Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14419

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
C/09/482066 / FA RK 15-723 en C/09/501039 / FA RK 15-9365
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:131
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

omgang en Internationale kidnerontvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-723 (omgang) en FA RK 15-9365 (teruggeleiding)

Zaaknummer: C/09/482066 (omgang) en C/09/501039 (teruggeleiding)

Datum beschikking: 8 december 2015

Omgang en Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 28 januari 2015 ingekomen verzoek van:

[moeder]

de moeder,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. V. Vitanov te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[vader] ,

de vader,

wonende te Bulgarije,

advocaat: mr. N. Çiçek te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweer tevens zelfstandig verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek;

  • -

    het F9-formulier d.d. 14 oktober 2015, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    de brief d.d. 4 november 2015, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 1 oktober 2015 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting aangehouden in verband met het op 29 september 2015 door de vader ingediende zelfstandige verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Bulgarije.

Op 14 oktober 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, de heer [naam] alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, mevrouw [naam] . Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities met nadere stukken overgelegd.

Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J.M. Vink. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediationtraject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben om hen moverende redenen hiervan geen gebruik gemaakt.

Op 24 november 2015 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, mevrouw [naam] , alsmede de advocaat van de vader.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt een omgangsregeling te treffen tussen de man en de minderjarige [minderjarige] in die zin dat:

  • -

    één weekend in de maand – op zaterdag of zondag om 9.00 uur – na overleg tussen partijen, de minderjarige door de vader bij de moeder op haar adres in Nederland wordt opgehaald en vervolgens om 13.00 uur wordt terug gebracht, waarbij deze regeling ook doorloopt in de schoolvakanties met uitzondering van de zomervakantie;

  • -

    tijdens de zomervakantie de vader zijn recht behoudt om met de minderjarige drie weken in Nederland of Bulgarije door te brengen, waarbij deze regeling wordt gebaseerd op de duur van de zomervakantie in Nederland en de ouders minimaal twee maanden vóór het begin van de zomervakantie – in overleg – bepalen waar en wanneer de zomervakantie van de minderjarige zal zijn.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens verzoekt de vader, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige [minderjarige] te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Bulgarije, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarige terug te
brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Bulgarije,
met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, alsmede in de kosten van de procedure,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn op 15 juli 2012 in Bulgarije met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 23 januari 2014, in kracht van gewijsde gegaan op 14 februari 2014, heeft de kantonrechter te [plaats] , Bulgarije, het huwelijk tussen partijen ontbonden.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Bulgarije.

- Bij bevel d.d. 28 november 2013 van de voorzitter van de rechtbank te [plaats] , Bulgarije, is de vader een contactverbod opgelegd, waarbij hem is verboden om in een periode van vijf maanden de moeder en tevens haar woning te [plaats] op een afstand korter dan 100 meter te benaderen, met uitzondering van de momenten van het ophalen en het terugbrengen van de minderjarige in het kader van de omgangsregeling.

- Bij beschikking d.d. 23 januari 2014 van de kantonrechtbank te [plaats] Bulgarije, is voorts onder meer – voor zover hier van belang – :

- het tussen partijen bereikte convenant als volgt bevestigd:

- het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] wordt aan de moeder toegewezen. De minderjarige zal bij de moeder wonen;

- de vader heeft de mogelijkheid de minderjarige elke zondag van de maand van 10.00 uur tot 17.00 uur te ontmoeten en op te halen, alsmede een periode van 20 dagen per jaar, die niet samenvallen met het betaalde jaarverlof van de moeder, waarbij het ophalen en het terugbrengen van de minderjarige dient te geschieden bij het huis van de moeder;

- de vader veroordeeld tot betaling van maandelijkse kinderalimentatie ter grootte van 100 leva.

