Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14745

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
C/09/478070 / FA RK 14-9280
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

(tussenbeschikking)

scheiding - zorgregeling - kinderalimentatie - partneralimentatie - afwikkeling HV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

6 x

Rekestnummer: FA RK 14-9280 (scheiding) / FA RK 15-4410 (afwikkeling HV)

Zaaknummer: C/09/478070 (scheiding) / C/09/490241 (afwikkeling HV)

Datum beschikking: 17 november 2015

Scheiding

Beschikking op het op 24 november 2014 ingekomen verzoek van:

[de man]

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.J.M.H. de Werd te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. L. Faouzi te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

  • -

    het formulier verdelen en verrekenen van de zijde van de man;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 2 juni 2015 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 25 september 2015 van de zijde van de man;

  • -

    het f-formulier met bijlagen d.d. 28 september 2015 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 2 oktober 2015 van de zijde van de vrouw.

De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.

Op 6 oktober 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het f-formulier d.d. 12 oktober 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 20 oktober 2015 van de zijde van de man.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding, met – thans – nevenvoorzieningen tot:

  • -

    vaststelling van de hoofdverblijfplaats van na te noemen minderjarigen bij de vrouw;

  • -

    vaststelling van een zorgregeling waarbij de minderjarigen bij de man verblijven een weekend per twee weken van vrijdagavond (na het eten) tot zondagavond (na het eten) en de helft van de schoolvakanties en feestdagen;

  • -

    naar de rechtbank begrijpt: het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de man;

  • -

    vaststelling van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen (de echtelijke woning en het vakantiehuisje in Oostenrijk) conform het voorstel van de man;

  • -

    afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden conform het voorstel van de man;

  • -

    bepaling dat de man een vergoedingsrecht heeft ter zake de echtelijke woning van € 143.739 en bepaling dat de vrouw dit bedrag aan de man dient te voldoen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft – onder referte ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen – verweer gevoerd tegen de overige door de man verzochte nevenvoorzieningen. Tevens heeft zij zelfstandig verzocht om de echtscheiding

uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

  • -

    het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw;

  • -

    opname van het door de vrouw overgelegde ouderschapsplan (productie 1) en vastlegging van de daarin voorgestelde voorzieningen in deze beschikking;

  • -

    vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw;

  • -

    vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 336 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 2.800 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden conform het voorstel van de vrouw,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .

  • -

    Zij zijn de ouders van de minderjarigen:

 [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

 [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

 [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

  • -

    Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uit.

  • -

    Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en jaarlijkse verrekening van overgespaarde inkomsten.

  • -

    In artikel 2.3 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald: “Bestaat overigens tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dat wordt dit goed geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.”

  • -

    In artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald: “De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.”

  • -

    De man houdt 100% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] BV (hierna: de holding). De man is bovendien statutair directeur van de holding en is als werknemer in dienst van de holding. Bij de holding heeft hij een schuld in rekening-courant.

  • -

    Op 17 juni 2011 is de man met de holding een zogeheten “leningsovereenkomst” aangegaan, die betrekking heeft op door de man van de holding “ter leen genomen en ontvangen gelden” ten bedrage van € 143.739.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan, met dien verstande dat een door partijen gezamenlijk opgesteld ouderschapsplan ontbreekt.

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

Door partijen is geen gezamenlijk opgesteld ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid partijen in hun respectieve verzoeken tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen ten aanzien van de zorgregeling en in aanmerking nemend dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de kinderalimentatie, is het thans niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan in het geding te brengen. Daarom zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Inhoudelijke beoordeling

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Hoofdverblijfplaats van de minderjarigen

Nu niet gebleken is dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet, kan het verzochte als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Zorgregeling

Thans verblijven de kinderen een weekend per twee weken van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man. De man wenst deze regeling – nadat hij in een eerder stadium van de procedure nog een uitbreiding wenste met een doordeweekse avond – te continueren omdat hij een ruimere regeling niet kan combineren met zijn werk. De vrouw wenst, in overeenstemming met de regeling die is opgenomen in het door haar overgelegde concept-ouderschapsplan, de huidige regeling juist uit te breiden in die zin dat de kinderen een weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man zullen zijn. De vrouw heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij de zorg voor de kinderen ook moet combineren met haar werk.

De kinderen hebben in het kindgesprek te kennen gegeven dat zij – hoewel zij soms moeite hebben met de nieuwe situatie bij hun vader – het belangrijk vinden om een goede band met hun vader te hebben. [minderjarige 1] heeft te kennen gegeven dat zij haar vader best vaker zou willen zien, ondanks dat dat lastig te realiseren is in verband met haar tennistrainingen. Ook [minderjarige 2] zou vaker leuke dingen met zijn vader willen ondernemen. Tot slot heeft [minderjarige 3] te kennen gegeven dat zij het fijner en rustiger zou vinden om op vrijdag direct uit school naar haar vader toe te gaan.

