Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14602

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
AWB 15/16834
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[beoordeling kennelijke ongegrondheid asielaanvraag; overgangsrecht in Richtlijn 2013/32]

De rechtbank ziet aanleiding om, nu eiseres beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat sprake is van een kennelijk ongegronde asielaanvraag, en gelet op de procedurele gevolgen van deze afwijzingsgrond, deze beroepsgronden te bespreken. Het betoog dat verweerder, gelet op artikel 31, achtste lid, van Richtlijn 2013/32 de asielaanvraag van eiseres, die niet in een versnelde asielprocedure is behandeld, niet als kennelijk ongegrond kon afwijzen faalt. Deze bepaling behelst

geen verplichting voor verweerder om een versnelde asielprocedure toe te passen teneinde asielaanvragen als kennelijk ongegrond te kunnen afwijzen. Dit artikellid staat derhalve niet in de weg aan het als kennelijk ongegrond beschouwen van een asielaanvraag buiten deze versnelde asielprocedure. Het betoog dat, gelet op de in artikel 52 van Richtlijn 2013/32 opgenomen overgangsbepalingen, die uitgaan van eerbiedigende werking, de asielaanvraag van eiseres onderworpen is aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van Richtlijn 2005/85 en verweerder de aanvraag derhalve niet als kennelijk ongegrond kon beschouwen, het beroep tegen een afwijzende beslissing op een asielaanvraag in de verlengde asielprocedure schorsende werking dient te hebben en haar een ruimere beroepstermijn ter beschikking dient te staan faalt. Hoewel het in nationale regelgeving opgenomen overgangsrecht afwijkt van dat in Richtlijn 2013/32 behoeft de vraag in hoeverre dat toelaatbaar is geen bespreking. Reeds op grond van Richtlijn 2005/85 bestond de mogelijkheid om een asielaanvraag als kennelijk ongegrond te beschouwen (artikel 28 lid 2 van Richtlijn 2005/85). Het overgangsrecht in Richtlijn 2013/32 staat daarom niet in de weg aan het aanmerken van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op voor 20 juli ingediende asielaanvragen. Uit de bepalingen van Richtlijn 2005/85 volgt verder dat lidstaten termijnen kunnen vaststellen opdat de asielzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan uitoefenen (artikel 39, tweede lid) en dat een lidstaat regels mag stellen over de schorsende werking van een beroep (artikel 39, derde lid). Dat de in deze zaak gehanteerde termijnen en het ontbreken van schorsende werking strijd opleveren met Richtlijn 2005/85 heeft eiseres ook overigens niet onderbouwd. Dat bij implementatie van Richtlijn 2005/85 andere keuzen zijn gemaakt dan bij implementatie van de Richtlijn doet aan het voorgaande niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 15/16834

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2015

in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Iraanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 8 september 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van

18 januari 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, e en h, van de Vw 2000 afgewezen. Daarnaast is bepaald dat eiseres niet ambtshalve in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 wordt verleend.

Op 14 september 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

5 oktober 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. ter Riet. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Vervolgens is het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op

17 november 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Guérain.

De beoordeling

1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2. Eiseres heeft eerder, op 17 juni 2013, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 juli 2013 afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat Italië voor de behandeling van de aanvraag verantwoordelijk is. Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 16 oktober 2013 ongegrond verklaard (AWB 13/18421). De Afdeling heeft deze uitspraak op 12 maart 2014 bevestigd (zaak nr. 201310347/1).

3. De rechtbank stelt vast dat nu in het besluit van 16 juli 2013, anders dan in het besluit van 8 september 2015, geen inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eiseres heeft plaatsgevonden, het laatste besluit niet van gelijke strekking is als het eerstgenoemde besluit. Het hiervoor weergegeven beoordelingskader is derhalve niet van toepassing.

4. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

5. Met ingang van 20 juli 2015 is de Wet tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van

26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: de Richtlijn) in werking getreden.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Richtlijn, voor zover thans van belang, zorgen de lidstaten ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven.

Volgens het derde lid, zorgen de lidstaten ervoor, teneinde aan het eerste lid te voldoen, dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

Ingevolge artikel 83a van de Vw 2000, zoals dat luidt met ingang van 20 juli 2015, omvat de toetsing van de rechtbank van een asielbesluit een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Dit betreft de implementatie van artikel 46, derde lid, van de Richtlijn.

