in het geding dient te brengen:

  1. de jaaropgaven 2013 en 2014;

  2. een inkomsten- en uitgavenstaat;

  3. bankafschriften van alle buitenlandse bankrekeningen van de man over de periode september 2013 tot maart 2014.

De man heeft betwist dat hij gehouden is de jaaropgaven en een inkomsten- en uitgavenstaat in het geding te brengen. Wel heeft hij een aanzienlijk deel van de bankafschriften van de rekeningen bij HSBC over de periode september 2013 tot en met maart 2014 in het geding gebracht. Hij stelt dat hij geen andere bankrekeningen heeft. De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:83 BW geen verplichting inhoudt tot het afleggen van rekening en verantwoording in de kennelijk door de vrouw bedoelde zin. Genoemd artikel verplicht de echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen te verstrekken over de stand van hun goederen en schulden en over het door hen gevoerde bestuur.

Voorwaarde voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv is dat daarvoor een “rechtmatig belang” komt vast te staan en dat het gaat om “bepaalde” bescheiden. Door deze beperkingen kunnen zogenaamde fishing expeditions worden voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat het vereiste dat het moet gaan om “bepaalde bescheiden” niet zo ver gaat dat de inhoud van de stukken bekend is, maar dat het vereiste wel meebrengt dat in het licht van het verzoek voldoende duidelijk moet zijn om welke bescheiden het gaat en om welke reden zij van belang zijn, terwijl er bovendien met voldoende zekerheid moet kunnen worden vastgesteld dat het stuk waarvan inzage wordt gevraagd bestaat.

De rechtbank zal in het navolgende beoordelen of de man gehouden is inzage te geven in de door de vrouw genoemde bescheiden.

Ad a: de jaaropgaven 2013 en 2014

Nu de man heeft erkend dat de vrouw nog recht heeft op de helft van de door hem na de peildatum ontvangen bonus over 2013 en op 1/12 deel van de door hem na de peildatum ontvangen bonus over 2014, en nu het inkomen van de man – overigens voor zover relevant voor het vermogen van partijen – genoegzaam blijkt uit de door de man overgelegde bankafschriften van bankrekeningen waar zijn salaris op wordt gestort, heeft de vrouw geen rechtmatig belang meer bij het verkrijgen van inzage in de jaaropgaven van de man over 2013 en 2014. Het verzoek van de vrouw zal derhalve in zoverre worden afgewezen.

Ad b: inkomsten- en uitgavenstaat

Het verzoek van de vrouw om een door de man op te stellen inkomsten- en uitgavenstaat over de periode september 2013 tot en met maart 2014, wijst de rechtbank af. Het verzoek ziet niet op “bepaalde bestaande bescheiden” maar is in feite een verzoek om de man te verplichten om rekening en verantwoording af te leggen, waartoe de man – zoals hiervoor is overwogen – niet gehouden is.

Ad c: bankafschriften

De man heeft een groot deel van de bankafschriften van de rekeningen bij HSBC eindigend op #496 en #270 over de periode september 2013 tot maart 2014 in het geding gebracht. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegevens beschikbaar voor de beoordeling van de door de vrouw gestelde benadeling op grond van artikel 1:164 BW.

De vrouw heeft tevens verzocht om afschriften van de bankrekeningen gekoppeld aan de pasjes waarvan zij kopieën in het geding heeft gebracht. De man heeft gesteld dat het kopieën van creditcards betreft en kopieën van pasjes van bankrekeningen die ruim voor de peildatum reeds waren opgeheven. Nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man haar stelling dat die rekeningen (nog) bestaan niet nader heeft onderbouwd, is de man naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden afschriften van deze rekeningen in het geding te brengen.

Wel of geen benadeling?

