Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
15_4703 WSFBSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres voldoet op basis van het aantal (de facto) door haar gewerkte uren vanaf februari 2014 niet aan het in de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap opgenomen urencriterium. Verweerder heeft daarop de studiefinanciering van eiseres herzien voor maanden waarin zij minder dan 56 uur heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan dit niet voldoen ten onrechte het gevolg verbonden dat eiseres niet als migrerende werknemer wordt aangemerkt. Verweerder had nader onderzoek moeten doen om vast te stellen of eiseres reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 februari 1992, V.J.M. Raulin v Minister van Onderwijs en Wetenschappen, C-357/89. De rechtbank weegt hierin mee dat het aantal door eiseres gewerkte uren niet ver afligt van het aantal benodigde uren en dat het urencriterium per 1 januari 2014 is verhoogd van 32 naar 56 uur. Voorts is niet duidelijk of opgebouwde vakantie-uren ook tot de gewerkte uren zijn gerekend. Naar het oordeel van de rechtbank dient het bestreden besluit vernietigd te worden. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/4703

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde mr. G. Gabrelian)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 4 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 20 mei 2015 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2015.

Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen.

Verweerder is, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen.

Bij brief van 23 september 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Eiseres heeft vervolgens stukken ingediend die in afschrift zijn verstrekt aan verweerder.

Nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015.

Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft de Franse nationaliteit en volgt vanaf februari 2014 een studie aan de universiteit van Leiden.

2. Aan eiseres is vanaf februari 2014 studiefinanciering toegekend.

3. Vanaf oktober 2013 is eiseres werkzaam bij [bedrijf X] B.V. In de periode van februari 2014 tot en met december 2014 heeft eiseres per maand het volgende aantal uren de facto gewerkt:

  • -

    Februari: 30,75 uur;

  • -

    Maart: 60,50 uur;

  • -

    April: 59,00 uur;

  • -

    Mei: 54,75 uur;

  • -

    Juni: 61,00 uur;

  • -

    Juli: 58,75 uur;

  • -

    Augustus: 20,75 uur;

  • -

    September: 39,50 uur;

  • -

    Oktober: 68,25 uur;

  • -

    November: 46,25 uur;

  • -

    December: 37,00 uur.

4. Bij besluit van 20 februari 2015 heeft verweerder de studiefinanciering van eiseres over de maanden februari, mei, augustus, september, november en december 2014 herzien naar nihil.

Geschil

5. In geschil is of verweerder de studiefinanciering van eiseres over de maanden februari, mei, augustus, september, november en december 2014 terecht heeft herzien.

6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de aan haar toegekende studiefinanciering ten onrechte heeft herzien. Volgens eiseres heeft verweerder, gelet op artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), onjuiste toepassing gegeven aan het begrip ‘migrerend werknemer’. Daarnaast is verweerder volgens eiseres ten onrechte van de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap van 13 december 2012, nr. HO&S/463528, (de beleidsregel) afgeweken.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan eiseres met betrekking tot de maanden februari, mei, augustus, september, november en december 2014 toegekende studiefinanciering terecht is herzien, omdat zij niet aan het in de beleidsregel opgenomen urencriterium voldoet en geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot het verrichten van nader onderzoek.

Beoordeling van het geschil

8. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het VWEU is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij. Ingevolge het tweede lid van dit artikel houdt dit de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Het werknemersbegrip in de zin van artikel 45 van het VWEU heeft een communautaire inhoud en mag niet eng worden uitgelegd. Voor de vraag of een EU-burger werknemer is, is bepalend of hij reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat (vgl. HvJ 26 februari 1992, V.J.M. Raulin v Minister van Onderwijs en Wetenschappen, C-357/89).

9. Op grond van artikel 2.2., aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) kan voor studiefinanciering in aanmerking komen een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

10. Ter uitvoering van deze bepaling heeft verweerder de beleidsregel vastgesteld. Daarin is het volgende bepaald:

‘Studerenden met een nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie of zij die daarmee gelijkgesteld zijn, kunnen net als Nederlandse studenten in aanmerking komen voor volledige studiefinanciering, indien zij of hun ouders aangemerkt kunnen worden als migrerend werknemer.

Het begrip ‘migrerende werknemer’ is niet vastomlijnd. Het Europese Hof van Justitie heeft een ruim kader geschetst, waarbinnen de toetsing van het feit of een persoon als een migrerend werknemer moet worden beschouwd, zich dient te bewegen. Het kernelement van deze toepassing is het nagaan of een werknemer ‘reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat’.

Alvorens tot toekenning van studiefinanciering over te gaan, gaat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) na of de studerende als migrerend werknemer kan worden aangemerkt. Migrerende werknemers dienen daartoe bij aanvang van studiefinanciering een passend arbeidscontract te overleggen.