Het bestreden besluit dateert van na 19 juli 2015, zodat de toetsing van de rechtbank het in artikel 83a van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden dient te omvatten.

Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:11350) volgt dat met artikel 46, derde lid, van de Richtlijn een toetsende (nationale) rechter is beoogd en dat, waar het gaat om de intensiteit van de toetsing van het asielbesluit, de rechtbank indringender dan voorheen de beoordeling door het bestuursorgaan van de geloofwaardigheid van het asielrelaas moet toetsen. Dit vergt dat de rechtbank indringend toetst of de onderbouwing van (de relevante elementen van) de geloofwaardigheidsbeoordeling van het bestuursorgaan feitelijk juist, volledig en consistent is, en of de onderbouwing het asielbesluit kan dragen. Deze toets omvat zowel de zorgvuldigheid van de procedure als de motivering van het besluit, in onderlinge samenhang bezien. De toetsing door de bestuursrechter van de geloofwaardigheidsbeoordeling dient indringender te zijn, naarmate die beoordeling in mindere mate specifieke kennis en ervaring vereist.

6. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Richtlijn kunnen de lidstaten, onverminderd artikel 27, een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU.

Ingevolge het tweede lid, kunnen de lidstaten in gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, achtste lid, vermelde omstandigheden van toepassing is, tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Richtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 staat vermeld in welke gevallen een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Richtlijn.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiseres zowel op grond van artikel 30b, eerste lid, als op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 heeft afgewezen. Zoals volgt uit artikel 32, tweede lid, van de Richtlijn kunnen de lidstaten een ongegrond verzoek waarop één van de in artikel 31, achtste lid, van de Richtlijn vermelde omstandigheden van toepassing is, tevens als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven. In paragraaf C2/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidt met ingang van 20 juli 2015, staat vermeld dat verweerder, nadat hij heeft vastgesteld dat de aanvraag ongegrond is, beoordeelt of de aanvraag tevens als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen. De rechtbank ziet aanleiding om zich aan te sluiten bij voormelde systematiek. Derhalve zal de rechtbank allereerst overgaan tot een toetsing van het in het besluit van 8 september 2015 ingenomen standpunt van verweerder dat de aanvraag ongegrond is in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

8. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag, samengevat weergegeven, het volgende relaas ten grondslag gelegd.

Eiseres is geboren als moslim en is opgegroeid in een religieus gezin. Via haar werk is eiseres in contact gekomen met een collega, [collega van eiseres], die haar vriendin is geworden. Na drie of vier maanden heeft [collega van eiseres] eiseres in vertrouwen genomen en haar verteld dat zij christen was. [nicht van eiseres], de nicht van eiseres, die bij eiseres in huis woonde (eiseres beschouwt haar als een dochter), is via haar verloofde in aanraking gekomen met het christendom en heeft van haar verloofde een bijbel gekregen. Omdat [collega van eiseres] veel aanwezig was in het huis van eiseres heeft dat invloed gehad op [nicht van eiseres], die op haar beurt eiseres probeerde te enthousiasmeren voor het christendom. Hierdoor is eiseres zich meer gaan verdiepen in het christendom: zij is de Bijbel gaan lezen, en heeft die vergeleken met de Koran. Ook heeft zij deelgenomen aan door [collega van eiseres] en [nicht van eiseres] georganiseerde bijeenkomsten. Medio september 2012 is eiseres met [collega van eiseres] op reis geweest naar Armenië, waar zij twee kerken hebben bezocht en waar eiseres kennis heeft gemaakt met het hulpverleningscomité van [naam]. In Armenië heeft eiseres aan [collega van eiseres] en ook aan de vrienden van [collega van eiseres] een getuigenis afgelegd dat zij is bekeerd tot het christendom.

