Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14661

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
AWB 15/14257 en 15/14259
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht ingetrokken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres en referent in de aanvraagfase gegevens hebben achtergehouden, terwijl verweerder bij bekendheid met de juiste gegevens niet tot afgifte van de mvv en de verblijfsvergunning zou zijn overgegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank eindigt de aanvraagperiode met de daadwerkelijke afgifte van de mvv. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres en haar echtgenoot in de aanvraagperiode gegevens hebben achtergehouden die ertoe hebben geleid dat aan eiseres ten onrechte een verblijfsvergunning is verstrekt.

De rechtbank is anders dan verweerder van oordeel dat eiseres onder de reikwijdte van Besluit 1/80 valt. Nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de inwerkingtreding van Besluit 1/80 al met terugwerkende kracht verblijfsvergunningen introk, is de rechtbank van oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht tot 13 september 2013 zich niet verdraagt met artikel 13 van Besluit 1/80.

Niet gebleken van strijd met artikel 59 van het Aanvullend Protocol.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Geen finale geschilbeslechting, nu verweerder moet vaststellen vanaf welke datum de verblijfsvergunning van eiseres wordt ingetrokken. Gelet hierop dient verweerder tevens een nieuwe belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/14257 (beroep)

AWB 15/14259 (voorlopige voorziening)

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 november 2015 in de zaak tussen

[volgnummer] ,

geboren op [volgnummer] , van Turkse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde mr. J. Ruijs),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, onder de beperking “verblijf als familielid of gezinslid bij [betrokkene] ” van eiseres met terugwerkende kracht tot 13 september 2013 ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder eiseres opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Bij dat besluit heeft verweerder tevens tegen eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 juli 2015 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Op 24 juli 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Op diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig [betrokkene] (referent) en B.P. den Butter, als tolk in de Turkse taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1

Op 2 juli 2013 is namens eiseres een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij referent (haar echtgenoot) ingediend. Ter onderbouwing van de aanvraag is onder andere een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen referent en [bedrijf] met ingangsdatum 1 oktober 2012 overgelegd.

1.2

Op 29 juli 2013 heeft verweerder aan referent meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een mvv. Op 20 augustus 2013 is de mvv afgegeven op de Nederlandse ambassade in Ankara. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als familielid of gezinslid bij [betrokkene] ”, is op 13 september 2013 ingegaan en is geldig tot 13 september 2018. Het daarop betrekking hebbend verblijfsdocument is aan eiseres afgegeven op 14 oktober 2013.

2. Op enig moment is verweerder uit Suwinet gebleken dat het dienstverband van referent bij [bedrijf] per 1 september 2013 is beëindigd. Verweerder heeft bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht tot 13 september 2013 ingetrokken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres dan wel referent in de aanvraagperiode onjuiste gegevens heeft/hebben verstrekt, dan wel gegevens heeft/hebben achtergehouden, terwijl hij bij bekendheid met de juiste gegevens niet tot afgifte van de mvv en de verblijfsvergunning zou zijn overgegaan. Volgens verweerder is de aanvraagperiode pas bij verstrekking van het verblijfsdocument beëindigd. Dat volgt volgens verweerder uit artikel 3.104 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 en uit zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf B1/6.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de aanvraagperiode geen gegevens heeft achtergehouden nu zij ten tijde van indiening van de aanvraag van 2 juli 2013 en ten tijde van het inwilligend besluit van 29 juli 2013 voldeed aan de toelatingsvoorwaarden.

4.1

Zoals deze rechtbank en deze zittingsplaats in haar uitspraken van 25 augustus 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:10087) en 10 november 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:13264) in het kader van de Wet Modern migratiebeleid (Wet Momi) heeft overwogen, eindigt de aanvraagperiode met de daadwerkelijke afgifte van de mvv. Het betoog van eiseres dat deze datum geen belang meer heeft door de invoering van de Wet Momi en daarmee een (verboden) beperking is ingevoerd in de zin van de standstill-bepaling van artikel 13 Besluit 1/80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (Besluit 1/80) behoeft dan ook geen bespreking meer.

4.2.