DUO controleert achteraf of de studerende gedurende de studiefinancieringsperiode ook daadwerkelijk als migrerend werknemer kon worden beschouwd en of de studiefinanciering aldus rechtmatig is toegekend. Hiertoe dienen studerenden het aantal uren dat zij over het te controleren studiefinancieringstijdvak hebben gewerkt aan te tonen door middel van salarisstrookjes en een ingevulde werkgeversverklaring.

DUO gaat ervan uit dat iedere studerende, die over de controleperiode 56 uur of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee terecht studiefinanciering heeft ontvangen over het gecontroleerde studiefinancieringstijdvak. Deze norm is in lijn met de Vreemdelingencirculaire. Bij het vaststellen van het criterium van 56 uur gemiddeld per maand zal eveneens tot een hoogte van één maand rekening worden gehouden met vakanties en eventuele ziekte.

Indien de studerende niet voldoet aan bovengenoemd criterium kan DUO nader onderzoek doen naar de individuele omstandigheden van het geval. Bij deze controle moeten de objectieve criteria en alle omstandigheden die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de betrokken arbeidsverhouding in hun geheel beoordeeld worden. Hierbij kan een veelheid van factoren van belang zijn, zoals de aard van het afgesloten arbeidscontract, het aantal gegarandeerde werkuren per maand en de hoogte van het loon. Het is dan ook niet mogelijk gespecificeerd aan te geven in welke gevallen al dan niet sprake is van migrerend werknemerschap. De specifieke omstandigheden van het geval maken een individuele beoordeling door DUO dus nodig.’

11. De rechtbank begrijpt de beleidsregel als volgt. Om voor volledige studiefinanciering in aanmerking te komen is voor studerenden met een nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie bepalend of zij zelf migrerend werknemer zijn of behoren tot het gezin van een migrerend werknemer. Bij de uitleg van dit begrip wordt aangesloten bij hetgeen het Europese Hof van Justitie hieromtrent heeft bepaald. Uitgangspunt daarbij is dat moet worden nagegaan of een werknemer reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. In de beleidsregel is voorts opgenomen dat de studerende die over de controleperiode 56 uren of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, waarbij tot op zekere hoogte rekening wordt gehouden met vakanties en eventuele ziektes (het urencriterium), zonder meer migrerend werknemer is. Indien aan het urencriterium wordt voldaan, is nader onderzoek naar de individuele omstandigheden van het geval niet nodig.

12. Naar het oordeel van de rechtbank doet het standpunt van verweerder geen recht aan de wijze waarop in de beleidsregel invulling wordt gegeven aan het door het Europese Hof van Justitie ingekaderde begrip ‘migrerend werknemer’. Ten aanzien van het urencriterium overweegt de rechtbank dat in de beleidsregel is aangegeven dat de studerende die voldoet aan het urencriterium zonder meer, dus los van de vraag of de betreffende werknemer reële en daadwerkelijke arbeid verricht, migrerend werknemer is voor de toepassing van de Wsf. Daarmee is echter niet gezegd dat de studerende die niet aan het urencriterium voldoet geen reële en daadwerkelijke arbeid verricht en aldus niet zou kunnen worden aangemerkt als migrerend werknemer. Uit de omstandigheid dat eiseres niet voldoet aan het urencriterium volgt slechts dat niet zonder nader onderzoek kan worden gezegd dat zij geen migrerende werknemer is. De rechtbank kan verweerder dan ook niet volgen in zijn stelling dat nader onderzoek in dit geval achterwege kon blijven. Mede gelet op de omstandigheid dat het aantal door eiseres gewerkte uren niet ver afligt van het aantal dat benodigd is om aan het urencriterium te voldoen, had verweerder wel nader onderzoek moeten verrichten. Dit geldt temeer nu het urencriterium met ingang van 1 januari 2014 is verhoogd van 32 uur naar 56 uur. Met de aanscherping van deze norm acht de rechtbank waarschijnlijk dat zich vaker gevallen voordoen waarin sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid van voldoende omvang zonder dat aan het urencriterium wordt voldaan dan voor de aanscherping. Dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, doet hier niet aan af.

13. De rechtbank voegt hieraan toe dat eiseres blijkens haar loonstrookjes vakantie-uren heeft opgebouwd. Verweerder heeft niet duidelijk aangegeven of bij de vaststelling van het gewerkte aantal uren rekening is gehouden met deze uren en evenmin of vakantie-uren, in de zin van uren waarin de werknemer wel in dienst is en waarover loon wordt uitbetaald maar waarin niet gewerkt wordt, wel of niet tot de gewerkte uren worden gerekend. Omdat vakantie-uren volgens wettelijk voorschrift een vast onderdeel uitmaken van een arbeidsovereenkomst, ligt het meetellen van deze uren naar het oordeel van rechtbank wel in de rede.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en onvoldoende feitelijke grondslag voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 490 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de beschikking van 20 februari 2015;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. N. Djebali, voorzitter, mr. E.I. Batelaan-Boomsma en mr. E. Kouwenhoven, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.