Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
C/09/467394 / HA ZA 14-0670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis in civiele procedure tussen ex-echtgenoten over verdeling activa en onderlinge verrekening gemeenschapsschulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

Vonnis van 16 december 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/467394 / HA ZA 14-0670 van:

[eiseres],

de vrouw wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat: mr. D. van den Bout-Kuhlmann te Den Haag,

tegen

[gedaagde],

de man wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat: mr. J.D. Bakker te Den Haag.

De rechtbank zal de procespartijen hierna de vrouw en de man noemen.

1 De procedure

1.1

De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 2 juni 2014 tegen de eerste rolzitting van 18 juni 2014, met de producties 1 t/m 16 van de vrouw;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 30 juli 2014, met de producties 1 en 2 van de man;

  • -

    het comparitievonnis van 13 augustus 2014 en de beschikking datumbepaling van 15 augustus 2014 van de rechtbank;

  • -

    de op 2 december 2014 ter civiele griffie ontvangen akte met wijziging van eis in reconventie van de man;

  • -

    de op 4 december 2014 ter civiele griffie ontvangen extra ongenummerde productie van de man (ingevuld formulier verdelen en verrekenen);

  • -

    de op 8 december 2014 ter civiele griffie ontvangen akte in conventie en in reconventie van de vrouw;

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de eerste comparitie van partijen van 9 december 2014;

  • -

    het tussenvonnis van de rechtbank van 15 april 2015;

  • -

    de op 15 juni 2015 ter civiele griffie ontvangen akte met eiswijziging en met de producties 3 t/m 18 van de man;

  • -

    de op 15 juni 2015 ter civiele griffie ontvangen akte met productie 17 van de vrouw;

  • -

    de op 16 juni 2015 ter civiele griffie ontvangen gewijzigde akte met productie 18 van de vrouw;

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de tweede comparitie van partijen van 2 juli 2015;

  • -

    de beschikking van de rechtbank van 21 juli 2015;

  • -

    de beschikking van de rechtbank van 4 september 2015 met de daarin genoemde correspondentie van beide advocaten;

  • -

    het op 11 november 2015 ter civiele griffie ontvangen NVM taxatierapport over de marktwaarde van het onderhavige appartementsrecht te [plaats] .

1.2

Ter tweede zitting van 2 juli 2015 is deze procedure pro forma aangehouden voor beraad en verdere onderhandelingen over de ter zitting besproken mogelijkheden voor een schikking. Bij beschikking van 4 september 2015 heeft de rechtbank vonnis bepaald op 4 november 2015, nadat (ter civiele griffie al) op 15 juli 2015 (maar door de zaakrechter pas op 24 augustus 2015) bericht van beide advocaten was ontvangen dat een schikking toch onmogelijk was gebleken en dat dus vonnis werd gevraagd. Op 4 november 2015 heeft de rechtbank de vonnisdatum uitgesteld tot vandaag, 16 december 2015.

1.3

Op 11 november 2015 heeft de rechtbank daarna van de advocaat van de man met kopie aan de advocaat van de vrouw nog ontvangen een NVM taxatierapport van 10 november 2015 over de door de aan Schieland Borsboom NVM Makelaars te Zoetermeer verbonden taxateur Van der Lubbe getaxeerde marktwaarde per 4 november 2015 van het onderhavige appartementsrecht te [plaats] . De rechtbank zal in dit vonnis de inhoud van dit NVM taxatierapport meewegen, zulks ondanks het in algemene zin bepaalde in art. 6.1 van het landelijk procesreglement. Dit ten eerste omdat in dit geval beide advocaten in hun berichten van 15 juli 2015 aan de rechtbank hebben vermeld dat men het (samengevat) eens was geworden over de benoeming van Schieland Borsboom NVM Makelaars te Zoetermeer tot taxateur, omdat ten tweede in het NVM taxatierapport de man én de vrouw worden genoemd als opdrachtgevers, en ten derde omdat de advocaat van de vrouw na de door haar op 11 november 2015 ontvangen kopie niet aan de rechtbank heeft gemeld dat zij niet instemde met het bij vonnis meewegen door de rechtbank van het door de advocaat van de man op 11 november 2015 ingezonden NVM taxatierapport.

