Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14659

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15/13692
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

definitieve regeling, kinderpardon, meewerkcriterium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/13692

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 december 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] ,

[naam], eiseres 1, geboren op [geboortedatum] ,

[naam], eiseres 2, geboren op [geboortedatum] ,

tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. C.T.G. van Schie,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. D. Berben.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiser (de hoofdpersoon) tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van de definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen (de Regeling) afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft op 19 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 23 maart 2015. De voorzieningenrechter heeft besloten om de behandeling voor zes weken aan te houden om eisers in staat te stellen te reageren op de door hun raadsman alsnog te ontvangen kopieën van de vertrekgesprekken.

Op de schriftelijke reactie van eisers gedateerd 30 april 2015 heeft verweerder bij brief van 29 mei 2015 gereageerd.

Bij besluit van 18 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 6 november 2015 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig N. Jesajan, tolk in de Armeense taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers, moeder, dochter en zoon, hebben de Armeense nationaliteit. Op 14 juli 2009 heeft eiseres 2 mede ten behoeve van eiser en eiseres 1 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 18 maart 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 13 december 2010 (AWB 10/13677) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 12 mei 2011 in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd.

2. Op 14 maart 2011 heeft eiseres 2 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met als doel ‘medische behandeling’. Bij besluit van 14 februari 2012 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hangende het daartegen ingediende bezwaar heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle bij uitspraak van 21 februari 2012 (AWB 12/5177) het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Vervolgens is het bezwaar bij besluit van 16 augustus 2012 ongegrond verklaard. Eiseres 2 heeft daartegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem heeft bij uitspraak van 13 maart 2014 (AWB 12/26705) het beroep gegrond verklaard. Verweerder heeft daartegen hoger beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek om voorlopige voorziening is bij uitspraak van 24 april 2014 door de voorzitter van de Afdeling toegewezen. Op 18 december 2014 heeft de Afdeling de uitspraak van zittingsplaats Arnhem vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eisers tegengeworpen dat zij niet hebben meegewerkt aan hun vertrek. Verweerder baseert zijn oordeel op een advies van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 20 november 2014. Hieruit blijkt het volgende. Eiseres 2 is, sinds haar beroep tegen de afwijzing van haar asielverzoek op 13 december 2010 ongegrond is verklaard, 27 keer voor een gesprek met een regievoerder van DT&V uitgenodigd. Er heeft 25 keer daadwerkelijk een gesprek plaatsgevonden. Hoewel eiseres 2 zich coöperatief heeft opgesteld in de gesprekken met DT&V, is tevens vastgesteld dat zij niet heeft verklaard te willen terugkeren. Verder heeft zij geweigerd een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer in te vullen en heeft zij zich niet tot het IOM gewend om de terugkeer te realiseren. Het Armeense paspoort heeft eiseres 2 ter ondersteuning van een door haar gevoerde verblijfsrechtelijke procedure in oktober 2014 aangevraagd en verkregen. Niet is gebleken dat eiseres 2 het voornemen heeft gehad om dit paspoort aan te wenden voor zelfstandige terugkeer naar Armenië. Verder zijn reeds in maart 2012 laissez-passers toegezegd. Hieruit volgt dat zelfstandige terugkeer naar Armenië vanaf maart 2012 mogelijk was indien eiseres 2 daartoe bereid was. De conclusie van DT&V is dat eiseres 2 niet bereid was om zelfstandig terug te keren.

4. Eisers hebben bij brief van 30 april 2015 gemotiveerd gereageerd op voornoemde rapportage en nog een werkinstructie van verweerder van 30 januari 2014 getiteld ‘definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen’ overgelegd. Tevens hebben eisers een rapport van 1 november 2015 opgesteld door ‘Defence for Children’ overgelegd. Naast hun beroep op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en schending van de hoorplicht, hebben zij het volgende aangevoerd.