Na terugkeer in Iran heeft eiseres diensten van huiskerken bezocht. Eiseres heeft de dochter ([naam dochter]) van haar oudste broer verteld dat zij is bekeerd tot het christendom. Ook andere familieleden heeft zij verteld over haar bekering. Eiseres heeft met een buurvrouw gesproken over het hulpverleningscomité van [naam] in Armenië. Ongeveer twee of drie dagen daarna is eiseres meegenomen door drie onbekende vrouwen die in het bezit waren van een Badisj-pas. Zij is opgesloten in een kamer waarin ook 15 of 16 andere personen werden vastgehouden. Een dag later is zij verhoord over haar verblijf in Armenië en geslagen, beledigd en uitgescholden. Na drie dagen is eiseres vrijgelaten, nadat zij een verklaring en een blanco papier had ondertekend. Nadien heeft eiseres haar normale leven voortgezet.

In december 2012 is [collega van eiseres] verdwenen. De buurvrouw van [collega van eiseres] heeft aangegeven dat [collega van eiseres] uit haar huis was meegenomen, waarbij ook twee kartonnen dozen zijn meegenomen. Omdat [collega van eiseres] foto’s had van hun Armenië-reis vermoedde eiseres dat zij en [nicht van eiseres] ook problemen zouden krijgen. Om die reden zijn zij ondergedoken bij een vriendin. Eiseres en [nicht van eiseres] hebben besloten te vluchten nadat zij van buren hebben vernomen dat ook haar huis is doorzocht, dat daarbij spullen zijn meegenomen, en nadat de broer van eiseres is opgepakt. Omdat [nicht van eiseres] door de reisagent in een andere groep is ingedeeld, heeft eiseres haar niet meer gezien. Op 13 februari 2013 heeft eiseres haar land verlaten.

9. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiseres als relevant gekwalificeerd:

1. de nationaliteit en identiteit van eiseres;

2. de bekering van eiseres tot het christendom;

3. de vanwege de bekering ondervonden problemen.

10. In het besluit van 8 september 2015 en het daarin ingelaste voornemen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de elementen onder 1 geloofwaardig worden geacht. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres over haar bekering (element 2) niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres, gelet op haar inconsistente, summiere en vage verklaringen, hem niet heeft weten te overtuigen dat sprake is van een oprechte bekering die is gestoeld op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Gelet hierop worden de problemen die eiseres vanwege die bekering stelt te hebben ondervonden (element 3) evenmin geloofwaardig geacht.

11.Dat in de besluitvorming geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling als bedoeld in het Besluit van 12 december 2014, nummer WBV 2014/36, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2014, nr. 36910; hierna: het WBV 2014/36), uitgewerkt in de Werkinstructie van 1 januari 2015 (nr. 2014/10), heeft plaatsgevonden, zoals eiseres betoogt in haar brief van 6 november 2015, is de rechtbank onvoldoende gebleken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder sommige door eiseres in haar brief van 6 november 2015 genoemde elementen, gelet op de onderlinge samenhang, als één element van het asielrelaas heeft kunnen aanmerken.

12. Eiseres heeft voorts betoogd dat verweerder ten onrechte haar verklaringen met betrekking tot haar bekering ongeloofwaardig heeft bevonden.

13. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109839/1, past verweerder een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging de vreemdeling vragen stelt die – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt.

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van

5 maart 2014 (zaak nr. 201305142/1) en 15 juli 2014 (zaak nr. 201401627/1), dat, nu de motieven voor en het proces van bekering een essentieel onderdeel vormen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering, verweerder daaraan een doorslaggevend gewicht mag toekennen.

14. De rechtbank overweegt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ontoereikende verklaringen heeft afgelegd over de motieven voor en het proces van bekering.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de datum en de plaats waar haar bekering zou hebben plaatsgevonden. In het op