Uit de door de man overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat op de bankrekeningen bij HSBC een half jaar voor de peildatum hogere saldi aanwezig waren dan op de peildatum. De man heeft met verwijzing naar de mutaties op de afschriften aangegeven dat zijn inkomsten en lasten genoegzaam blijken uit de door hem overgelegde bankafschriften. Hij heeft aangegeven dat uit die bankafschriften blijkt dat er geen sprake is van vreemde transacties, waarbij bijvoorbeeld ongebruikelijke grote bedragen zijn opgenomen of zijn overgemaakt naar een andere bankrekening. Hij heeft er verder, onderbouwd met stukken, op gewezen dat het prijspeil in Singapore heel hoog is.

De vrouw heeft hiertegenover haar stelling, dat er sprake is van benadeling in de zin van artikel 1:164 BW onvoldoende nader onderbouwd. Zij heeft niet gewezen op bepaalde ongebruikelijke mutaties in de relevante periode op grond van voormeld artikel die zouden kunnen wijzen op verspilling van gemeenschapsgelden of andere benadelingshandelingen genoemd in artikel 1:164 BW.

Voor zover de vrouw met haar betoog dat in het verleden (mogelijk) vermogen aanwezig was dat zij thans niet meer aantreft bedoelt te stellen dat daar uit volgt dat de man banktegoeden of ander vermogen behorend tot de gemeenschap heeft weggesluisd en buiten haar zicht heeft gebracht, volgt de rechtbank haar daarin niet. Dat er geen spaargelden zijn of dat er hoge uitgaven door de man worden gedaan, betekent nog niet dat er sprake is van verspilling in de zin van artikel 1:164 BW. Concrete stellingen aangaande het verduisteren van gelden of vermogen, ontbreken. Gelet op het voorgaande passeert de rechtbank de stelling van de vrouw dat de man de gemeenschap heeft benadeeld, zodat de rechtbank het op artikel 1:164 lid 1 BW gebaseerde verzoek van de vrouw zal afwijzen.

Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW: een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Van deze bepaling dient de man zich bewust te zijn en deze bepaling staat de vrouw ter beschikking indien naderhand zou blijken dat de man tot de gemeenschap behorende gelden heeft verduisterd of verzwegen.

De verdeling van de gemeenschap

De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen zoals in de tussenbeschikking van 14 juli 2015 genoemd.

Ad a t/m c: de echtelijke woning c.s.

Tussen partijen is in confesso dat de echtelijke woning dient te worden verkocht. Partijen zullen gezamenlijk een opdracht tot verkoop verstrekken aan de door de vrouw uitgekozen en door de man akkoord bevonden makelaar. Ten tijde van de levering van de woning zal de polis levensverzekering worden afgekocht en zal de koopsom worden aangewend voor de aflossing van de op de woning rustende hypothecaire geldlening. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde althans zij dienen ieder de helft van de resterende schuld te dragen (te weten opbrengst woning -/- hypothecaire lening en kosten verbonden aan de verkoop en levering + de opbrengst van de polis levensverzekering). De rechtbank zal aldus beslissen.

Ad d: de inboedel

De man stemt ermee in dat de inboedel in de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld. Hij wenst in dit verband een overbedelingsvergoeding van de vrouw te ontvangen van € 1.500. De vrouw is hiermee niet akkoord. Zij heeft erop gewezen dat de man destijds in [plaats] in een goed ingericht huis woonde. Indien de man aanspraak maakt op de helft van de waarde van de inboedel van de vrouw, dan maakt de vrouw ook aanspraak op de helft van de waarde van de inboedel van de man.

Ervan uitgaande dat beide partijen over een inboedel beschikken – de man heeft dit immers niet betwist – zal de rechtbank aan ieder der partijen de inboedelgoederen toedelen die hij of zij onder zich heeft, een en ander zonder nadere verrekening.

Ad e: de gezamenlijke bankrekening bij ING

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw deze rekening op haar naam zal voortzetten en dat het saldo per de peildatum zonder nadere verrekening aan haar zal worden toegedeeld. De rechtbank zal de overeenstemming tussen partijen vastleggen als na te melden.

