Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14365

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
(09/842489-14) ,(09/767038-14 en 09/767313-14),(09/767174-13 en 09/765004-15), (09/767146-14), (09/767256-14), (09767238-14 en 09/827053-15), (09/767237-14), (09/765002-15), (09/767077-14)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[De Engelse vertaling is beschikbaar via ECLI:NL:RBDHA:2015:16102]

Tot 6 jaar celstraf voor deelnemers criminele terroristische organisatie

De rechtbank Den Haag heeft alle 9 verdachten – 8 mannen en 1 vrouw – in de zogenoemde Context-zaak veroordeeld tot celstraffen oplopend tot 6 jaar.

Criminele organisatie met terroristisch oogmerk

6 van de mannen zijn veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk. Ze krijgen hiervoor celstraffen variërend van 3 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk tot 6 jaar.

2 van de mannen zijn volgens de rechtbank meelopers. Een van hen wordt veroordeeld voor opruiing tot 43 dagen celstraf, plus 2 maanden voorwaardelijk. De ander die voor een zeer korte periode heeft deelgenomen aan een Syrisch trainingskamp krijgt 155 dagen celstraf, plus 6 maanden voorwaardelijk. De vrouw heeft geen deel uitgemaakt van de organisatie. Zij wordt veroordeeld voor één opruiende retweet tot 7 dagen celstraf.

Haagse ronselorganisatie

De rechtbank stelt voorop dat concrete gedragingen strafbaar zijn en niet het gedachtengoed van de verdachten. Volgens de rechtbank maken de 6 verdachten deel uit van een Haagse ronselorganisatie die zich bezighield met het opruien en ronselen en het faciliteren en financieren van jongeren die naar Syrië wilden afreizen om te gaan vechten. Van de 6 mannen nemen 2 tot op heden deel aan de gewapende strijd in Syrië, een 3e man is daarvan teruggekeerd in Nederland.

Aan 2 van de mannen zijn hogere straffen opgelegd dan door het Openbaar Ministerie (OM) werd geëist. Een van de Syriëgangers kreeg dezelfde straf als geëist. De anderen kregen lagere straffen, omdat hun rol kleiner was dan door het OM werd gesteld en ze van een aantal feiten zijn vrijgesproken.

---

De uitspraak bevat overwegingen over rechtsmacht, rechercheren op het internet, het terroristisch oogmerk, voorbereidingshandelingen, opruiing, werven voor de gewapende strijd, training voor terrorisme en deelname aan een criminele (terroristische) organisatie, alsook overwegingen over enkele aspecten van het internationaal humanitair recht (het bestaan van een NIAC in Syrië, de status van buitenlandse strijders in internationaal recht en de toepasselijkheid van het EU Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding gedurende gewapende conflicten).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126j
Wetboek van Strafvordering 359a
Politiewet 2012
Politiewet 2012 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2015/139
NJFS 2016/14
Computerrecht 2016/47

Uitspraak

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: De beschuldigingen

Hoofdstuk 3: Rechtsmacht

Hoofdstuk 4: Het onderzoek

Hoofdstuk 5: Rechercheren op het internet (Facebook en Twitter)

Hoofdstuk 6: De ontwikkelingen in Syrië

Hoofdstuk 7: Het toepasselijk recht

Hoofdstuk 8: Terroristische misdrijven

Hoofdstuk 9: Overige niet-ontvankelijkheidsverweren

Hoofdstuk 10: Opvattingen van de verdachten over de gewapende jihadstrijd in Syrië

Hoofdstuk 11: Opruiing en verspreiding ter opruiing, het juridisch kader

Hoofdstuk 12: Opruiing en verspreiding ter opruiing zoals ten laste gelegd

Hoofdstuk 13: Werven voor de gewapende strijd, het juridisch kader

Hoofdstuk 14: Werven voor de gewapende strijd zoals ten laste gelegd

Hoofdstuk 15: Samenspanning tot, voorbereiding en bevordering van en deelneming aan training voor terroristische misdrijven, het juridisch kader

Hoofdstuk 16: Deelneming aan training voor terroristische misdrijven, zoals ten laste gelegd

Hoofdstuk 17: Samenspanning tot, voorbereiding en bevordering van en deelneming aan training voor terroristische misdrijven, zoals ten laste gelegd

Hoofdstuk 18: Deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie

Hoofdstuk 19: Overige feiten Azzedine C.

Hoofdstuk 20: Overige feiten Moussa L.

Hoofdstuk 21: Het bewezenverklaarde, de strafbaarheid daarvan en de strafbaarheid van de verdachten

Hoofdstuk 22: De strafoplegging

Hoofdstuk 23: De inbeslaggenomen voorwerpen

Hoofdstuk 24: De toepasselijke wetsartikelen

Hoofdstuk 25: De beslissing

1 Inleiding

1.1

Volgens veel verdachten staat in dit proces dé islam - of in elk geval hún islamitisch geloof - terecht. Ook de verdediging heeft in verschillende toonaarden aangevoerd dat dit proces neerkomt op criminalisering van een geloofsovertuiging. Niet de gedragingen van de verdachten, maar hun gedachtegoed wordt vervolgd en berecht, aldus de verdediging. En de mogelijk onwelgevallige uitingen die de verdachten hebben gedaan zouden geheel of althans voor een groot deel worden beschermd door het ook de verdachten toekomende recht op vrije meningsuiting. Deze verwijten geven de rechtbank aanleiding dit vonnis te beginnen met enkele algemene overwegingen over de vrijheid van denken en geloof, de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting.

1.2

Het recht van een ieder op vrijheid van gedachte, geweten en geloof is absoluut. Wat mensen denken en geloven, kan niet strafbaar zijn. Alleen gedragingen kunnen dat zijn, waaronder begrepen het doen van uitlatingen, het voeren van overleg, het maken van plannen of afspraken, en in een beperkt aantal gevallen het nalaten waar handelen geboden was.

1.3

De vrijheid van godsdienst omvat meer dan de vrijheid van geloven. Het is het recht van een ieder zijn godsdienst te belijden, individueel of in gemeenschap met anderen. Belijden houdt ook in het zich, alleen of in groepsverband, gedragen naar het aangehangen geloof. Daaronder vallen het onderhouden van religieuze geboden en voorschriften, het uiting geven aan de geloofsovertuiging in erediensten, het overdragen daarvan in onderwijs en opvoeding, het verkondigen van de geloofsovertuiging en het oprichten van organisaties met een godsdienstig doel.

1.4

De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is stevig verankerd in de Nederlandse (en Europese) rechtsorde. Deze vrijheid is een kostbaar bezit, juist omdat zij gelijkelijk geldt voor alle godsdiensten en levensovertuigingen. Zij geldt voor het christendom, het jodendom, het hindoeïsme, het boeddhisme, het humanisme en vanzelfsprekend ook voor de islam, in al haar stromingen, richtingen en variaties.

1.5

De vrijheid van meningsuiting vormt één van de fundamenten van onze democratische samenleving en is een voorwaarde voor vooruitgang van de samenleving en de ontwikkeling van elk mens. Een democratische samenleving kenmerkt zich door pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid en vergt daarom dat er ook ruimte is voor het uitdragen van informatie, denkbeelden en opvattingen die de Staat of een groot deel van de bevolking choqueren, kwetsen of verontrusten. Ook het recht op vrijheid van meningsuiting is stevig verankerd in de Nederlandse (en Europese) rechtsorde.

1.6

Aan de uitoefening van deze vrijheden kunnen beperkingen worden gesteld, onder meer ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of vanwege publieke belangen. Zo staat het bij voorbeeld niet vrij mensen te beledigen of te bedreigen, in het openbaar aan te zetten tot discriminatie van of haat of geweld tegen mensen vanwege onder meer hun ras, godsdienst of seksuele gerichtheid, of in het openbaar op te ruien tot het plegen van strafbare feiten. Deze beperkingen moeten echter wel altijd (i) bij wet zijn voorzien, (ii) een geoorloofd doel dienen en (iii) noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.

1.7

De rechtbank zal dit toetsingskader later in dit vonnis nader uitwerken en op basis daarvan oordelen of aan zes van de verdachten verweten uitingen opruiend en dus strafbaar zijn. Zij wil er echter nu reeds geen misverstand over laten bestaan dat niet strafbaar zijn:

  • -

    i) het bijeenkomen om de Koran te bestuderen of zich te verdiepen in de islam of bepaalde richtingen binnen de islam, waar onder de salafistische;

  • -

    ii) het doen van da’wah – da’wah is het uitnodigen tot de islam –, of dit nu gebeurt in besloten ruimtes, op straat of op het internet;

  • -

    iii) het organiseren van en meedoen aan demonstraties, of daarin nu aandacht wordt gevraagd voor de positie van islamitische gedetineerden of geprotesteerd wordt tegen de onderdrukking van het Syrische volk door Assad, de vertoning van een film of tegen voorgenomen maatregelen betreffende het dragen van gezichtsbedekkende kleding;

  • -

    iv) het inzamelen van geld of goederen voor humanitaire hulp aan de slachtoffers van het geweld in Syrië;

  • -

    v) het ageren tegen de buitenlandse politiek van het Westen of Nederland, of dat nu gaat over Syrië of Israël en Palestina, en of dat nu gebeurt in klassieke media, op sociale media of middels demonstraties;

  • -

    vi) het op dezelfde wijze ageren tegen de democratie als regeringsvorm en kritiek uiten op de wijze waarop daaraan in Nederland vorm wordt gegeven;

  • -

    vii) het openlijk sympathiseren met de doelen en daden van terroristische organisaties, zoals IS en al-Qaeda, ook als dit gebeurt op tendentieuze websites.

Dat dit allemaal kan, mits uiteraard op vreedzame wijze en met respect voor de rechten en vrijheden van anderen, is één van de verworvenheden van de democratische rechtsstaat.

1.8

De rechtbank wil er echter ook geen enkel misverstand over laten bestaan dat het strafrecht, met inachtneming van de hierboven genoemde vrijheden, een beperkte, maar belangrijke rol heeft bij het tegengaan van terrorisme. Terrorisme geldt internationaal als een van de ergste misdrijven en op alle staten rust de verplichting dit te bestrijden. Het strafrecht heeft daarbij een functie in zowel het zo veel mogelijk voorkomen van daden van terrorisme als in de vervolging en berechting daarvan.

1.9

Vanwege dat eerste (het voorkomen van terrorisme) is het bereik van het strafrecht in de afgelopen ruim tien jaren aanzienlijk uitgebreid, met name door de inwerkingtreding op 10 augustus 2004 van de Wet terroristische misdrijven. Deze wet gaf uitvoering aan het Kaderbesluit terrorismebestrijding van de Europese Unie van 13 juni 2002, waarin de lidstaten verplicht werden onder meer de rechtsmacht ter zake van misdrijven die gepleegd worden met een terroristisch oogmerk uit te breiden en deze misdrijven en enkele misdrijven die gepleegd worden met het oog op een voorgenomen terroristisch misdrijf met hogere straffen te bedreigen. Nederland heeft in de Wet terroristische misdrijven een ruime invulling gegeven aan dit Kaderbesluit. Zo werd samenspanning tot bepaalde ernstige terroristische misdrijven strafbaar gesteld en werd de strafbaarstelling van de voorbereiding of bevordering daarvan ruim geformuleerd. In deze wet werd ook strafbaar gesteld deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen. Deelneming daaraan werd met een hogere straf bedreigd dan deelneming aan een ‘gewone’ criminele organisatie. Deze wet voorzag ook in een artikel dat het werven voor de gewapende strijd strafbaar stelt en de strafbedreiging daarvoor verhoogd indien deze strijd het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt. In de wet werd bovendien de strafbedreiging op opruiing verhoogd in het geval wordt opgeruid tot een terroristisch misdrijf. In latere wetgeving werd het bereik van het strafrecht verder uitgebreid door de strafbaarstelling van deelneming en medewerking aan training voor terrorisme en de financiering van terrorisme.

1.10

Op deze wijze heeft de wetgever ruim baan willen geven aan het bestrijden van terreur.
Ontegenzeggelijk heeft de strafbaarstelling van handelingen in de voorfase het strafrecht een meer instrumenteel karakter gegeven. De rechter heeft zich uiteraard naar deze keuze van de wetgever te richten. Uitgangspunt is echter wel gebleven dat nog steeds alleen daden strafbaar zijn gesteld.

1.11

De rechtbank benadrukt hier dat in dit proces geen gebruik is gemaakt van bijzondere strafprocessuele bepalingen in verband met terrorisme. De verdachten en de verdediging hebben gebruik kunnen maken van alle hen in een ‘gewoon’ strafproces toekomende rechten. En de rechtbank zal op dezelfde wijze en naar dezelfde maatstaven als in een ‘gewoon’ strafproces tot haar oordeel komen. Net als in elk ander proces zal zij op basis van de tenlasteleggingen beoordelen of de Nederlandse strafwet van toepassing is, of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, of er wettig en overtuigend bewijs is dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd en de vraag beantwoorden of er sprake is van een strafuitsluitingsgrond.

1.12

De rechtbank merkt ten slotte in dit inleidend hoofdstuk op dat er geen enkele aanwijzing is dat de in Nederland woonachtige verdachten enig voornemen hadden tot het plegen van een terroristische daad in Nederland of daartoe hebben opgeruid. Zij benadrukt echter ook dat op Nederland de verplichting rust terrorisme, waar ook ter wereld, te bestrijden en maatregelen te nemen om de stroom in te dammen van Nederlandse (jonge) moslims die in Syrië willen gaan deelnemen aan de gewapende jihadstrijd.

2 De beschuldigingen

2.1

Wat de verdachten wordt verweten is omschreven in de (gewijzigde) tenlasteleggingen, welke als bijlagen A 1 t/m 12 onderdeel uitmaken van dit vonnis. De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer:

Ten aanzien van Imane B.(09/842489-14)

Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het (mede)beheren van en/of plaatsen van berichten, afbeeldingen e.d. op Facebookpagina’s en/of een Twitteraccount en/of

 Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten, afbeeldingen e.d.;

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Oussama C. (09/767038-14 en 09/767313-14)

 Het werven voor de gewapende jihadstrijd van vijf met name genoemde personen;

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het geven van lezingen en/of het plaatsen van berichten op social media en/of het maken van films en geluidsfragmenten en het plaatsen daarvan op websites, waaronder het kanaal Nusrah bil-Jihaad op Youtube en/of op andere social media en/of

 Verspreiding van deze zelfde opruiende lezingen, berichten, films e.d., alsmede het ter verspreiding in voorraad hebben van andere opruiende bestanden;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Azzedine C. (09/767174-13 en 09/765004-15)

 Het werven voor de gewapende jihadstrijd van zes met name genoemde personen;

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het (mede)beheren van websites, waaronder www.dewarereligie.nl, en het plaatsen van lezingen, artikelen en berichten daarop en/of het (mede)beheren van en/of uitzenden op Radio Ghurabaa van lezingen en liederen en/of het maken van filmpjes en het plaatsen daarvan op Youtube en/of het plaatsen van berichten en filmpjes op diverse social media, zoals Twitter en Facebook en/of het organiseren en/of bijwonen van demonstraties en/of

 Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten, films e.d., alsmede het ter verspreiding in voorraad hebben van andere opruiende bestanden;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

 Aanzetten tot haat en/of discriminatie van en/of gewelddadig optreden tegen mensen van Joodse komaf, vanwege hun ras en/of godsdienst en/of

 Belediging van mensen van Joodse komaf, vanwege hun ras en/of godsdienst;

 Smaadschrift jegens een ambtenaar.

Ten aanzien van Rudolph H. (09/767146-14)

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het (mede) beheren van websites, waaronder www.dewarereligie.nl, en het plaatsen van lezingen, artikelen en berichten daarop en/of het (mede)beheren van en/of uitzenden op Radio Ghurabaa van lezingen en liederen en/of het maken van filmpjes en het plaatsen daarvan op Youtube en/of het plaatsen van berichten en filmpjes op diverse andere social media, zoals Twitter en Facebook en/of het organiseren en/of bijwonen van demonstraties en/of

 Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten, films e.d. alsmede het ter verspreiding in voorraad hebben van andere opruiende bestanden;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Jordi de J. (09/767256-14)

 Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Moussa L. (09767238-14 en 09/827053-15)

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en/of filmpjes op social media, zoals Twitter en Facebook en/of het maken van en/of deelnemen in filmpjes en het plaatsen daarvan op Youtube en/of

 Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten en filmpjes;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

 Belediging van twee politieambtenaren;

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en/of afbeeldingen op Twitter;

 Bedreiging subsidiair belediging van een politieambtenaar.

Ten aanzien van Hicham el O. (09/767237-14)

 Samenspanning tot en/of

 Voorbereiding dan wel bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en/of doodslag met een terroristisch oogmerk en/of het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk en/of

 Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristische misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Hatim R. (09/765002-15)

 Samenspanning tot en/of

 Voorbereiding dan wel bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en/of doodslag met een terroristisch oogmerk en/of het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk en/of

 Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en foto’s op Facebook en Twitter en/of

 Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten en foto’s;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Anis Z. (09/767077-14)

 Samenspanning tot en/of

 Voorbereiding dan wel bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en/of doodslag met een terroristisch oogmerk en/of het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk en/of

 Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Rechtsmacht

3.1

Alle verdachten worden ervan beschuldigd deel te hebben uitgemaakt van een (terroristische) criminele organisatie. De tenlasteleggingen noemen als pleegplaatsen daarvan steeds “Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië”.

3.2

De verdediging van de verdachten Imane B., Oussama C. en Moussa L. heeft aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de in het buitenland te plegen misdrijven waarop deze organisatie volgens de tenlasteleggingen het oog heeft ook in Irak of Syrië strafbaar zijn. Daarmee is niet voldaan aan de in dit geval op grond van artikel 5, lid 1 onder 2 Sr (oud) voor het aannemen van Nederlandse rechtsmacht vereiste dubbele strafbaarheid. En dit heeft, aldus de verdediging, tot gevolg dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van deze ‘buitenlandse’ feiten niet-ontvankelijk is.