17 juni 2013 gehouden eerste gehoor (pagina 3 van het verslag) heeft eiseres verklaard dat zij vijf maanden eerder dan dat gehoor, derhalve begin 2013, is bekeerd, terwijl uit de tijdens het eerste gehoor van 8 maart 2015 (pagina 5) en het nader gehoor van 10 maart 2015 (hierna: het nader gehoor; pagina 13, 15, 17 en 18) afgelegde verklaringen blijkt dat haar bekering tijdens haar verblijf in Armenië (in september 2012) heeft plaatsgevonden, welke verklaringen tegenstrijdig zijn. Deze inconsistentie ziet op een essentieel onderdeel van haar asielrelaas. Het betoog dat het woord bekering niet bestaat in het Farsi, dat het bepalen van het moment van het bekeringsproces een lastige zaak betreft en dat eiseres tijdens het gehoor van 17 juni 2013 bedoeld heeft te zeggen dat zij tijdens haar vertrek in januari 2013 al bekeerd was, heeft eiseres niet naar voren gebracht in de door haar ingediende correcties en aanvullingen op het in 2013 gehouden gehoor, terwijl daartoe wel de gelegenheid bestond. Daarbij komt dat eiseres ook de naam van de kerk, waar zij stelt te zijn bekeerd, niet heeft kunnen noemen. De bij brief van 29 september 2015 overgelegde kopieën van foto’s, waarop eiseres staat afgebeeld, staande voor een kerk, doen aan het voorgaande niet af. Het betoog van eiseres, onder verwijzing naar Werkinstructie nr. 2014/10, dat verweerder voormelde tegenstrijdigheid niet mocht tegenwerpen, nu het eerste gehoor niet bedoeld is om asielmotieven te bespreken, kan niet slagen reeds omdat aan de door eiseres gegeven antwoorden geen vraag is voorafgegaan over haar asielrelaas.

De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat eiseres vage verklaringen heeft afgelegd over de bekering en de evangelisatieactiviteiten van [nicht van eiseres]. Tijdens het nader gehoor heeft eiseres verklaard dat [nicht van eiseres] is begonnen met evangeliseren nadat [collega van eiseres] hen thuis bezocht, maar zij heeft in het aanvullend gehoor van 3 april 2015 (hierna: het aanvullend gehoor) niet kunnen toelichten wanneer en op welke wijze zij evangeliseerde (pagina 4). Ook weet eiseres niet wanneer [nicht van eiseres] is bekeerd (pagina 3). Aangezien [nicht van eiseres] is grootgebracht door eiseres en bij haar in huis woonde, en eiseres gesteld heeft mede via haar in aanraking te zijn gekomen met het christelijke geloof, mocht verwacht worden dat eiseres daarover kon verklaren.

Verweerder kan eveneens worden gevolgd in zijn standpunt dat eiseres summier is in haar verklaringen over de bekering van [collega van eiseres]. Met betrekking tot deze bekering heeft eiseres verklaard dat zij [collega van eiseres] daar nooit vragen over heeft gesteld en dat zij denkt dat [collega van eiseres] via haar schoonzus in contact is gekomen met het christendom (aanvullend gehoor, pagina 4). Uit de in de zienswijze gegeven nadere toelichting blijkt evenmin dat eiseres weet hoe [collega van eiseres] tot haar bekering is gekomen. Gelet op de rol van [collega van eiseres] bij de door eiseres gestelde bekering en de ingrijpende gevolgen die een bekering in Iran heeft, mocht verwacht worden dat eiseres meer details met betrekking tot de bekering van [collega van eiseres] zou kunnen verstrekken. Dat verweerder op dit punt onvoldoende heeft doorgevraagd, zoals eiseres betoogt, volgt de rechtbank niet. In het aanvullend gehoor (pagina 4) is expliciet gevraagd hoe [collega van eiseres] op haar beurt in contact is gekomen met het christendom en hoe haar bekering is verlopen. Het was dan ook, gelet op de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op haar rustende bewijslast, aan eiseres om daarover te verklaren.

Het is tenslotte juist dat eiseres, buiten de hoofdstromingen van het protestantisme en het katholicisme, geen andere stromingen binnen het christendom heeft kunnen noemen. Verweerder heeft hieruit mogen afleiden dat eiseres zich in zoverre niet heeft verdiept in de vele stromingen binnen het christelijke geloof, terwijl dat een onderdeel van het proces van bekering kan zijn. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres afkomstig is uit Iran, waar de bekering tot een andere dan de in dat land gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is. Ten aanzien hiervan merkt de rechtbank nog op dat blijkens het besluit van 8 september 2015 dit geen op zichzelf staande overweging betreft, maar een overweging die volgens verweerder in samenhang met de andere overwegingen in dat besluit maakt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is bekeerd.

