Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1361
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Succesiewet, schenkbelasting. De voor de jaren 2006 t/m 2010 opgelegde aanslagen in het recht van schenking en aanslagen schenkbelasting worden allemaal vernietigd, omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in één van die jaren sprake is geweest van een (belaste) schenking. Belanghebbende heeft weliswaar een schilderij verkocht dat eerder aan de vermeende schenker toebehoorde, maar gelet op wat is aangevoerd acht de rechtbank een bevoordelingsbedoeling van de vermeende schenker ten gunste van belanghebbende niet aannemelijk. (Beroepen gegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/396
V-N 2016/18.21.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 15/1361, SGR 15/1362 en SGR 15/1364 tot en met SGR 15/1368

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2015 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.D.M. van der Linde),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2006 tot en met 2009 aanslagen in het recht van schenking opgelegd en voor de jaren 2010 tot en met 2012 aanslagen schenkbelasting.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015 te Den Haag.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] en [persoon C] . De zaken met zaaknummers SGR 15/1351 t/m SGR 15/1357 ten name van [persoon D] , zijn met toestemming van partijen gelijktijdig met de zaken van eiser ter zitting behandeld.

Namens eiser is ter zitting een pleitnota voorgedragen en zijn exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van de bij de pleitnota gevoegde bijlage. De rechtbank heeft deze bijlage, na afweging van de processuele belangen van partijen, als tardief aangemerkt en niet geaccepteerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat eiser niet in staat is geweest deze bijlage eerder, met inachtneming van de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) vermelde termijn van tien dagen, in te dienen bij de rechtbank. Verweerder heeft met dagtekening 8 april 2015 de stukken van het geding ingediend, terwijl de bijlage bij de pleitnota van eiser (mede) daarop een reactie is.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft in 2012 een schilderij [schilderij A] (A) van [kunstenaar X] verkocht voor € 135.000 (het schilderij). Op de in verband met de verkoop opgemaakte factuur, gedagtekend 26 maart 2012, heeft eiser verklaard dat het schilderij uit zijn privé collectie komt.

2. Door middel van renseignering heeft verweerder informatie verkregen dat het schilderij aan eiser zou zijn geschonken door [schenker] , de vader van eiser. Een soortgelijk renseignement heeft verweerder ontvangen ter zake van schenkingen van J aan [persoon D] , de echtgenote van J en de moeder van eiser (de moeder). De renseignementen zijn onder meer gebaseerd op de hierna in 3. en 4. opgenomen verklaringen die door dan wel namens J zijn afgelegd in verband met een bij J ingesteld (strafrechtelijk) onderzoek.

3. In een brief van 14 februari 2014, gericht aan de Belastingdienst, kantoor [plaats] (productie 10 bij het verweerschrift), is door dan wel namens J het volgende verklaard:

“De schenking van deze schilderijen zijn voor het jaar 2000 aan mijn zoon en echtgenote verkocht of geschonken (ik weet dat niet meer exact)”.

4. In een brief van de gemachtigde van J van 17 april 2014 aan de Belastingdienst, kantoor [plaats] (productie 12 bij het verweerschrift) is door dan wel namens J het volgende verklaard:

“3a) Wij verzoeken u aan te geven welke schilderijen, kunstwerken in welke jaren door [J] zijn geschonken aan [eiseres] en/of [de zoon]. Wij verzoeken u in het bijzonder in te gaan op de volgende kunstwerken:

a. [schilderij B] ( [kunstenaar Y] )

Aan [eiseres] geschonken voor 2000

b. [schilderij C] ( [kunstenaar X] )

Aan [eiseres]geschonken voor het jaar 2000

c. [A] ( [kunstenaar X] )

Aan [de zoon] geschonken voor het jaar 2000

d. [schilderij D] ( [kunstenaar Z] )

Aan [de zoon] geschonken voor het jaar 2000

e. [schilderij E] ( [kunstenaar X] )

Aan [de zoon] of [eiseres] geschonken voor het jaar 2000. Dit werk heeft een kleine omvang en een beperkte waarde

Indien [J] een kunstwerk verkocht heeft aan zijn echtgenote dan wel aan zijn zoon verzoeken wij u de datum van de overdracht, de titel van het kunstwerk en het bedrag van overdracht aan te geven.

Niet van toepassing, het betreft schenkingen

3b) Is er voor zover er sprake is van schenking aan [eiseres] en/of [de zoon] aangifte gedaan voor schenkingsrecht? Zo ja, gaarne een kopie van deze aangifte, zo nee dan verzoeken wij u aan te geven waarom er geen aangifte gedaan is.

De schenkingen hebben plaatsgevonden in de jaren voor 2000 in welke periode [J] woonachtig was in Engeland. Die woonplaats was de reden dat [J] geen aangiftes schenkingsrecht heeft ingediend.”