3.3

Aan de verdachten Hicham el O., Hatim R. en Anis Z. wordt onder meer verweten samenspanning tot moord en het teweegbrengen van ontploffingen, telkens met een terroristisch oogmerk. Volgens de tenlasteleggingen zou Hicham el O. zich hieraan hebben schuldig gemaakt “te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Syrië en/of te Jemen en/of te Irak”, Hatim R. “te Nederland en/of te Syrië en/of te Irak” en Anis Z. “te Nederland en/of te België en/of te Turkije en/of te Syrië en/of te Irak”. Op vragen van de rechtbank (direct na de pleidooien) hebben de officieren van justitie bij repliek1 aangegeven dat zij bij elk van deze verdachten samenspanning alleen bewezen achten op momenten dat zij zich in juli 2013 in Syrië bevonden. De rechtbank heeft daarop het Openbaar Ministerie en de verdediging geattendeerd op de op 1 juli 2014 in werking getreden herziene regeling van de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet, in het bijzonder het nieuwe artikel 6 Sr en artikel 4, tweede lid van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (Stb. 2014, 47) (hierna: het besluit). Het Openbaar Ministerie heeft hierop gereageerd met een notitie, waarin wordt betoogd dat voor de hier bedoelde misdrijven rechtsmacht bestaat omdat (i) artikel 4, lid 2 van het besluit terugwerkende kracht heeft en (ii) sprake is van dubbele strafbaarheid omdat uit overgelegde wetsteksten blijkt dat samenspanning tot het plegen van terroristische misdrijven ook in Syrië strafbaar is. De raadslieden van Imane B., Oussama C. en Moussa L. en de raadsvrouw van Hicham el O. hebben zich vervolgens bij dupliek nog uitgelaten over de rechtsmacht.

3.4

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

3.5

De aanwezigheid van rechtsmacht moet in beginsel worden beoordeeld op basis van de tenlastelegging zonder te kijken of het tenlastegelegde kan worden bewezen. Indien evenwel na beantwoording van de bewijsvraag blijkt dat er geen aanknopingspunt is voor rechtsmacht van Nederland, dient het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.2

3.6

Artikel 2 Sr bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Naar vaste rechtspraak is indien een feit zowel in Nederland als in het buitenland wordt gepleegd vervolging ook mogelijk ‘ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden’.3 Hierop stuit het hierboven onder 3.2 beschreven verweer af.

3.7

Op grond van artikel 6 Sr in samenhang met artikel 4, lid 2 van het besluit is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf. Wat onder terroristisch misdrijf wordt verstaan is bepaald in artikel 83 Sr. Onder meer samenspanning tot moord met een terroristisch oogmerk en samenspanning tot het teweegbrengen van een ontploffing met een terroristisch oogmerk zijn zulke misdrijven.4

3.8

Deze bepalingen zijn in werking getreden op 1 juli 2014. De vraag die daarom voorligt is of deze ook van toepassing zijn indien de tenlastegelegde feiten voor die datum in het buitenland zijn gepleegd. Beantwoording van die vraag is met name van belang in de zaken tegen Hicham el O., Hatim R. en Anis Z. omdat de rechtbank bij een ontkennend antwoord het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal moeten verklaren in de vervolging ter zake samenspanning tot moord en samenspanning tot het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk, indien zij met het Openbaar Ministerie tot het oordeel komt dat er geen bewijs is dat deze feiten ook in Nederland zijn gepleegd.

3.9

De mogelijkheden voor het toekennen van terugwerkende kracht aan strafrechtelijke bepalingen worden begrensd door het legaliteitsbeginsel.5 Daaruit vloeit voort dat aan bepalingen waarbij een handelen of nalaten strafbaar wordt gesteld nimmer terugwerkende kracht kan toekomen. Het verbod van terugwerkende kracht ten nadele van een verdachte geldt eveneens voor regels over de hoogte en soort van op te leggen straffen. Zo’n verbod op terugwerkende kracht geldt echter niet voor regels waarbij Nederland zijn rechtsmacht uitbreidt. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 21 oktober 2008 (NJ 2009, 108) uitdrukkelijk dat geen rechtsregel zich zou hebben verzet tegen toekenning van terugwerkende kracht aan een rechtsmachtsvoorziening voor de vervolging van genocide in de Wet internationale misdrijven en heeft de wetgever daarna in die wet alsnog met terugwerkende kracht een ruimere rechtsmacht voor de vervolging van dit misdrijf gevestigd.6 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wijziging van de Wet internationale misdrijven heeft geleid heeft de minister van justitie overigens wel benadrukt dat in het algemeen terughoudendheid in acht moet worden genomen bij het toekennen van terugwerkende kracht aan een regeling waarbij het rechtsmachtregime wordt gewijzigd7 en op een vraag vanuit de Tweede Kamer of dit slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden wenselijk is8 heeft hij geantwoord dat per geval bekeken moet worden of er bijzondere omstandigheden bestaan die het vestigen van rechtsmacht met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

3.10

Bij de herziening van de regels betreffende de extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen de uitoefening daarvan niet te beperken tot feiten die na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zouden plaatsvinden.9 Na een opmerking hierover in het advies van de Raad van State is in artikel IV van het betreffende wetsvoorstel de terugwerkende kracht van de artikelen 5, 7, lid 3 en 8c Sr beperkt.10 Hieruit kan, zoals het Openbaar Ministerie heeft gedaan, worden afgeleid dat daarentegen onbeperkt terugwerkende kracht toekomt aan het nieuwe artikel 6 Sr en het daarop gebaseerde artikel 4, lid 2 van het besluit.

3.11

Deze op zich juiste gevolgtrekking laat zich echter moeilijk rijmen met de mededeling in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat het voorgestelde nieuwe artikel 6, lid 1 Sr geen wijziging wil brengen in de reikwijdte van het op dat moment bestaande rechtsmachtregime.11 Ook in de nota van toelichting op het besluit is te lezen dat de mogelijkheden tot het uitoefenen van rechtsmacht op grond van artikel 6 Sr in verbinding met de bepalingen uit het besluit materieel ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van de mogelijkheden op grond van de oude regeling in het Wetboek van Strafrecht.

3.12

Dit brengt de rechtbank ertoe te onderzoeken welke mogelijkheden voor extraterritoriale rechtsmacht ten aanzien van terroristische misdrijven onder die oude regeling bestonden. Volgens de nota van toelichting bij het besluit komt wat nu bepaald wordt in artikel 4, lid 2 daarvan overeen met een onderdeel van het oude artikel 5a, lid 1 Sr. Naar het de rechtbank voor komt berust dit op een misverstand. Bedoeld artikel 5a , lid 1 Sr (oud) verklaarde de Nederlandse strafwet toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt aan een aantal vervolgens in dit artikel opgesomde misdrijven, waaronder terroristische misdrijven. Een soortgelijke bepaling bestond merkwaardig genoeg echter niet voor Nederlanders. De rechtsmacht ten aanzien van door Nederlanders in het buitenland gepleegde misdrijven was geregeld in artikel 5 Sr (oud). Daarin is bepaald dat de Nederlandse strafwet alleen toepasselijk is als het feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd ook strafbaar is in het land waarin het is gepleegd, behoudens de in dit artikel opgesomde misdrijven waarvoor die eis van dubbele strafbaarheid niet geldt. Daartoe behoren niet de terroristische misdrijven. Van belang in dit verband is ook nog artikel 4 Sr (oud) waarin de Nederlandse strafwet toepasselijk wordt verklaard op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan onder meer bepaalde terroristische misdrijven, maar alleen indien ‘hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt’12 dan wel terroristische misdrijven welke, kort gezegd, tegen Nederland zijn gericht.13 De rechtbank concludeert dan ook dat onder de oude regeling de Nederlandse strafwet wel toepasselijk is op de in Nederland woonachtige vreemdeling die in het buitenland een terroristisch misdrijf begaat dat Nederland niet rechtstreeks raakt, maar niet op de Nederlander die zich in het buitenland hieraan schuldig maakt, uiteraard tenzij wordt aangetoond dat dit in het land waarin het feit is begaan ook strafbaar is (hetgeen in de regel wel het geval zal zijn).

3.13

Artikel 9 lid 1, onder c van het Kaderbesluit van de Raad van Europese Unie inzake terrorismebestrijding d.d. 13 juni 2002 (PbEU L164) verplicht de lidstaten rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de eigen onderdanen of ingezetenen die de in het Kaderbesluit bedoelde strafbare feiten plegen. Blijkens de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet terroristische misdrijven14 heeft de wetgever voor de implementatie van deze verplichting geen wetswijziging noodzakelijk geacht voor onderdanen, omdat het bestaande artikel 5 Sr daarin voorzag, maar wel voor ingezetenen en daarom artikel 5a Sr aangepast15 Zoals de rechtbank hierboven heeft uiteengezet heeft dit erin geresulteerd dat de extraterritoriale rechtsmacht over terroristische misdrijven ruimer gevestigd is ten aanzien van in Nederland woonachtige vreemdelingen dan ten aanzien van Nederlanders. De parlementaire geschiedenis biedt geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de wetgever bewust dit onderscheid heeft willen maken.

3.14

Artikel 4, lid 2 van het besluit heeft een einde gemaakt aan dit onbedoelde en niet te rechtvaardigen onderscheid. De Nederlandse strafwet is nu gelijkelijk van toepassing op de Nederlander en op de hier woonachtige vreemdeling die in het buitenland een terroristische misdrijf pleegt, ongeacht of daarop in het betreffende land een straf is gesteld. De rechtbank acht het gerechtvaardigd aan deze bepaling terugwerkende kracht toe te kennen omdat (i) het hier gaat om de implementatie van een sinds 2002 bestaande verplichting krachtens een Kaderbesluit van de Europese Unie, (ii) de bepaling een onvolkomenheid in de implementatie van dit Kaderbesluit herstelt en (iii) de wetgever uitdrukkelijk terugwerkende kracht heeft willen verlenen aan het besluit.

3.15

De conclusie moet dus zijn dat rechtsmacht bestaat ten aanzien van a) strafbare feiten die in Nederland ofwel deels in Nederland en deels in het buitenland zijn gepleegd en b) terroristische misdrijven, waaronder samenspanning tot moord met een terroristisch oogmerk en samenspanning tot het teweegbrengen van een ontploffing met een terroristisch oogmerk, welke door Nederlanders en hier woonachtige vreemdelingen16 in het buitenland zijn gepleegd.

4 Het onderzoek

Het politieonderzoek

4.1

Het onderzoek Context is in april 2013 gestart naar aanleiding van diverse aangiftes van ronselen voor de gewapende strijd in Syrië. Het onderzoek richtte zich aanvankelijk op ronselen en het voorkomen van uitreizen naar Syrië. Er vertrokken echter steeds meer jongeren naar Syrië, vooral uit de regio Den Haag, om daar deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd. Naarmate het onderzoek vorderde, rees de verdenking dat er sprake was van een georganiseerd verband dat zich bezig hield met het aanzetten tot, bevorderen en voorbereiden van deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Gelet hierop werd het onderzoek uitgebreid naar diverse terroristische misdrijven.

4.2

Er kwamen in totaal zeventien verdachten in beeld gedurende het Context onderzoek.17 Daarvan zouden tien verdachten deel uitmaken van een criminele terroristische organisatie. Deze tien verdachten zijn vervolgens, gezien de samenhang van hun zaken, gedagvaard. De overige zeven verdachten wordt geen deelname aan een criminele terroristische organisatie verweten. Zij zijn volgens het Openbaar Ministerie afgereisd naar Syrië en zullen mogelijk in een later stadium worden vervolgd en berecht.18

4.3

Van de tien gedagvaarde verdachten zouden drie verdachten - Hatim R., Anis Z. en Soufiane Z. - zijn afgereisd naar Syrië en daar nu nog deelnemen aan de gewapende jihadstrijd. In de zaken tegen Hatim R. en Anis Z. is verstek verleend en de behandeling ter terechtzitting voortgezet buiten hun aanwezigheid.

4.4

De zaak tegen Soufiane Z. is een uitzonderlijke. Mr. B.TH. Nooitgedagt heeft zich op 6 januari 2015 gesteld als raadsman. Op 14 januari 2015 is aan verdachte een kennisgeving tot vervolging verzonden, met afschrift aan zijn raadsman. Voor de zitting van 19 februari 2015 verschenen berichten dat verdachte inmiddels zou zijn overleden. De raadsman verklaarde op de regiezittingen van 19 februari 2015 en 14 april 2015 uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te verdedigen. Op 6 oktober 2015 verklaarde hij daartoe niet langer gemachtigd te zijn, omdat bij hem geen enkele twijfel bestond dat de berichtgeving over het overlijden van zijn cliënt juist was. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie op 8 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat zij het zeer waarschijnlijk achtte dat verdachte was overleden.19 Het Gerechtshof Den Haag heeft dit vonnis op 11 november 2015 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank teneinde met inachtneming van het arrest recht te doen op de voorliggende tenlastelegging.20 Het hof overwoog dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de verdachte niet meer in leven zou zijn, zodat vooralsnog van het tegendeel moet worden uitgegaan. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak uiteindelijk op 24 november 2015 voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van nadere berichten over het al dan niet overlijden van verdachte.21 Zij overwoog dat voortzetting van het proces in afwezigheid van de verdachte, zonder een gemachtigde raadsman, in dit uitzonderlijke geval niet aan de eisen van een eerlijk proces zou voldoen. Bovendien zou, in geval van voortzetting van de zaak waarin de niet gemachtigde raadsman de mogelijkheid zou krijgen een (gemankeerde) verdediging te voeren, de kans op een “spookproces” onverminderd groot blijven omdat verdachte vermist is.

4.5

Dit vonnis wordt dus gewezen in de zaken tegen de overige negen verdachten. Het dossier tegen hen is als volgt opgebouwd. Het bestaat uit een algemeen dossier, een organisatie dossier, verdachtedossiers en zaaksdossiers toegespitst op elk van de verdachte afzonderlijk, methodiekendossiers en beslagdossiers.22 Dit gehele (digitale) dossier is verstrekt aan de raadslieden van de verschenen verdachten. Het inhoudelijke dossier beslaat ongeveer 17.000 pagina’s en de methodieken- en beslagdossiers beslaan ongeveer 6.500 pagina’s.

4.6

Gedurende het onderzoek werd samengewerkt met wijkagenten die de verdachten, vaak al vanaf de vroege jeugd, goed kenden. De verdachten zijn daarnaast geobserveerd, afgeluisterd en gevolgd op het internet. Het volgende hoofdstuk zal nader ingaan op het digitaal rechercheren, waarbij diverse websites, social media en mailaccounts van verdachten zijn veiliggesteld. Ook hebben huiszoekingen plaatsgevonden, waarbij onder andere telefoons, computers, tablets, vlaggen, boeken en geschriften in beslag zijn genomen. Daarnaast heeft de politie een groot aantal getuigen gehoord.

De voorlopige hechtenis

4.7

Het politieonderzoek heeft tot de volgende aanhoudingen en vrijheidsbenemende maatregelen geleid:

 Imane B.werd op 2 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 5 september 2014 heeft de rechter-commissaris haar inbewaringstelling bevolen. Op 12 september 2014 heeft de officier van justitie haar op vrije voeten gesteld;

 Oussama C. werd op 24 juni 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Hij werd op 27 juni 2014 in bewaring gesteld en op 9 juli 2014 werd zijn gevangenhouding bevolen. Op 6 oktober 2015 heeft de rechtbank zijn voorlopige hechtenis geschorst tot aan de dag van de uitspraak;

 Azzedine C. werd op 2 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 5 september 2014 is hij in bewaring gesteld. Hij bevindt zich sindsdien in voorlopige hechtenis;

 Rudolph H. is op 27 augustus 2014 aangehouden en op 28 augustus 2014 in verzekering gesteld. Hij werd op 29 augustus 2014 in bewaring gesteld en op 10 september 2014 werd zijn gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft op 22 september 2015 zijn voorlopige hechtenis geschorst tot aan de dag van de uitspraak;

 Jordi de J. werd op 30 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 3 oktober 2014 werd zijn bewaring bevolen. Op 16 oktober 2014 werd zijn gevangenhouding bevolen en geschorst door de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank. Deze schorsing van de voorlopige hechtenis werd op 3 februari 2015 door dezelfde raadkamer opgeheven omdat Jordi de J. zich niet aan de gestelde voorwaarden had gehouden. De voorlopige hechtenis werd op 22 juni 2015 wederom geschorst, dit keer door de raadkamer gevangenhouding van het gerechtshof;

 Moussa L. is op 7 oktober 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Zijn bewaring werd op
10 oktober 2014 bevolen en nadien ook zijn gevangenhouding. De voorlopige hechtenis is op
23 oktober 2014 geschorst door de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank. Deze schorsing werd op 9 januari 2015 door dezelfde raadkamer opgeheven omdat Moussa L. zich niet aan de gestelde voorwaarden had gehouden. Op 5 februari 2015 heeft de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank de voorlopige hechtenis wederom geschorst;

 Hicham el O. werd op 2 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Zijn bewaring werd op 5 september 2014 bevolen en zijn gevangenhouding op 17 september 2014. De rechtbank heeft op 4 december 2014 zijn voorlopige hechtenis geschorst tot aan de dag van de uitspraak;

 De rechtbank beval op respectievelijk 19 februari 2015 en 29 juni 2015 de gevangenneming ter terechtzitting van de niet verschenen Anis Z. en Hatim R..