15. Het standpunt van verweerder dat eiseres, door enkel te stellen dat in de islam dingen niet mogen en dat vrouwen mogen worden geslagen, de verschillen tussen de islam en het christendom onvoldoende heeft benoemd en niet heeft toegelicht op welke manier de tegenstrijdigheden in de islam voor haar een doorslaggevende reden waren om zich van de islam af te wenden, kan niet zonder nadere motivering worden gevolgd. Zoals eiseres terecht heeft betoogd heeft zij ook andere verschillen genoemd tussen de twee religies, waarop verweerder in zijn besluitvorming niet is ingegaan. Zo heeft eiseres verklaard dat het christendom, anders dan de islam, het Nieuwe Testament kent, waarin Jezus Christus centraal staat en heeft zij het aspect van vergevingsgezindheid genoemd.

Ook kan verweerder niet zonder nadere motivering worden gevolgd in zijn standpunt dat eiseres te algemeen verklaard heeft naar aanleiding van de vragen over de persoonlijke betekenis die de bekering voor haar heeft gehad. Daarbij is van belang dat eiseres niet alleen heeft verklaard dat zij rust heeft gevonden, zoals verweerder stelt, maar dat zij ook heeft verklaard dat de liefde tussen de mensen haar in het christendom aantrekt en zij zich door haar bekering bevrijd voelt.

Dat eiseres anders dan dat zij de Bijbel leest niet kan duiden op welke manier zij in haar dagelijkse leven uiting geeft aan haar geloof, kan evenmin zonder nadere motivering worden gevolgd. In de zienswijze heeft eiseres aangegeven dat zij bidt en naar de kerk gaat. Uit deze zienswijze en de correcties op het nader gehoor blijkt verder dat zij in verschillende steden kerken heeft bezocht, hetgeen ook blijkt uit de door haar overgelegde verklaringen van kerkelijke instanties.

16. Het voorgaande leidt echter niet tot gegrondverklaring van het beroep. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres op essentiële punten over het proces van bekering tegenstrijdig, summier en vaag heeft verklaard. In aanmerking genomen hetgeen is overwogen onder 14 heeft verweerder derhalve toereikend gemotiveerd waarom de door eiseres gestelde bekering, gelet op haar verklaringen, niet aannemelijk is gemaakt. De door eiseres overgelegde verklaringen van kerkelijke instanties of functionarissen maken dit niet anders. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2015 (zaak nr. 201406105/1) laten dergelijke verklaringen de verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling onverlet om (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid.

Nu het standpunt van verweerder dat de bekering ongeloofwaardig is de toetsing in rechte kan doorstaan heeft verweerder zich ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen als gevolg van de bekering eveneens ongeloofwaardig zijn. Aldus heeft verweerder de aanvraag van eiseres terecht op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen.

17. De rechtbank stelt vast dat eiseres ook beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat sprake is van een kennelijk ongegronde aanvraag als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000. Gelet op de procedurele gevolgen die verbonden zijn aan de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag ziet de rechtbank aanleiding deze beroepsgronden te bespreken.

18. Eiseres heeft betoogd dat verweerder de asielaanvraag van eiseres, die niet in een versnelde asielprocedure is behandeld, niet kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Daartoe heeft eiseres gewezen op artikel 31, achtste lid, gelezen in samenhang met artikel 32, tweede lid, van de Richtlijn.

In artikel 31, achtste lid, van de Richtlijn wordt lidstaten de mogelijkheid geboden een behandelingsprocedure te versnellen indien zich één van de in dat artikellid genoemde situaties voordoet, op grond waarvan, gelet op artikel 32, tweede lid, van de Richtlijn, de asielaanvraag als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd. Deze bepaling behelst geen verplichting voor verweerder om een versnelde asielprocedure toe te passen teneinde asielaanvragen als kennelijk ongegrond te kunnen afwijzen. Dit artikellid staat derhalve niet in de weg aan het als kennelijk ongegrond beschouwen van een asielaanvraag buiten deze versnelde asielprocedure. De beroepsgrond faalt derhalve.