2 De verdere beoordeling

2.1

Kortheidshalve verwijst de rechtbank nu naar al hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 15 april 2015, dat als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Dat tussenvonnis is voorts gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2015:4311. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij in dat tussenvonnis van 15 april 2015 tot dusver over de geschilpunten heeft overwogen en beslist.

2.2

De door partijen over en weer ingestelde vorderingen strekken tot vaststelling door de rechtbank van de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen (art. 3:185 BW), met verrekening van gemeenschapsschulden en onderlinge vorderingen. In het tussenvonnis is al beslist welke gemeenschappelijke activa aan welke partij bij eindvonnis zullen worden toegedeeld. Het na het tussenvonnis gevoerde partijdebat geeft de rechtbank geen aanleiding om daarover nog anders te beslissen dan bij tussenvonnis al was beslist. Dat brengt de rechtbank bij eindvonnis tot de hierna volgende beslissingen over de toedeling van de gemeenschappelijke activa aan de vrouw en de man.

2.3

Onder verwijzing naar al hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de alinea’s 4.15 en 4.16 van het tussenvonnis, zal de rechtbank bij die toedeling bepalen dat die plaatsvindt onder de verplichting om zo nodig de desbetreffende en de overige gemeenschapsschulden in de onderlinge verhouding als eigen schuld te betalen en de ander te vrijwaren en te compenseren. Overigens staan bijna alle gemeenschapsschulden in dit geval feitelijk op naam van uitsluitend de man, waardoor de vrouw wat dat betreft op grond van art. 1:102 BW alleen hoeft te vrezen voor verhaal door de desbetreffende schuldeisers op slechts die activa die zij hierna door de rechtbank uit hoofde van de verdeling krijgt toegedeeld.

2.4

Over de in de onderlinge verhouding voor de activa en de passiva en de voor het overige nog te verrekenen bedragen oordeelt de rechtbank hierna per geschilpunt als volgt.

2.5

Voor de omvang van de omstreden onderwaarde van het in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallende appartementsrecht op naam van de man bij het kadaster ten opzichte van de aflossingsvrije hypothecaire geldlening van € 157.000,- op naam van de man bij Nationale Nederlanden is nu een kennelijk in gezamenlijke opdracht uitgebracht NVM taxatierapport van 10 november 2015 beschikbaar (zie hiervoor bij 1.3). De taxateur Van der Lubbe heeft de marktwaarde per 4 november 2015 geschat op € 126.500,-, onder verwijzing naar zes referentieobjecten en met bijvoeging van foto’s. Het partijdebat over dit geschilpunt is voorts relatief uitgebreid geweest, waartoe de rechtbank nu kortheidshalve verwijst naar de inhoud van alle hiervoor bij 1.1. opgesomde processtukken met producties.

2.6

Alles afwegende zal de rechtbank de verdelingswaarde van het appartementsrecht per vandaag 16 december 2015 nu schattenderwijs vaststellen op € 133.000,-. De rechtbank overweegt daartoe dat de NVM taxateur Van der Lubbe niet of nauwelijks motiveert waarom de huidige marktwaarde van het onderhavige appartementsrecht slechts € 126.500,- zou zijn, hoewel de door hem als meest relevante referentieobjecten gebruikte drie appartementsrechten in hetzelfde flatcomplex te [plaats] in 2014 en 2015 verkoopprijzen hebben opgebracht van € 128.000,-, € 128.500,- en € 133.000,-. Daar komt bij dat het onderhavige appartementsrecht op naam van de man blijkens het taxatierapport en de bijbehorende foto’s in goede en courante staat verkeert en voorzien is van een moderne en relatief nieuwe keuken en badkamer. Ook weegt de rechtbank mee dat de huizenmarkt nog steeds stijgende is en dat het onderhavige appartementsrecht voor de man in zoverre een meerwaarde heeft dat hij daar prima woont en graag wil blijven wonen en dus anders dan de vrouw en anders dan bij verkoop geen verhuiskosten heeft. Mede gelet op het partijdebat acht de rechtbank daarom in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw een verdelingswaarde per 16 december 2015 van € 133.000,- redelijk en billijk. Dat bedrag van € 133.000,- is voorts gelijk aan de koopsom die de man in mei 2008 voor dat appartementsrecht heeft betaald (zie daartoe onder meer ook productie 18 van de vrouw).

