Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14460

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
C/09/469363 / HA ZA 14-804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak en vrijwaring. Hoofdzaak: bestuurdersaansprakelijkheid? Geen schending publicatieplicht: er is sprake van een gering verzuim. Voor schending van de boekhoudplicht of onbehoorlijk bestuur op overige gronden is door de curator onvoldoende gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2560
INS-Updates.nl 2016-0037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 28 oktober 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/469363 / HA ZA 14-804 van

ALEXANDRA RENATE OOSTERVELD

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] ONDERHOUD- EN RIOOLTECHNIEK B.V.,

wonende te Leiden ,

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat: mr. A.E. Veerman te Leiden,

tegen

1 JACQUELINE REGELING

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AANNEMINGSBEDRIJF [B] KATWIJK B.V.,

kantoorhoudende te Leiden,

niet verschenen,

2. [B],

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat voorheen mr. F.L. Oudshoorn te Den Haag, thans mr. C.M. van der Burg te Den Haag,

3. [C],

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat voorheen mr. M.D. de Wit te Amsterdam, thans mr. P.J. de Groen te Den Haag,

gedaagden in de hoofdzaak,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/481844 / HA ZA 15-129 van

[C] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

eiser in de vrijwaringszaak,

advocaat voorheen mr. M.D. de Wit te Amsterdam, thans mr. P.J. de Groen te Den Haag,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in de vrijwaringszaak,

advocaat voorheen mr. F.L. Oudshoorn te Den Haag, thans mr. C.M. van der Burg te Den Haag.

Eiseres in de hoofdzaak zal hierna de curator worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als gedaagden en afzonderlijk als Regeling q.q., [B] (tevens gedaagde in de vrijwaringszaak) en [C] (tevens eiser in de vrijwaringszaak).

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 24 december 2014 en de in dat vonnis genoemde gedingstukken, voor zover betrekking hebbend op de hoofdzaak;

- het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2015 en de daarin genoemde gedingstukken;

- de akte van 26 augustus 2015 van de zijde van de curator, met productie;

- de antwoordakte van 23 september 2015 van de zijde van [B] ;

- de antwoordakte van 23 september 2015 van de zijde van [C] , met productie.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [C] heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt bij brief van 25 juni 2015. Daarnaast heeft [B] bij brief van 11 juni 2015 een beter leesbare versie van de ter comparitie voorgedragen pleitaantekeningen gestuurd. De brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud van de opmerkingen van [C] ingegaan.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in vrijwaring van 21 januari 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in vrijwaring van 18 maart 2015;

  • -

    het tussenvonnis van 1 april 2015, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2015 en de daarin genoemde gedingstukken.

2.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [C] heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt bij brief van 25 juni 2015. Daarnaast heeft [B] bij brief van 11 juni 2015 een beter leesbare versie van de ter comparitie voorgedragen pleitaantekeningen gestuurd. De brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud van de opmerkingen van [C] ingegaan.

2.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3 De feiten

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

3.1.

[B] Onderhoud- en Riooltechniek B.V. (hierna: [B] Onderhoud) is in staat van faillissement verklaard op 8 oktober 2013 met benoeming van mr. Oosterveld tot curator. Op 17 december 2013 is Aannemingsbedrijf [B] Katwijk B.V. (hierna: het aannemingsbedrijf) in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Regeling tot curator.

3.2.

[B] Onderhoud is opgericht op 11 november 1997. Het aannemingsbedrijf is enig aandeelhouder en bestuurder geweest van [B] Onderhoud. [B] Beheer B.V. (hierna: [B] Beheer) is tot omstreeks 2004 enig aandeelhouder en bestuurder geweest van het aannemingsbedrijf. Vanaf omstreeks 2004 is [C] Beheer B.V. (hierna: [C] Beheer) voor 25% aandeelhouder geworden van het aannemingsbedrijf. Op 2 januari 2012 heeft [C] Beheer nog eens 25% van de aandelen in het aannemingsbedrijf verworven. Vanaf die datum is [C] Beheer tevens (mede) bestuurder geworden. [B] en [C] zijn enig aandeelhouder en bestuurder van respectievelijk [B] Beheer en [C] Beheer.

3.3.

[C] is op 27 september 2013 als bestuurder van het aannemingsbedrijf afgetreden.

4 Het geschil

in de hoofdzaak

4.1.

De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de schulden van [B] Onderhoud, voor zover deze niet door vereffening van de baten kunnen worden voldaan, althans tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2014, met veroordeling van de gedaagden in de proceskosten.