Wel is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres en haar echtgenoot in de aanvraagperiode, die dus loopt tot 20 augustus 2013, gegevens hebben achtergehouden die er toe hebben geleid dat aan eiseres ten onrechte een verblijfsvergunning is verstrekt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3

Referent heeft ter zitting desgevraagd gezegd dat er geen sprake is geweest van ontslag op staande voet. Er is ook op 31 augustus 2013 geen einde aan de arbeidsovereenkomst gekomen in overleg. Volgens referent was er gewoon geen werk meer voor hem. Hij heeft niet kunnen verklaren op welke datum zijn werkgever hem van het ontslag op de hoogte heeft gebracht en hoe hij is ontslagen. De rechtbank komt tot het oordeel dat bij deze stand van zaken ervan moet worden uitgegaan dat de wettelijke opzegtermijn van vier weken in acht is genomen door [bedrijf] . Aldus terugrekenend, overweegt de rechtbank dat referent in ieder geval op 1 augustus 2013 op de hoogte moest zijn geweest van zijn ontslag. Dat is vóór de daadwerkelijke afgifte van de mvv en dus binnen de aanvraagperiode. Niet in geschil is dat noch referent, noch eiseres hiervan op enigerlei wijze bij verweerder melding heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat dit wel van eiseres en referent had mogen worden verwacht, nu zij hadden kunnen en moeten begrijpen dat de beëindiging van het dienstverband, in verband met het middelenvereiste, van invloed zou kunnen zijn op de afgifte van de mvv en daarmee op het verkrijgen van het verblijfsrecht.

5.1

Eiseres heeft voorts betoogd dat het beleid of de uitvoeringspraktijk om een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken, pas na de inwerkingtreding van Besluit 1/80 is ontstaan. Daarom is de intrekking met terugwerkende kracht volgens eiseres een verboden beperking in de zin van artikel 13 van Besluit 1/ 80.

5.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet onder de reikwijdte van Besluit 1/80 valt omdat zij nimmer rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad.

5.3

De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat eiseres onder de reikwijdte van Besluit 1/80 valt. Immers, het is tussen partijen niet in geschil dat referent ten tijde van belang een Turkse werknemer was als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van

17 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4278) blijkt dat voor de toepasselijkheid van artikel 13 van Besluit 1/80 vereist is dat de vreemdeling werknemer of gezinslid van een werknemer in de zin van Besluit 1/80 is. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling voorts overwogen dat niet is vereist dat de Turkse staatsburger voldoet aan de eisen van artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80.

5.4

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 59 van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Aanvullend Protocol) bepaalt dat de behandeling van Turkije niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen op grond van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap. Gelet daarop en op het feit dat verblijfsvergunningen van EU-onderdanen wel met terugwerkende kracht kunnen worden ingetrokken, vormt de intrekking met terugwerkende kracht geen verboden beperking als bedoeld in artikel 13 van Besluit 1/80, aldus verweerder.

5.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de inwerkingtreding van Besluit 1/80, namelijk 1 december 1980, al met terugwerkende kracht verblijfsvergunningen introk en gaat er daarom vanuit dat verweerder pas na voornoemde datum gebruik is gaan maken van de betreffende bevoegdheid. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat pas in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, 2005/39 van 3 augustus 2005 (Stcrt. 2005, 156) in de Vc 2000 expliciet gesproken wordt over intrekking met terugwerkende kracht. De enkele verwijzing van verweerder naar artikel 59 van het Aanvullend Protocol maakt dit niet anders. Uit het beleid van verweerder ten aanzien van de Unieburgers, zoals neergelegd in paragraaf B10/2.3 van de Vc 2000, blijkt immers dat verweerder het verblijfsdocument van de Unieburgers niet (met terugwerkende kracht) intrekt wanneer zij in de aanvraagperiode onjuiste gegevens hebben verstrekt, dan wel gegevens hebben achtergehouden. Immers in een dergelijk geval ontzegt of beëindigt verweerder het rechtmatig verblijf. Hieruit volgt dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht tot 13 september 2013 zich niet verdraagt met artikel 13 van Besluit 1/80, omdat dit een nieuwe beperking is. De beroepsgrond slaagt.

6.1

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte van het horen heeft afgezien.

6.2

Volgens vaste jurisprudentie vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen dan ook slechts worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit.

6.3

Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift en de daarbij overgelegde stukken, bezien in samenhang met hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. De beroepsgrond slaagt.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank acht zich evenwel niet in staat om het geschil finaal te beslechten, nu verweerder moet vaststellen vanaf welke datum de verblijfsvergunning van eiseres wordt ingetrokken. Tevens dient verweerder een nieuwe belangenafweging in het kader van artikel 8 het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te maken. Gelet daarop behoeft het beroep op een schending van artikel 8 van het EVRM thans geen bespreking.

8. Ter voorlichting van eiseres overweegt de rechtbank dat voor zover in deze uitspraak beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank in een later geding van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan, indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470 ,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/14257,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/14259,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,--

(zegge: driehonderdvierendertig euro ) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.470,-- (zegge: duizend vierhonderdzeventig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Berk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: BB

Coll.: SK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.