5. In de periode ná 2000 heeft J het schilderij laten verzekeren. In verband daarmee heeft J het schilderij periodiek laten taxeren ten behoeve van de verzekeringsmaatschappij. Uit de in dit verband opgemaakte taxatieverslagen blijken voor het schilderij de volgende taxatiewaarden:

Taxatie Taxatie Taxatie Taxatie

30-06-'01 30-06-'02 30-11-'03 08-08-'06

[A] ƒ 550.000 € 250.000 € 250.000

6. Op basis van het in 2. genoemde renseignement heeft verweerder de aanslagen aan eiser opgelegd, steeds naar een verkrijging van € 135.000.

7. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 2 oktober 2014 ontvangen.

8. Op 28 november 2014 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en hem verzocht binnen 14 dagen alsnog uitspraak op bezwaar te doen.

9. Met dagtekening 7 januari 2015 heeft verweerder bij in één geschift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren afgewezen en de aanslagen gehandhaafd.

Geschil
10. In geschil is of de aanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd, meer specifiek of sprake is van een belaste schenking. Daarnaast is de hoogte van de dwangsom in geschil en of eiser recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding.

11. Eiser weerspreekt dat er een schenking is gedaan. Daarnaast stelt eiser dat de aanslagen dienen te worden vernietigd omdat deze niet zorgvuldig en dus in strijd met artikel 3:2 van de Awb zijn vastgesteld. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat het verweerschrift te laat is ingediend en tardief moet worden verklaard.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de aanslagen, toekenning van een dwangsom van € 640 voor een overschrijding van de beslistermijn met 26 dagen en toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.

12. Verweerder stelt dat het schilderij aan eiser is geschonken in 2006, subsidiair in 2007, meer subsidiair in 2008 en zo verder, oplopend tot het jaar 2012. Daarnaast stelt verweerder dat eiser geen recht heeft op toekenning van een integrale proceskostenvergoeding. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen en tot toekenning van een dwangsom van € 20 voor een overschrijding van de beslistermijn met 1 dag.

Beoordeling van het geschil

Dwangsom

13. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, is bepaald dat het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

14. Volgens het derde lid van artikel 4:17 van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

15. Vast staat dat eiser verweerder op 28 november 2014 in gebreke heeft gesteld. Voorts staat vast dat verweerder niet binnen twee weken na de ingebrekestelling uitspraak heeft gedaan.

16. Verweerder heeft primair het standpunt ingenomen dat eiser recht heeft op een dwangsom van € 20 nu slechts sprake is van een overschrijding van de uitspraaktermijn met 1 dag, omdat tot 23 december 2014 sprake was van een ‘impliciet tussen partijen overeengekomen tijdelijke aanhouding/intrekking van de ingebrekestelling’. De rechtbank verwerpt dit (primaire) standpunt van verweerder. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ingebrekestelling in dit geval geen enkele onduidelijkheid liet bestaan over de wenselijkheid van een uitspraak binnen 14 dagen. Voorts volgt de rechtbank verweerder niet in zijn stelling dat tussen partijen impliciet een tijdelijke aanhouding/intrekking van de ingebrekestelling zou zijn overeengekomen, nu die stelling is gebaseerd op een door verweerder aan eiser gezonden emailbericht waarvan niet bekend was of het eiser tijdig zou bereiken, en waarin werd verondersteld dat eiser zonder tegenbericht akkoord zou gaan met aanhouding/ intrekking van de ingebrekestelling. De rechtbank vindt daarom geen aanleiding om de termijn waarover verweerder een dwangsom is verschuldigd te beperken.

17. Uitgaande van het hiervoor gegeven oordeel zijn partijen het erover eens dat de uitspraaktermijn met 26 dagen is overschreden en verbeurt verweerder, overeenkomstig zijn in dit verband ingenomen subsidiaire standpunt, een dwangsom van € 640. De rechtbank ziet geen aanleiding voor elk beroep afzonderlijk een dwangsom toe te kennen gelet op de samenhang van de zaken en onder verwijzing naar Hoge Raad 29 mei 2015, nr. 14/05515, ECLI:NL:HR:2015:1352.

Verweerschrift tardief

18. Eiser heeft ter zitting gesteld dat het verweerschrift te laat is ingediend en verzocht om het buiten behandeling te laten. De rechtbank stelt vast dat verweerder het verweerschrift met inachtneming van de 10-dagen-termijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb heeft ingediend en in zoverre dus tijdig voor de zitting. De rechtbank ziet geen aanleiding om het verweerschrift als tardief aan te merken en dit buiten aanmerking te laten. Weliswaar is het verweerschrift ingediend buiten de termijn genoemd in artikel 8:42 van de Awb, maar deze overschrijding heeft, anders dan eiser bepleit, geen gevolgen omdat aan de overschrijding van deze termijn geen sancties zijn verbonden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het accepteren van het verweerschrift leidt tot strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel of tot een ongelijkheid van procespartijen. De rechtbank merkt op dat uit de namens eiser ter zitting voorgedragen pleitnota blijkt dat hij ook voldoende kennis heeft kunnen nemen van het verweerschrift dat bestaat uit 12 pagina’s.