19. Voor zover eiseres heeft betoogd dat verweerder, gelet op artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), niet bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 30b van de Vw 2000, dat niet gold ten tijde van de aanvraag, kan dat betoog niet slagen reeds omdat artikel 3.103 van het Vb 2000 niet van toepassing is op asielaanvragen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2003, zaak nr. 200300925/1).

20. Eiseres heeft voorts betoogd dat, gelet op de in artikel 52 van de Richtlijn opgenomen overgangsbepalingen, die uitgaan van eerbiedigende werking, de asielaanvraag van eiseres onderworpen is aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van Richtlijn 2005/85 en verweerder de aanvraag derhalve niet als kennelijk ongegrond kon beschouwen, het beroep tegen een afwijzende beslissing op een asielaanvraag in de verlengde asielprocedure schorsende werking dient te hebben en haar een ruimere beroepstermijn ter beschikking dient te staan.

Op grond van de in artikel 52 van de Richtlijn opgenomen overgangsbepalingen passen de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld in artikel 51, eerste lid (waaronder voormeld artikel 32, tweede lid) toe op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na 20 juli 2015. Verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 zijn onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens Richtlijn 2005/85.

Ingevolge het bij de Wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Richtlijn opgenomen overgangsrecht, neergelegd in artikel II, is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, tenzij het onderzoek door de rechtbank is gesloten. (Stb. 2015, 292).

Hoewel het in nationale regelgeving opgenomen overgangsrecht afwijkt van het in de Richtlijn opgenomen overgangsrecht behoeft de vraag in hoeverre dat toelaatbaar is geen bespreking. Daartoe overweegt de rechtbank dat op grond van Richtlijn 2005/85 reeds de mogelijkheid bestond om een asielaanvraag als kennelijk ongegrond te beschouwen (artikel 28 lid 2 van Richtlijn 2005/85). Het overgangsrecht in Richtlijn 2013/32 staat daarom niet in de weg aan het aanmerken van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op voor 20 juli ingediende asielaanvragen. Uit de bepalingen van Richtlijn 2005/85 volgt verder dat lidstaten termijnen kunnen vaststellen opdat de asielzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan uitoefenen (artikel 39, tweede lid) en dat een lidstaat regels mag stellen over de schorsende werking van een beroep (artikel 39, derde lid). Dat de in deze zaak gehanteerde termijnen en het ontbreken van schorsende werking strijd opleveren met Richtlijn 2005/85 heeft eiseres ook overigens niet onderbouwd. Dat bij implementatie van Richtlijn 2005/85 andere keuzen zijn gemaakt dan bij implementatie van de Richtlijn doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond faalt.

21. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, d, e en h, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 kan een asielaanvraag als kennelijk ongegrond worden afgewezen indien de vreemdeling verweerder heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

Eiseres heeft tijdens het eerste gehoor van 17 juni 2013 verklaard dat zij via Dubai naar Nederland is gereisd. Uit door verweerder verricht onderzoek is echter gebleken dat eiseres niet via Dubai maar middels een Italiaans visum via Teheran en Italië naar Nederland is gereisd. Nadat zij tijdens voormeld gehoor met deze onderzoeksresultaten is geconfronteerd, heeft eiseres erkend dat zij in eerste instantie niet de waarheid heeft verteld. Op grond hiervan heeft verweerder mogen stellen dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Ook heeft verweerder in dit verband van belang mogen achten dat eiseres het tijdens haar reis naar Italië gebruikte paspoort niet heeft overgelegd. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres door het niet overleggen van dit paspoort een relevant document heeft achtergehouden dat een negatieve invloed op de beslissing had kunnen hebben. Eiseres had hiermee niet alleen kunnen onderbouwen dat zij geen verblijf heeft (gehad) in een ander land, maar had ook een deel van haar relaas, te weten haar reis naar Armenië, kunnen onderbouwen. De verklaring van eiseres dat zij haar paspoort in Italië heeft afgegeven aan de reisagent heeft verweerder terecht niet als verschoonbaar geacht.

Op grond hiervan heeft verweerder de aanvraag terecht op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen. Hetgeen ten aanzien van artikel 30b, eerste lid, onder d, e en h, van de Vw 2000 is aangevoerd behoeft gelet hierop geen verdere bespreking.

22.Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter, mr. Tj. Gerbranda en mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R, Barzilay, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).