Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14485

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
18-01-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1277
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 6.1
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 6.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/1277

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] te [plaats 1] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats 1] , verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Dijck).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is sinds 6 januari 1995 eigenaar van het perceel en de woning aan de [adres] te [plaats 1] .

1.2

Op 28 april 2005 heeft de gemeenteraad van [plaats 1] het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld, dat in werking is getreden op 18 mei 2006 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan).

1.3

Bij brief verzonden 13 maart 2007 heeft verweerder afspraken met verschillende bewoners van de [naam] en de [adres] bevestigd. Op basis daarvan heeft verweerder onder voorwaarden besloten tot een aantal maatregelen en aanpassingen aan de nieuw aan te leggen weg, waaronder de bouw van een geluidwerende voorziening. Bij separate brief van 13 maart 2007 aan eiser heeft verweerder de bereidheid uitgesproken om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de door eiser gewenste uitbreiding van zijn woning. Op 15 maart 2007 hebben betrokkenen, onder wie eiser, een bevestiging van de afspraken met verweerder ondertekend, waarbij onder meer is overeengekomen dat betrokkenen de ingestelde procedures tegen de weg zullen beëindigen en dat zij wat betreft lopende en nog te beginnen planschade procedures het aanbrengen van een afscherming langs de weg aan de achter- en zijkant van hun woningen niet als zelfstandig, hun uitzicht beperkend element - en daarmee dus ook niet als schadeveroorzakend argument - zullen opvoeren.

1.4

Eiser heeft op 5 oktober 2011 verzocht om een tegemoetkoming in de schade die hij stelt te lijden door het op 18 mei 2006 in werking getreden nieuwe bestemmingsplan, waardoor een weg met rotonde langs zijn woning mogelijk geworden is.

1.5

Verweerder heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In het advies van juli 2013 (hierna: het advies) heeft de SAOZ uiteengezet dat de planologische verandering ertoe leidt dat eiser in een nadeliger positie is komen te verkeren. Onder het oude planologische regime, het bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening", hadden de gronden grenzend aan eisers perceel de bestemming ‘Agrarisch gebied zonder bebouwing’ en ‘Waterhuishoudelijke doeleinden’. Op de gronden met bestemming ‘Agrarisch gebied zonder bebouwing’ mochten terrein- en erfafscheidingen worden opgericht met een hoogte van maximaal één meter. Overige bouwwerken mochten een hoogte van 1 meter 75 hebben. De gronden aangewezen voor ‘Waterhuishoudelijke doeleinden’ mochten niet worden bebouwd met uitzondering van een aantal genoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde. Onder het nieuwe regime zijn de gronden gelegen aan de oostzijde van eisers perceel bestemd voor wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook, bruggen, picknickplaatsen, fietsenstallingen, bushokjes, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. Door deze nieuwe bestemming is volgens de SAOZ sprake van een intensivering van het gebruik van de gronden en is de geluidsbelasting toegenomen. Langs de weg mogen lichtmasten worden opgericht met als gevolg een toename van lichthinder en ook kan trilhinder door vrachtverkeer niet worden uitgesloten. Voorts acht de SAOZ het uitzicht vanuit de woning van eiser beperkt door de aanleg van de geluidswal. Tot slot heeft de SAOZ een aantasting van het karakter van de omgeving aangenomen door het gewijzigde gebruik, omdat de gronden met een agrarische bestemming een positiever effect hebben dan gronden met een bestemming voor verkeersdoeleinden. De SAOZ heeft op basis van de planvergelijking geconcludeerd dat de waarde van de woning van eiser ten tijde van de peildatum van € 510.000,- naar € 480.000,- is gedaald na inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Na aftrek van het forfaitair normaal maatschappelijk risico, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro), ondervinden belanghebbenden een nadeel ten bedrage van € 19.800,-, aldus de SAOZ.

1.6

Verweerder heeft in het primaire besluit, onder verwijzing naar de brieven van 12 maart 2007, geconcludeerd dat de SAOZ ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het anderszins verzekerd zijn van de planschade. Verweerder heeft het verzoek om tegemoetkoming in de planschade afgewezen.

1.7

In het advies van de commissie bezwaarschriften van 25 september 2014 heeft de commissie geadviseerd de SAOZ nader onderzoek te laten doen naar de vraag of de schade anderszins verzekerd is.