De rechtbank constateert dat beide partijen een voor de kinderen goed uitvoerbare zorgregeling wensen. Partijen worden echter door hun werktijden geconfronteerd met praktische problemen als het gaat om de opvang van de kinderen, met name in de weekenden. De vrouw heeft (in ieder geval tot 1 november 2015) een fulltime baan waarbij zij om de week op zaterdag moet werken en de man maakt doordeweeks lange dagen, waarbij hij iedere ochtend om 6.00 uur vertrekt en in de avonden pas weer laat thuis is. Daarnaast moet de man in principe ook iedere zaterdag werken, maar thans neemt de vader van zijn compagnon om de zaterdag zijn werkzaamheden over.

De vrouw heeft in dit verband betoogd dat de kinderen oud genoeg zijn om af en toe alleen thuis te zijn. Zij heeft verklaard dat de kinderen bij haar op vrijdagmiddag ook alleen thuis zijn en dat dit heel goed gaat omdat zij goede afspraken met hen heeft gemaakt. De man heeft echter te kennen gegeven dat hij er moeite mee heeft om de kinderen een sleutel te geven zodat zij bij hem naar binnen kunnen als hij er (nog) niet is.

De rechtbank stelt voorop dat bij het vaststellen van een zorgregeling het belang van de kinderen een overweging van eerste orde dient te zijn. Dit neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen. In dit verband onderkent de rechtbank de belangen van beide ouders bij de door hen gewenste zorgregeling, maar deze belangen wegen ten opzichte van elkaar even zwaar. Immers, beide ouders moeten – ook in het belang van (de financiële situatie van) de kinderen – in de gelegenheid zijn om hun werk te doen. Derhalve acht de rechtbank het belang van de kinderen in onderhavige zaak doorslaggevend. Het belang van de kinderen is naar het oordeel van de rechtbank het meest gediend met een uitbreiding van de huidige regeling, vooral ook omdat de kinderen te kennen hebben gegeven dat zij meer tijd met hun vader wensen door te brengen en omdat zij het prettiger vinden om vrijdagmiddag direct uit school naar hun vader toe te gaan. De rechtbank zal de huidige zorgregeling dan ook uitbreiden naar een regeling waarbij de kinderen één weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de man zullen zijn.

De rechtbank acht partijen in gelijke mate verantwoordelijk voor het oplossen van de praktische problemen die mogelijk rijzen bij de uitvoering van deze regeling en zij gaat er dan ook van uit dat partijen hieromtrent samen met de kinderen, rekening houdend met hun leeftijd, goede afspraken zullen maken. Hierbij dienen de ouders het belang van de kinderen voorop te stellen, ook als hun eigen belangen daar mogelijk voor moeten wijken.

Kinderalimentatie

De behoefte van de kinderen

Gelet op de stellingen van partijen ter zitting omtrent de behoefte van de kinderen op basis van de tabel eigen aandeel kosten van de kinderen behorende bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen – de vrouw heeft de behoefte van de kinderen op € 1.485 per maand gesteld, terwijl de man een behoefte heeft genoemd van € 1.510 per maand – stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen in redelijkheid op € 1.500 per maand.

Overeenkomstig recente jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011) zal de rechtbank het kindgebonden budget niet in mindering brengen op de hierboven genoemde behoefte van de kinderen.

De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De rechtbank zal de financiële draagkracht van partijen vaststellen aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + € 875)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. De rechtbank zal het kindgebonden budget in aanmerking nemen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt, in dit geval de vrouw.

De draagkracht van de man

De rechtbank zal bij de berekening van het huidige netto besteedbaar inkomen van de man rekening houden met zijn actuele vanuit de holding genoten inkomen en niet – zoals de man heeft betoogd – met het gemiddelde door hem genoten fiscaal loon over de jaren 2012 tot en met 2014. Gelet op de door de man overgelegde recente salarisspecificaties geniet de man thans een salaris van € 4.934,40 bruto per maand.

Voorts houdt de rechtbank rekening met:

  • -

    de op het salaris van de man ingehouden bijdrage ZVW;

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting.

Tot slot zal de rechtbank – evenals de man ter zitting heeft aangegeven – een bedrag van € 847 netto per maand aan opnamen uit rekening-courant in aanmerking nemen. De rechtbank zal geen rekening houden met een vast bedrag aan zwarte inkomsten, nu de man de stelling van de vrouw dat er substantiële zwarte inkomsten werden genoten heeft weersproken en de vrouw onvoldoende nader heeft onderbouwd of aangetoond dat er wel degelijk sprake was van regelmatige en substantiële zwarte inkomsten.

Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank uit van een netto besteedbaar inkomen van de man (2015) van € 3.841 per maand.