4.2.

De curator legt hieraan het volgende ten grondslag. Allereerst houdt de curator gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele faillissementstekort op grond van artikel 2:248 lid 2 BW. Volgens de curator is gebleken dat (i) de jaarstukken over 2011 pas op 26 juni 2013 zijn gedeponeerd en daarmee bijna 5 maanden te laat, hetgeen in strijd is met artikel 2:394 BW en (ii) gedaagden niet aan de administratieplicht hebben voldaan als bedoeld in artikel 2:10 BW. Daarmee staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement, althans is het bestuur aansprakelijk voor de schade ten gevolge van onrechtmatig handelen en nalaten jegens [B] Onderhoud. Op grond van artikel 2:11 BW zijn [B] en [C] als middellijk bestuurders aansprakelijk.

4.3.

[B] en [C] voeren afzonderlijk verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.4.

[C] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [B] zal veroordelen om aan [C] te betalen al hetgeen waartoe [C] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief rente en de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [B] in de kosten van de vrijwaring.

4.5.

Aan de vordering genoemd onder 4.4 legt [C] ten grondslag dat [B] in hun onderlinge zakelijke relatie verantwoordelijk was voor het (formele en feitelijke) bestuur en de boekhouding / financiële administratie van [B] Onderhoud. [C] treft ter zake van het faillissement geen enkel rechtens relevant verwijt. Op basis van artikel 6:10 en 6:12 BW dient [B] in de onderlinge verhouding 100% bij te dragen in de delging van de (eventuele) schuld van [C] jegens de curator.

4.6.

[B] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de hoofdzaak

Ten aanzien van Regeling q.q.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat dit vonnis ingevolge artikel 140 lid 2 Rv ook jegens Regeling q.q., als niet-verschenen gedaagde, heeft te gelden als een vonnis op tegenspraak.

5.2.

De vordering ligt voor toewijzing gereed, nu de rechtbank deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

5.3.

Regeling q.q. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat zij niet is verschenen. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op totaal € 734,-, bestaande uit € 282,- aan griffierecht en € 452,- aan salaris van de advocaat (1,0 punt × tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd.

Ten aanzien van [B] en [C]

5.4.

[B] en [C] hebben ter comparitie verklaard dat zij zich over en weer aansluiten bij hetgeen de ander naar voren heeft gebracht. De rechtbank zal alle door hen gevoerde verweren hieronder dan ook behandelen als door beiden ingebracht.

Publicatie jaarrekening

5.5.

[B] en [C] betogen dat de jaarrekening 2011 wel degelijk tijdig, te weten 31 januari 2013, is gedeponeerd. Dit betreft echter de voorlopige jaarrekening die nog niet was vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders. Conform artikel 2:394 lid 1 BW dient de openbaar gemaakte jaarrekening te zijn vastgesteld en moet op het gepubliceerde exemplaar de dag van vaststelling en goedkeuring zijn aangetekend. De publicatie van de onderhavige niet vastgestelde jaarrekening voldoet formeel niet aan dit criterium.

5.6.

Ter onderbouwing van hun betoog dat de jaarrekening tijdig is gepubliceerd, voeren [B] en [C] aan dat de voorlopige jaarrekening is opgesteld door de accountant van [B] Onderhoud, ABIN, en aansluit op de - eveneens door de accountant - opgestelde conceptjaarstukken (ter zake van 2012) die in de zomer van 2013 zijn opgemaakt. De in juni 2013 vastgestelde en gepubliceerde jaarrekening 2011 is gelijk aan de wel gepubliceerde voorlopige jaarrekening. [B] heeft de vastgestelde jaarstukken kort na 31 januari 2013 opgestuurd naar de Kamer van Koophandel, maar later is gebleken dat die niet zijn aangekomen. Volgens [B] en [C] is dit vermoedelijk opgemerkt bij het doen van de Vpb aangifte in mei 2013, waarna [B] de jaarstukken nogmaals aan de Kamer van Koophandel heeft gestuurd.