1.8

Bij brief van 19 december 2014 heeft de SAOZ gesteld dat de schade anderszins verzekerd kan zijn als het object van de aanvrager, als gevolg van de verleende vrijstelling voor het realiseren van de aanbouw in waarde is toegenomen. De SAOZ heeft de waardestijging van de woning door de aanbouw getaxeerd op € 140.000,-, terwijl de bouwkosten van deze aanbouw door de SAOZ zijn beraamd op € 150.000,-. De SAOZ heeft dan ook geconcludeerd dat de schade niet anderszins verzekerd is.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de planschade voor eiser anderszins verzekerd is. Hiertoe is het advies van de SAOZ ten aanzien van het anderszins verzekerd zijn en ten aanzien van de waardestijging van de woning overgenomen. Verweerder volgt de SAOZ echter niet wat betreft de beraamde bouwkosten van de aanbouw, nu eiser in de aanvraag voor de vergunning van deze aanbouw een bedrag van € 75.000,- aan bouwkosten heeft opgegeven, op grond waarvan ook de legeskosten zijn berekend. Volgens verweerder dient een waardestijging van € 65.000,- (€ 140.000,00 - € 75.000,00) aangemerkt te worden als anderszins verzekerde planschade. Aangezien de SAOZ in het eerste advies de planschade had berekend op € 30.000,-, is de gehele planschade anderszins verzekerd.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de SAOZ de planschade te laag heeft vastgesteld, omdat de geluidswal niet is gerealiseerd bij zijn woning en zijn woning dus niet door een geluidswal is afgeschermd. Verweerder heeft ten onrechte gesteld, aldus eiser, dat er een voordeel voor hem zou zijn ontstaan door de aanleg van een 30 km zone, terwijl hiermee, volgens eiser, juist een hogere verkeersbelasting voor zijn woning wordt veroorzaakt door optrekkend en afremmend verkeer. Eiser heeft verder betwist dat zijn planschade anderszins verzekerd is. Hiertoe heeft hij betoogd dat met de bouw van de aanbouw een bedrag van € 180.000,- bruto is gemoeid. Hij heeft deze stelling onderbouwd met stukken.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager. In het tweede lid, aanhef en onder b, is bepaald dat in geval van schade in de vorm van een vermindering van waarde van een onroerende zaak, een gedeelte gelijk aan 2% van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade voor rekening van de aanvrager blijft.

4.2

Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat in het advies van de SAOZ van juli 2013 is uiteengezet dat, uitgaande van de planologische situatie na de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, de waardedaling van de woning € 30.000,- bedraagt. In het advies is rekening gehouden met de geluidsbelasting op de woning van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze geluidsbelasting hoger zou zijn omdat de geluidswal niet geheel is doorgetrokken langs zijn woning. De SAOZ heeft in het rapport ook niet gesteld dat de geluidswal voor eiser leidt tot een beperking van het geluid, maar slechts gewag gemaakt van beperking van het uitzicht. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij meer last heeft van de aanleg van de weg met een 30 kilometer-zone. Hierbij merkt de rechtbank op dat verweerder niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat de aanleg van een 30-kilometerzone heeft geleid tot een planologisch voordeel voor eiser waarmee rekening had moeten worden gehouden. De rechtbank ziet in het betoog van eiser dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van de SAOZ van juli 2013 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins onjuist is.

4.4

In geschil is of de door eiser geleden schade anderszins verzekerd is door de verleende medewerking aan de uitbreiding van eisers woning. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2119, moet bij de beantwoording van de vraag of de schade anderszins is verzekerd rekening worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden.

4.5

Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat voor het anderszins verzekerd zijn van de schade er voldoende reden moet zijn om ervan uit te gaan dat de toezegging om planologische medewerking aan een bouwplan te verlenen mede strekt tot compensatie van de schade die betrokkene door de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan heeft geleden. De Afdeling heeft in deze uitspraak overwogen dat, hoewel niet was gebleken dat de toegezegde planologische medewerking mede strekte ter vergoeding van planschade, daaraan in dat geval geen beslissende betekenis toekwam, nu het tegendeel daarvan evenmin was gebleken. Ook in dit geval stelt de rechtbank vast dat verweerder in de aan eiser verzonden brief van 13 maart 2007, waarbij is toegezegd medewerking te verlenen aan de uitbreiding van de woning, niet heeft medegedeeld dat deze strekt ter vergoeding van planschade. Wel heeft verweerder in de brief gesteld dat de voorwaarden in de aan de bewoners gezonden brief van 13 maart 2007 onverkort gelden. In deze laatste brief is als derde voorwaarde gesteld dat bij de gemeente geen aanvullende planschadeclaims worden ingediend, die direct of indirect verband houden met – kort gezegd – maatregelen/aanpassingen aan het nieuwe bestemmingsplan. Gelet op de strekking van de gemaakte afspraken, heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt mogen stellen dat er voldoende samenhang bestaat tussen de toezegging en het schadeveroorzakende besluit. Dat als tegenprestatie mede is bedongen dat eisers hun bezwaar tegen het nieuwe bestemmingsplan zouden intrekken, betekent niet dat de planschade niet anderszins verzekerd zou kunnen zijn ten aanzien van de toegezegde medewerking. Verweerder heeft de toezegging dan ook terecht betrokken bij de beoordeling van het verzoek om planschadevergoeding.

4.6

Verweerder heeft, in navolging van het advies van de SAOZ van 19 december 2014, geconcludeerd dat de woning door de inmiddels gerealiseerde aanbouw een hogere waarde heeft. De SAOZ heeft de meerwaarde van de woning van eiser bepaald op € 140.000,-. De hoogte van de meerwaarde is niet bestreden. Eiser heeft echter betoogd, onderbouwd met facturen, dat zijn bouwkosten de meerwaarde overstijgen, zodat zijn planschade niet anderszins verzekerd is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:182, wordt overwogen dat verweerder heeft mogen concluderen dat het perceel door de vergunde bouwmogelijkheid een hogere waarde heeft dan in het geval de gronden alleen als tuin kunnen worden gebruikt, en dat deze meerwaarde, daargelaten wat de bouwkosten van de aanbouw waren, de geleden planschade van € 30.000,- overstijgt. Nu de meerwaarde de planschade overstijgt, heeft verweerder het verzoek om een tegemoetkoming in planschade derhalve kunnen afwijzen om de reden dat de door eiser geleden planschade anderszins is verzekerd.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzitter, en mr. H. Lagas en mr. B. Bastein, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.W. Koppe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.