De draagkracht van de man is volgens de formule afgerond € 1.270 per maand, te weten 70 % x [ € 3.841 - (0,3 x € 3.841 + € 875)].

De draagkracht van de vrouw

Vaststaat dat het huidige arbeidscontract van de vrouw afloopt op 1 november 2015. Zij heeft nog geen zicht op een nieuwe baan. Nu voldoende aannemelijk is dat de vrouw alleen gedurende het laatste jaar van haar arbeidsverleden verzekerd was voor werkeloosheid heeft zij slechts voor de minimale periode van drie maanden aanspraak op een WW-uitkering. Na afloop van die termijn zal zij – indien zij geen nieuwe baan vindt en geen aanspraak kan maken op partneralimentatie – alleen nog aanspraak kunnen maken op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ad € 963 netto per maand. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van dit inkomen.

De rechtbank heeft berekend dat de vrouw daarnaast aanspraak kan maken op een kindgebonden budget van € 459 per maand. De rechtbank zal dit bedrag in aanmerking nemen bij de berekening van het NBI van de vrouw.

Gezien het voorgaande kan het NBI van de vrouw worden becijferd op € 1.422 per maand (€ 963 + € 459). Nu het NBI van de vrouw lager is dan € 1.500 per maand, dient haar draagkracht te worden gesteld op € 110 per maand (een en ander conform de draagkrachttabel 2015).

Verdeling kosten van de kinderen

Nu de gezamenlijke draagkracht van de ouders (€ 1.380 per maand) lager is dan het eigen aandeel van de ouders in de behoefte van de kinderen (€ 1.500 per maand) wordt de bijdrage van beide ouders beperkt tot hun draagkracht. Derhalve komt van de totale behoefte van de kinderen een gedeelte van € 1.270 per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 110 per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de vast te stellen zorgregeling (tweeënhalve dag per twee weken + de helft van de vakanties en feestdagen) ziet de rechtbank aanleiding om een zorgkorting van 25 % toe te passen. Het totale tekort aan draagkracht (om in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien) bedraagt € 120 per maand. De rechtbank zal dit tekort van € 120 aan beide ouders voor de helft toerekenen. Voor de man betekent dit dat de helft van dit tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend € 1.270 – (€ 375 – € 60) = € 955 per maand, ofwel afgerond € 320 per maand per kind.

Conclusie

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van heden bepalen op € 320 per maand per kind.

Partneralimentatie

De behoefte van de vrouw

Partijen twisten over de behoefte van de vrouw. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar maandelijkse kosten twee verschillende behoeftelijsten in het geding gebracht (in eerste instantie productie 9 bij haar verweerschrift en in een later stadium van de procedure productie 13 bij het door haar ingediende f-formulier van 28 september 2015). Volgens de eerstgenoemde lijst bedraagt haar totale behoefte € 4.930 per maand. Uit de tweede lijst volgt een behoefte van € 5.247 netto per maand. De man heeft de juistheid van beide behoeftelijsten betwist, stellende dat diverse posten (waaronder dagelijks levensonderhoud, autokosten, ontspanning, vaste en overige uitgaven en reserveringen) door de vrouw zijn opgeklopt. Voor andere uitgaven, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en studiekosten, ontbreekt volgens de man de noodzaak. Voorts heeft de man erop gewezen dat een deel van de door de vrouw opgevoerde lasten betrekking heeft op de kinderen. Volgens hem moet de behoefte van de vrouw na correctie van diverse posten worden gesteld op circa € 1.900 netto per maand.

De rechtbank stelt voorop dat – volgens vaste rechtspraak – bij de vaststelling van de behoefte van een onderhoudsgerechtigde rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van de inkomsten en uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarnaast moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij concrete gegevens betreffende reële of te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de eerstgenoemde behoeftelijst bij de bepaling van de behoefte van de vrouw tot uitgangspunt nemen en de hierop vermelde maandelijkse kostenposten puntsgewijs behandelen. De keuze van de rechtbank voor de eerste lijst is enerzijds ingegeven door het feit dat op de tweede behoeftelijst een groot aantal kosten van de kinderen is opgenomen waardoor deze lijst geen reëel beeld geeft van de kosten die de vrouw ten behoeve van zichzelf maakt en anderzijds vanwege de omstandigheid dat in de eerste behoeftelijst de posten in duidelijke categorieën zijn onderverdeeld.

Woonlasten

Mede gelet op de huidige woonlasten van de vrouw, acht de rechtbank een totale woonlast (eigenaarslasten en gebruikerslasten) van in totaal € 1.200 netto per maand redelijk.