4.8

Verdachten hebben hun voorlopige hechtenis moeten ondergaan op de Terroristten Afdelingen van de PI De Schie en de PI Vught (hierna: TA). Dit vloeit voort uit de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden waarin is bepaald dat in beginsel iedereen die wordt verdacht van of veroordeeld is voor terroristische misdrijven wordt geplaatst op een daarvoor speciaal bestemde TA met een zeer strikt regime.23 Gedurende de terechtzittingen hebben de verdachten en hun raadslieden bij herhaling zowel deze automatische plaatsing als de zwaarte van het regime bekritiseerd, in het bijzonder de visitaties waaraan de verdachten telkenmale worden onderworpen. Na enkele maanden hebben de raadslieden deze gang van zaken – tot nu toe zonder succes – aangevochten bij de selectiefunctionaris, de klachtencommissie en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.

4.9

De rechtbank heeft steeds benadrukt dat zij oog heeft voor deze bezwaren, maar niet in de positie is de beleidsregel opzij te zetten dan wel aanwijzingen te geven betreffende het detentieregime. Wel heeft zij het Openbaar Ministerie verzocht na te gaan of aan de bezwaren van de verdachten zo veel mogelijk kon worden tegemoet gekomen. Ook het Openbaar Ministerie heeft er blijk van gegeven begrip te hebben voor de bezwaren van de verdachten, met name voor wat betreft de visitaties. Maar ook het Openbaar Ministerie is niet in de positie om de beleidsregels te veranderen en evenmin verantwoordelijk voor het regime dat in een TA geldt. Mede op aandringen van het Openbaar Ministerie heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een werkgroep in het leven geroepen om onderzoek te doen naar deze problematiek en - zo mogelijk - gelijkwaardige alternatieven en oplossingen aan te dragen. Inmiddels heeft de Staatssecretaris bij brief d.d. 3 juli 2015 de Tweede Kamer laten weten dat hij het noodzakelijk vindt om meer maatwerk mogelijk te maken dan thans het geval is.24

4.10

De rechtbank merkt hierbij wel op dat (strakke handhaving van) de regels ten aanzien van gedetineerden op een TA geen schending oplevert van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank voegt hier aan toe dat de duur en de zwaarte van de detentie wel factoren zijn die een rol spelen bij de afweging tussen enerzijds de persoonlijke belangen van verdachten en anderzijds het strafvorderlijk belang.

Het onderzoek door de rechter-commissaris

4.11

De rechtbank heeft de regie van het onderzoek door de rechter-commissaris aan de rechter-commissaris overgelaten. Het onderzoek werd daartoe telkens (open) terugverwezen naar de rechter-commissaris ter verrichting van datgene wat deze in het belang van het onderzoek noodzakelijk of anderszins nuttig en wenselijk achtte. De rechtbank fungeerde hierbij als een beroepsinstantie, welke besliste over door de rechter-commissaris afgewezen en niettemin bij de verdediging nog bestaande onderzoekswensen.

4.12

De rechter-commissaris heeft in alle zaken ruim 50 getuigen in Nederland en Engeland gehoord. De raadslieden zijn in de gelegenheid gesteld om bij al deze verhoren aanwezig te zijn. De rechtbank zal in hoofdstuk 14 nader ingaan op Getuige 1, die zowel door de rechter-commissaris als de rechtbank ter terechtzitting is gehoord.

4.13

Door enkele raadslieden is verzocht om een reeks getuigen te horen die op dat moment in Syrië verbleven. Deze verzoeken zijn door de rechter-commissaris toegewezen. De rechter-commissaris achtte het echter praktisch onmogelijk deze getuigen te horen. De verdediging heeft de rechtbank vervolgens verzocht de rechter-commissaris opdracht te geven om hier meer moeite voor te doen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat zij het illusoir achtte dat de getuigen, die zich naar alle waarschijnlijkheid in een oorlogsgebied bevinden, zouden kunnen worden gehoord en er geen garanties waren dat een televerhoor op een verantwoorde wijze zou kunnen plaatsvinden. De rechter-commissaris kon ook drie toegewezen en in België woonachtige getuigen niet horen, te weten Getuige 2, Getuige 3 en Getuige 4. Getuige 2 weigerde mee te werken aan een verhoor, Getuige 4 werd niet aangetroffen op het in België bekende adres en Getuige 3 kon door de Belgische autoriteiten niet worden opgeroepen voor verhoor.

De (getuige-)deskundigen

4.14

Dr. Martijn de Koning, cultureel antropoloog, is in deze zaak benoemd als deskundige en gehoord als getuige. Hij heeft gepubliceerd over activisme onder moslims, salafistische moslims in Nederland, islamofobie en het beleid aangaande moslims en islam. Hij onderzocht hoe in de periode 2009-2013 het activisme van verschillende da’wah-netwerken in Nederland, waar een aantal verdachten een belangrijke rol in speelden, zich verhield tot de aandacht en de praktijken van overheid en media. Gedurende het onderzoek werd gebruik gemaakt van interviews, offline en online observaties, Facebookdiscussies en chats en talloze informele gesprekken met activisten en andere betrokkenen. De Koning trok in het kader van zijn onderzoek zoveel mogelijk op met de activisten, waaronder een aantal verdachten, en onderhield goede zakelijke contacten met hen. Het onderzoek resulteerde in het rapport ‘Eilanden in een zee van ongeloof’, dat werd gepubliceerd in december 2014. De Koning heeft naar aanleiding van vragen van de raadslieden in mei 2015 een uitgebreide toelichting op dit onderzoek geschreven. Vervolgens is hij gedurende twee volle dagen door de rechter-commissaris verhoord. Ook zijn verhoor ter terechtzitting nam twee volle dagen in beslag.

4.15

De rechtbank beschouwt De Koning als een buitengewoon waardevolle getuige-deskundige. Hij is vanwege zijn beroep een professionele waarnemer, beschikt over een grote kennis van stromingen binnen de islam, meer in het bijzonder het salafisme, en stond gedurende een lange periode in nauw contact met veel verdachten. Hij heeft de rechtbank dan ook veel over hen en hun gedachtegoed kunnen vertellen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan zijn deskundigheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank dat er geen aanwijzingen zijn dat een te geringe distantie tussen hem en de verdachten afbreuk zou hebben gedaan aan de waarde van zijn waarnemingen en verklaringen. Als getuige heeft hij alle vragen over de verdachten beantwoord. Dit laat uiteraard oververlet dat ook hij niet alles over de verdachten heeft geweten. De rechtbank merkt verder op dat De Koning geen strafrechtdeskundige is en dat daarom slechts beperkte betekenis toekomt aan zijn oordelen over het mogelijk opruiend karakter van bepaalde uitlatingen van verdachten.

4.16

Daarnaast is prof. dr. Peters, emeritus hoogleraar voor het recht van de islam en het Midden-Oosten, op vordering van het Openbaar Ministerie in een laat stadium door de rechter-commissaris als deskundige benoemd. Hem is gevraagd zich uit te laten over al dan niet opruiende teksten, afbeeldingen en films van verdachten. Hierover heeft hij in korte tijd twee rapporten geschreven. Ook prof. dr. Peters is door de rechtbank ter terechtzitting gehoord. De rechtbank stelt vast dat Peters deskundig is op het gebied van de islam en dat hem gevraagd is vanuit die expertise bepaalde uitlatingen van verdachten te duiden. Hij is echter geen expert op het gebied van (de EVRM-jurisprudentie betreffende) uitingsdelicten.

4.17

Tot slot is em. prof. dr. Van Koningsveld, islamoloog, benoemd als deskundige. Hij heeft een kort en helder rapport geschreven naar aanleiding van vragen van enkele raadslieden.

Het onderzoek ter terechtzitting

4.18

Pro-forma zittingen vonden plaats op 29 september 2014 (in de zaak tegen Oussama C. ),

1 december 2014 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H. en Hicham el O.), 19 februari 2015 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H., Anis Z. en Hatim R.), 14 april 2015 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H., Jordi de J. en Hatim R.) en 29 juni 2015 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H., Jordi de J. en Hatim R.).

4.19

De inhoudelijke behandeling heeft gedurende tien weken plaatsgevonden op (vrijwel) elke maandag, dinsdag en donderdag. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van:

 7, 8 7, 8 en 10 september 2015: verhoor (getuige-)deskundigen De Koning en Peters

 7, 8 14 en 15 september 2015 en 8 oktober 2015: verhoor Rudolph H.

 7, 8 17 september 2015: verhoor Hicham el O. en verhoor Getuige 1

 7, 8 21, 22, 24 en 28 september 2015: verhoor Azzedine C.

 7, 8 29 september 2015 en 1 en 5 oktober 2015: verhoor Oussama C.

 7, 8 5 oktober 2015: verhoor Imane B.

 7, 8 6 oktober 2015: behandeling Anis Z. en Hatim R.

 7, 8 8 oktober 2015: verhoor Moussa L.

 7, 8 15 oktober 2015: verhoor Jordi de J. (deels achter gesloten deuren)

 7, 8 19 en 20 oktober 2015: requisitoir Openbaar Ministerie

 7, 8 26, 27 en 29 oktober 2015 en 2 november 2015: pleidooien raadslieden

 7, 8 6 november 2015: repliek Openbaar Ministerie

 7, 8 10 november 2015: dupliek raadslieden en laatste woord van de verdachten

 7, 8 26 november 2015: formele sluiting van het onderzoek

4.20

De zaken zijn niet gevoegd behandeld. De behandeling vond deels gelijktijdig (gedurende de verhoren van De Koning en Peters, het requisitoir en de repliek) en deels apart (gedurende de verhoren van de verdachten afzonderlijk, de pleidooien en de duplieken) plaats. Het verhoor van de Getuige 1 vond gelijktijdig plaats in de zaken van de verdachten Azzedine C. , Oussama C. en Jordi de J.. De raadslieden zijn in de gelegenheid gesteld om aanwezig te zijn bij de verhoren van alle verdachten. Ook hebben zij zich in hun eigen pleidooi kunnen aansluiten bij de pleidooien van de andere raadslieden. Voor een spoedige behandeling hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging op verzoek van de rechtbank niet letterlijk geciteerd uit jurisprudentie en literatuur, maar daarnaar zoveel mogelijk verwezen of deze opgenomen in bijlagen.

4.21

Voorafgaand aan deze zittingen is geregeld gebruik gemaakt van correspondentie per mail voor een snelle uitwisseling van stukken en standpunten. Daarbij heeft regelmatig informeel

(agenda-)overleg plaatsgevonden tussen de voorzitter, vergezeld door een van de griffiers, de officieren van justitie en de raadslieden. Alle partijen zijn telkens op de hoogte gebracht van de inhoud van dit overleg. Deze gang van zaken heeft bijgedragen aan een efficiënte behandeling ter terechtzitting.

4.22

De verdachten Azzedine C. , Rudolph H. en Oussama C. hebben voorafgaand aan hun verhoor uitgebreide schriftelijke stukken ingediend met hun zienswijze op het dossier. Azzedine C. en Rudolph H. hebben bovendien na het requisitoir daarop uitgebreid schriftelijk gereageerd. De stukken van Azzedine C. bedroegen tezamen ongeveer 400 pagina’s, het stuk van Rudolph H. ruim 600 pagina’s en het stuk van Oussama C. 50 pagina’s. De rechtbank heeft deze stukken in alle strafdossiers gevoegd.

De strafeisen van het Openbaar Ministerie

4.23

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat aan verdachten de volgende gevangenisstraffen zullen worden opgelegd, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

4.24

De officieren van justitie hebben ten aanzien van Imane B. gevorderd een bewezenverklaring van veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie eisen, gezien haar grote rol in de opruiing, maar haar kleinere rol in de organisatie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren, alsmede een bevel gevangenneming bij einduitspraak.

4.25

De officieren van justitie achten bewezen dat Oussama C. zich schuldig heeft gemaakt aan het ronselen van één persoon, veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk, het in voorraad hebben van materiaal ten behoeve van opruiing met terroristisch oogmerk en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie vorderen, gezien zijn substantiële rol als ideologische motor in de organisatie, het feit dat hij minder lang heeft deelgenomen aan de organisatie en zijn relatief jonge leeftijd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren.

4.26

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat Azzedine C. heeft begaan: veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk, het in voorraad hebben van materiaal dat opruiing met terroristisch oogmerk tot doel had, haatzaaiing jegens cq. belediging van een bevolkingsgroep, smaadschrift jegens een politieambtenaar en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Volgens het Openbaar Ministerie was Azzedine C. leider van de organisatie, vervulde hij een aanjagende rol en was hij bij de meeste activiteiten betrokken (al dan niet als initiatiefnemer). De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren zal worden opgelegd.

4.27

De officieren van justitie komen voor Rudolph H. tot een bewezenverklaring van veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk, het in voorraad hebben van materiaal dat opruiing met terroristisch oogmerk tot doel had en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Het Openbaar Ministerie heeft, gelet op zijn centrale rol in de opruiing en langdurige deelname aan de organisatie,

geconcludeerd tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren.

4.28

Bij verdachte Jordi de J. komen de officieren van justitie tot een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven ex art 134a Sr en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Volgens de officieren van justitie heeft Jordi de J. gedurende twee kortere periodes deelgenomen aan de organisatie, is hij daadwerkelijk afgereisd naar het strijdgebied om zichzelf te trainen voor de strijd, neemt hij hierover een leugenachtige houding aan op zitting en is hij verminderd toerekeningsvatbaar. Zij vorderen de gevangenisstraf voor een aanzienlijk deel voorwaardelijk op te leggen, mede omdat op deze wijze uitvoering kan worden gegeven aan het uitgebreide behandelplan van de reclassering. Zij concluderen tot een gevangenisstraf van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en het NIFP, alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak.

4.29

De officieren van justitie achten bewezen dat Moussa L. zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing met terroristisch oogmerk, bedreiging van een verbalisant, belediging van twee verbalisanten en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie wijzen erop dat Moussa L. een lange periode in een meelopersrol heeft deelgenomen aan de organisatie. Zij vinden de boosheid van Moussa L. zeer zorgwekkend en hechten er daarom - ondanks dat dit niet is geadviseerd door de reclassering - grote waarde aan dat Moussa L. een behandeling krijgt voor het leren reguleren van zijn woede en daarbij begeleid zal worden door de reclassering. Zij vorderen

30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde het opvolgen van de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt behandeling voor eventuele regulering van woede en agressie, alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak.

4.30

De officieren van justitie komen bij Hicham el O. tot een bewezenverklaring van samenspanning tot en voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven en deelname aan de omschreven criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie concluderen, gezien zijn deelname aan de gewapende strijd, korte dienstbaarheid aan de organisatie als schakel tussen Nederland en Syrië en schofferende houding ter terechtzitting, tot een gevangenisstraf van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak.

4.31

De officieren van justitie achten bewezen dat Hatim R. zich schuldig heeft gemaakt aan samenspanning tot en voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven, opruiing met terroristisch oogmerk en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie vorderen, gelet op zijn langdurige periode van deelname aan de gewelddadige jihadstrijd, opruiing (ook tegen het Westen) en het feit hij een belangrijke schakel is geweest in de organisatie tussen Syrië en Nederland, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren.

4.32

De officieren van justitie hebben ten aanzien van Anis Z. gevorderd een bewezenverklaring van samenspanning tot en voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Volgens de officieren van justitie heeft hij gedurende een langdurige periode deelgenomen aan de gewelddadige jihadstrijd, ook binnen de ten laste gelegde periode, en gedurende een kortere periode een beperktere rol in de organisatie gespeeld. Zij concluderen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren.

5 Rechercheren op het internet (Facebook en Twitter)
Inleiding

5.1

Facebook is een sociaal netwerk op het internet. Een gebruiker van Facebook kan op zijn account (ook wel pagina genoemd) informatie over zichzelf kwijt en hij of zij kan daarop berichten, foto’s en video’s plaatsen. De gebruiker kan ook de informatie die andere gebruikers van Facebook op hun accounts plaatsen, delen. Van de informatie op een (deels) openbare Facebookpagina kan iedereen kennis nemen, ook personen die zelf geen Facebookaccount hebben. De informatie op een (deels) besloten Facebookpagina is alleen toegankelijk voor personen die zelf ook een Facebookaccount hebben en die een verzoek van de gebruiker van die pagina om ‘vriend’ te worden hebben geaccepteerd of die, na een eigen verzoek aan die gebruiker om ‘vriend’ te mogen worden, als zodanig zijn ‘toegelaten’. Voor gebruikers van Facebook is zichtbaar of een Facebookpagina, of een deel daarvan, besloten is. Als een Facebookpagina (deels) geheim is, is de informatie op die pagina alleen toegankelijk voor personen die door de gebruiker/beheerder van die pagina zijn benaderd en die zijn ingegaan op een verzoek van die gebruiker/beheerder om ‘vriend’ te worden. Het bestaan van een (deels) geheime Facebookpagina is voor gebruikers van Facebook (die geen ‘vriend’ zijn van die pagina) niet zichtbaar.

5.2

Twitter is een communicatiemedium op het internet. Gebruikers kunnen met gebruikmaking van een eigen account per bericht (‘tweet’) van maximaal 140 tekens aan de wereld kwijt wat ze bezig houdt, wat hen is opgevallen en ze kunnen feiten of nieuwsberichten delen. Gebruikers van Twitter kunnen ook berichten van anderen doorsturen (‘retweeten’). Het totaal van de door een gebruiker verstuurde en gedeelde berichten vormt een soort ‘mini-blog’ (Twitterpagina). Twitterpagina’s kunnen door een ieder die dat wenst, bezocht worden; een eigen Twitteraccount is daarvoor niet nodig.

5.3

Azzedine C. , Oussama C. , Rudolph H., Imane B., Moussa L. en Hatim R. maakten gebruik van social media. Ze hadden of beheerden één of meer Facebookpagina’s. Azzedine C. was ook lid van Facebookpagina Werkgroep Shaam. Azzedine C. , Rudolph H., Imane B., Moussa L. en Hatim R. hadden ook één of meer Twitteraccounts.

5.4

In het kader van het onderzoek heeft de politie de berichtgeving op social media van (voor zover hier van belang) Azzedine C. , Oussama C. , Rudolph H., Imane B., Moussa L. en Hatim R. gemonitord.