Eisers betwijfelen in de eerste plaats of in hun geval de meewerkplicht wel gold nu reeds in een vroeg stadium door de Armeense autoriteiten was toegezegd dat er ten behoeve van hen laissez-passers zouden worden afgegeven. Volgens eisers is deze toezegging mede een gevolg van de door hen ontplooide initiatieven. Eisers stellen dat, hoewel zij vanaf maart 2012 konden vertrekken uit Nederland, dit vanwege de gezondheidsproblemen van eiseres 2 niet mogelijk was. Ook was hun toegestaan om de beslissing op door eiseres 2 ingediende aanvraag voor medische behandeling af te wachten.

Subsidiair hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat zij voldoende hebben meegewerkt omdat na vrij korte tijd reisdocumenten zijn afgegeven. Zij zijn echter niet vertrokken omdat de gezondheidssituatie van eiseres 2 dit niet toeliet en er geen vertrekplicht gold. DT&V heeft in voornoemde rapportage geen rekening gehouden met de medische problematiek van eiseres 2 die van invloed is geweest op de opstelling van eiseres 2 in de vertrekgesprekken, aldus eisers.

5. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 29 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2177, ECLI:NL:RVS:2015:2095 en ECLI:NL:RVS:2015:2099), op het standpunt dat eiseres 2 niet heeft voldaan aan het meewerkcriterium. Zij heeft in de vertrekgesprekken van 23 januari 2012, 18 april 2012, 29 oktober 2012, 19 november 2012, 7 januari 2013 en 15 februari 2013 expliciet verklaard niet mee te willen werken aan terugkeer naar Armenië. Verweerder heeft voorts bestreden dat er geen rekening is gehouden met de medische problemen van eiseres 2 en heeft daartoe verwezen naar de procedure met betrekking tot de aanvraag voor medische behandeling.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Volgens paragraaf B9/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals die luidde ten tijde van de aanvraag, verleent verweerder een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de in de Regeling weergegeven vereisten. Verweerder verleent ook een verblijfsvergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling (hoofdpersoon) aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

Verweerder verleent vorenbedoelde verblijfsvergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de onder a tot en met f weergegeven contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag worden geconstateerd. Eén van die contra-indicaties (e) houdt in dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek. Verweerder neemt aan dat de vreemdeling heeft meegewerkt aan zijn vertrek als hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:

1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;

2. de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling; en

3. de DT&V, ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten, en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling.

7. In geschil is of de contra-indicatie ‘niet meewerken aan vertrek’ aan eisers kan worden tegengeworpen.

8. In de uitspraken van de Afdeling van 29 juni 2015 is de ter zitting van de Afdeling van 22 april 2015 gegeven toelichting van verweerder op het meewerkcriterium in het aan de orde zijnde beleid en de uitleg op welke wijze verweerder in de praktijk aan de contra-indicatie toepassing geeft, opgenomen.

Verweerder verwacht van een vreemdeling dat hij vanaf de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag dan wel de intrekking van de verleende verblijfsvergunning asiel actief meewerkt aan zijn vertrek wanneer dat van hem kan worden verlangd. Hierbij moet onder meewerken aan vertrek volgens verweerder niet alleen worden begrepen desgevorderd medewerking verlenen, maar ook het zich gedurende het verblijf zonder verblijfsvergunning zelfstandig en uit eigen initiatief wenden tot de in de voorwaarden genoemde instanties. De vreemdeling heeft daarbij volgens verweerder een eigen verantwoordelijkheid.