Dagelijks levensonderhoud

De man heeft de door de vrouw opgevoerde kosten voor dagelijks levensonderhoud betwist, stellende dat deze post veel te hoog door de vrouw is ingeschat en onvoldoende door haar is onderbouwd. De rechtbank acht het gezien de betwisting van de man en bij gebrek aan een nadere onderbouwing van de zijde van de vrouw redelijk om rekening te houden met een kostenpost van in totaal € 300 per maand. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier uitsluitend om kosten voor de vrouw zelf gaat.

Vervoer

De man heeft de door de vrouw opgevoerde autokosten betwist, stellende dat de vrouw thans in een te dure auto rijdt die zij zich niet kan permitteren. De vrouw heeft ter zitting zelf ook te kennen gegeven dat zij haar huidige auto wenst in te ruilen voor een kleiner en minder duur exemplaar. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een kostenpost van in totaal (brandstof, verzekering, belasting, onderhoud en afschrijving) € 425 per maand.

Vaste uitgaven

De vrouw heeft onder het kopje vaste uitgaven (in totaal € 555 per maand) een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 200 per maand opgevoerd. Volgens de man bestaat er voor de vrouw geen noodzaak voor betaling van een dergelijke premie. De man acht een totale kostenpost voor vaste uitgaven van € 250 per maand redelijk en reëel.

De rechtbank acht het gezien de betwisting van de man en bij gebrek aan een nadere onderbouwing van de zijde van de vrouw redelijk om rekening te houden met een kostenpost voor vaste uitgaven van in totaal € 250 per maand.

Ontspanning

De rechtbank acht het – mede gezien de betwisting van deze post door de man – redelijk om rekening te houden met kosten van ontspanning ad in totaal € 300 per maand (vakanties, uitgaan, sport en boeken). De rechtbank acht deze kostenpost in overeenstemming met de huwelijksgerelateerde welstand van partijen.

Overige uitgaven

De vrouw heeft onder het kopje overige uitgaven studiekosten opgevoerd van € 400 per maand alsmede andere – niet nader gespecificeerde – lasten van € 30 per maand. Nu niet is komen vast te staan dat de vrouw deze kosten daadwerkelijk zal maken, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden.

Reserveringen

De rechtbank acht het redelijk om een totale reserveringslast van € 125 per maand in aanmerking te nemen, mede in aanmerking genomen dat bij de kosten van vervoer reeds rekening is gehouden met afschrijving van de auto.

Gelet op het voorgaande kan de totale behoefte van de vrouw worden gesteld op € 2.600 netto per maand.

Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de vrouw in staat is, althans in staat moet worden geacht, om nu en in de (nabije) toekomst in deze behoefte te voorzien.

Zoals hiervoor is overwogen zal de vrouw slechts voor de minimale periode van drie maanden aanspraak hebben op een WW-uitkering. Na afloop van die termijn zal zij – indien zij geen nieuwe baan vindt – alleen nog aanspraak kunnen maken op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Daarmee is de behoeftigheid van de vrouw gegeven. Hoewel de vrouw gemotiveerd is om te werken en haar verdiencapaciteit kan worden toegedicht, acht de rechtbank het redelijk om haar behoefte aan een bijdrage van de man – zolang zij feitelijk geen inkomen heeft – te stellen op € 2.600 netto per maand. Indien de vrouw een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt, zal dit voor partijen aanleiding kunnen zijn om de behoeftigheid/behoefte van de vrouw opnieuw te bezien. Nu uit hetgeen hierna wordt overwogen volgt dat de man op dit moment geen draagkracht heeft om partneralimentatie te voldoen, zal dat naar verwachting niet aan de orde zijn.

De draagkracht van de man

De rechtbank zal bij de berekening van het huidige netto besteedbaar inkomen van de man rekening houden met zijn actuele vanuit de holding ontvangen inkomen en niet – zoals de man heeft betoogd – met het gemiddelde door hem genoten fiscaal loon over de jaren 2012 tot en met 2014. Gelet op de door de man overgelegde recente salarisspecificaties geniet de man thans een salaris van € 4.934,40 bruto per maand.

Voorts houdt de rechtbank rekening met:

  • -

    de op het salaris van de man ingehouden bijdrage ZVW;

  • -

    de fiscale bijtelling van het eigenwoningforfait;

  • -

    de fiscaal aftrekbare hypotheekrente.

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting.

Tot slot zal de rechtbank – evenals de man ter zitting heeft aangegeven – een bedrag van € 847 netto per maand aan opnamen uit rekening-courant in aanmerking nemen. De rechtbank zal, evenals bij de berekening van de kinderalimentatie en op de daar genoemde gronden, geen rekening houden met een vast bedrag aan zwarte inkomsten.

Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank uit van een netto besteedbaar inkomen van de man van € 4.713 per maand.