- Bij beschikking d.d. 28 juli 2014 van de kantonrechtbank te [plaats] , Bulgarije, is onder meer – voor zover hier van belang – toestemming verleend aan de moeder om voor de duur van drie jaar vanaf de datum dat de beschikking in kracht van gewijsde gaat met de minderjarige te reizen naar Nederland en Griekenland, zonder dat hiervoor de schriftelijke toestemming van de vader behoeft te worden gevraagd, met uitzondering van de dagen dat de vader volgens de hiervoor vermelde omgangsregeling recht heeft op omgang met de minderjarige.

- Op 2 september 2014 heeft de moeder met de minderjarige Bulgarije verlaten en is zij met hem naar Nederland vertrokken. De moeder en de minderjarige staan sinds 6 oktober 2014 ingeschreven op hun huidige adres in Nederland.

- Blijkens het uittreksel uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de moeder en de minderjarige de Bulgaarse nationaliteit. De vader heeft ook de Bulgaarse nationaliteit.

- De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Wijziging omgangsregeling

De moeder verzoekt de bij beschikking van 23 januari 2014 vastgelegde omgangsregeling te wijzigen, nu door haar verhuizing met de minderjarige vanuit Bulgarije naar Nederland de omstandigheden zijn gewijzigd.

De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder. De vader stelt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige nog in Bulgarije is gelegen, zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de moeder tot wijziging van de omgangsregeling. Bovendien stelt de vader zich op het standpunt dat er sprake is van internationale kinderontvoering, nu de moeder zich zonder medeweten en toestemming van de vader samen met de minderjarige in Nederland heeft gevestigd. De vader verzoekt de teruggeleiding van de minderjarige naar Bulgarije.

De rechtbank zal als het meest verstrekkende verweer van de vader eerst het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarige naar Bulgarije beoordelen.

Internationale kinderontvoering

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Bulgarije zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarige onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland zijn gewone verblijfplaats in Bulgarije had. Evenmin in geschil is dat de moeder volgens het Bulgaarse recht zich niet zonder toestemming van de vader tezamen met de minderjarige (permanent) in Nederland mocht vestigen.

Daadwerkelijke uitoefening gezagsrecht

De moeder stelt dat de vader sinds de echtscheiding zijn gezagsrecht over de minderjarige niet meer heeft uitgeoefend. De moeder voert daartoe aan dat zij alle zorg voor de minderjarige heeft gedragen en alle beslissingen met betrekking tot de minderjarige heeft genomen.

De vader stelt dat hij wel degelijk het gezag over de minderjarige heeft uitgeoefend, zij het dat de moeder dit steeds heeft bemoeilijkt door het contact met de minderjarige te verhinderen, laatstelijk door het ongeoorloofde vertrek naar Nederland.

De rechtbank overweegt als volgt.
Als voorwaarde voor het als ongeoorloofd beschouwen van de overbrenging geldt dat het gezagsrecht op het tijdstip van de overbrenging daadwerkelijk werd uitgeoefend dan wel zou zijn uitgeoefend wanneer de overbrenging niet had plaatsgevonden. Op grond van vaste jurisprudentie moet worden aangenomen dat van ‘daadwerkelijke uitoefening’ van het gezagsrecht zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag ook sprake kan zijn indien degene aan wie het gezagsrecht is toegekend het kind niet feitelijk verzorgt en opvoedt. Voldoende is dat de met het gezag belaste persoon of instelling ervan blijk heeft gegeven zich overeenkomstig de inhoud van het bestaande gezagsrecht de belangen van het kind aan te trekken. De rechtbank komt tot het oordeel dat daarvan in deze zaak sprake is. Ook al werkt(e) de vader – al dan niet tijdelijk en voor langere periodes – in Engeland, hij heeft na het uiteengaan van partijen een omgangsregeling met de moeder afgesproken en zich ingespannen om contact met de minderjarige te behouden (conform de omgangsregeling). Het contact tussen de vader en de minderjarige vindt sinds enige tijd in ieder geval nog plaats via Skype. Hiernaast voldoet de vader kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige. Voorts heeft de vader in 2014 verweer gevoerd tegen het door de moeder ingediende verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor het reizen met de minderjarige naar Nederland en Griekenland en is de vader tijdens de zitting in Bulgarije waar de betreffende zaak werd behandeld aanwezig geweest. Ook is de vader verschenen op de hiervoor genoemde zitting van 14 oktober jl. en op de regiezitting in de onderhavige procedure. Hieruit blijkt dat de vader zich de belangen van de minderjarige aantrekt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vader zijn gezag over de minderjarige voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland nog uitoefende.