5.5.

Om een betere informatiepositie op Facebook te kunnen verkrijgen en, meer in het bijzonder, om de contacten van de verschillende verdachten en hun specifieke uitingen in beeld te krijgen, heeft de politie op 5 juni 2013 een Facebookaccount aangemaakt op naam van Aboe Noewas. In de periode van 21 juni 2013 tot 1 september 2014 zijn op deze Facebookpagina door de politie op vrijwel iedere doordeweekse dag berichten, foto’s en video’s geplaatst. Deze informatie werd ‘openbaar’ gedeeld. Door de politie is, met hetzelfde doel, ook een pagina aangemaakt op naam van Ab Bashir. Deze pagina heeft bestaan van 6 april 2014 tot en met 19 augustus 2014.25
5.6. Op 7 september 2013 heeft Aboe Noewas een bericht gestuurd naar één van de Facebookpagina’s van Azzedine C. teneinde te kunnen achterhalen waar in die periode door Azzedine C. en anderen gevoetbald werd.

5.7.

Aboe Noewas heeft ook vriendschapsverzoeken verstuurd naar de Facebookpagina‘s van Moussa L., Oussama C. , Azzedine C. en Rudolph H., althans de pagina’s die door hen werden beheerd. Moussa L. heeft op 1 juli 2013 een vriendschapsverzoek van Aboe Noewas gehonoreerd en Oussama C. op 9 mei 2014. Azzedine C. (die meerdere Facebookpagina’s had) is op 11 juni 2014 en op 20 juni 2014 ‘vriend’ geworden van Aboe Noewas. Eerdere vriendschapsverzoeken van Aboe Noewas (in december 2013 en op 13 mei 2014) had Azzedine C. afgewezen. Rudolph H. is ook ingegaan op een vriendschapsverzoek van Aboe Noewas, maar door de politie kon niet meer achterhaald worden wanneer hij dit heeft gedaan.

5.8

Op 25 april 2014 heeft Azzedine C. het Facebookprofiel van Ab Bashir toegevoegd aan het Facebookprofiel van Werkgroep Shaam.

5.9

Vanaf december 2013 tot 1 september 2014 heeft de politie, meerdere keren per week, (een gedeelte van) de berichtgeving op de hiervoor genoemde Facebookpagina’s en Twitteraccounts veiliggesteld door een kopie van deze berichtgeving te maken en deze op te slaan.26

5.10

De veiliggestelde (delen van de) persoonlijke Facebookpagina’s van Azzedine C. , Oussama C. en Hatim R. en de Facebookpagina’s van Shaam al-Ghareeba en Radio Ghuraaba waren openbaar toegankelijk. Van de persoonlijke Facebookpagina van Moussa L. kon dit, achteraf, niet meer worden vastgesteld. De Facebookpagina van Werkgroep Shaam betrof een geheime pagina.

5.11

Aan de hiervoor geschetste recherche op het internet lag een aantal bevelen ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag:27

 in de zaak van Azzedine C. : een bevel voor de periode van 13 juni 2013 tot en met 10 september 2013 en een bevel voor de periode van 25 april 2014 tot en met 23 juli 2014;

 in de zaak van Oussama C. : voor de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 juli 2014 en

 in de zaak van Rudolph H. : voor de periode van 12 mei 2014 tot en met 9 augustus 2014.

5.12

De verdediging van Oussama C. , Imane B.en Moussa L. heeft de officieren van justitie in het voorjaar van 2015 verzocht inzicht te verstrekken in de opsporingsactiviteiten die zijn verricht op het internet. De officieren van justitie hebben in reactie hierop informatie verstrekt, maar zij hebben niet alles meer kunnen achterhalen.

Vormverzuim bestaande uit stelselmatige informatie-inwinning zonder bevelen (ex artikel 126j Sv)?

5.13

Door de verdediging van Azzedine C. , Oussama C. , Imane B.en Moussa L. is aangevoerd dat zich in het opsporingsonderzoek op het internet vormverzuimen hebben voorgedaan. Dit onderzoek had, aldus de verdediging, in zijn geheel met bevelen ex artikel 126j Sv (of bevelen op een andere grondslag) gedekt moeten zijn; er is volgens de verdediging een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de grondrechten van verdachten en de methode van onderzoek is naar zijn aard zeer Risicovol voor de integriteit en de beheer Betrokkeneheid van de opsporing. Gezien de aard van dit verzuim moet hieraan volgens de verdediging door de rechtbank een consequentie worden verbonden. De consequentie die de verdediging van Oussama C. , Imane B.en Moussa L. voorstaat is bewijsuitsluiting, terwijl de verdediging van Azzedine C. heeft bepleit dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie gerechtvaardigd is en, als daartoe niet wordt beslist, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering. De verdediging van Rudolph H. heeft zich bij het betoog van de verdediging van Azzedine C. , Oussama C. , Imane B.en Moussa L. aangesloten. De rechtbank zal dit verweer, ambtshalve, ook in de zaak van Hatim R. aan een beoordeling onderwerpen.

5.14

In reactie op dit verweer hebben de officieren van justitie naar voren gebracht dat artikel 3 van de Politiewet28 een voldoende wettelijke grondslag vormt voor de opsporingsactiviteiten van de politie in die periodes waarin er geen bevelen ex artikel 126j Sv voorhanden waren.

5.15

De rechtbank overweegt als volgt. Doorslaggevend bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een opsporingsmethode zoals in deze zaak is gehanteerd door de politie is in welke mate de inzet van die methode inbreuk maakt op het recht van een verdachte op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Is sprake van een niet meer dan geringe inbreuk (waarbij het moment van inzet van het opsporingsmiddel leidend is, niet de resultaten) of bergt de gebruikte opsporingsmethode geen bijzondere Risico’svoor de integriteit en de betrokkenheid van de opsporing in zich, dan biedt artikel 3 van de Politiewet een toereikende wettelijke grondslag voor het inzetten van de bewuste opsporingsmethode. Is dit niet het geval, dan moet de politie aan de officier van justitie vragen bijvoorbeeld (maar dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval) een bevel ex artikel 126j Sv af te geven.

5.16

Het is in zaken betreffende het hanteren van de opsporingsmethode van observatie (op de voet van artikel 126g Sv)29 vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat voor de beantwoording van de vraag of er bij het hanteren van die methode sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte – onder meer – de volgende omstandigheden bepalend zijn: de duur, de intensiteit, de plaats(en) van observatie, het doel van de observaties en de wijze waarop zij hebben plaatsgevonden (de overlast in de zin van indringendheid) en – voor wat betreft de vraag of voortduring van de observaties gerechtvaardigd is – de graad van verdenking. Van belang is of de methode geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene.30

5.17

In de rechtspraak van de Hoge Raad over de reikwijdte van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wordt als maatstaf aangehouden dat in het openbaar verrichte observaties alleen dan een inbreuk op dat artikel opleveren, indien zij betrekking hebben op situaties waarin, naar moet worden aangenomen, de betrokkenen onbevangen zichzelf willen zijn.31

5.18

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) uit 2000 wordt het volgende vermeld (in relatie tot de opsporingsmethode van observatie):

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een dergelijke vorm van observatie is een aantal elementen van belang: de duur, de plaats, de intensiteit of frequentie en het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel dat méér biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Ieder voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de vraag of een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Naarmate de observatie langer plaatsvindt, de plaats waar de te observeren persoon zich bevindt intiemer is, de intensiteit of frequentie waarmee geobserveerd wordt groter is, dan wel een technisch hulpmiddel dat wordt ingezet meer mogelijkheden biedt, is de kans groter dat een dergelijk beeld wordt verkregen (…). Van stelselmatige observatie kan sprake zijn bij zowel langdurige als kortstondige vormen van observatie. Bepalend is dat de observatie tot resultaat kan hebben het in beeld brengen van een bepaald aspect van iemands leven. Een normale surveillance zal geen vorm van stelselmatige observatie zijn. Ook het oppervlakkig in de gaten houden van bijvoorbeeld een groep jongeren zal doorgaans geen stelselmatige observatie zijn. Wanneer echter een persoon intensief of frequent wordt gevolgd, zal wel sprake zijn van stelselmatige observatie.32

5.19

Over de opsporingsmethode van het stelselmatig inwinnen van informatie (artikel 126j Sv)33 is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) uit 2000 het volgende te vinden:

Het onderscheid met de stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk tot opdracht heeft om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

5.20

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Telecommunicatiewet in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie (computercriminaliteit II) wordt over het stelselmatig inwinnen van informatie op de voet van artikel 126j Sv voorts nog het volgende vermeld:

Denkbaar is dat dit de vorm aanneemt van het stelselmatig inwinnen van informatie in een nieuwsgroep op Internet waaraan ook de verdachte deelneemt, zonder dat de deelnemers aan de nieuwsgroep weten dat zich onder hen een opsporingsambtenaar bevindt (…). Hierbij gaat het overigens alleen om het door de ambtenaar actief deelnemen aan de nieuwsgroep, doordat hij of zij zelf berichten post en aldus tracht van anderen informatie los te krijgen; het slechts rondkijken in een nieuwsgroep en lezen wat voor een ieder toegankelijk is, is zoals eerder aangegeven zonder meer geoorloofd.34

5.21

In dezelfde memorie van toelichting heeft de Minister van Justitie naar voren gebracht dat een opsporingsambtenaar op grond van artikel 2 van de Politiewet 199335 ‘als ieder ander kan rondkijken in de digitale wereld en kennis kan nemen van de voor een ieder raadpleegbare informatie. (…) Zoals de politie, al dan niet in burger, op straat mag surveilleren en rondkijken, zo mag een rechercheur vanachter zijn computer hetzelfde doen op internet. Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is daarvoor niet nodig’. Daarbij wordt door de Minister opgemerkt dat deze bevoegdheid om rond te kijken op een openbaar netwerk niet de bevoegdheid impliceert om stelselmatig voor de uitoefening van de politietaak gegevens van internet te downloaden en in een politieregister op te slaan.

5.22

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er een grote mate van overeenstemming bestaat tussen de opsporingsmethode van observatie en die van het inwinnen van informatie. Het is hierom dat de rechtbank de in de wetgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporingsmethode van observatie ook toepasbaar acht bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporingsmethode van het inwinnen van informatie.

5.23

Toegespitst op de onderhavige zaak overweegt de rechtbank voorts als volgt.

5.24

De rechtbank stelt voorop dat wanneer zich in het onderzoek naar de verrichtingen van één van de verdachten op social media een vormverzuim zou voordoen, dit niet de belangen van de andere verdachten raakt. In zoverre is er dan ook geen reden om in de zaak van die verdachten aan dat specifieke verzuim enig rechtsgevolg te verbinden (Schutznorm).

5.25

De rechtbank constateert vervolgens dat een groot deel van de in het dossier aanwezige berichtgeving op social media is veiliggesteld en opgeslagen in een periode waarin geen bevel of bevelen ex artikel 126j Sv voorhanden was/waren. De rechtbank is, indachtig de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis en rechtspraak, van oordeel dat genoemde activiteiten echter wél met dergelijke bevelen gedekt hadden moeten zijn omdat deze moeten worden aangemerkt als het stelselmatig inwinnen van informatie over de verdachten die het aangaat. Daartoe is het navolgende redengevend.

5.26

Door de activiteiten van de verschillende verdachten op (verschillende vormen van) social media gedurende langere periodes te volgen, te bekijken en veilig te stellen werd niet alleen zicht verkregen op het persoonlijke leven van de verdachten, maar ook op (verbanden tussen) hun contacten en de inhoud van die contacten in relatie tot de verdenking (in veel gevallen het ‘ronselen’ voor de gewapende jihadstrijd in Syrië). Ook werd zicht verkregen op het verleden; een Facebookpagina en een Twitteraccount zijn immers niet ‘statisch’. Ze bevatten niet alleen informatie van ‘nu’; ook in het verleden geplaatste berichten (en dat kan ver in de tijd teruggaan) zijn toegankelijk. Op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een vormverzuim. Van belang is verder het volgende.

5.27

Het politie-account Aboe Noewas is aangemaakt op een moment waarop geen bevelen ex artikel 126j Sv van kracht waren. In de periode dat zijn account actief was, plaatste Aboe Noewas vrijwel dagelijks informatie op zijn Facebookpagina met als doel de aandacht van de verdachten in het onderzoek te trekken (opdat zij zouden reageren door, bijvoorbeeld, vriendschapsverzoeken te sturen of vriendschapsverzoeken van Aboe Noewas te honoreren). Voor de verdachten en hun omgeving (hun ‘vrienden’ op Facebook en hun volgers op Twitter) was niet zichtbaar dat de politie achter dit account schuilging. De activiteiten van Aboe Noewas werden ook niet geheel door een bevel of bevelen ex artikel 126j Sv gedekt. De rechtbank is van oordeel dat een bevel ex artikel 126j Sv had moeten worden verkregen voor zowel het aanmaken van het account als alle activiteiten van Aboe Noewas. Hierbij heeft de rechtbank het feit dat die activiteiten onder een gefingeerde naam werden verricht alsmede de duur van die activiteiten betrokken. Ook in zoverre is dus sprake van een vormverzuim.

5.28

Voor het Facebookaccount Ab Bashir geldt dat, bij gebreke van informatie hierover, niet kan worden vastgesteld of aan het aanmaken van dat account een bevel ex artikel 126j Sv ten grondslag lag. Het Facebookaccount Ab Bashir is aangemaakt in een Amsterdams onderzoek dat niet was gericht op één van de verdachten. Hierom raakt het mogelijk ontbreken van een bevel ex artikel 126j de verdachten niet. Van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek naar deze verdachten is dus in zoverre geen sprake.

5.29

Op het moment dat het Facebookaccount Ab Bashir aan de Facebookgroep van Werkgroep Shaam (waarvan Azzedine C. medebeheerder was) werd toegevoegd, was er in de zaak van Azzedine C. een bevel ex artikel 126j Sv afgegeven. Dit bevel vormde naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond om de (historische) berichtgeving op het Facebookaccount van Werkgroep Shaam te bekijken en veilig te stellen. Aan het toepassen van deze opsporingsmethode zijn naar het oordeel van de rechtbank ook geen bijzondere Risico’svoor de integriteit en betrokkenheid van de opsporing verbonden; dat niet duidelijk was wie er achter het account Ab Bashir schuilging, is onvoldoende om dit aan te nemen. Van een vormverzuim is dus ook op dit punt geen sprake.

5.30

De wel geconstateerde vormverzuimen kunnen niet meer worden hersteld. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of er aanleiding bestaat om aan het bestaan van genoemde vormverzuimen enig rechtsgevolg te verbinden. De rechtbank overweegt hierover in algemene zin als volgt.

5.31

Als er sprake is van een vormverzuim dat niet herstelbaar is, moet de rechtbank, als de rechtsgevolgen van het verzuim niet uit de wet blijken, beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient zij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten:

  • -

    a) het belang dat het geschonden voorschrift dient,

  • -

    b) de ernst van het verzuim, waarbij de omstandigheden van belang zijn waaronder het verzuim is begaan en ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim en

  • -

    c) het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

5.32

Van belang is voorts dat een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Van niet-ontvankelijkheid kan slechts sprake zijn indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Bewijsuitsluiting kan aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien dit noodzakelijk is ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, er een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden of er sprake is van een situatie waarin naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen. Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat:

  • -

    a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden,

  • -

    b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim,

  • -

    c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en

  • -

    d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.36

5.33

Het geschonden voorschrift beoogt het privacy-belang, zoals ook verankerd in artikel 8 EVRM, van de verdachten die door de vormverzuimen zijn geraakt, te beschermen.

5.34

Ten aanzien van de ernst van de verzuimen (de inbreuk op de privacy) en het nadeel dat hierdoor is veroorzaakt oordeelt de rechtbank dat relativering op zijn plaats is. Het gaat in deze om het inwinnen van informatie in de digitale wereld. De verzamelde gegevens waren publiekelijk toegankelijk. Het betreft dus een andere (en minder ernstige) situatie dan de situatie waarin informatie wordt verzameld in een afgesloten ‘ruimte’ (bijvoorbeeld een woning). Van belang in dit verband is ook dat verdachten hun Facebookpagina’s met name gebruikten om uit te dragen waar zij voor stonden, voor hun boodschap; het was hen er juist om te doen dat anderen kennis namen van de inhoud van hun pagina’s. De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat er in het onderzoek tegen de verdachten goede gronden waren om tot stelselmatige informatie-inwinning over te gaan, zodat geen sprake is geweest van een inbreuk op de privacy van verdachten waarvoor geen inhoudelijke rechtvaardiging bestond; als de politie aan de officieren van justitie had gevraagd om bevelen ex artikel 126j Sv af te geven, dan zouden deze zonder enige twijfel zijn verstrekt. Van belang is ook dat waar tot meer indringende vormen van het inwinnen van informatie is overgegaan, zoals het versturen van vriendschapsverzoeken (waarmee toegang kon worden verkregen tot de, waar van toepassing, afgeschermde gedeeltes van de Facebookpagina’s), deze activiteiten wél werd gedekt door bevelen ex artikel 126j Sv. Hierop geldt één uitzondering, namelijk het Facebookaccount van Moussa L.37, maar dit gegeven alleen brengt geen wijziging in het oordeel van de rechtbank. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat de geconstateerde vormverzuimen er niet toe hebben geleid dat de opsporingsactiviteiten niet of slechts beperkt controleerbaar zijn geweest doordat zij achter de rug van de officieren van justitie plaatsvonden en doordat als gevolg daarvan behoorlijke verslaglegging ontbrak. Weliswaar valt op die verslaglegging, zoals de rechtbank hierna nog zal overwegen, wel het een en ander aan te merken, maar hieraan behoeft, wat de rechtbank betreft, geen gevolg te worden verbonden.