De man heeft de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

  1. hypotheekrente € 2.291

  2. overige eigenaarslasten € 95

  3. zorgpremie € 69

  4. realisatie eigen risico € 25

De rechtbank zal deze lasten als niet weersproken in aanmerking nemen.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Tevens zal de rechtbank rekening houden met de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen inclusief zorgkorting ad € 1.270 per maand.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de huidige draagkracht van de man geen ruimte laat voor het vaststellen van partneralimentatie.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Beide partijen hebben om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verzocht. De man woont op dit moment in de echtelijke woning. De vrouw heeft de echtelijke woning in februari 2014 verlaten.

Op grond van artikel 1:165 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking bepalen dat een echtgenoot, als deze ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking voort te zetten.

Nu de vrouw de echtelijke woning in februari 2014 heeft verlaten en zij thans met de kinderen in een huurwoning verblijft, kan zij volgens genoemd wetsartikel geen aanspraak meer maken op het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen. Nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij belang heeft bij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en een periodiek verrekenbeding. Niet in geschil is dat jaarlijkse verrekening van overgespaarde inkomsten nimmer heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, ten zij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht ander voortvloeit. Tevens hebben partijen enkele vermogensbestanddelen in gemeenschappelijke eigendom.

Eenvoudige gemeenschappen

Tussen partijen is in confesso dat de volgende vermogensbestanddelen gemeenschappelijke vermogensbestanddelen zijn:

  1. de echtelijke woning te [plaats] [adres]

  2. de hierop gevestigde hypothecaire geldleningen bij Florius;

  3. de inboedel van de echtelijke woning.

Tussen partijen is in geschil of de caravan in Oostenrijk een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel betreft.

Ad a en b: de echtelijke woning c.s.

Tussen partijen is in confesso dat de echtelijke woning dient te worden verkocht. Gelet hierop dienen partijen gezamenlijk een opdracht tot verkoop te verstrekken aan een makelaar. Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de makelaar aan wie de opdracht tot verkoop zal worden verstrekt, dient de man binnen een maand na de datum van deze beschikking drie NVM-verkoopmakelaars aan de vrouw voor te stellen. De vrouw heeft vervolgens twee weken de tijd om een keuze te maken uit deze makelaars. Vervolgens zullen partijen gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning verstrekken aan de door de vrouw gekozen makelaar. Gezien de reeds verrichte taxaties acht de rechtbank het redelijk dat partijen in eerste instantie als vraagprijs € 725.000 hanteren. Partijen dienen vervolgens het advies van de verkoopmakelaar te volgen met betrekking tot de te hanteren laatprijs. Bij verkoop en levering van de woning dienen de hierop rustende hypothecaire geldleningen te worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten te worden voldaan.

Investeringen in de echtelijke woning

Tussen partijen is de verdeling van de opbrengst van de echtelijke woning in geschil. De man heeft gesteld dat hij uit eigen vermogen een bedrag van € 143.739 in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd zodat hem een nominaal vergoedingsrecht toekomt van dit bedrag, te voldoen uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning (artikel 3 huwelijkse voorwaarden). Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man als productie 3 bij zijn verzoekschrift de hiervoor onder de opsomming van de feiten genoemde overeenkomst van geldlening tussen hem en de holding overgelegd.

Ter zitting heeft de man ter toelichting gesteld dat de verbouwingskosten in eerste instantie zijn gefinancierd door opnames uit rekening-courant die hij in zijn hoedanigheid van aandeelhouder onderhoudt met de holding. Omdat de rekening-courant te veel opliep is er in samenspraak met de boekhouder voor gekozen om opnames die zijn aangewend voor de verbouwing van de woning om te zetten in een lening, te meer omdat dit – in ieder geval naar de destijds geldende regelgeving – fiscaal ook gunstig was. De man heeft in dit verband verklaard dat de vrouw destijds heeft meegeholpen om een specificatie te maken van alle investeringen in de woning (productie 23 van de zijde van de man) die gefinancierd waren door opnames uit rekening-courant, zodat het totale bedrag kon worden verwerkt in een lening. De man heeft de in verband met de lening verschuldigde rente ook daadwerkelijk opgevoerd als fiscale aftrekpost in zijn aangiftes inkomstenbelasting (producties 1 en 13 van de zijde van de man).

De vrouw heeft betwist dat de man een nominaal vergoedingsrecht toekomt. Zij heeft hiertoe gesteld dat de hypotheek tweemaal is verhoogd en dat de verbouwing daarvan is betaald althans had kunnen worden betaald.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is op zichzelf niet in discussie dat een bedrag van € 143.739 is aangewend voor de verbouwing van de woning en evenmin dat deze verbouwing waardeverhogend is geweest. Ter discussie staat uit welke gelden de verbouwing is voldaan.