Toestemming

De moeder stelt dat zij zich samen met de minderjarige met medeweten van de vader rechtmatig in Nederland heeft gevestigd. Volgens de moeder heeft de vader ingestemd met definitieve vestiging van de moeder met de minderjarige in Nederland. Er is derhalve geen sprake van ongeoorloofde overbrenging of vasthouding, aldus de moeder.

De vader betwist dat hij de moeder toestemming heeft gegeven om zich samen met de minderjarige permanent in Nederland te vestigen.

De rechtbank stelt voorop dat de ouder die zich hierop beroept, in dit geval de moeder, zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de vader ermee heeft ingestemd dat zij zich met de minderjarige permanent zou vestigen in Nederland. De moeder heeft in dat verband gesteld dat partijen in de zomer van 2014, na de zitting bij de kantonrechtbank te [plaats] aangaande de toestemming om met [minderjarige] te mogen reizen, een gesprek hebben gehad over permanente vestiging in Nederland, waarbij de vader zijn toestemming heeft verleend aan haar om zich met [minderjarige] in Nederland te vestigen. De vader heeft dit betwist. De moeder heeft haar stelling vervolgens niet nader onderbouwd.

Nu onvoldoende blijkt dat een dergelijk gesprek daadwerkelijk tussen partijen heeft plaatsgevonden, noch dat de vader in dat gesprek zijn uitdrukkelijke toestemming voor definitieve vestiging in Nederland heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van toestemming van de man voor of overeenstemming tussen partijen over wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige van Bulgarije naar Nederland. Daarom dient de overbrenging en vasthouding van de minderjarige in Nederland aangemerkt te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarige in Nederland (6 oktober 2014) en het tijdstip van indiening van het verzoek (29 september 2015), komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarige in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook niet ingaan op de stelling van de moeder dat de minderjarige inmiddels is geworteld in Nederland.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren heeft toegestemd of berust.

De rechtbank is van oordeel dat uit de houding en/of gedragingen van de vader niet kan worden afgeleid dat hij heeft berust in definitief verblijf van de minderjarige in Nederland.

De rechtbank overweegt in dit verband dat berusting niet snel kan worden aangenomen. Om te beoordelen of er sprake is van berusting dienen alle concrete omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de vader heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van de minderjarige voortaan in Nederland zou zijn. Hierbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin, en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat. De rechtbank is van oordeel dat de moeder, mede in het licht van de betwisting door de vader, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de vader heeft berust in de overbrenging en achterhouding van de minderjarige in Nederland. Uit het feit dat de vader in Bulgarije geen juridische acties met betrekking tot kinderontvoering heeft ondernomen zoals het aanhangig maken van een procedure bij de Bulgaarse Centrale Autoriteit en/of het doen van aangifte bij de Bulgaarse politie, kan niet worden afgeleid dat sprake is van berusting. Dat de vader (pas) op 29 september 2015 een zelfstandig verzoek tot teruggeleiding heeft ingediend – wat volgens de moeder erg laat is, nu zij de procedure met betrekking tot wijziging van de omgang reeds in januari 2015 aanhangig heeft gemaakt – maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De vader heeft dit verzoek immers binnen de wettelijke termijn ingediend.