5.35

Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank, in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria ten aanzien van de toepassing van de diverse mogelijke rechtsgevolgen, geen aanleiding om aan de geconstateerde onherstelbare vormverzuimen enig rechtsgevolg te verbinden. Zij volstaat met de enkele constatering van het verzuim.

Overige verweren ten aanzien van mogelijke vormverzuimen

5.36

De verdediging van Azzedine C. heeft betoogd dat zich in het opsporingsonderzoek op het internet nog een aantal vormverzuimen heeft voorgedaan. Het gaat volgens de verdediging om het volgende:

  • -

    a) door toedoen van de politie is niet meer na te gaan of de uitingen (op social media) die aan Azzedine C. zijn ten laste gelegd, niet oorspronkelijk van de politie, meer specifiek van de Facebookpagina’s op naam van Aboe Noewas en Ab Bashir, afkomstig waren (en dus of er sprake is geweest van uitlokking);

  • -

    b) Aboe Noewas en Ab Bashir hebben zich, zonder wettelijke grondslag, schuldig gemaakt, aan opruiing;

  • -

    c) de officieren van justitie hebben onvoldoende openheid van zaken betracht over het handelen van Aboe Noewas en Ab Bashir;

  • -

    d) de officieren van justitie zijn een deel van de relevante stukken over de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir kwijtgeraakt, althans zij weigeren deze te verstrekken.

Ook aan deze vormverzuimen, althans aan de combinatie daarvan, moet volgens de verdediging van Azzedine C. een rechtsgevolg worden verbonden; is het niet niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, dan minst genomen bewijsuitsluiting en, in het uiterste geval, strafvermindering.

5.37

Ten aanzien van het gestelde onder (a) overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat de verdediging meent dat de verbaliseringsplicht is geschonden.
Wat de Facebookpagina van Aboe Noewas betreft, moet worden vastgesteld dat de politie niet (meer) in staat is gebleken alle berichten die op die pagina zijn geplaatst, terug te halen; slechts een deel is aan het dossier toegevoegd. In zoverre is dus wel sprake van een vormverzuim en dit verzuim kan ook niet meer worden hersteld. De informatie die in het dossier is neergelegd over het Facebookaccount Ab Bashir is onvolledig. Ook in zoverre is dus sprake van een vormverzuim dat onherstelbaar is.

5.38

De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan deze vormverzuimen enig rechtsgevolg te verbinden. Door Azzedine C. is tijdens de bespreking ter terechtzitting van de aan hem verweten uitingen op social media op geen enkel moment gezegd dat één of meerdere van die uitingen afkomstig waren van de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir. Uit hetgeen over de aan Azzedine C. ten laste gelegde uitingen bekend is, volgt dat ook niet.

5.39

Ten aanzien van het gestelde onder (b) overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat betoogd wordt dat de activiteiten van Aboe Noewas en Ab Bashir, voor zover het gaat om het plaatsen van berichten op hun Facebookpagina’s, gedekt hadden moet zijn door een bevel ex artikel 126h Sv (bevel tot infiltratie38). Kenmerkend voor infiltratie is dat het Risicobestaat dat de infiltrerende opsporingsambtenaar een strafbaar feit of strafbare feiten begaat; als het daarvan komt, was dat dus de bedoeling. Evident is dat aan het plaatsen van berichten op de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir niet een dergelijke bedoeling ten grondslag lag. In zoverre faalt het verweer, waarbij de rechtbank nog wijst op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, te weten dat uit niets is gebleken dat één of meer van de aan Azzedine C. ten laste gelegde uitingen op social media hun oorsprong vinden in de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir. Overigens merkt de rechtbank ook nog op dat de uitingen die zijn gedaan op de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir in deze zaak niet ter beoordeling voorliggen. Van een vormverzuim is dus geen sprake.

5.40

Het onder (c) en (d) gestelde kan niet worden aangemerkt als vormverzuimen die zich in het voorbereidend onderzoek hebben voorgedaan. De verweren op deze punten falen dus.

6. De ontwikkelingen in Syrië 39

6.1

Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regime van president Bashar al-Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met grof geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. Aan het eind van 2011 begon de oppositie zich in reactie op de gewelddadigheden van het regime gewapenderhand te verzetten. Hierbij werden wraakacties uitgevoerd tegen regeringstroepen en wijken in grote steden en gebieden op het platteland veroverd. Het Syrische bewind trad hiertegen met nog hardere hand op.40

6.2

Gaandeweg ontwikkelde wat als een vreedzaam protest was begonnen zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was, en uiteindelijk tot een humanitaire ramp. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in december 2014 geschat op meer dan 200.000. Op dat moment waren al meer dan drie miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,5 miljoen.41

6.3

Al kort na het begin van het protest werd het optreden van het regime van president Assad daartegen door een groot deel van de wereldgemeenschap scherp veroordeeld. Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-moon stelde in de zomer van 2011 vast dat president al-Assad alle legitimiteit had verloren. Westerse staten drongen aan op zijn aftreden en vaardigden sancties uit tegen zijn regime.

6.4

Rapporten van de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), Human Rights Watch (HRW) en Amnesty International (AI) en talloze publicaties van gezaghebbende journalisten laten er geen twijfel over bestaan dat het regime van president Assad zich heeft schuldig gemaakt aan systematische en grootschalige schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden. De rechtbank citeert hier de samenvatting van het 8e rapport van de IICIS d.d. 13 augustus 2014:

Government forces continued to perpetrate massacres and conduct widespread attacks on civilians, systematically committing murder, torture, rape and enforced disappearance amounting to crimes against humanity. Government forces have committed gross violations of human rights and the war crimes of murder, hostage-taking, torture, rape and sexual violence, recruiting and using children in hostilities and targeting civilians. Government forces disregarded the special protection accorded to hospitals and medical and humanitarian personnel. Indiscriminate and disproportionate aerial bombardment and shelling led to mass civilian casualties and spread terror. Government forces used chlorine gas, an illegal weapon.

Dit zijn feiten van inmiddels algemene bekendheid. Deze rechtbank heeft in haar vonnis d.d. 1 december 2014 het regime van president Assad vanwege deze feiten abject genoemd.42 Er is geen enkele reden hiervan iets terug te nemen.

6.5

Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam de invloed van jihadistische groepen hand over hand toe. Islamisme werd de hoofdstroming van de verzetsbeweging. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen - misschien zelfs niet eens in de eerste plaats – het ten val brengen van het regime van Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd.43

6.6

De gewapende strijd kreeg hierdoor ook meer en meer een sektarisch karakter: een strijd van soennieten tegen alawieten en sjiieten.44

6.7

Er kan ook geen twijfel over bestaan dat de jihadistische strijdgroepen, zoals Jabhat al-Nusra, ISIL (later: ISIS en IS) en andere, zich op grote schaal en systematisch hebben schuldig gemaakt aan gruwelijke misdaden. Ook deze zijn in de talloze betrouwbare perspublicaties en de hierboven genoemde rapporten gedocumenteerd beschreven. De rechtbank citeert ook hier de samenvatting van het rapport van IICIS d.d. 13 augustus 2014:

Non-State armed groups, named in the report, committed massacres and war crimes, including murder, execution without due process, torture, hostage-taking, violations of international humanitarian law tantamount to enforced disappearance, rape and sexual violence, recruiting and using children in hostilities and attacking protected objects. Medical and religious personnel and journalists were targeted. Armed groups besieged and indiscriminately shelled civilian neighbourhoods, in some instances spreading terror among civilians through the use of car bombings in civilian areas. Members of the Islamic State of Iraq and Al-Sham (ISIS) committed torture, murder, acts tantamount to enforced disappearance, and forcible displacement as part of an attack on the civilian population in Aleppo and Ar Raqqah governorates, amounting to crimes against humanity.

6.8

De verdediging heeft er bij de rechtbank op aangedrongen vooral niet ‘met de kennis van nu’ te oordelen over wat de verdachten wordt verweten. Zo hebben de raadslieden van Imane B., Oussama C. en Moussa L. aangevoerd dat de door IS gepleegde misdrijven vooral dateren uit de periode daarna en dat berichten daarover Nederland eerst in augustus 2014 hebben bereikt. Dit klopt niet. De rechtbank heeft hierboven geciteerd uit het rapport dat IICIS in augustus 2014 uitbracht. Maar ook in haar eerdere rapporten had IICIS al uitgebreid verslag gedaan van de misdrijven van onder andere de jihadistische strijdgroepen. En ook de versies van het op openbare bronnen gebaseerde kennisdocument van dr. [deskundige Nationale Politie] van augustus 2013, 12 mei 2014 en 1 augustus 2014 geven daarvan een duidelijk beeld. Voor wie ook maar een beetje het nieuws over Syrië volgde en zijn ogen daarvoor niet sloot, moet het al ver voor medio 2014 volstrekt duidelijk zijn geweest dat de jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. De rechtbank onderschrijft wel dat de door IS vanaf eind augustus 2014 verspreide films van onthoofdingen van westerse journalisten en de berichtgeving over de dreigende genocide op de Yezidi’s omstreeks diezelfde tijd aanzienlijk hebben bijgedragen aan de kennis onder grotere delen van de bevolking over de ideologie en de daden van IS.

6.9

Veel van de hierboven beschreven misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden.45 Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De IICIS meldt in haar rapport d.d. 12 februari 2014 dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”

6.10

Na het uitbreken van de vijandelijkheden in 2011 kwam al snel een stroom op gang van buitenlandse strijders die zich aansloten bij jihadistische strijdgroepen. Aanvankelijk waren dit vooral jongeren uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika, later ook steeds meer jongeren uit Westerse landen. Syrië werd een jihadistische hotspot. Secretaris Ban Ki-Moon sprak in september 2014 over meer dan 13.000 buitenlandse strijders uit meer dan 80 landen die zich hadden aangesloten bij Jabhat al-Nusra en IS.46 De eerste Nederlanders vertrokken in het najaar van 2012.47 In november 2014 werd hun aantal geschat op ten minste 160.48

6.11

De jihadistische strijdgroepen die in Syrië actief zijn maken intensief gebruik van het internet en sociale media. Zij verspreiden op deze manier hun ideologie, doen verslag van hun activiteiten en roepen op tot (geldelijke en/of fysieke) steun. Zij hebben zelf mediaplatforms, websites, facebookpagina's en/of twitter accounts. Via jihadistische websites en fora, maar ook mainstream videokanalen zoals YouTube, wordt hun berichtgeving verspreid. In deze propaganda is een belangrijke rol weggelegd voor buitenlandse strijders. In veel video’s wordt de onderlinge kameraadschap benadrukt van strijders die uit alle delen van de wereld naar Syrië zijn gekomen om de bevolking aldaar te helpen en een islamitische staat te vestigen. In Syrië kun je je geloof als moslim in volle omvang belijden en praktiseren, is de boodschap. Onverholen wordt opgeroepen zich bij hen aan te sluiten omdat de jihad in Syrië een verplichting voor elke moslim is geworden. Een belangrijk element in deze wervende propaganda is (de verheerlijking van) het martelaarschap. Een strijder wacht ofwel de overwinning, of de hoogste rang in het paradijs.49

6.12

De aanwezigheid van de vele godsdienstig gemotiveerde buitenlandse strijders verhevigde de intensiteit, de duur, de onbetrokkenheid en het sektarische karakter van de strijd in Syrië.50 Internationaal groeide ook de bezorgdheid dat deze strijders bij eventuele terugkomst in hun eigen land verder zouden zijn geradicaliseerd, gevechtservaring hadden opgedaan en/of getraumatiseerd zouden zijn geraakt. Zij zouden mogelijk aanslagen kunnen plegen in hun eigen land en/of daar nieuwe strijders kunnen werven voor de strijd in Syrië (en/of Irak). In een resolutie van 15 augustus 2014 sprak de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties haar diepe bezorgdheid uit over de acute en groeiende bedreiging die uitgaat van de grote stroom van buitenlandse terroristische strijders naar IS, het Nusra Front en overige aan al-Qaeda gelieerde groepen.51 In deze en een volgende resolutie droeg de Veiligheidsraad alle landen op passende maatregelen te nemen om de uitreis naar en deelname van deze strijders aan de gewapende jihadstrijd in Syrië (en Irak) tegen te gaan.52

6.13

In het hierna volgende hoofdstuk wordt besproken hoe de strijd in Syrië juridisch moet worden geduid en welke gevolgen dat heeft voor het toepasselijk recht.

7 Het toepasselijk recht

7.1

De rechtbank zal in dit hoofdstuk onderzoeken of het Nederlandse strafrecht, waaronder de terrorisme bepalingen, van toepassing zijn op geweldshandelingen die plaatsvinden tijdens de gewapende jihadstrijd in Syrië.53

7.2

Daartoe zal de rechtbank, alvorens de afzonderlijke ten laste gelegde feiten te bespreken, ingaan op het relevante juridische kader met betrekking tot geweldshandelingen in Syrië. Om de strafbaarheid van deze geweldshandelingen te kunnen bepalen, is het allereerst nodig om vast te stellen of in Syrië sprake was van een internationaal danwel niet-internationaal gewapend conflict. Gedurende internationale en niet-internationale gewapende conflicten zijn andere rechtsregimes van toepassing met betrekking tot het gebruik van geweld dan in vredestijd. Het internationaal humanitair recht, dat alleen van toepassing is gedurende gewapende conflicten, bepaalt welke personen gerechtigd zijn om bepaalde geweldshandelingen uit te voeren. De rechtbank zal dan ook vaststellen welke rechtsregimes van toepassing waren in Syrië en of de strijders van IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of andere (jihadistische) strijdgroepen daarin een status is toegekend die hen vrijwaart van strafrechtelijke vervolging voor geweldshandelingen. Vervolgens zal worden bepaald of het Nederlandse strafrecht, waaronder de bepalingen die terroristische misdrijven strafbaar stellen, van toepassing is.

De vijandelijkheden in Syrië: een gewapend conflict?

7.3

De officieren van justitie hebben gesteld dat er in Syrië sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict, waarin zowel het internationaal humanitair recht als het Nederlandse strafrecht van toepassing zijn. In Syrië (en Irak) is immers geen sprake van een gewapend conflict tussen staten onderling en er is geen bewijs dat een ander land ‘overall control’ uitoefent over bepaalde gewapende groepen.

7.4

De verdediging heeft betoogd dat het niet mogelijk is om over één conflict in Syrië te spreken en dat er in ieder geval in een deel van Syrië (en Irak) sprake is van een internationaal gewapend conflict, waarin het internationaal humanitair recht exclusief van toepassing is. Een conflict internationaliseert op het moment dat een buitenlandse mogendheid tegen een staat vecht of ‘overall control’ uitoefent over een gewapende groepering die in opstand is gekomen tegen die staat. Veel landen hebben zich in het conflict in Syrië en Irak gemengd, ook aan de kant van de opstandelingen. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze steun aan de opstandelingen verder gaat dan louter financiële of logistieke steun en dat andere landen ook daadwerkelijk controle uitoefenen over bepaalde groeperingen. Volgens de verdediging kan haar niet worden verweten dat zij niet precies heeft aangegeven in hoeverre of waar het conflict in Syrië en Irak precies geïnternationaliseerd is. Dat is lastig en zinloos omdat het Openbaar Ministerie heeft geweigerd aan te geven tot welke organisaties verdachten zouden hebben behoord en waar en in welke context de onderliggende feiten zouden zijn gepleegd.

7.5

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bestaan en de aard van het conflict als volgt.

7.6

Allereerst is van belang dat de tenlasteleggingen zien op de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2014. Voor het vaststellen van het bestaan van een gewapend conflict gedurende deze periode is een analyse van de feitelijke situatie vereist, gebaseerd op de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen worden verricht.54

7.7

Indien gewapend geweld tussen staten of langdurig gewapend geweld tussen een staat en (een) georganiseerde gewapende groep(en) dan wel tussen zulke groepen onderling een bepaalde mate van intensiteit bereikt, kunnen de vijandelijkheden worden gekwalificeerd als een internationaal respectievelijk niet-internationaal gewapend conflict.55

7.8

In Boskoski & Tarculovski heeft het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (hierna: ICTY) de relevante factoren opgesomd die tot dan toe waren vastgesteld in de jurisprudentie om op objectieve wijze de vereisten van ‘intensiteit’ en ‘organisatie’ te kunnen toetsen.56 Om de intensiteit van het geweld te beoordelen, moet acht worden geslagen op factoren als het aantal burgers dat is gevlucht, het soort wapens dat wordt gebruikt (met name militaire wapens en voertuigen zoals tanks), het aantal doden en strijders, het al dan niet sluiten van een wapenstilstand en inmenging van de internationale gemeenschap. Om te beoordelen of een partij bij het conflict voldoet aan het vereiste van organisatie kan worden gekeken naar de commandostructuur van een groep, de organisatie van operaties, het disciplinair systeem, de mogelijkheid om de minimumgedragsnormen van het internationaal humanitair recht te implementeren en de mogelijk om met één stem te spreken.57

7.9

De ontwikkeling van de vijandelijkheden in Syrië is reeds beschreven in hoofdstuk 6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit verscheidene rapporten van gezaghebbende NGO’s dat er in ieder geval vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra.58 Er waren op dat moment immers duizenden mensen gevlucht, er waren duizenden burgerdoden gevallen, er werd gebruik gemaakt van militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie, regeringstroepen en oppositie voerden grootschalige militaire operaties uit, er werd onderhandeld over een vredesplan, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties poogde het Syrische bewind te veroordelen in resoluties en de gewapende groepen waren voldoende georganiseerd.