Uit de door de man overgelegde stukken – waaronder naast eerder genoemde producties, het rekening-courantoverzicht over de jaren 2005 tot en met 2013 (productie 17 van de zijde van de man) en de brief d.d. 30 september 2014 van de boekhouder van de holding (productie 22 van de zijde van de man) – blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de lening van de man bij de holding is aangewend voor de financiering van de verbouwing van de echtelijke woning. Dat de verbouwingskosten aanvankelijk zijn gefinancierd door opnames te doen uit rekening-courant en dat de op de verbouwing betrekking hebbende opnames pas in een later stadium zijn opgenomen in een schriftelijke overeenkomst van geldlening doet naar het oordeel van de rechtbank in dit verband niet ter zake. Dat, zoals de vrouw nog heeft aangegeven, de verhoging van de hypothecaire geldlening bij de bank mogelijk is aangewend om investeringen te doen in de holding is voor het onderhavige vergoedingsrecht evenmin van belang. Wel van belang acht de rechtbank dat de vrouw, zoals zij heeft erkend, er zelf aan heeft meegewerkt de overeenkomst van geldlening van een onderbouwing te voorzien door informatie over de door de holding betaalde verbouwingskosten aan te dragen.

Gelet op het voorgaande komt de man een nominaal vergoedingsrecht toe van € 143.739, te voldoen uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning. De resterende opbrengst na voldoening van de hypothecaire leningen en verkoopkosten dient vervolgens bij helfte tussen partijen te worden gedeeld. Indien het vergoedingsrecht van de man niet uit de overwaarde van de woning kan worden voldaan, heeft de man een vordering op de vrouw ten bedrage van de helft van € 143.739, althans van het bedrag dat niet uit de verkoopopbrengst kan worden voldaan.

De rechtbank merkt in dit verband op dat – in verband met het voorgaande – bij de waardering van de aandelen van de holding de lening van de man bij de holding als afgelost moet worden beschouwd, althans voor zover het bedrag van de lening daadwerkelijk uit de verkoopopbrengst is voldaan.

Ad c: de inboedel

Partijen hebben ter terechtzitting overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel. Zij zijn overeengekomen dat de vrouw de witte kast toegedeeld krijgt, dat partijen voor het overige de inboedelgoederen behouden die zij reeds onder zich hebben en dat de man nog een bedrag van € 500 aan de vrouw zal voldoen.

Nu partijen overeenstemming hebben over de verdeling van de inboedel, behoeft de rechtbank dienaangaande geen beslissing meer te nemen.

De caravan in Oostenrijk

Partijen twisten erover of de caravan een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel is dan wel een vermogensbestanddeel van de man in privé. De man heeft ten bewijze van zijn stelling dat de caravan aan hem alleen toebehoort de aan hem gerichte factuur van de caravan in het geding gebracht. De vrouw heeft erop gewezen dat de naam op de factuur niet doorslaggevend is en dat zij bovendien – na de verstrekking van de door de man ingebrachte factuur – nog expliciet heeft gevraagd om een nadere factuur op beider naam, die zij echter niet in haar bezit heeft.

Bij de beoordeling van de vraag aan wie de caravan toebehoort is in beginsel doorslaggevend aan wie deze is geleverd. Hierover verschillen partijen echter van mening. Weliswaar staat op de door de man overgelegde op zijn naam gestelde factuur: “aan u geleverd”, maar daaruit blijkt nog niet dat de caravan feitelijk aan de man is geleverd. In dit verband acht de rechtbank het een belangrijk gegeven dat tussen partijen niet in geschil is dat de caravan is aangeschaft ten behoeve van gebruik door het gezin. Als de caravan al feitelijk aan de man is geleverd kan derhalve niet worden uitgesloten dat de man deze mede namens de vrouw in ontvangst heeft genomen. Ook hetgeen na de aanschaf van de caravan is geschied duidt daarop: de caravan is, naar als onweersproken vaststaat, door de man en de vader van de vrouw opgehaald en naar Oostenrijk vervoerd; in Oostenrijk is een standplaats op een camping gehuurd waarvoor, naar de laatste stand van zaken, door elk van beide partijen voor 50% wordt bijgedragen (productie 22 vrouw, "Rechnung Jahresplatz”). Op die camping is de caravan van nader materiaal (houten ombouw) voorzien om te dienen als vakantiehuisje.

In het verzoekschrift heeft de man zich op het standpunt gesteld dat hij eigenaar is van de caravan en dat het vakantiehuisje gemeenschappelijk is. In het verzoekschrift maakte hij ook nog aanspraak op vergoeding van bedragen die hij in het vakantiehuisje zou hebben geïnvesteerd. Ook dat duidde er op dat hij de vrouw als mede-eigenaar beschouwde. Inmiddels heeft hij zijn vordering uit hoofde van deze gestelde investering laten varen.

Uit al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de man niet ondubbelzinnig heeft aangetoond dat hij de eigenaar van de caravan is. Dat betekent dat op grond van artikel 2 lid 3 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden de stacaravan dient te worden aangemerkt als gemeenschappelijk vermogensbestanddeel.