2.7

Ter tweede zitting van 2 juli 2015 is gelet op de inhoud van de producties 4 en 5 van de man komen vast te staan dat de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering en beleggingsverzekering bij Nationale Nederlanden op de relevante peildatum 15 november 2012 geen contante waarden hadden. Ook staat nu vast dat er géén spaarkasovereenkomst met contraverzekering bestond en bestaat, ondanks de standaard vermelding daarvan in de hypotheekakte (productie 4 van de vrouw). Kortheidshalve verwijst de rechtbank daartoe naar punt 8 van het proces-verbaal van 2 juli 2015.

2.8

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de te verrekenen onderwaarde van het appartementsrecht ten opzichte van de hypothecaire geldlening per 16 december 2015 zal vaststellen op (157.000 - 133.000 = ) € 24.000,-. Zoals al is beslist in de alinea’s 4.17 t/m 4.19 van het tussenvonnis, moet de vrouw op grond van art. 1:100 BW de helft daarvan en dus € 12.000,- aan de man betalen. Er zijn er geen bijzondere feiten gesteld of gebleken om in dit geval van die wettelijke hoofdregel af te wijken, mede gelet op het feit dat men aan de zijde van de vrouw om welke redenen dan ook bewust of onbewust géén gebruik heeft gemaakt van de voor schuldsituaties zoals deze door de wetgever geschapen mogelijkheid van afstand van de gemeenschap. Zie daartoe de wetsartikelen 1:103 BW en verder.

2.9

De verrekenvordering wegens alle bekende gemeenschappelijke banksaldi op de peildatum 15 november 2012 berekent de rechtbank gelet op de inhoud van het het partijdebat voor en na het tussenvonnis nu bij eindvonnis als volgt.

et voorgaande betekent dat Het voorgaande betekent Het voorgaand ebetekent dat de Het

2.9.1

Gelet op productie 17 van de vrouw stelt de rechtbank het banksaldo op de peildatum 15 november 2012 op de ING betaalrekening [rekeningnummer 1] op naam van de vrouw vast op € 281,15 (het saldo op 12 november 2012) - € 32,96 (de optelsom van de acht afschrijvingen op 13 november 2012) = € 248,19. De vrouw moet de helft daarvan aan de man betalen, dat is dus € 124,095.

2.9.2

Gelet op productie 9 van de man en bij gebreke van een toelichting door de man op het per 31 december 2012 bestaande debetsaldo van - € 6,25 zal de rechtbank het saldo van de ING en/of rekening [rekeningnummer 2] op 15 november 2012 schatten op € 0,-.

2.9.3

Gelet op punt 8 van het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2015 zijn partijen het erover eens geworden dat het saldo van de ING Spaarloonrekening op naam van de man per 15 november 2012 moet worden vastgesteld op € 0,-.

2.9.4

Gelet op productie 9 van de man en bij gebreke van de vereiste verdere toelichting door de man zal de rechtbank het saldo op de bonusrenterekening [rekeningnummer 3] op naam van de man schatten op € 25,18, dat is het gemiddelde van de saldi aan het begin en aan het eind van 2012. De man moet de helft daarvan aan de vrouw betalen, dus € 12,59.