Periodes waarin geen, dan wel minder, medewerking van een vreemdeling aan vertrek kan worden verlangd zijn de periodes waarin die vreemdeling in afwachting is van een besluit op de eerste asielaanvraag of van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening of waarin hem met toepassing van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek is verleend of waarin hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning, totdat kenbaar wordt gemaakt dat deze wordt ingetrokken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 oktober 2014 in zaak nr. 2014041291/1/V1) behelst de Regeling begunstigend beleid tot het voeren waarvan verweerder niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting was gehouden. Bij het vaststellen van dat beleid heeft verweerder dan ook veel beleidsvrijheid. In het licht hiervan zijn de cumulatieve voorwaarden die door verweerder zijn vastgesteld ter beoordeling van de vraag of vreemdelingen, die een beroep doen op de Regeling, in redelijkheid de stappen hebben ondernomen om invulling te geven aan hun vertrekplicht in de periodes dat dat van hen kon worden verlangd, niet kennelijk onredelijk. Bij het voorgaande wordt in aanmerking genomen dat met het vereiste van meewerken aan vertrek tevens is beoogd langdurig verblijf zonder daartoe verleende titel zoveel mogelijk te voorkomen.

9. Eiseres 2 is verschenen op het vertrekgesprek van 13 mei 2011. Dit gesprek werd gehouden nadat op haar asielaanvraag in hoger beroep door de Afdeling afwijzend was beslist en nadat zij op 14 maart 2011 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘medische behandeling’ had ingediend. Blijkens het verslag van dit gesprek heeft de regievoerder van DT&V aan eiseres 2 uitgelegd dat er een aanvraag voor een laissez-passer ingediend gaat worden en heeft haar gevraagd of zij de aanvraagformulieren wil invullen. Eiseres 2 heeft vervolgens gevraagd of ze dit mag weigeren. De regievoerder heeft geantwoord dat dat mag en dat de formulieren in dat geval door de regievoerder worden ingevuld en opgestuurd.

Uit het rapport van DT&V blijkt vervolgens dat de aanvraag om afgifte van laissez-passers door DT&V is ingevuld en dat in maart 2012 door de Armeense autoriteiten is toegezegd dat voor alle gezinsleden laissez-passers kunnen worden afgegeven.

10. Uit de stukken van verweerder blijkt voorts dat eiseres 2 in verband met de op 14 maart 2011 ingediende aanvraag om medische behandeling op 30 augustus 2011 een zogenoemde ‘herstel verzuim’ brief van verweerder heeft ontvangen. Naast de gesprekken met DT&V die eiseres 2 in november en december van 2011 voerde was zij op dat moment doende om stukken te verzamelen ter complementering van haar aanvraag voor medische behandeling. In het dossier van verweerder bevindt zich onder andere een namens eisers geschreven brief van 4 oktober 2011 aan de Armeense ambassade waarin zij verzoekt aan haar en haar twee kinderen een nationaal paspoort te verstrekken.

11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank, gelet op voornoemde jurisprudentie van de Afdeling van 29 juni 2015 (zie rechtsoverweging 3.1. van de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:2095) met verweerder van oordeel dat er op 13 mei 2011 reeds sprake was van niet meewerken in de zin van de Regeling. Nu haar asielaanvraag onherroepelijk was afgewezen mocht dat wel van eiseres 2 worden verlangd. Van belang in dit verband is dat van een vreemdeling kan worden verlangd dat er in een bepaalde mate wordt meegewerkt aan vertrek ook indien er nog procedures worden gevoerd. Ook van eiseres 2 kon derhalve worden verlangd dat zij meewerkte aan haar vertrek ondanks het feit dat zij een aanvraag om medische behandeling had ingediend waarvan zij de beslissing mocht afwachten.

De stelling van eiseres 2 dat juist dankzij haar eigen inspanningen reisdocumenten zijn verkregen is niet houdbaar. Hierbij is van belang dat eiseres 2 de aanvraag tot afgifte van laissez- passers niet zelf heeft ingevuld en ondertekend, maar de aanvraag daartoe blijkens het vertrekverslag van 9 juni 2011 aan DT&V heeft overgelaten door haar weigering daaraan mee te werken. Zij heeft de gedurende het verblijf zonder verblijfsvergunning op haar rustende eigen verantwoordelijkheid daarmee miskend. Dat eiseres 2 naast het voeren van de vertrekgesprekken ten behoeve van haar lopende aanvraag voor medische behandeling bezig was met het verzamelen van stukken, waaronder de in het najaar van 2014 verkregen paspoorten, brengt in het voorgaande geen verandering. Deze stukken waren slechts gericht op het verkrijgen van een vergunning voor medische behandeling en kunnen derhalve niet aangemerkt worden als werken aan het vertrek uit Nederland in het kader van terugkeer.