Nu beide partijen de caravan toegedeeld wensen te krijgen, dient de rechtbank een belangenafweging te maken. De rechtbank stelt voorop dat beide partijen belang hebben bij een plek om met de kinderen op vakantie te kunnen gaan. De rechtbank weegt echter mee dat de broer van de vrouw een standplaats heeft naast de caravan van partijen; daarom ligt het het meest voor de hand dat de vrouw de caravan blijft gebruiken. Gelet hierop zal de rechtbank de caravan aan de vrouw toedelen.

Nu partijen het erover eens zijn dat de waarde van de caravan € 35.000 bedraagt, zal de rechtbank de caravan tegen deze waarde aan de vrouw toedelen onder bepaling dat de vrouw de helft van deze waarde, te weten een bedrag van € 17.500, aan de man dient te voldoen. Het spreekt voor zich dat deze uitspraak uit de aard der zaak geen betrekking kan hebben op de huurovereenkomst met de camping. Het is aan partijen om daarover een regeling te treffen.

Te verrekenen vermogensbestanddelen

Peildatum

Partijen verschillen van mening over het tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen moet worden bepaald. Volgens de man heeft als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 24 november 2014, te gelden. De vrouw is echter van mening dat 5 februari 2014 als peildatum heeft te gelden, nu partijen hierover eerder overeenstemming zouden hebben bereikt.

In artikel 11 aanhef en onder a van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden staat hierover vermeld: “Geen verrekening heeft plaats over de tijd, dat de echtgenoten ander dan in onderling overleg niet samenwonen [..]”. Partijen zijn het er echter over eens dat zij in onderling overleg gescheiden zijn gaan wonen. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrouw er niet in geslaagd om aan te tonen dat partijen een andere peildatum zijn overeengekomen; de door haar overgelegde e-mail is onvoldoende om daaruit een afspraak tussen partijen omtrent de peildatum te kunnen afleiden. Daarom geldt, gelet op het bepaalde in artikel 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW, als peildatum de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, te weten 24 november 2014.

Omvang en waardering te verrekenen vermogen

Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die tot het te verrekenen vermogen behoren:

de aandelen in de holding;

een Volvo XC90 met kenteken [nummer] ;

een quad;

een motor;

de rekening bij de Rabobank ten name van de man, nummer [nr] ;

een internetspaarrekening bij de Rabobank ten name van de man, nummer [nr] ;

een rekening bij ING ten name van de vrouw, IBAN [nr] ;

een levensverzekering bij de Goudsche NV, polisnummer UL1 [nr]

een levensverzekering bij de Goudsche NV, polisnummer [nr]

een koopsompolis bij de Goudsche NV, nummer [nr] ;

een spaar-aktief-beleggingsplan bij Tiel Utrecht, nummer [nr]

een spaar-aktief-beleggingsplan bij Tiel Utrecht, nummer [nr] ;

Ad d: de aandelen in de holding

Partijen hebben (nog) geen overeenstemming bereikt over de te verrekenen waarde van de aandelen in de holding van de man. Indien partijen hieromtrent geen overeenstemming bereiken, dienen zij zich gemotiveerd uit te laten over de waarde waartegen de aandelen in de verrekening dienen te worden betrokken, althans over de wijze waarop de aandelen dienen te worden gewaardeerd. Partijen dienen er rekening mee te houden dat, indien de rechtbank het noodzakelijk acht om een deskundige te benoemen die de waarde van de aandelen zal bepalen, zij ieder een voorschot dienen te voldoen dat kan oplopen tot circa € 10.000 per persoon. Het verdient dus alle aanbeveling om dit geschilpunt in onderling overleg op te lossen, eventueel met behulp van deskundige adviseurs.

De rechtbank voegt hier aan toe dat de door de man als productie 15 overgelegde verklaring van zijn administrateur: “Wij zijn geen deskundige op het gebied van bedrijfswaarderingen maar gezien dat jij alleen de onderneming drijft en het resultaat beperkt is kan je stellen dat de waarde van de onderneming nihil is. Niemand zal het bedrijf overnemen wanneer jij er mee stopt. (…)”, een onvoldoende gemotiveerde waardering is. Op basis van deze uitlating kan geen conclusie worden getrokken over de waarde van de onderneming, reeds omdat deze er kennelijk van uit gaat dat er geen goodwill is. Als dat al juist is, kan het nog wel zo zijn dat de onderneming een op activa gebaseerde waarde heeft. Ten slotte wijst de rechtbank nogmaals op de laatste volzin onder het kopje “investeringen in de woning” hierboven.

Ad e, f en g: de voertuigen

Ter terechtzitting zijn partijen het erover eens geworden dat de te verrekenen waarde van de auto € 15.000 bedraagt en dat de quad en de motor voor respectievelijk € 500 en € 875 in de verrekening dienen te worden betrokken. Uit hoofde van de verrekening van de waarde van de voertuigen dient de vrouw derhalve nog een bedrag van € 6.812,50 aan de man te voldoen.