7.10

Een gewapend conflict tussen een staat (in casu: Syrië) en een (of meer) georganiseerde gewapende groep(en) kan worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict als de handelingen van die groep(en) zijn toe te schrijven aan een andere staat. In Tadić bepaalde het ICTY dat sprake moet zijn van een ‘overall control’ over de georganiseerde gewapende groep, in die zin dat de andere staat “has a role in organising , coordinating or planning the military actions of the military group, in addition to financing, training and equipping or providing operational support to that group”.59 Het criterium van ‘overall control’ is algemeen aanvaard in de jurisprudentie. Echter, uit de statenpraktijk blijkt dat “the overall control threshold is high and the evidence in support must be compelling”.60

7.11

De verdediging heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat er “aanwijzingen” zijn en het “aannemelijk” is dat het conflict internationaal van aard was. Er moet volgens de verdediging worden gekeken naar de mate waarin andere landen betrokken zijn bij het gewapende conflict. De verdediging volstaat echter met de constatering dat veel landen zich in het conflict hebben gemengd en er sterke aanwijzingen zijn dat andere landen ook daadwerkelijk controle uitoefenen over bepaalde groeperingen.61

7.12

Nu de verdediging heeft nagelaten om te stellen welke mogendheid een ‘overall control’ zou uitoefenen over welke groepen en derhalve niet, althans onvoldoende concreet, heeft onderbouwd op grond van welke feiten en omstandigheden er reeds gedurende de tenlastegelegde periode sprake zou zijn geweest van een “geïnternationaliseerd” gewapend conflict, kan dit verweer alleen maar falen. De rechtbank heeft, ook ambtshalve oordelend, geen feiten of omstandigheden aannemelijk bevonden die tot een andersluidend oordeel zouden hebben kunnen leiden. De rechtbank sluit de ogen niet voor de betrokkenheid van andere mogendheden bij het conflict in Syrië en onderkent de mogelijkheid dat het conflict in de toekomst zou kunnen worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict. De rechtbank kan echter niet concluderen dat er reeds gedurende de tenlastegelegde periode sprake is geweest van het vereiste van ‘overall control’. In haar rapport d.d. 13 augustus 2015 concludeert ook IICIS met betrekking tot het gewapende conflict in Syrië:

While fought mostly by Syrians and largely contained within Syrian territory, the war is increasingly driven by international and regional powers, primarily in accordance with their respective geostrategic interests. Syrian stakeholders, on all sides of the conflict, have gradually lost control over the course of events due to a variety of external factors that have obscured the internal dimension of the war. As the war endures, it displays worrying signs of becoming internationalized. The competition among regional powers for influence has resulted, among other consequences, in an alarming exacerbation of the sectarian dimension, instigated by the intervention of foreign fighters and extremist clerics.62

7.13

Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er in een gedeelte van de tenlastegelegde periode - vanaf juli 2012 tot en met 31 oktober 2014 - in Syrië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. De Syrische regeringsstrijdkrachten enerzijds en de strijders van de georganiseerde gewapende oppositiegroepen anderzijds waren gedurende deze periode verwikkeld in een intensieve en langdurige gewapende strijd.

De toepasselijke rechtsregimes gedurende een niet-internationaal gewapend conflict

7.14

Nu is vastgesteld dat er sinds juli 2012 een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië bestaat, moet worden beoordeeld welke rechtsregimes daarop van toepassing zijn.

7.15

Het bestaan van een gewapend conflict is een vereiste voor de inwerkingtreding en toepasbaarheid van het internationaal humanitair recht. Het internationaal humanitair recht bestaat uit een reeks van verdragen en (gewoonterechtelijke) bepalingen die er, kort gezegd, primair op gericht zijn om personen die niet of niet meer deelnemen aan een gewapend conflict te beschermen. Daarnaast moet het middelen en methodes van oorlogsvoering beperken en aan regels onderwerpen, met als grondslag het idee dat er (ook) tijdens een gewapend conflict geen staat van wetteloosheid is.63

7.16

Zo omschrijft gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève fundamentele principes die in een niet-internationaal conflict dienen te worden gerespecteerd. Het bevat minimum-gedragsnormen waaraan de strijdende partijen zich dienen te houden. Deze bepaling verbiedt uitdrukkelijk een aantal flagrante en ernstige schendingen (‘grave breaches’) van de menselijke waardigheid, zoals onder andere moord, (ernstige) mishandelingen, vernederingen, onterende handelingen en gijzeling.64

7.17

De rechtbank is van oordeel dat het internationaal humanitair recht in een niet-internationaal

gewapend conflict niet exclusief van toepassing is. Deze opvatting vindt steun in omvangrijke jurisprudentie en literatuur.65 Gedurende gewapende conflicten zijn aldus verschillende rechtsregimes van toepassing, waaronder het internationaal humanitair recht en het nationale recht van een staat.

7.18

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat geweldshandelingen gepleegd tijdens een niet-internationaal gewapend conflict strafbaar kunnen zijn naar internationaal humanitair recht en het commune strafrecht. Om de strafbaarheid van concrete geweldshandelingen gedurende een niet-internationaal gewapend conflict te kunnen bepalen, zal echter eerst moeten worden vastgesteld of de pleger naar internationaal humanitair recht een bepaalde status geniet waardoor deze legitiem krijgshandelingen mag uitvoeren.

De strafbaarheid van leden van georganiseerde gewapende groepen in Syrië

7.19

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het zogeheten combattantenprivilege, dat combattanten het recht geeft deel te nemen aan de vijandelijkheden, niet bestaat in niet-internationale gewapende conflicten. Leden van georganiseerde gewapende groepen genieten geen bijzondere status in het oorlogsrecht betreffende niet-internationale gewapende conflicten. Er kan daarmee geen sprake zijn van legitieme krijgshandelingen. Daardoor kan deelname aan de vijandelijkheden op basis van nationaal strafrecht worden vervolgd.

7.20

De verdediging heeft betoogd dat combattanten in internationale gewapende conflicten immuniteit genieten, ofwel dat hun normale krijgshandelingen niet strafbaar zijn zolang zij zich houden aan de wetten en gebruiken van het internationaal humanitair recht. Aangezien de feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn, heeft Nederland geen rechtsmacht, waardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Of het brengt mee dat de feiten eventueel wel zouden kunnen worden bewezen, maar niet gekwalificeerd, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging moet leiden.

7.21

De rechtbank overweegt ten aanzien van de status en strafbaarheid van georganiseerde gewapende groepen in niet-internationale gewapende conflicten als volgt.

7.22

Gedurende internationale gewapende conflicten wordt onderscheid gemaakt tussen combattanten en burgers. Uitsluitend combattanten hebben het combattantenprivilege, dat wil zeggen het recht om rechtstreeks aan krijgshandelingen deel te nemen en, aldus, het recht om de vijand te doden, krijgsgevangen te nemen en om militaire objecten te vernietigen. Combattanten hebben de plicht om zich te houden aan de regels van het internationaal humanitair recht en genieten, zolang zij zich daaraan houden, immuniteit van strafvervolging onder nationaal recht.66

7.23

Gedurende niet-internationale gewapende conflicten wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen personen die rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden en burgers. Er bestaat geen combattantenstatus in niet-internationaal gewapende conflicten. Gedurende de onderhandelingen voor de Geneefse Verdragen wilden de verdragsluitende staten geen combattantenprivilege geven aan de leden van georganiseerde gewapende groepen waarmee zij in conflict waren geraakt, of die met elkaar in conflict waren geraakt op hun grondgebied. Hiermee zouden deze leden het recht hebben om legitiem deel te nemen aan de vijandelijkheden. Staten waren echter niet bereid om leden van georganiseerde gewapende groepen immuniteit van strafvervolging te geven voor het opnemen van wapens, omdat voorkomen moet worden dat burgers het recht in eigen hand nemen. Leden van georganiseerde gewapende groepen zijn derhalve strafbaar voor alle geweldshandelingen die zij plegen, zowel voor commune delicten als moord als voor schendingen van het internationaal humanitair recht.

7.24

Leden van regeringstroepen hebben gedurende niet-internationale gewapende conflicten daarentegen wel het recht om geweld te gebruiken. De meeste nationale regelgeving voorziet in artikelen waarbij leden van de reguliere gewapende macht (regeringstroepen) worden gevrijwaard van vervolging voor rechtmatig gebruik van geweld. Dit vloeit voort uit het feit dat de vertegenwoordigers van soevereine staten vroeger ‘privileged belligerents’ waren. Zij waren bevoegd om geweld te gebruiken, aangezien zij de staatsautoriteiten vertegenwoordigden en de verantwoordelijkheid hadden om rechtmatig geweld te gebruiken om hun regering en natie te beschermen tegen vijanden. Leden van regeringstroepen zijn uitsluitend strafbaar voor geweldshandelingen indien zij daarmee internationaal humanitair recht schenden.67

7.25

De rechtbank heeft in het vorige hoofdstuk overigens vastgesteld dat leden van het Syrische regeringsleger zich op systematische en grootschalige wijze schuldig hebben gemaakt aan dergelijke schendingen van het internationaal humanitair recht. Zij zijn daarmee te vervolgen voor oorlogsmisdrijven.

7.26

De rechtbank constateert dat bovenstaande leidt tot een asymmetrische oorlogsvoering, waarin mogelijk maar weinig beweegredenen bestaan voor georganiseerde gewapende groepen om zich te houden aan het internationaal humanitair recht.68 Zij kunnen immers toch al worden vervolgd naar nationaal recht voor deelname aan de vijandelijkheden, ook indien zij zich houden aan alle rechtsregels van het internationaal humanitair recht. Aangezien internationaal humanitair recht het gebruik van geweld beperkt en zulke groeperingen vaak minder geavanceerd zijn dan regeringstroepen, zullen zij al eerder geneigd zijn om zich niet te houden aan deze rechtsregels. Het Aanvullend Protocol II moedigt staten dan ook aan om leden van georganiseerde gewapende groepen amnestie te geven voor hun deelname aan de vijandelijkheden, voor zover zij daarbij de regels van het internationaal humanitair recht in acht hebben genomen.69

7.27

De rechtbank onderstreept echter dat de gewapende jihadstrijd in Syrië zoals die door leden van ISIL/ISIS/IS en/of Jabhat al-Nusra en/of al-Qaeda wordt gevoerd, geenszins voor een dergelijke amnestie achteraf in aanmerking komt. Deze groepen maken zich immers op systematische en grootschalige wijze schuldig aan schendingen van het internationaal humanitair recht.70

7.28

Daarbij volgt thans uit de Geneefse Conventies en vaste rechtspraak dat leden van georganiseerde gewapende groepen in een niet-internationaal gewapend conflict niet gerechtigd zijn om geweld te gebruiken. Dit is ook de opinie van gezaghebbende schrijvers over dit onderwerp. De rechtbank concludeert dat burgers die in een niet-internationaal gewapend conflict deelnemen aan de vijandelijkheden (al dan niet als lid van een georganiseerde gewapende groep) geen recht hebben om met inachtneming van de geweldsregels zoals neergelegd in het internationaal humanitair recht geweld te gebruiken. Zij kunnen daarom worden vervolgd en berecht voor hun deelname aan de vijandelijkheden. Dit geldt niet alleen voor personen die zich aansluiten bij jihadistische groeperingen.

7.29

Deelname aan het gewapend conflict in Syrië is dan ook strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of het Nederlandse strafrecht in zijn volle omvang, inclusief de bepalingen die betrekking hebben op terroristische misdrijven, van toepassing is.

De toepasselijke rechtsregels van de Nederlandse strafwet

7.30

Het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (hierna: het Kaderbesluit) verplichtte de EU-lidstaten onder meer de strafwetgeving ter bestrijding van terrorisme aan te passen.71 Nederland heeft daaraan uitvoering gegeven door de invoering van de Wet terroristische misdrijven.72 Aan verdachten zijn diverse (onderliggende) strafbare feiten tenlastegelegd als terroristische misdrijven. Deze misdrijven zijn een uitwerking van de in het Kaderbesluit bedoelde regelgeving.73

7.31

In overweging 11 van de preambule van het Kaderbesluit is de volgende uitsluitingsclausule opgenomen:

Actions by armed forces during periods of armed conflict, which are governed by international humanitarian law within the meaning of these terms under that law, and, inasmuch as they are governed by other rules of international law, actions by the armed forces of a State in the exercise of their official duties are not governed by this Framework Decision.

7.32

De vraag - die door de verdediging is opgeworpen - is of de Nederlandse strafrechtbepalingen die betrekking hebben op terroristische misdrijven en een uitwerking zijn van het Kaderbesluit, van toepassing zijn gedurende gewapende conflicten.

7.33

De officieren van justitie hebben aangevoerd dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om de in overweging 11 van de preambule opgenomen uitzondering niet over te nemen in de Nederlandse strafwet. De wetgever gaat ervan uit dat ook geweld gepleegd gedurende een gewapend conflict onder omstandigheden aangemerkt kan worden als terrorisme. De Nederlandse wet moet zoveel als mogelijk kaderbesluitconform geïnterpreteerd worden, maar die interpretatie kan nooit contra legem zijn. Daarbij stellen de officieren van justitie zich op het standpunt dat de uitzondering in overweging 11 helemaal niet verplicht om oorlogshandelingen uit te zonderen van terrorismebepalingen, maar slechts bepaalt dat op zulke handelingen de verplichtingen uit het Kaderbesluit niet van toepassing zijn. Daarmee bestaat - althans zo begrijpt de rechtbank hun standpunt - nog geen verplichting tot afwezigheid van het strafrecht.

7.34

De verdediging heeft betoogd dat de Nederlandse terrorismewetgeving niet van toepassing is op het gewapende conflict in Syrië. Diverse internationale instrumenten (zoals het Kaderbesluit en het Verdrag tegen terroristische bomaanslagen) verplichten terrorisme strafbaar te stellen, maar beperken die strafbaarheid bij toepassing van het internationaal humanitair recht. De rechter is verplicht om de Nederlandse wetgeving conform dergelijke hogere regelgeving (zoals de preambule) uit te leggen. Er bestaat geen vrijheid om, in strijd met het Kaderbesluit, de werking daarvan uit te breiden tot gewapende conflicten. De vaststelling van de Hoge Raad in het Kesbir arrest, dat gedurende niet-internationale gewapende conflicten verschillende rechtssystemen naast elkaar kunnen bestaan, zegt niets over de definitie van terrorisme gedurende dergelijke conflicten.74 Gedurende gewapende conflicten zijn aanslagen tegen de bevolking altijd strafbaar, maar acties gericht tegen een abject regime zijn dat uitdrukkelijk niet. Verdachten wilden het regime van Assad verdrijven, sommigen wilden ook een islamitische staat stichten, maar zij wilden nooit de bevolking angst aanjagen. De overweging van de preambule is opgenomen om misverstanden te voorkomen en conflicten tussen rechtssystemen te vermijden. Het Gerecht in Luxemburg zou in de LTTE-uitspraak hebben beslist dat de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet is uitgesloten in het geval van een gewapend conflict.75 Echter, het Gerecht heeft zich volgens de verdediging niet uitgelaten over de vraag wat de strekking moet zijn van de Preambule bij de interpretatie van het Kaderbesluit of de daarop gebaseerde Nederlandse regelgeving. Het ging in de LTTE-zaak om een verordening die niet op het kaderbesluit was gebaseerd en een gemeenschappelijk standpunt dat geen ‘exclusion clause’ als in de preambule bevatte. De verdediging concludeert tot ontslag van rechtsvervolging, nu de terroristische elementen van de tenlastelegging misschien wel bewezen, maar niet gekwalificeerd kunnen worden.

7.35

Ten aanzien van de uitsluitingsclausule in overweging 11 van de preambule van het Kaderbesluit overweegt de rechtbank als volgt.

7.36

De preambule van een Unierechtelijke handeling (zoals een Kaderbesluit) heeft geen bindende kracht en kan niet worden aangevoerd om van de bepalingen van dat Kaderbesluit af te wijken of om deze bepalingen uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met de bewoordingen ervan.76 De preambule kan echter wel duidelijkheid geven over de uitleg van de in het Kaderbesluit neergelegde rechtsvoorschriften en is daarmee een belangrijke bron van interpretatie.77

7.37

De uitsluitingsclausule ziet op handelingen van ‘armed forces’ (hierna ook: strijdkrachten) tijdens een gewapend conflict die onderworpen zijn aan het internationaal humanitair recht. Nu in de tweede zinsnede van de uitsluitingsclausule nadrukkelijk ‘armed forces of a State’ is opgenomen, is het de vraag of ‘armed forces’ in de eerste zinsnede ook ziet op andere strijdkrachten dan die van een staat. Om de reikwijdte van de uitsluitingsclausule te kunnen bepalen, zal de rechtbank de betekenis van het begrip ‘armed forces’ derhalve moeten vaststellen.

7.38

In letterlijke zin heeft het begrip ‘armed forces’ doorgaans betrekking op de strijdkrachten van een staat.78 Zo wordt in Aanvullend Protocol II, dat uitsluitend van toepassing is gedurende niet-internationale gewapende conflicten, verwezen naar ‘armed forces’ (‘de strijdkrachten van die Partij’) enerzijds en ‘dissident armed forced or other organized armed groups’ (‘dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen’) anderzijds.79

7.39

Met het begrip ‘armed forces’ zijn dus in ieder geval de handelingen van de strijdkrachten van een staat uitgesloten van het bereik van de terrorismebepalingen van het Kaderbesluit. Dit volgt ook uit de rechtsregels van het internationaal humanitair recht. Zoals reeds overwogen, worden de strijdkrachten van een staat beschouwd als ‘lawful combatants’ dan wel ‘privileged belligerents’ die krijgshandelingen mogen uitvoeren. Zij zijn daarom uitsluitend te vervolgen voor schendingen van het internationaal humanitair recht en niet voor schendingen van het commune recht, waaronder de terrorismebepalingen van het Kaderbesluit.