2.9.5

Gelet op de producties 6 t/m 8 van de man zal de rechtbank het te verrekenen debetsaldo op 15 november 2012 op de ING betaalrekening [rekeningnummer 3] op naam van de man tenslotte vaststellen op - € 1.237,87. De vrouw moet de helft daarvan aan de man betalen, dat is dus € 618,935.

2.10

De optelsom van de voorgaande vaststellingen bij 2.9.1 t/m 2.9.5 brengt de rechtbank tot de conclusie dat de vrouw voor de te verrekenen gemeenschappelijke banksaldi op 15 november 2012 per saldo nog (€ 124,095 - € 12,59 + € 618,935 =) € 730,44 aan de man zal moeten betalen.

2.11

Ter zitting van 2 juli 2015 is na het tussenvonnis van 15 april 2015 voor de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat er geen relevante tussen de vrouw en de man te verrekenen bedragen bestaan voor de verdeling van de roerende zaken en voor de rechten en verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst bij Malouki Cars voor de Audi A3.

2.12

De rechtbank kan voorts niet vaststellen waar de omstreden trouwring van de vrouw is gebleven. Indien de man die trouwring van de vrouw nog in zijn bezit heeft, moet hij die aan de vrouw afgeven. Indien hij die trouwring van de vrouw niet meer in zijn bezit heeft en indien juist is de stelling van de vrouw dat zij die trouwring nu ook niet in haar bezit heeft, moet in beginsel voor risico en rekening van de vrouw blijven dat de trouwring nu kennelijk spoorloos is. De rechtbank zal voorts niet voldoen aan het verzoek in punt 2 van de akte van 15 juni 2015 van de advocaat van de vrouw, reeds omdat het daar vermelde verzoek rechtstreeks volgt uit de tekst en strekking van wetartikel 3:194 BW.

2.13

Over het omstreden en in beginsel bij helfte te verrekenen debetsaldo van het ING Voordeelkrediet op naam van de man op 15 november 2012 oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft het debetsaldo per 15 november 2012 in zijn producties 11 en 12 gereconstrueerd en berekend op - € 25.266,62. Deze berekening van de man is door de vrouw niet weersproken en komt de rechtbank voorts niet onjuist voor. De rechtbank zal dat te verrekenen debetsaldo per 15 november 2012 dus vaststellen op - € 25.266,62. Voor deze gemeenschapsschuld zal de vrouw in beginsel de helft daarvan, dat is € 12.633,31, aan de man moeten betalen.

2.14

De rechtbank herhaalt daartoe hier al hetgeen zij over dit geschilpunt al heeft overwogen in de alinea’s 4.28 t/m 4.30 van het tussenvonnis van 15 april 2015. Naar het eindoordeel van de rechtbank zijn ook in het partijdebat na 15 april 2015 geen bijzondere feiten of omstandigheden komen vast te staan die nog kunnen leiden tot een afwijking ten gunste van de vrouw van de wettelijke hoofdregel van art. 1:100 BW, mede gelet op het feit dat (zie ook hiervoor bij 2.8) men aan de zijde van de vrouw nu eenmaal om welke redenen dan ook bewust of onbewust géén gebruik heeft gemaakt van de voor schuldsituaties zoals deze door de wetgever nu juist geschapen wettelijke mogelijkheid van (tijdige) afstand van de gemeenschap. Zie daartoe de wetsartikelen 1:103 BW en verder. Dit moet in de rechtsverhouding tot de man voor risico en rekening van de vrouw blijven. Datzelfde geldt voor de door de vrouw nog gestelde maar door de man gemotiveerd betwiste eventuele omstandigheid - indien bewezen - dat de vrouw zich voor en tijdens het huwelijk én bij de echtscheiding niet bewust was van het feit dat er zulke omvangrijke gemeenschapsschulden als deze bestonden. De financiële lotsverbondenheid van in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde (ex-)echtgenoten brengt zulks nu eenmaal rechtens met zich mee.