Ad f: de bankrekeningen van de man bij HSBC en Citibank

Uit de door de man overgelegde stukken blijken de volgende saldi per de peildatum:

  1. HSBC [nummer] (dollarrekening) 64.338,04 SD = € 36.927,08

  2. HSBC [nummer] (eurorekening) € 0,00

  3. Citibank nihil

De saldi per de peildatum dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld. Derhalve heeft de vrouw nog recht op een bedrag van € 18.463,54 (uitgaande van de wisselkoers op de peildatum). Nu van overige banksaldi niet is gebleken, gaat de rechtbank ervan uit dat er geen nadere te verdelen bedragen (op bankrekeningen) zijn.

Ad g: aandelenportefeuille/beleggingsfonds bij HSBC

Nu de vrouw na de gemotiveerde betwisting door de man in dit verband niet nader haar stelling, met stukken of anderszins, heeft onderbouwd dat er op de peildatum sprake was van een aandelenportefeuille of beleggingsfonds die enige waarde vertegenwoordigde, gaat de rechtbank aan de stelling van de vrouw op dit punt voorbij en neemt de rechtbank als vaststaand aan dat er te dien aanzien op de peildatum geen (te verdelen) vermogensbestanddeel aanwezig was.

Ad h: de opbrengst van het appartement in Maleisië

Vast staat dat de man een appartement in Maleisië in eigendom had, welk appartement rond de peildatum is verkocht.

Volgens de man heeft de verkoop niet geleid tot een substantiële meeropbrengst. De man schat de verkoopprijs van het destijds nog casco appartement op 280.000 Maleisische Ringgit (RM). De verkoopkosten bedroegen volgens de man RM 18.760 en de hypotheek beliep bij verkoop RM 167.413. Derhalve stelt de man de verkoopopbrengst op RM 93.827, welk bedrag overeenkomt met € 20.806 (uitgaande van de wisselkoers op de peildatum). De man heeft bij zijn faxbericht van 10 november 2015 een stuk (productie 6) in het geding gebracht waar volgens hem uit blijkt dat hij geen Real Estate Property Gain Tax verschuldigd was. Volgens de man volgt hieruit dat er nauwelijks winst is gemaakt. De man heeft voorgesteld om het deel van de opbrengst dat op de peildatum nog beschikbaar was te stellen op € 15.000 zodat hij nog een bedrag van € 7.500 aan de vrouw dient te voldoen.

De vrouw heeft de stellingen van de man bestreden. De vrouw stelt dat het appartement op een goede locatie ligt en niet meer in een casco staat verkeerde ten tijde van de verkoop. Zij heeft diverse vergelijkbare appartementen in de omgeving bekeken via internet en heeft zich naar aanleiding daarvan op het standpunt gesteld dat de waarde van het appartement van partijen op de peildatum gesteld moet worden op een waarde van RM 1.400.000.

De rechtbank overweegt als volgt.

De man is in de gelegenheid gesteld om stukken van de verkoop in het geding te brengen, om zijn stelling dat de verkoop van de woning te Maleisië nauwelijks iets heeft opgebracht nader te onderbouwen. De man heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt tegen welke prijs hij de woning heeft verkocht of waar uit blijkt welke opbrengst resteerde na aflossing van de hypothecaire geldlening. Dit had in het kader van het bij hem rustende beheer wel van hem mogen worden verwacht. Uit de enkele productie 6 die de man heeft overgelegd, welke productie bovendien is opgesteld in de Maleisische taal, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de netto opbrengst van de woning nihil was. De rechtbank zal derhalve bij gebrek aan inzicht omtrent de verkoopprijs aansluiting zoeken bij de door de vrouw gestelde en toegelichte waarde van het appartement van RM 1.400.000. De vrouw heeft betwist dat de verkoopkosten RM 18.760 bedroegen. Echter nu aannemelijk is dat er verkoopkosten zijn gemaakt, zal de rechtbank aansluiten bij het door de man genoemde bedrag op dit punt. Voorts houdt de rechtbank rekening met een hypotheek bij verkoop van RM 167.413, op grond van het door de man overgelegde stuk van de bank. Uitgaande van deze gegevens stelt de rechtbank de opbrengst van de woning te Maleisië op RM 1.213.827, wat uitgaande van de wisselkoers per de peildatum overeenkomt met € 267.041. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de opbrengst van het appartement te Maleisië een bedrag van afgerond € 133.520 aan de vrouw dient te voldoen.