De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat [B] en [C] een beroep doen op de ‘onbelangrijk verzuim’-bepaling van artikel 2:248 lid 2 BW. Of een schending van de in artikel 2:394 BW opgenomen voorschriften als een onbelangrijk verzuim kan gelden, hangt af van de aard van het overtreden voorschrift en de, door de aangesproken bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen, verdere omstandigheden van het geval (Hoge Raad 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916, Van Schilt / Jansen). Daarbij is van belang dat in de ratio van artikel 2:248 lid 2 BW besloten ligt dat wanneer een bestuurder niet voldoet aan zijn publicatieplicht ervan uitgegaan mag worden dat hij ook voor het overige zijn bestuurstaken onbehoorlijk heeft vervuld. Van een gering verzuim is dan sprake wanneer het niet voldoen aan de verplichtingen in de gegeven omstandigheden er niet op wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189). In de voornoemde - door de curator onweersproken gebleven - omstandigheden ziet de rechtbank voldoende aanleiding het enkele feit dat de jaarrekening ten tijde van de publicatie op 31 januari 2013 nog niet was vastgesteld, als een gering verzuim aan te merken. Niets duidt erop dat de gang van zaken (ook voor het overige) voortvloeit uit onbehoorlijk bestuur van [B] en [C] .

Aan de enkele stelling van de curator dat de wél gepubliceerde jaarstukken “vermoedelijk” ook geen adequaat beeld gaven van het reilen en zeilen van de vennootschap, gaat de rechtbank voorbij. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - is dit een losse, ongefundeerde, opmerking waarop de vordering van de curator niet kan steunen.

Boekhoudplicht

5.7.

In eerste instantie stelt de curator dat zij van [B] en [C] een doos met facturen en bankafschriften heeft ontvangen zonder duidelijkheid over de betekenis van een en ander. Voorts stelt de curator dat derden en personeelsleden gedurende 2013 zijn betaald, terwijl de bestuurders volgens haar hebben gemeld dat [B] Onderhoud vanaf december 2012 geen activiteiten meer ontplooide en geen personeel meer in dienst had. Ten tweede stelt zij dat een deel van de administratie geen betrekking heeft op [B] Onderhoud maar op het aannemingsbedrijf, zodat kennelijk sprake is van voortzetting van de activiteiten van [B] Onderhoud door het aannemingsbedrijf zonder dat daar een overnamevergoeding voor is betaald. Ten slotte ontbreken rekening-courantoverzichten tussen [B] Onderhoud, het aannemingsbedrijf en [B] Beheer. Met dit alles is duidelijk dat gedaagden niet voldaan hebben aan hun boekhoudplicht ex artikel 2:10 lid 1 BW, aldus de curator.

5.8.

[B] en [C] betogen daarentegen dat de financiële administratie is bijgehouden door de dochter van [B] , die dagelijks de facturen inboekte. De facturen werden vervolgens nagekeken door de accountant van [B] Onderhoud, die door middel van een elektronisch boekhoudprogramma kon meekijken. De curator heeft ook geen doos met inhoud ontvangen, maar een aantal mappen waarin het belangrijkste deel van de boekhouding was opgeruimd. Alleen de facturen van de laatste maanden (vanaf het laatste BTW-kwartaal) waren nog niet volledig ingeboekt, wat volgens [B] en [C] in het geheel niet ongebruikelijk is. Bij veel bedrijven wordt de elektronische financiële administratie pas op orde gebracht vlak voordat de BTW-aangifte moet worden gedaan. Voorts is de accountant in staat geweest om aan de hand van de papieren en digitale administratie de concept jaarstukken 2012 op te stellen (bijgevoegd als productie 2 bij de conclusie van antwoord van de zijde van [B] ), hetgeen niet mogelijk was geweest zonder dat er een deugdelijke administratie was gevoerd. Ten slotte zijn vlak vóór het faillissement door de accountant nog overzichten van debiteuren en crediteuren opgesteld. Dat er in 2013 door [B] Onderhoud geen activiteiten meer zouden zijn ontplooid, betwisten [B] en [C] . Zij hebben dat ook nooit aan de curator gemeld.

5.9.

De rechtbank stelt voorop dat op basis van vaste rechtspraak aan de boekhoudplicht conform artikel 2:10 lid 1 BW is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie (vergelijk Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932, met verwijzing naar Hoge Raad 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, Brens q.q. / Sarper).