2.15

Het nadere partijdebat ter zitting van 2 juli 2015 over de nu in 2015 niet goed meer te verifiëren en te reconstrueren bestedingsdoelen van het onderhavige geldkrediet van

€ 25.000,- door de man in de relevante periode van oktober 2009 tot 15 november 2012 kan de rechtbank alles afwegende gelet op het hiervoor bij 2.14 overwogene rechtens niet alsnog tot een afwijking van de civielrechtelijke hoofdregel brengen. Voor de inhoud van dat partijdebat over die omstreden bestedingsdoelen verwijst de rechtbank nu kortheidshalve naar de punten 6 en 7 van het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2015.

2.16

Gelet op de inhoud van de producties 13 t/m 15 van de man bij zijn akte van 15 juni 2015 zal de rechtbank de te verrekenen DUO studieschuld van de man per de peildatum 15 november 2012 nu vaststellen op € 3.221,73. De vrouw heeft deze met bewijsstukken onderbouwde berekening van de man immers niet weersproken en de berekening komt de rechtbank voorts niet onjuist voor. Mede gelet op de inhoud van alinea 4.31 van het tussenvonnis en op alinea 2.14 van dit eindvonnis, betekent dit naar het eindoordeel van de rechtbank dat de vrouw voor die gemeenschapsschuld nog de helft daarvan, dat is afgerond dus € 1.610,86, aan de man zal moeten betalen.

2.17

Gelet op de inhoud van productie 16 van de man en de daarop in punt 12 van zijn akte van 15 juli 2015 gegeven toelichting, zal de rechtbank de tussen de vrouw en de man nog te verrekenen gemeenschapsschuld voor de Bijenkorf Card nu vaststellen op € 986,89. Dat betekent dat de vrouw daarvoor nog afgerond 493,45 aan de man moet betalen.

2.18

Over de gemeenschapsschuld op naam van de man voor de Santander Comfort Card die in februari 2012 bij de Mediamarkt is aangeschaft voor de uitgestelde en fors rentedragende financiering van de HP laptop voor de vrouw oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op hetgeen de rechtbank in alinea 4.33 van het tussenvonnis over dit geschilpunt heeft overwogen, wordt de HP laptop aan de vrouw toegedeeld en moet de vrouw de daartegenover staande gemeenschapsschuld op naam van de man aan Santander Consumer Finance Benelux BV met ingang van 15 november 2012 in de onderlinge verhouding met de man geheel voor eigen rekening nemen en de man terzake vrijwaren en dus zo nodig compenseren. De man heeft met zijn productie 17 en in punt 13 van zijn akte van 15 juni 2015 genoegzaam aangetoond dat hij voor deze door de vrouw geheel te dragen gemeenschapsschuld aan Santander van 15 november 2012 tot 1 juli 2015 in totaal al

€ 564,- aan Santander heeft betaald. De vrouw zal gelet daarop dus per 30 juni 2015 € 564,- aan de man moeten vergoeden.

2.19

Gelet op het partijdebat hierover in de punten 11 en 12 van het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2015 en gelet op de inhoud van productie 18 van de man, ligt het nu op de weg van de vrouw om zo mogelijk met de Mediamarkt en/of met Santander Consumer Finance Benelux BV en/of met de man met ingang van 1 januari 2016 een meer praktische en minder dure regeling te treffen voor haar afbetaling van deze fors rentedragende gemeenschapsschuld op naam van de man van per 24 april 2015 nog steeds € 673,40 in hoofdsom. Zolang als dat de vrouw niet is gelukt, moet de man vanzelfsprekend de maandelijkse aflossing van € 20,- aan zijn schuldeiser Santander Consumer Finance Benelux BV blijven betalen ter voorkoming van extra rente en kosten.