Ad i: de auto

Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld. Zij strijden echter over de waarde van de auto per de peildatum. Gelet op de door de vrouw overgelegde richtprijzen van de ANWB en de stellingname van de man ter zitting, zal de rechtbank de waarde van de auto in redelijkheid bepalen op € 5.500. De rechtbank zal de auto tegen deze waarde aan de vrouw toedelen, onder bepaling dat de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 2.750, aan de man zal voldoen.

Ad j: de sieraden

De man heeft gesteld dat tot de gemeenschap tevens sieraden behoren die de vrouw in een kluis bij haar moeder bewaart. De vrouw heeft dit betwist. Nu de man vervolgens niet nader heeft onderbouwd dat er sieraden tot de gemeenschap behoren, gaat de rechtbank aan deze stelling van de man voorbij en gaat de rechtbank ervan uit dat er geen sieraden tot de te verdelen gemeenschap behoren.

Ad k: de bonussen over 2013 en 2014

Zoals hierboven reeds is vermeld, zijn partijen het erover eens geworden dat de vrouw nog recht heeft op de helft van de door de man na de peildatum ontvangen bonus over 2013 en op 1/12 deel van de door hem na de peildatum ontvangen bonus over 2014. De rechtbank zal aldus beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vast:

1. met betrekking tot de echtelijke woning:

 de echtelijke woning dient te worden verkocht en overgedragen aan een derde; hiertoe dienen partijen gezamenlijk een opdracht tot verkoop te verstrekken aan de door de vrouw uitgekozen en door de man akkoord bevonden makelaar; bij verkoop en levering van de woning dient de hierop rustende hypothecaire geldlening te worden afgelost en dient de polis levensverzekering te worden afgekocht; partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde althans zij dienen ieder de helft van de resterende schuld te dragen (te weten opbrengst woning -/- hypothecaire lening en kosten verbonden aan de verkoop en levering + de opbrengst van de polis levensverzekering);

2. met betrekking tot de inboedel:

 aan de man worden toegedeeld de inboedelgoederen die hij onder zich heeft;

 aan de vrouw worden toegedeeld de inboedelgoederen die zij onder zich heeft;

3. met betrekking tot de gezamenlijke bankrekening bij ING:

 de vrouw zal deze rekening op haar naam voortzetten en de man zal medewerking verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling;

 het saldo per de peildatum wordt zonder nadere verrekening aan de vrouw toegedeeld;

4. met betrekking tot de rekening van de man bij HSBC, nummer [nummer] :

 bepaalt dat het banksaldo per de peildatum ad € 36.927,08 bij helfte dient te worden gedeeld, zodat de man aan de vrouw een bedrag van € 18.463,54 dient te voldoen;

5. met betrekking tot de verkoopopbrengst van het appartement te Maleisië:

 bepaalt dat de man een bedrag ad € 133.520 aan de vrouw dient te voldoen;

6. met betrekking tot de auto:

 de auto wordt aan de vrouw toegedeeld tegen een waarde van € 5.500, onder bepaling dat de vrouw een bedrag van € 2.750 aan de man dient te voldoen;

7. met betrekking tot de bonussen:

 de man dient de helft van de door hem ontvangen bonus over 2013 en 1/12 deel van de door hem ontvangen bonus over 2014 aan de vrouw te voldoen;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

*

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, K.M. Braun en S.M. Westerhuis-Evers, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2015.