Hierbij overweegt de rechtbank nog dat in het midden kan blijven of de vader de minderjarige na 6 oktober 2014 in Nederland is komen bezoeken. Ook indien dit het geval zou zijn, kan hierin naar het oordeel van de rechtbank geen berusting als bedoeld in het Verdrag worden gezien.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling dat sprake is van een weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag niet voldoende heeft aangetoond.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder stelt dat de minderjarige na zijn terugkeer in Bulgarije zal worden blootgesteld aan geestelijk gevaar. De vader heeft de moeder zowel tijdens het huwelijk alsmede daarna bedreigd en mishandeld, waarvoor de vader in het verleden ook een contactverbod is opgelegd. Volgens de moeder is er geen enkele concrete maatregel aangegeven die de bescherming van de minderjarige tegen de eventuele agressie van de vader biedt.

De vader betwist dat hij de moeder ooit heeft mishandeld en dat hij een gevaar vormt voor de minderjarige.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet en overweegt daartoe het volgende.

Ter onderbouwing van haar stelling heeft de moeder verwezen naar het bevel van de kantonrechtbank te [plaats] van 28 november 2013 en naar de echtscheidingsbeschikking van de kantonrechtbank te [plaats] van 23 januari 2014. Hoewel uit het bevel van 28 november 2013 blijkt dat de vader een contactverbod is opgelegd in verband met huiselijk geweld tegenover de moeder en in de echtscheidingsbeschikking wordt vermeld dat dit tot de feitelijke scheiding van partijen heeft geleid, blijkt voorts dat dit contactverbod geen betrekking had op de minderjarige en dat er kennelijk geen aanleiding was voor het niet toestaan van contact tussen de vader en de minderjarige. Niet is gebleken dat de gestelde agressie van de vader zich ook richtte tegen de minderjarige en/of dat de minderjarige getuige is geweest van het huiselijk geweld. Er heeft in overleg tussen partijen omgang tussen de vader en de minderjarige plaatsgevonden en niet is gebleken dat dit schadelijk is geweest voor de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de moeder gelegen om haar beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag nader te onderbouwen, nu voormelde uitspraken onvoldoende steun bieden voor de stelling van de moeder dat de minderjarige door teruggeleiding naar Bulgarije in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat de moeder ter terechtzitting desgevraagd heeft aangegeven in het geval van een beslissing tot teruggeleiding terug te keren naar Bulgarije, waar zij nog een woning heeft, zodat de minderjarige ook bij een terugkeer bij de moeder kan blijven wonen.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a of artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en de in artikel 13 lid 2 van het Verdrag genoemde weigeringsgrond evenmin aan de orde is, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

De rechtbank zal – ondanks het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet – bepalen dat afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt. Gelet op het doel en de strekking van het Verdrag, inhoudende dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst opdat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen, zal de rechtbank de teruggeleiding van de minderjarige dan ook bevelen op de na te melden wijze.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarige een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 23 december 2015, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Rechtsmacht wijziging omgangsregeling

Ingevolge artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: Brussel II-bis) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. In geval van ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind blijft op grond van artikel 10 Brussel II-bis het gerecht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had bevoegd.

Nu er sprake is van ongeoorloofde overbrenging en achterhouding in Nederland is de rechtbank in Bulgarije – als gerecht van de lidstaat waar de minderjarige onmiddellijk voor het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had – bevoegd om over de minderjarige te beslissen, zowel als het gaat om een eventueel verzoek tot permanente vestiging in Nederland als op het verzoek met betrekking tot wijziging van de omgangsregeling. Gelet op het voorgaande is de rechtbank Den Haag niet bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

KAls er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

osten(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

De vader heeft verzocht om de moeder te veroordelen in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, alsmede in de kosten van deze procedure. De rechtbank zal – afwijkend van het bepaalde in artikel 13 lid 5 Uitvoeringswet – dit verzoek van de vader afwijzen bij gebreke van een concrete onderbouwing van die kosten. Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Bulgarije,

naar Bulgarije uiterlijk op 23 december 2015, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Bulgarije en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Bulgarije, dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 23 december 2015, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Bulgarije;

verklaart zich onbevoegd om van het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling kennis te nemen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, H. Dragtsma en A.M.A. Keulen, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2015.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.