2.20

De rechtbank zal gelet op al het voorgaande de totale regresvordering van de man op de vrouw voor de nog te verrekenen gemeenschapsschulden vaststellen op € 28.032,06 per 30 juni 2015. Dat is de optelsom van de hiervoor bij 2.8, 2.10, 2.13, 2.16, 2.17 en 2.18 vetgedrukte zes deelbedragen. Voor wat betreft de in de onderlinge verhouding met de man door de vrouw geheel te dragen en af te betalen gemeenschapsschuld van de man aan Santander Comfort Card heeft de rechtbank daarbij gezien de alinea’s 2.18 en 2.19 slechts rekening kunnen houden met de regresvordering van de man op de vrouw t/m juni 2015. Vermoedelijk komt daar per 31 december 2015 nog (6 x € 20,- =) € 120,- bij, maar het is de rechtbank nu niet bekend of en in hoeverre de man of de vrouw de maandelijkse aflossingen van € 20,- van juli t/m december 2015 feitelijk aan Santander Comfort Card heeft betaald.

2.21

De vrouw heeft zich in deze procedure meerdere malen op het standpunt gesteld dat zij een dergelijk fors bedrag niet aan de man kan betalen, mede omdat de man de hem door de rechtbank per 28 oktober 2013 opgelegde partneralimentatie (zie daartoe productie 16 van de vrouw) van € 327,- per maand plus wettelijke indexatie feitelijk niet aan de vrouw heeft betaald in afwachting van de uitkomst van deze civiele procedure over de verdeling en over de verrekening van gemeenschapsschulden. De man heeft de betalingsonmacht van de vrouw niet of onvoldoende weersproken. Hij heeft zijn wanbetaling van partneralimentatie in afwachting van de uitkomst van deze procedure voorts op beide zittingen erkend.

2.22

Gelet daarop zal de rechtbank op de voet van art. 3:185 lid 3 BW en billijkheidshalve tussen beide deelgenoten beslissen dat de vrouw het hiervoor bij 2.20 vastgestelde totaalbedrag van per 30 juni 2015 € 28.032,06 aan de man mag betalen in de volgende vijf jaarlijkse termijnen:

  1. € 7.032,06 uiterlijk op 31 december 2015;

  2. € 6.000,00 uiterlijk op 31 december 2016;

  3. € 5.000,00 uiterlijk op 31 december 2017;

  4. € 5.000,00 uiterlijk op 31 december 2018;

  5. € 5.000,00 uiterlijk op 31 december 2019.

2.23

De eerste termijn van € 7.032,06 die op 31 december 2015 vervalt moet nog met de hiervoor bij 2.20 bedoelde € 120,- worden vermeerderd, indien en voor zover de man deze aflossingen van 6 x € 20,- feitelijk aantoonbaar nog aan Santander Consumer Finance Benelux BV heeft betaald in de periode van juli t/m december 2015. De rechtbank wijst de vrouw en de man er duidelijkheidshalve voorts nog op dat verrekening een civielrechtelijk rechtsgeldige wijze van betalen is. Daardoor mag de vrouw deze eerste termijn van

€ 7.032,06 (plus eventueel € 120,-) per 31 december 2015 dus zo nodig en desgewenst verrekenen met de totale schuld die de man aan de vrouw per 31 december 2015 heeft wegens achterstallige geïndexeerde partneralimentatie. Die mogelijkheid van eventuele verrekening geldt uiteraard ook voor de volgende jaartermijnen. Eerder algeheel aflossen aan de man dan per 31 december 2019 is vanzelfsprekend rechtens ook toegestaan aan de vrouw, indien en zodra dat feitelijk mogelijk is voor de vrouw.