Nu de curator niet heeft weersproken dat de financiële administratie dagelijks - digitaal - werd bijgehouden door de dochter van [B] en dat de accountant een en ander controleerde aan de hand van het elektronisch boekhoudprogramma, houdt de rechtbank het ervoor dat [B] en [C] als bestuurders van [B] Onderhoud een inzichtelijke administratie voerden, in een gecombineerde papieren en digitale vorm. Ten onrechte stelt de curator ter comparitie dat zij geen acht heeft hoeven slaan op de digitale administratie, althans de rechtbank begrijpt dat zij dat bedoelt te stellen, omdat gedaagden haar die niet zelf ter beschikking hebben gesteld. Dat standpunt is onjuist, immers het gaat er bij het (hierboven vermelde) boekhoudcriterium om dat men in het algemeen snel inzicht kan krijgen in de boekhouding, en niet of de curator (op basis van de voor hem of haar beschikbare informatie) dat op enig moment in een procedure kan. Nu vast staat dat er een digitale administratie werd gevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het boekhoudcriterium. Verder is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de curator ligt ervoor te zorgen dat zij inzage verkrijgt in de administratie van gefailleerde, wanneer blijkt dat er bij de desbetreffende accountant van gefailleerde een digitale administratie voorhanden is. De accountant heeft de administratie niet aan gedaagden ter beschikking willen stellen in verband met openstaande rekeningen en daarvan was de curator op de hoogte.

5.10.

Aan de enkele stelling van de curator dat [B] en [C] zouden hebben verklaard dat in 2013 in [B] Onderhoud geen activiteiten meer zijn ontplooid, waardoor volgens de curator de facturen en betalingen in 2013 ten laste van c.q. ten gunste van [B] Onderhoud niet kunnen kloppen, gaat de rechtbank voorbij. [B] en [C] hebben gemotiveerd uiteengezet dat in 2013 door [B] Onderhoud werkzaamheden werden verricht zoals het aanpassen van speelpleintjes en dergelijke en het oplossen van rioleringsproblemen. Dit gebeurde met 2 werknemers en eventueel ingehuurde arbeidskrachten ten behoeve van opdrachtgevers zoals gemeentes, scholen en particulieren. Ter zake van deze opdrachten volgt uit de facturen en betalingen in de boekhouding dat ze zijn uitgevoerd, dat daarvoor inkomsten zijn ontvangen en vergoedingen zijn betaald. De opmerkingen van de curator dat zij bepaalde facturen uit 2013 niet kan plaatsen (waarbij zij - zonder nadere toelichting - bij brief van 21 mei 2015 als productie 5 t/m 8 facturen heeft bijgevoegd), laat de rechtbank in het kader van het voorgaande verder onbesproken.

5.11.

Als productie 9 bij brief van 21 mei 2015 heeft de curator stamgegevens van een aantal personeelsleden overgelegd waaruit blijkt dat deze personeelsleden per 31 december 2012 uit dienst zijn getreden bij [B] Onderhoud. De curator stelt vervolgens dat uit bankafschriften blijkt dat in 2013 nog salarisbetalingen aan deze personeelsleden zijn verricht (zonder overigens de betreffende rekeningafschriften over te leggen). Dat hier sprake is van onregelmatigheden verwerpt de rechtbank nu [B] en [C] - onweersproken - hebben betoogd dat zij eind 2012 een aantal werknemers hebben moeten ontslaan, maar dat die ten onrechte op de loonlijst zijn blijven staan. Dat is gebleken bij het uitdraaien van de loonlijsten van het eerste en tweede kwartaal 2013, waarna bij het UWV om herziening van de aanslagen is gevraagd.

5.12.

Als voorbeeld dat aan de boekhoudplicht niet is voldaan, stelt de curator verder nog dat op de balans van 2011 € 14.000,- aan kortlopende schulden is voldaan. Nu vóór 2012 geen activiteiten in [B] Onderhoud plaatsvonden, is een verklaring volgens de curator hiervoor op zijn plaats en die ontbreekt.

De rechtbank volgt [B] en [C] in hun - onweersproken - verweer dat de curator kennelijk de balansen van 2010 en 2011 door elkaar haalt (de curator heeft de balans van 2011 waarnaast zij verwijst, ook niet overlegd). Op de balans 2011 staat slechts een bedrag van € 1.476,- aan kortlopende schulden, zoals volgt uit de conceptjaarstukken 2012 (overlegd als productie 2 bij de conclusie van antwoord van de zijde van [B] ). Op de balans van 2010 komt volgens [B] en [C] wel een bedrag van ongeveer € 14.000,- voor als schuld aan de aandeelhouder. Deze schuld is echter omgezet in agioreserve, waardoor de crediteuren juist zijn bevoordeeld en er dus geenszins sprake is van onbehoorlijk bestuur, aldus [B] en [C] .

5.13.