Ad h, i en j: de bankrekeningen

Gelet op de hierboven vastgestelde peildatum, dienen partijen de op hun naam staande banksaldi tegen de stand per 24 november 2014 in de verrekening te betrekken. Partijen dienen hiertoe over en weer opgave te doen van de op hun naam staande banksaldi per de peildatum.

Ad k tot en met o: de polissen

De rechtbank stelt voorop dat de polis die door de man is afgekocht vóór de peildatum, niet in de verrekening behoeft te worden betrokken. Als er van die polis op de peildatum nog een saldo resteert, zal dat moeten blijken uit de opgave van de omvang van de banksaldi op de peildatum. De overige polissen dienen in de verrekening te worden betrokken tegen de waarde per de peildatum, te weten 24 november 2014. Partijen dienen over en weer opgave te doen van de waarde van de op hun naam staande polissen per de peildatum.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor zover mogelijk beslissen zoals hierna vermeld en iedere verdere beslissing ter zake de verrekening van de aandelen in de holding van de man aanhouden tot na te melden pro forma datum.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen: van [de man] , en [de vrouw] gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [plaats] ;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de minderjarigen bij de man zullen zijn:

  • -

    één weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur;

  • -

    gedurende de helft van de vakanties en feestdagen,

en verklaart deze zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man met ingang van heden voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 320 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning te [plaats] [adres] en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en – met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen – tot de thans nog aanwezige inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de man wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen van partijen als volgt vast:

1. met betrekking tot de echtelijke woning:

  • -

    de echtelijke woning zal worden verkocht en overgedragen aan een derde; partijen dienen gezamenlijk een opdracht tot verkoop te verstrekken aan een makelaar. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over de makelaar aan wie de opdracht tot verkoop zal worden verstrekt, dient de man binnen een maand na de datum van deze beschikking drie NVM-verkoopmakelaars aan de vrouw voor te stellen. De vrouw heeft vervolgens twee weken de tijd om een keuze te maken uit deze makelaars. Vervolgens dienen partijen gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning te verstrekken aan de door de vrouw gekozen makelaar. Partijen dienen in eerste instantie als vraagprijs € 725.000 te hanteren. Zij dienen vervolgens het advies van de verkoopmakelaar te volgen met betrekking tot de te hanteren laatprijs;

  • -

    bij verkoop en levering van de woning dienen uit de opbrengst de hierop rustende hypothecaire geldleningen te worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten te worden voldaan;

  • -

    na aflossing van de hypothecaire geldleningen en voldoening van de aan de verkoop verbonden kosten, komt de man een vergoedingsrecht toe van € 143.739, te voldoen uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning; indien het vergoedingsrecht van de man niet uit de overwaarde van de woning kan worden voldaan, heeft de man een vordering op de vrouw ten bedrage van de helft van € 143.739, althans van het bedrag dat niet uit deze overwaarde kan worden voldaan;

 de resterende opbrengst dient vervolgens bij helfte tussen partijen te worden gedeeld;

2. met betrekking tot de caravan:

 de caravan wordt tegen een waarde van € 35.000 aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting van de vrouw om een bedrag van € 17.500 aan de man te voldoen;

bepaalt dat partijen hun huwelijksvermogen als volgt dienen te verrekenen:

3. met betrekking tot de bankrekeningen

 de saldi op de bankrekeningen van partijen per 24 november 2014 dienen tussen hen te worden verrekend;

4. met betrekking tot de (verzekerings- en spaarplan)polissen:

 de waarde per 24 november 2014 dient tussen partijen te worden verrekend;

5. met betrekking tot de auto, de quad en de motor:

 de vrouw dient ter zake verrekening aan de man een bedrag van € 6.812,50 aan de man te voldoen;

*

houdt de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verrekening van de aandelen in de holding van de man aan tot 1 maart 2016 pro forma, opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren;

bepaalt dat partijen vóór genoemde pro forma datum aan elkaar en aan de rechtbank de volgende stukken dienen over te leggen:

  • -

    indien zij het eens zijn geworden, een aan de beschikking te hechten overeenkomst ter zake;

  • -

    indien zij het niet (geheel) eens zijn geworden, een gemotiveerde uitlating over de waarde waartegen de aandelen in de verrekening dienen te worden betrokken, althans over de wijze waarop de aandelen dienen te worden gewaardeerd;

bepaalt dat de zaak vervolgens op de stukken zal worden afgedaan, tenzij de rechtbank een nadere behandeling ter zitting noodzakelijk acht;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verrekening aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, M.T. Nijhuis en P.M.E. Bernini, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2015.