De aanslagen

19. Met verweerder acht de rechtbank aannemelijk dat J in de periode ná 2000 het schilderij nog in eigendom heeft gehad. De rechtbank acht daartoe van belang dat J het schilderij in ieder geval tot en met 2006 (zie de taxatiedata vermeld in 5.) nog heeft laten taxeren ten behoeve van verzekeringen. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking verweerders onweersproken stelling dat het schilderij zich in die jaren in de woning dan wel het kantoor van J bevond. De vraag die vervolgens voorligt is of J het schilderij in de jaren na 2000 aan eiser heeft geschonken.

20. Van een schenking is onder meer sprake in geval van een gift. Daarvoor geldt een drietal eisen: een verarming van de schenker, een verrijking van de begiftigde en een bevoordelingsbedoeling. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat aan deze vereisten is voldaan.

21. Verweerder doet zijn stelling dat in 2006 dan wel in een van de jaren daarna sprake is geweest van een schenking met name steunen op de verklaringen van J dat hij het schilderij vóór het jaar 2000 aan eiser heeft geschonken (zie in 4.). Verweerder neemt slechts een deel van die verklaringen in aanmerking, namelijk voor zover deze niet in strijd zijn met andere omstandigheden zoals de taxatie in verband met verzekeringen en de locatie waar het schilderij zich bevond. Gegeven die omstandigheden acht de rechtbank evenals verweerder de verklaringen van J dat hij de schilderijen vóór 2000 heeft geschonken, niet geloofwaardig. De rechtbank ziet evenwel niet in waarom de verklaringen van J voor het overige dan wel geloofwaardig zouden zijn. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, valt niet in te zien waarom de verklaringen van J deels voor waar en deels voor onwaar moeten worden gehouden. Dit klemt temeer nu door verweerder hierover geen enkel onderzoek is verricht bij eiser. De rechtbank acht de in dit verband gegeven verklaringen van J daarom voor het geheel niet betrouwbaar en als zodanig niet bruikbaar voor de bewijsvoering in deze zaken, en laat deze verder buiten beschouwing.

22. Wat in de bewijsvoering door verweerder resteert is de omstandigheid dat eiser het schilderij in 2012 heeft verkocht, en hij op de factuur heeft laten vermelden dat het schilderij uit zijn privé collectie komt.

23. Eiser heeft eerst ter zitting verklaard dat het schilderij weliswaar door hem is verkocht, maar dat hij dat slechts heeft gedaan om J, die destijds betrokken was bij een strafzaak en – naar de rechtbank begrijpt – daarom het schilderij niet zelf kon verkopen, ter wille te zijn. De met de verkoop van het schilderij behaalde opbrengst is in ieder geval niet geheel aan eiser ten goede gekomen maar voor een bedrag van € 10.000, aan de vermeende schenker zelf middels betaling aan de strafrechtadvocaat die J bijstond in de strafprocedure, aldus eiser. Nu verweerder deze stellingen niet, althans niet voldoende concreet en onderbouwd heeft weersproken en de gestelde betaling ook blijkt uit de gedingstukken zoals door verweerder ingebracht, houdt de rechtbank deze verklaring van eiser voor juist.

24. Gelet op wat in 23. is overwogen, acht de rechtbank een bevoordelingsbedoeling van J ten gunste van eiser, onvoldoende aannemelijk. Reeds daarom is geen sprake van een (belaste) schenking. Dit betekent dat de onderhavige aanslagen ten onrechte aan eiser zijn opgelegd en dienen te worden vernietigd.

25. Nu de aanslagen reeds om de genoemde reden dienen te worden vernietigd, behoeven de overige gronden die eiser tegen de aanslagen heeft aangevoerd, geen verdere behandeling.

26. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat zij de onderhavige zaken aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.836 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490, een wegingsfactor 1 en een factor 1,5 wegens samenhang).

28. De rechtbank vindt geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire vergoeding van het Besluit. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding naar de werkelijke kosten is grond indien verweerder het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden of hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder niet een dergelijk verwijt worden gemaakt. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij het niet onredelijk acht dat verweerder op basis van de hem ter beschikking staande stukken en informatie, daaronder begrepen het in 2. genoemde renseignement, ter behoud van rechten voor alle jaren aanslagen recht van schenking en schenkbelasting aan eiser heeft opgelegd. Op basis van die informatie was de veronderstelling dat in ieder geval in één van die jaren een schenking aan eiser had plaatsgevonden niet onredelijk. In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen of tegen-beter-weten-in procederen door verweerder. Dat verweerder in de loop van de bezwaar- en beroepsprocedures alle aanslagen heeft gehandhaafd, maakt evenmin dat daarvan sprake is. Immers, verweerder heeft nimmer duidelijkheid gekregen over de verkrijging van het schilderij door eiser. Daar komt bij dat verweerder zijn handelwijze en standpunten in de bezwaar- en beroepsfase voldoende heeft toegelicht, terwijl eiser eerst ter zitting voldoende concreet en inhoudelijk heeft gereageerd op de door verweerder aan de aanslagen ten grondslag gelegde feiten en argumenten. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden die een integrale kostenvergoeding rechtvaardigen. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale kostenvergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslagen;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een dwangsom aan eiser van € 640;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.836;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. R.C.H.M. Lips, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.