In het licht van al het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de curator volstrekt onvoldoende heeft gesteld om schending van de boekhoudplicht aan te kunnen nemen. In tegendeel, er is niets concreets gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de administratie niet correct werd bijgehouden of dat sprake is geweest van wantoestanden, onregelmatigheden of onttrekkingen (vergelijk gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8546 en Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932, conclusie AG).

Vermenging administraties: onbehoorlijk bestuur of onrechtmatige daad?

5.14.

Bij dagvaarding stelt de curator dat veel facturen binnen de administratie van [B] Onderhoud daar niet thuishoren, maar betrekking hebben op het aannemingsbedrijf. Daarnaast ontbreken volgens de curator rekening-courantoverzichten. In haar notities van 28 mei 2015 voert de curator aan dat er vermenging/verwarring tussen de B.V.’s en de daarbij behorende administraties heeft plaatsgevonden en dat [B] Onderhoud werd belast met crediteurenposten, die zij niet verdiende en die niet in haar administratie thuishoorden. Ter comparitie verklaart de curator gelijkluidend, waarna de rechtbank haar vervolgens de gelegenheid heeft geboden bij akte haar standpunt toe te lichten dat de vermenging van de administraties van [B] Onderhoud en het aannemingsbedrijf onbehoorlijk bestuur dan wel onrechtmatige daad oplevert jegens de gezamenlijke crediteuren.

5.15.

Bij akte van 26 augustus 2015 legt de curator een rapport over van accountant, de heer [D] , waarbij de curator opmerkt dat er door de accountant geen diepgaand onderzoek is verricht en niet in ‘deftige vorm’ is gerapporteerd omdat de accountant afwezig is geweest wegens vakantie. Vervolgens noemt de curator een aantal inconsistenties in de boekhouding c.q. een aantal posten die volgens haar (onbeantwoorde) vragen opwerpen en zij concludeert - kort gezegd - dat de administratie niet deugdelijk is bijgehouden.

5.16.

De rechtbank zal niet ingaan op hetgeen in de akte is opgenomen, nu dit - ten onrechte - een nadere toelichting is op een (beweerdelijke) schending van de boekhoudplicht. Daartoe heeft de rechtbank in het proces-verbaal van de comparitie geen gelegenheid meer geboden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat hetgeen de curator in dit kader heeft opgemerkt, evenmin tot toewijzing van de vordering op grond van artikel 2:10 lid 1 BW zou hebben geleid. Uit de akte van de curator blijkt niet van enig overleg met [B] en [C] ter toelichting of opheldering met betrekking tot de door de curator genoemde vraagpunten. In hun respectievelijke antwoordaktes melden [B] en [C] ook dat dergelijk overleg niet heeft plaatsgevonden, terwijl zij wel degelijk een en ander kunnen uitleggen (hetgeen zij bij antwoordakte ook doen).

5.17.

Nu de curator niets aanvoert ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van onbehoorlijk bestuur c.q. onrechtmatige daad vanwege vermenging van administraties van [B] Onderhoud met die van het aannemingsbedrijf, ligt de vordering op deze grondslag eveneens voor afwijzing gereed.

Slotsom

5.18.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van de curator worden afgewezen. Partijen hebben voor het overige niets gesteld dat, indien bewezen, tot een ander oordeel leidt.

Proceskosten

5.19.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.20.

De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op totaal € 1.638,-, bestaande uit € 282,- aan griffierecht en € 1.356,- aan salaris van de advocaat (3,0 punten × tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd.

5.21.

De kosten aan de zijde van [C] worden begroot op totaal € 2.316,-, bestaande uit € 282,- aan griffierecht en € 2.034,- aan salaris van de advocaat (4,5 punt × tarief II).

in de vrijwaringszaak

5.22.

Nu de vordering jegens [C] in de hoofdzaak is afgewezen, ligt de vordering in de vrijwaringszaak eveneens voor afwijzing gereed.

5.23.

[C] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op totaal € 452,-, bestaande uit het salaris van de advocaat (1 punt × tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd.

6 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1.

veroordeelt Regeling q.q. tot vergoeding van de schulden van [B] Onderhoud voor zover deze niet door vereffening van de baten kunnen worden voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 1 juli 2014 tot aan de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt Regeling q.q. in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 734,-,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

wijst de vorderingen ten aanzien van [B] en [C] af,

6.5.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 1.638,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

6.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling onder 6.5 uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

veroordeelt de curator in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van [C] tot op heden begroot op € 2.316,-,

in de zaak in vrijwaring

6.8.

wijst de vorderingen af,

6.9.

veroordeelt [C] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

6.10.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 1555