7.40

Georganiseerde gewapende groepen worden gewoonlijk niet aangeduid als ‘armed forces’, maar als ‘organized armed groups’. De betekenis van de uitsluitingsclausule van het Kaderbesluit is niet nadrukkelijk besproken tijdens de parlementaire behandeling, maar de vergelijkbare uitsluitingscausule van artikel 19 lid 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen is wél punt van discussie geweest.80 De Minister van Justitie definieerde het hierin genoemde begrip ‘armed forces’ (strijdkrachten) als ‘armed state forces’ (strijdkrachten van een staat),81 maar merkte hierbij wel op dat verschillende interpretaties van de uitsluitingsclausule onvermijdelijk waren en de regels van internationaal humanitair recht zullen worden uitgelegd “op een wijze die het belang van de desbetreffende staat het beste kan dienen”.82 In de tweede zinsnede van deze uitsluitingsclausule is volgens de Minister van Justitie nadrukkelijk ‘military forces of a State’ (strijdkrachten van een staat) opgenomen omdat dit ziet op handelingen in vredestijd.83 Uit de betrokkenheid van Nederland bij de totstandkoming van deze uitsluitingsclausule en de aanvaarding van eenzelfde uitsluitingsclausule in het Kaderbesluit, kan worden afgeleid dat de Nederlandse wetgever van deze dubbelzinnigheid op de hoogte was en bij het Kaderbesluit eenzelfde positie heeft ingenomen.84 De uitsluitingsclausule lijkt daarmee in letterlijke zin niet op georganiseerde gewapende groepen te slaan.

7.41

Voorts moeten de aard en doelstelling van het internationaal humanitair recht en de uitsluitingsclausule in ogenschouw worden genomen. De leden van georganiseerde gewapende groepen genieten geen combattantenstatus gedurende niet-internationale gewapende conflicten. Zij kunnen voor al hun krijgshandelingen worden vervolgd naar internationaal humanitair recht én het commune strafrecht. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de uitsluitingsclausule is opgenomen om conflicten tussen de verschillende rechtsregimes te voorkomen. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat krijgshandelingen die naar (de status van een persoon in) het internationaal humanitair recht legitiem worden geacht, in het commune strafrecht strafbaar worden gesteld.85 De rechtbank overweegt echter dat naar huidig recht geen enkele krijgshandeling van een lid van een georganiseerde gewapende groep legitiem is. Hoewel het internationaal humanitair recht alleen excessieve krijgshandelingen strafbaar stelt, zijn zij ingevolge het commune strafrecht tevens strafbaar voor alle ‘ordinary acts of war’, ofwel normale krijgshandelingen. Er bestaat derhalve geen conflict tussen de normen van de verschillende rechtsregimes. Voorts zou het inconsistent zijn om, in tegenstelling tot strafbare krijgshandelingen gepleegd in vredestijd, deze zelfde strafbare krijgshandelingen gedurend een gewapend conflict uit te sluiten van terrorismebepalingen.86

7.42

Tot slot overweegt de rechtbank dat het Kaderbesluit onderdeel is van een aantal instrumenten dat de internationale gemeenschap heeft aangenomen in reactie op de wereldwijde dreiging van (georganiseerde en gewapende) terroristische groepen. Vlak na de aanslagen van 11 september 2001 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in Resolutie 1373 alle lidstaten verplicht enkele terroristische daden strafbaar te stellen in hun nationale strafwetgeving, opdat de daders door hen konden worden vervolgd en berecht. Naar aanleiding daarvan is het Kaderbesluit aangenomen en uiteindelijk geïmplementeerd door de Wet terroristische misdrijven. In deze instrumenten wordt onder meer benadrukt “States [have] to work together urgently to prevent and suppress terrorist acts, including through increased cooperation and full implementation of the relevant international conventions relating to terrorism.” Het doel van deze instrumenten, te weten berechting van terrorismeverdachten door nationale rechtbanken op basis van nationale terrorismewetgeving, is van groot belang.87 Een interpretatie van de uitsluitingsclausule waardoor terrorismeverdachten niet op basis van nationale terrorismewetgeving zouden kunnen worden vervolgd voor hun strafbare terroristische daden, omdat deze in oorlogstijd zijn gepleegd, valt hiermee in redelijkheid niet te verenigen.

7.43

Deze opvatting vindt steun in de LTTE-uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg. Hoewel deze uitspraak niet specifiek ziet op de werkingssfeer van het Kaderbesluit, maar op verordening nr. 2580/2001 en gemeenschappelijk standpunt 2001/931, zijn al deze instrumenten vastgesteld om binnen de Europese Unie uitvoering te geven aan bovengenoemde Resolutie 1373. In deze uitspraak wordt in het algemeen overwogen dat “het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet de toepassing van de bepalingen van het Unierecht inzake het terrorisme op eventuele in dat kader gepleegde terroristische daden uitsluit”.88

Conclusie

7.44

De rechtbank concludeert dat leden van georganiseerde gewapende groepen geen beroep kunnen doen op de uitsluitingsclausule en dat de terrorismebepalingen van het Kaderbesluit en de Nederlandse wetgeving die daaraan uitvoering geeft ten volle op hen van toepassing zijn. De verdachten kunnen worden vervolgd voor terroristische misdrijven zoals strafbaar gesteld in de Nederlandse terrorismewetgeving.

7.45

Gelet op de vaststellingen en overwegingen van de rechtbank omtrent het bestaan van een gewapend conflict en de werkingssfeer van overweging 11 van de Preambule van het Kaderbesluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om het Hof van Justitie hierover een prejudiciële vraag te stellen. Het daartoe strekkende (voorwaardelijke) aanhoudingsverzoek van de verdediging wordt dan ook afgewezen

8 Terroristische misdrijven

8.1

De wetgever heeft in artikel 83 Sr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a Sr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. Deze omschrijving stemt nagenoeg overeen met die in het Kaderbesluit van de Europese Unie dd. 13 juni 2002 (PbEU L164) waaraan de Wet terroristische misdrijven (Stb 2004, 290) uitvoering heeft gegeven.

8.2

In de rechtspraak wordt onder oogmerk meestal verstaan het naaste doel dat met de verweten handeling wordt nagestreefd. Beslissend is dus niet welk motief de dader voor zijn handeling had of het uiteindelijke doel dat hem daarmee voor ogen stond. Voor de betekenis die in artikel 83a Sr aan het bestanddeel oogmerk moet worden gegeven is nog van belang dat waar in de Nederlandse tekst van het Kaderbesluit de term oogmerk wordt gebruikt de Engelse, Duitse en Franse tekst daarvan steeds spreken over het doel waarmee het feit wordt gepleegd.89

8.3

Het naaste doel dat met het terroristisch misdrijf wordt nagestreefd moet dus zijn het ernstige vrees aanjagen van (een deel van) de bevolking van een land, het wederrechtelijk dwingen van een overheid (of internationale organisatie) of het ontwrichten of vernietigen van de fundamentele structuren van een land (of internationale organisatie). De Wet terroristische misdrijven geeft ook op dit punt uitvoering aan het Kaderbesluit. Dit verplicht de lidstaten van de Europese Unie zonder enig voorbehoud tot strafbaarstelling van terroristische misdrijven in welk land en tegen welke overheid ook begaan.

8.4

In haar vonnis d.d. 1 december 201490 heeft deze rechtbank aandacht besteed aan de door leden van de CDA-fractie in de Eerste Kamer opgeworpen vraag91 die ook in deze strafzaken speelt: vallen gewapende acties tegen een regime dat zich schuldig maakt aan systematische en ernstige schending van fundamentele mensenrechten en de ondersteuning daarvan onder de werking van de artikelen 83 en 83a Sr?92 Zij heeft uit het antwoord van de minister van justitie daarop93 afgeleid dat de regering van oordeel was dat deze artikelen ook in dergelijke gevallen materieel van toepassing zijn. De raadslieden van Imane B., Oussama C. en Moussa L. hebben betoogd dat de rechtbank zich op dit punt heeft vergist. Daarin hebben zij gelijk. De minister heeft de vraag niet zo ongeclausuleerd bevestigend beantwoord als de rechtbank veronderstelde. Het antwoord van de minister luidde als volgt: “Met deze leden ben ik van mening dat bepaalde daden nimmer te rechtvaardigen zijn met het doel een abject regime ten val te brengen. Zij noemden als voorbeeld het vrees aanjagen van de bevolking door aanslagen op de bevolking, teneinde een regime te destabiliseren. De artikelen 83 en 83a Sr zijn in dergelijke gevallen dan ook materieel van toepassing”. De minister lijkt hiermee inderdaad, zoals deze raadslieden betogen, niet alle daden van verzet tegen een abject regime als terroristisch te willen bestempelen.

8.5

Het antwoord van de minister biedt echter geen enkel houvast om in een concreet geval te bepalen welke daden van geweld tegen welk regime mogelijk niet onder de werking van de artikelen 83 en 83a Sr zouden vallen. De leden van de CDA-fractie die de vraag hadden opgeworpen lijken dat ook niet te hebben verwacht; toen zij hun vraag - “Andersoortige [dan die tegen de burgerbevolking] gewelddaden tegen met name het repressieve apparaat van zo’n regime zijn wellicht wel te billijken” – stelden, anticipeerden zij er al op dat “de minister zou kunnen antwoorden dat dit alles moeilijk in wetsteksten is te vatten en verdachten zich kunnen beroepen op straf- of schulduitsluitingsgronden” en dat de minister “zou […] kunnen verwijzen naar toepassing van het opportuniteitsbeginsel”.

8.6

Het summiere en niet erg heldere antwoord van de minister betekent in elk geval niet dat daarmee de reikwijdte van artikel 83a Sr is ingeperkt. Het gaat daarin om de bescherming van niet alleen de bevolking maar ook de fundamentele structuren van elk land, dus ook Syrië, en elke overheid of internationale organisatie, dus ook de Syrische.

8.7

De rechtbank onderkent dat onbeperkte toepassing van de terrorismebepalingen problematisch of zelfs ongewenst kan zijn in gevallen van gerechtvaardigd gewapend verzet tegen een regime dat elke legitimiteit heeft verloren. Zij moet echter ook vaststellen dat de wetgever hiervoor geen (generieke) uitzondering heeft gemaakt. In een concreet geval kan slechts een uitweg worden gevonden doordat het Openbaar Ministerie om redenen van opportuniteit afziet van vervolging of de rechter een beroep op een straf- of schulduitsluitingsgrond honoreert.

8.8

Dit brengt de rechtbank op een bespreking van het beroep dat de verdediging van Imane B., Oussama C. en Moussa L. heeft gedaan op een verzetsrecht dat aan hun cliënten zou toekomen. Zij heeft zich daarbij laten inspireren door een opstel van prof. mr. J. Remmelink uit 1985.94 Remmelink stelt daarin dat opstand tegen een tiranniek regime rechtens toelaatbaar is en schetst met verwijzingen naar schaarse naoorlogse Nederlandse rechtspraak de inhoud van een daarop gebaseerd verzetsrecht als ongeschreven rechtvaardigingsgrond in de situatie dat verzet wordt gepleegd tegen een vijandige bezettingsmacht. De conclusie die Remmelink uit zijn verkenning trekt is dat een verzetsdaad – nota bene: van het Nederlandse verzet tegen de Duitse bezetter - alleen dan rechtmatig werd geacht, indien ten minste (i) het motief van de dader zuiver was, (ii) de daad objectief dienstbaar was aan het nationale belang en (iii) voldaan was aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

8.9

Als er naar geldend Nederlands recht al zoiets als een verzetsrecht bestaat95, dan leidt dit een slapend bestaan, zoals de verdediging van Imane B., Oussama C. en Moussa L. ook zelf erkent. Dat ligt ook wel voor de hand. Er bestaat immers geen recht van verzet tegen de eigen democratische overheid96. Wat de verdediging van de rechtbank vraagt is het slapende verzetsrecht wakker te kussen. De invulling die de verdediging in de zaken tegen hun cliënten aan dat verzetsrecht geeft, staat echter alleen al op het eerste gezicht mijlenver van wat Remmelink voor ogen stond. Volgens Remmelink kunnen verzetsdaden tegen een eigen tiranniek regime en tegen een buitenlandse bezettingsmacht gerechtvaardigd zijn, maar alleen als ten minste voldaan is aan de eisen van zuiverheid van oogmerk, dienstbaarheid aan het doel van het verzet, proportionaliteit en subsidiariteit. Wat de verdediging van Imane B., Oussama C. en Moussa L. daarentegen bepleit is een onvoorwaardelijke straffeloosheid van hun Nederlandse cliënten voor alle door hen in Nederland gepleegde strafbare feiten97 omdat deze direct dan wel indirect gerelateerd zouden zijn aan de gerechtvaardigde strijd van het Syrische volk tegen het regime van president Assad, inclusief de bedreiging en/of belediging van politieambtenaren door Moussa L.98. De rechtbank slaat de uitnodiging van de verdediging een degelijk verzetsrecht wakker te kussen beleefd af.

8.10

De rechtbank heeft in hoofdstuk 6 vastgesteld dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en ISIS het regime van president al-Assad ten val willen brengen en een zuiver islamitische samenleving of staat willen vestigen en dat de misdrijven die zij daartoe, maar ook geheel los daarvan, plegen mede tot doel hebben grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan te jagen. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d., worden dus begaan met een door en door terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven.

8.11

Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven. Van alle verdachten is bekend99 dat zij zich zeer betrokken voelden bij de ontwikkelingen in Syrië en het nieuws daarover op de voet volgden. Het kan dan ook niet anders dan dat zij dit moeten hebben geweten.

9 Overige niet-ontvankelijkheidsverweren

Toezegging omtrent uitblijven vervolging? (Jordi de J.)

9.1

Door de verdediging van Jordi de J. is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie het recht om Jordi de J. te vervolgen heeft verspeeld en het daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vervolging. Meer in het bijzonder is daartoe betoogd dat Jordi de J. na zijn terugkeer uit Syrië contact heeft gehad met medewerkers van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en dat door de aard, de omvang en de inhoud van die contacten bij hem het vertrouwen is gewekt dat er geen strafvervolging zou worden ingezet. Dit valt het Openbaar Ministerie volgens de verdediging toe te rekenen.

9.2

De officieren van justitie hebben in reactie hierop betoogd dat (a) niet is vastgesteld dat Jordi de J. daadwerkelijk contact heeft gehad met medewerkers van de AIVD en (b) dat hij, indien zulk contact er wel is geweest, daaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd. Niet-ontvankelijkverklaring is volgens de officieren van justitie alleen op zijn plaats in geval het gaat om vertrouwen dat voorkomt uit uitlatingen die aan het Openbaar Ministerie zijn toe te rekenen. Het Openbaar Ministerie opereert, aldus de officieren van justitie, onafhankelijk van de AIVD en deze dienst is ook niet nauw gelieerd aan het Openbaar Ministerie.

9.3

De rechtbank overweegt als volgt.

9.4

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad100 dat een vervolging door het Openbaar Ministerie onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet of niet verder zal worden vervolgd.

9.5

De rechtbank acht, gelet op hetgeen Jordi de J. (achter gesloten deuren) heeft verklaard, aannemelijk dat hij, nadat hij uit Syrië was teruggekeerd, contact heeft onderhouden met de AIVD. Uit zijn verklaringen kan echter niet worden afgeleid dat door medewerkers van die dienst bij gelegenheid van die contacten een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan dat strafvervolging achterwege zou blijven. Dit is ook overigens niet gebleken. Het is ook niet aannemelijk geworden dat de medewerkers van de AIVD zich jegens Jordi de J. zodanig hebben gedragen dan wel jegens hem zodanige uitlatingen hebben gedaan, dat Jordi de J. er niettemin, gerechtvaardigd, op mocht vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden. De door de verdediging aangehaalde opmerking ‘jij helpt niet alleen ons, wij helpen ook jou’ is in dit verband onvoldoende, nu het verlenen van hulp aan Jordi de J. niet zonder meer kan worden opgevat als dat ervoor zou worden gezorgd dat hij niet zou worden vervolgd. De rechtbank acht overigens wel plausibel dat Jordi de J. in de veronderstelling is komen te verkeren dat strafvervolging zou uitblijven, maar dit doet aan het vorenstaande niet af. Het verweer faalt reeds hierom.

9.6

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, zelfs als zou het voorgaande anders zijn, dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet raakt. De AIVD opereert onafhankelijk van het Openbaar Ministerie en is geen dienst die met (het nemen van) vervolging(sbeslissingen) is belast.

9.7

De stelling van de verdediging dat de officieren van justitie in hun repliek hebben erkend dat een toezegging van de AIVD aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend, volgt de rechtbank niet. In hun repliek hebben de officieren van justitie het volgende naar voren gebracht:

Indien wij op de hoogte waren geweest van een vermeende toezegging dan wel vermeend gerechtvaardigd vertrouwen op niet-vervolging, waren wij – uiteraard – niet overgegaan tot aanhouding en voorlopige hechtenis.

9.8

De rechtbank begrijpt deze uitlating van de officieren van justitie aldus dat zij hebben willen aangeven dat als er sprake zou zijn geweest van een toezegging of uitlatingen of gedragingen die als zodanig konden worden opgevat, het Openbaar Ministerie Jordi de J. wél zou hebben vervolgd, maar geen dwangmiddelen zou hebben ingezet.

9.9

De rechtbank merkt ten slotte nog op dat zij bij de overwegingen omtrent de strafmaat op de contacten van Jordi de J. met medewerkers van de AIVD zal terugkomen.

Benutten alternatieven voor strafvervolging (Azzedine C. )

9.10

De verdediging van Azzedine C. heeft betoogd dat er sprake is van een vormverzuim omdat het Openbaar Ministerie, ondanks het bestaan van voor de hand liggende alternatieven voor strafrechtelijke vervolging, zeker ten aanzien van de ten laste gelegde opruiing, die alternatieven niet heeft benut. Dit vormverzuim moet volgens de verdediging leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdediging verwezen naar de EHRM-uitspraak in de zaak Ceylan tegen Turkije101 en daaruit afgeleid dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen om Azzedine C. , alvorens hem voor opruiing te dagvaarden, te waarschuwen dat dagvaarden het gevolg van zijn handelen zou kunnen zijn.