Het beroep op de op pagina 9 in het rapport van Defence for Children genoemde uitspraken van de zittingsplaatsen Roermond van 31 juli 2015 en Groningen van 14 oktober 2015 kan gelet op hiervoor overwogene niet slagen.

Tot slot blijkt uit de tekst van de gesprekken van 23 januari 2012, 18 april 2012, 29 oktober 2012, 19 november 2012, 7 januari 2013 en 15 februari 2013 duidelijk dat eiseres 2 niet wil meewerken aan terugkeer. Ook heeft eiseres 2 geen aanvraag bij het IOM ingediend.

12. De rechtbank overweegt vervolgens dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitzetting van eisers geen schending oplevert van het recht op familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming terecht in aanmerking genomen dat de vreemdelingen nooit hebben beschikt over een verblijfstitel die hen feitelijk tot het uitoefenen van privéleven in staat stelde, zodat slechts onder bijzondere omstandigheden een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van dit privéleven. De omstandigheid dat beide kinderen in Nederland naar school gaan en banden hebben opgebouwd zijn geen bijzondere omstandigheden in hierbedoelde zin, nu dit inherent is aan langdurig verblijf in Nederland van minderjarige kinderen. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de kinderen, die sinds 2009 in Nederland verblijven, nog niet zodanig gewend zijn aan de Nederlandse samenleving dat zij elders niet meer zouden kunnen aarden. Nu het gezin gezamenlijk kan terugkeren, mag redelijkerwijs worden verondersteld dat de kinderen met behulp van hun moeder, die het grootste deel van haar leven in Armenië heeft verbleven, in staat zijn zich aan te passen in Armenië, zich daar te vestigen en daar een bestaan op te bouwen. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van het voorgaande naar de uitspraken van de Afdeling van 9 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3566 en van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1700.

13. Hoewel volgens het rapport van Defence for Children de terugkeer van eisers naar Armenië waarschijnlijk een negatief effect zal hebben op de ontwikkeling van de kinderen, heeft verweerder niet ten onrechte geoordeeld dat dit niet dusdanig bijzondere en individuele omstandigheden zijn die maken dat het onmogelijk is voor de kinderen om samen met hun moeder terug te gaan naar Armenië. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eisers uitvalt.

14. Eisers hebben zich nog beroepen op artikel 3 van het IVRK. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belangen van eiser en eiseres 1 in voldoende mate meegenomen in de Regeling en voldoende betrokken in de besluitvorming, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.

15. De door eisers gestelde omstandigheden in het kader van artikel 4:84 van de Awb vallen binnen de strekking en de reikwijdte van verweerders beleid en moeten worden geacht bij de totstandkoming ervan te zijn betrokken, zoals verweerder in het verweerschrift van 6 november 2015 heeft gesteld. Gelet hierop kunnen deze niet als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb worden aangemerkt.

16. Ten slotte hebben eisers naar voren gebracht dat de hoorplicht ten aanzien van eiser en eiseres 1 is geschonden. Met toepassing van artikel 7:3 van de Awb kan verweerder van het horen slechts afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de gronden van bezwaar geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat een hoorzitting, waarin ook de kinderen worden gehoord, tot een ander standpunt zou kunnen leiden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de positie van eiser en eiseres 1 duidelijk was en dat daaromtrent geen vragen waren gerezen. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is en heeft de kinderen dus niet hoeven horen in de bezwaarfase. Deze beroepsgrond slaagt niet.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. AW. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.