2.24

Gelet op het partijdebat zijn de man en de vrouw over en weer op geschilpunten van niet geheel ondergeschikte betekenis in het ongelijk gesteld. Voorts zijn zij ex-echtgenoten. Daarom zal de rechtbank alles afwegende de proceskosten in conventie en reconventie compenseren, zodat ieder de eigen proceskosten moet dragen. De rechtbank zal zoals over en weer gevorderd dit vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

De beslissingen

De rechtbank in conventie en in reconventie:

3.1

stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van de vrouw en de man met verrekening van gemeenschapsschulden vast op de hierna volgende wijze;

3.2

deelt in volle eigendom toe aan de man:

  1. het kadastraal al op naam van uitsluitend de man staande appartementsrecht op de flatwoning met kelderberging aan het [adres] te [postcode] [plaats] ;

  2. de rechten per 15 november 2012 uit de aan de hypotheek gekoppelde polis van levensverzekering bij Nationale Nederlanden met nummer 7939452;

  3. de rechten per 15 november 2012 uit de aan de hypotheek gekoppelde beleggingspolis bij Nationale Nederlanden met depotnummer 3960042;

  4. alle banksaldi per 15 november 2012 bij de ING Bank op naam van uitsluitend de man ( [rekeningnummer 3] ) en op gemeenschappelijke naam (de en/of rekening [rekeningnummer 2] );

  5. de rechten uit de huurkoopovereenkomst met Malouki Cars voor de Audi A3;

  6. alle gemeenschappelijke roerende zaken die hij sinds 15 november 2012 al in zijn bezit heeft, met uitzondering van alle in productie 14 van de vrouw opgesomde roerende zaken behalve de daarin ook genoemde tv en oude laptop (welke tv en oude laptop de rechtbank dus aan de man toedeelt);

- alles voor zover nodig onder de verplichting voor de man om alle aan de bovenstaande activa verbonden gemeenschapsschulden en om alle overige gemeenschapsschulden - zulks met uitzondering van de hierna bij 3.3 vermelde gemeenschapsschuld aan Santander Consumer Finance Benelux BV - in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw geheel als eigen schulden te betalen en de vrouw ter zake in alle opzichten te vrijwaren en te compenseren;

3.3

deelt in volle eigendom toe aan de vrouw:

  1. het banksaldo per 15 november 2012 bij de ING Bank op naam van uitsluitend de vrouw (rekening [rekeningnummer 1] );

  2. alle gemeenschappelijke roerende zaken die zij sinds 15 november 2012 al onder zich heeft (inclusief de iPhone 4 en de in 2012 gekochte HP laptop met toebehoren);

  3. voorts alle roerende zaken die zijn vermeld in productie 14 van de vrouw met uitzondering van de tv en de oude laptop, welke roerende zaken (met uitzondering van de tv en de oude laptop) de man alsnog op eerste verzoek aan de vrouw moet (doen) afgeven indien en voor zover die afgifte nu nog niet heeft plaatsgevonden;

- de hiervoor bij b) al vermelde en in februari 2012 bij de Mediamarkt gekochte HP laptop met toebehoren onder de verplichting voor de vrouw om de daaraan verbonden gemeenschapsschuld (het doorlopend geldkrediet) van de man aan Santander Consumer Finance Benelux BV met ingang van 1 juli 2015 in de onderlinge verhouding tussen de vrouw en de man geheel als eigen schuld van de vrouw te betalen en de man ter zake in alle opzichten te vrijwaren en te compenseren;

3.4

stelt het door de vrouw aan de man voor de te verrekenen gemeenschapsschulden te betalen totaalbedrag vast op € 28.032,06 per 30 juni 2015 en veroordeelt de vrouw, onder verwijzing naar al hetgeen de rechtbank daartoe hiervoor bij 2.22 en 2.23 heeft overwogen, om aan de man te betalen de hierna volgende deelbedragen (vijf jaartermijnen):

  1. € 7.032,06 uiterlijk op 31 december 2015;

  2. € 6.000,00 uiterlijk op 31 december 2016;

  3. € 5.000,00 uiterlijk op 31 december 2017;

  4. € 5.000,00 uiterlijk op 31 december 2018;

  5. € 5.000,00 uiterlijk op 31 december 2019;

3.5

verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

3.6

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen proceskosten moet dragen;

3.7

wijst af al hetgeen in conventie en in reconventie meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag

16 december 2015.

0417 / 2339