9.11

De rechtbank kan niet volgen hoe de verdediging aan genoemde uitspraak deze gevolgtrekking kan verbinden. In die uitspraak kan hooguit een vermaning gelezen worden aan een staat om terughoudend te zijn met vervolging van hen die kritiek op die staat leveren. Daarvan is in deze zaak in het geheel geen sprake. Er is dus geen sprake van een vormverzuim. Het verweer faalt.

10 Opvattingen van de verdachten over de gewapende jihadstrijd in Syrië

10.1

Een belangrijk beginsel van het Nederlandse strafrecht is dat gedachten, denkbeelden, opvattingen en overtuigingen niet strafbaar kunnen zijn. Niettemin zal de rechtbank in dit hoofdstuk beschrijven wat bekend is geworden over enkele opvattingen van de verdachten omdat deze van belang kunnen zijn voor de duiding van de hen verweten feitelijke gedragingen, waaronder door hen ondernomen activiteiten, gedane uitlatingen, gemaakte plannen en gevoerd overleg.

10.2

De rechtbank zal zich hierbij beperken tot hun opvattingen over de gewapende jihadstrijd in Syrië en de deelname daaraan door uit Nederland afkomstige moslims. Alle ter zitting verschenen verdachten hebben verklaard moslim te zijn102 en ongetwijfeld zijn hun opvattingen hierover verankerd in een breder islamitisch gedachtegoed, maar een bespreking daarvan is niet van belang voor een beoordeling van de hen tenlastegelegde feiten. Die hebben immers (bijna) alle betrekking op uitsluitend de gewapende jihadstrijd in Syrië. Welke de opvattingen van de verdachten zijn, leidt de rechtbank af uit wat zij zelf hebben verklaard en geschreven, zonder daarbij acht te slaan op de aan hen toegeschreven en als opruiend tenlastegelegde uitlatingen103, op de waarnemingen van anderen en/of hun gedragingen.

10.3

De getuige-deskundige De Koning heeft Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H. en Soufiane Z. de ‘inner circle’ genoemd van de Haagse activistische da’wah groep waarnaar hij onderzoek heeft gedaan.104 Deze inner circle bestond in de periode vanaf de zomer van 2012 tot de zomer van 2014 steeds uit deze zelfde vier personen.105 Op grond van zowel afzonderlijke als gezamenlijke gesprekken met hen heeft hij geconcludeerd dat zij, uiteraard met nuances, dezelfde ideologie deelden.106 Een belangrijk element daarin was dat zij achter de militaire jihad stonden zoals deze door Al Qaida wordt gevoerd.107 Ook deelden zij de opvatting dat, zonder dat een Kalief daartoe oproept, alle moslims, in ieder geval de mannen, individueel verplicht zijn deel te nemen aan de gewapende jihad als ergens ter wereld een moslimland wordt aangevallen.108 De opvatting dat deelneming aan de gewapende jihad in Syrië een individuele verplichting (fard al-ayn) is voor alle moslims werd door de leden van de inner circle uitgedragen in Facebookdiscussies en in discussies met De Koning zelf.109 Over het algemeen probeerde men overigens naar buiten toe, dat wil zeggen in contacten met journalisten, niet te expliciet over de (theologische verdediging van de) jihad te praten, maar de nadruk te leggen op de onrechtvaardigheid en de verschrikkingen van Assad.110

10.4

Omdat in hun opvatting in Syrië een strijd op het pad van Allah (jihad fi sabil Allah) gaande is en deelneming daaraan een individuele verplichting is voor alle moslims, voldoen de mujahidun aan de wil van Allah en als zij sneuvelen zijn zij martelaren. Zij zijn gevallen voor Allah111, zij zijn de meest voorbeeldige moslims en krijgen toegang tot het paradijs.112

10.5

De Koning heeft ter zitting verklaard over een openhartig gesprek met onder anderen Azzedine C. , Rudolph H. en Soufiane Z. over ‘de zegeningen van de sharia’ en in dat verband over hen gezegd: “Ze zijn betrokken geweest bij De Banier of kenden in ieder geval die teksten erg goed. De Banier gaf hun ideologische lijn wel goed aan.”113 ‘De Banier’ is een Nederlandstalig manifest dat in oktober 2013 op het internet werd gepubliceerd. Het brengt het gedachtegoed van het mondiaal jihadisme op een indringende wijze voor het voetlicht en kan worden beschouwd als een instrument om de jihadistische ‘narrative’ te ondersteunen.114 Een veelzeggend fragment uit het pamflet luidt als volgt: “De Islamitische geschiedenis wordt geschreven met twee lijnen: het ene zwart, geschreven met het inkt van de pen van een geleerde, en de andere rood, geschreven met het bloed van de Martelaar. Geschiedenis wordt niet geschreven, behalve met bloed. Glorie wordt niet gebouwd, behalve met schedels. Eer en respect kunnen niet gevestigd worden, behalve op een fundament van gewonden en lijken”.115

10.6

De verklaringen van De Koning over de opvattingen van Oussama C. over deelname aan de jihadstrijd in Syrië worden bevestigd door wat blijkt uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen Oussama C. en een NN-vrouw waarin hij over zichzelf zegt dat hij in Nederland één van de grootste voorstanders van de jihad is (maar dat je daar alleen niet 24 uur per dag over moet praten omdat je jezelf dan in gevaar brengt)116 en zegt “natuurlijk” voorstander te zijn van martelaarsoperaties (d.w.z. zelfmoordaanslagen).117 Bovendien heeft Oussama C. , geheel in lijn met wat De Koning daarover verklaard heeft, ter terechtzitting118 zijn grote bewondering uitgesproken voor jongens die vanuit Nederland naar Syrië zijn vertrokken om daar deel te nemen aan de gewapend strijd. Zij zijn ‘helden in een nobele strijd’. De rechtbank belicht hier nog een belangrijk aspect in de opvatting van Oussama C. over de gewapende jihadstrijd in Syrië: bij hem ligt de nadruk niet op het omverwerpen van het regime van Assad, maar op het vestigen van Gods wet.119

10.7

De verklaringen van De Koning over de opvattingen van Azzedine C. over deelname aan de jihad in Syrië worden volop bevestigd door andere bewijsmiddelen. De Koning heeft over Azzedine C. ook nog verklaard dat hij in het conflict tussen Jahbat al-Nusra en ISIS duidelijk partij koos voor ISIS.120 Ook dit wordt door andere bewijsmiddelen ondersteund. Zo heeft Azzedine C. zich vanaf 2013 in de media opgeworpen als woordvoerder van de Syriëgangers en zich daarbij volledig geïdentificeerd met hun doel en motieven. In het programma Nieuwsuur zei hij hierover: ‘We leven voor de dood na het leven. Het is niet eng om daar te sterven. De beste dood voor de islam is de martelaarsdood”.121 En in de afgeluisterde gesprekken die Azzedine C. , Rudolph H. en Betrokkene 1 op 17 en 18 mei 2014 met elkaar voerden toont Azzedine C. zich een overtuigde jihadist en uitgesproken aanhanger van ISIS.122 Ter zitting heeft Azzedine C. dit laatste onomwonden bevestigd. Dat Azzedine C. deelneming aan de gewapende jihad in Syrië een goede zaak vindt, blijkt uiteraard ook uit zijn eigen poging om in maart 2013 samen met Soufiane Z. daaraan te gaan deelnemen.123

10.8

Rudolph H. heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting voorafgaand aan de zitting jihad ‘het meest controversiële onderwerp van de islam vandaag de dag’ genoemd en vervolgens een uiteenzetting daarover gegeven ‘ten einde aan te tonen dat jihad onderdeel is van de islam (in zijn algemeen)’. Hij bespreekt de verschillende vormen van jihad, waaronder de defensieve en de offensieve fysieke strijd, en uiteenlopende opvattingen over (aspecten van) dit ‘uitgebreide en complexe onderwerp’. Ter zitting gevraagd naar zijn eigen opvatting hierover verbaasde hij de rechtbank met zijn antwoord dat hij zich nog onvoldoende in dit (volgens hem onmiskenbaar belangrijke) onderdeel van de islamitische geloofsleer had verdiept om daarover een uitspraak te kunnen doen. Hij noemde het echter ook een gevaarlijk onderwerp, wat alleen al bleek uit de huidige strafzaak, en ook daarom onthield hij zich liever van een antwoord. Hij gaf ook geen antwoord op de vraag of er momenteel in Syrië nu wel of niet sprake is van een theologisch gerechtvaardigde jihad en op de vraag of er nu wel of niet een individuele verplichting voor moslims bestaat om daaraan deel te nemen. Het is uiteraard het goed recht van Rudolph H. deze vragen niet te beantwoorden, maar hij overschatte de goedgelovigheid van de rechtbank toen hij zei dat hij dit deed omdat hij nog niet aan een eigen opvatting hierover was toegekomen. Uit de verklaringen van De Koning blijkt immers dat Rudolph H. in zijn contacten met hem deze bescheidenheid niet aan de dag legde. Hierboven (in 10.3 t/m 10.5) heeft de rechtbank kort samengevat wat De Koning verklaard heeft over de opvattingen van de inner circle, waaronder Rudolph H., over de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank beschouwt De Koning als een nauwkeurig en deskundig waarnemer en betrouwbare getuige. Zij acht het uitgesloten dat De Koning niet goed zou hebben begrepen wat ook Rudolph H. hiervan vond. Bovendien was Rudolph H. dé man achter de website De Ware Religie (DWR). De deskundige Peters heeft DWR getypeerd als een website waarop de gewapende strijd in Syrië wordt verheerlijkt, met een duidelijke sympathie voor terroristische organisaties zoals IS en al-Qaeda.124 En op de FAQ-pagina van DWR wordt de vraag “Wat is jullie mening met betrekking tot de afgereisde mujahidien in Syrië?” als volgt beantwoord: “het zijn onze mujahidien die, zo verschillend zoals ze zijn, voor één doel zij aan zij zijn gaan strijden. Moge Allah hun laten slagen zowel hier als in het hiernamaals.” Ten slotte wijst de rechtbank hier nog op de mail van DWR, lees Rudolph H., aan de NCTV d.d. 20 juni 2014 met daarin de zin: “Wij, van DeWareReligie.nl sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahidien van Jabhat Al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam”.125

10.9

Volgens De Koning behoort Moussa L. tot de ‘outer circle’ van de door hem onderzochte Haagse groep. Hij beschrijft hem als een ‘graag geziene meeloper’ en als iemand die er graag bij wilde horen.126 Het ligt daarom wel voor de hand om aan te nemen dat de opvattingen van Moussa L. over de gewapende jihad in Syrië min of meer dezelfde zijn als die van de inner circle, maar De Koning meldt hierover niets en ook overigens bevat het dossier hierover niets concreets.127

10.10

De Koning rekent met een flink voorbehoud ook Jordi de J. voor diens vertrek naar Syrië tot de ‘outer circle’ van de groep.128 Hij heeft niet verklaard over de opvattingen van Jordi de J. over de gewapende jihadstrijd in Syrië. Ook overigens bevat het dossier hierover niets concreets. De rechtbank verwijst hier nog naar hoofdstuk 16 van dit vonnis waarin zij gemotiveerd zal uiteen zetten waarom zij onvoldoende bewijs aanwezig acht dat Jordi de J. zich voor zijn vertrek naar Syrië ‘het radicaal extremistische gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd’ heeft eigen gemaakt.

10.11

Bij haar aanhouding werd in de toilettas van Imane B.129 een notitieboekje aangetroffen met daarin naar alle waarschijnlijkheid door haar geschreven huiswerkopdrachten voor Koranlessen en aantekeningen voor een lezing of opstel. Deze aantekeningen geven blijk van een godsdienstig gemotiveerde haat tegen sjiieten (en democraten, atheïsten en zionisten) en steun aan ISIS.130 Dat de opvattingen van Imane B. geheel overeenstemmen met die van haar echtgenoot blijkt ook uit een op 4 april 2014 afgeluisterd telefoongesprek tussen hen beiden. Daarin vertelt Imane B. Azzedine C. over een discussie met anderen op twitter over kinderen in Syrië die doodgaan en zelfmoordoperaties van ISIS, waaraan zij een einde had gemaakt door iemand toe te voegen: “En jij zal aansprakelijk worden gehouden [op de dag des oordeels] voor elke persoon die afkeer heeft gekregen van jihad door hetgeen jij zei”.131

10.12

De rechtbank zal hierna (in hoofdstuk 17) gemotiveerd uiteenzetten op grond waarvan zij onder meer wettig en overtuigend bewezen acht dat Hicham el O. in de periode tussen 21 januari en augustus 2013 in Syrië heeft deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd. Een overtuigender bewijs over zijn opvattingen daarover in die periode is moeilijk te vinden.

10.13

Datzelfde geldt voor Hatim R. en Anis Z. in de periode van respectievelijk 1 maart 3013 tot en met 31 oktober 2014 en 1 februari 2013 tot en met 31 oktober 2014.

11 Opruiing en verspreiding ter opruiing, het juridisch kader

Tenlastelegging

11.1

Aan zes verdachten is ten laste gelegd – kort gezegd – dat zij hebben opgeruid tot het plegen van strafbare feiten132 en dat zij geschriften en/of afbeeldingen ter opruiing hebben verspreid en in voorraad hebben gehad. De strafbare feiten waarop de opruiing betrekking zou hebben betreffen het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

11.2

Zoals hiervoor reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat het deelnemen aan die gewapende jihadstrijd strafbare feiten oplevert als bedoeld in artikel 83 Sr.133

11.3

De tenlastelegging bevat ten aanzien van het onderdeel opruiing verwijzingen naar het medium (website, digitale radiozender, Youtube, Twitter, Facebook, demonstraties) waar de ten laste gelegde uitingen zouden zijn gedaan. Per medium is in sommige gevallen een concrete beschrijving van de inhoud van de uiting gegeven met verwijzing naar de vindplaats in het dossier. Soms is volstaan met alleen een verwijzing naar de betreffende pagina’s waarop de uitingen in het dossier te vinden zijn. In het geval van de Facebookpagina Shaam al-Ghareeba betreft het een verwijzing naar de beschreven uitingen op 100 pagina’s.

11.4

Gelet op deze weliswaar ruime, maar wel concrete verwijzingen, alsmede op de uitvoerige bespreking ter terechtzitting van de betreffende uitingen is de rechtbank van oordeel dat het voor verdachten voldoende duidelijk is tegen welke concrete beschuldigingen zij zich hebben moeten verweren. Het beroep op partiële nietigheid van de dagvaarding wordt daarom verworpen.

11.5

Het OM heeft de rechtbank verzocht de verwijzingen in de tenlastelegging slechts als vingerwijzing te zien en ook andere uitingen in het dossier in de beoordeling te betrekken. De rechtbank is (met de verdediging) van oordeel dat de beraadslaging uiteraard dient plaats te vinden “op den grondslag der tenlastelegging”. Zij zal derhalve uitsluitend die uitingen beoordelen waar de tenlastelegging blijkens de hiervoor genoemde verwijzingen op is gericht.

Juridisch kader

11.6

Opruiing is strafbaar gesteld in artikel 131 Sr. Dit artikel luidt als volgt:

1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

11.7

Strafbare opruiing is het aanzetten tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Tussen de opruiing en het strafbare feit waartoe wordt opgeruid dient een rechtstreeks verband te bestaan. De opruiing kan op directe of indirecte wijze plaatsvinden.

11.8

Opruiing is niet het dwingen van iemand tot een feit, maar veeleer het opwekken van de gedachte aan enig feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het verlangen op te wekken om dat feit te bewerkstelligen. Zij is dus een zodanige voorstelling van de wenselijkheid of noodzakelijkheid als geschikt is om de overtuiging daarvan bij anderen op te wekken.

11.9 Zij kan de vorm van een verzoek, een aansporing, aannemen, en ook in een imperatieve vorm worden gegoten. Opruiing kan ook liggen in het uiting geven aan hoge morele waardering voor een handeling.134

11.10

De opruiing is reeds voltooid als de uiting door de opruier is gedaan. Niet vereist is dat de opruiing enig resultaat heeft, bijvoorbeeld dat het publiek kennis heeft genomen van het opruiend geschrift. Of het feit waartoe wordt opgeruid volgt, doet er niet toe.135

11.11

Opruiing geschiedt in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding. Van opruiing in het openbaar is sprake wanneer de opruiing plaatsvindt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden geconsumeerd. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven.136

11.12

Verspreiding van opruiende geschriften of afbeeldingen is strafbaar gesteld in artikel 132 Sr. Dit artikel luidt als volgt:

1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.

3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

11.13

Voor het verspreiden van een geschrift of afbeelding ter opruiing geldt eveneens dat enig resultaat niet is vereist. De dader hoeft voorts niet te weten dat hetgeen waartoe wordt opgeruid, strafbaar is gesteld. Waar het om gaat is dat de dader aan de inhoud van een opruiend geschrift of afbeelding ruchtbaarheid wil geven.137

EVRM

11.14

Bij de beoordeling of een uiting of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt dient te worden getoetst aan de vrijheid van meningsuiting – zoals beschermd door artikel 10 van het EVRM – dat immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort. De rechtbank herhaalt hier dat een beperking van dit grondrecht alleen is toegestaan indien deze (i) bij wet is voorzien, (ii) een geoorloofd doel dient en (iii) noodzakelijk is in een democratische samenleving. De strafbaarstelling van opruiing en verspreiding ter opruiing is bij wet voorzien en dient een geoorloofd doel, te weten het voorkomen van andere strafbare feiten. Vervolgens moet worden getoetst of in een concreet geval deze wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang). Een aanvaardbare beperking van deze vrijheid dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit. Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden, maar zullen, naast de letterlijke betekenis van de uiting of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven.138

11.15

De jurisprudentie van het EHRM op dit gebied is sterk casuïstisch van aard en kan niet één op één worden toegepast op de onderhavige zaak. Wel is duidelijk dat artikel 10 van het EVRM een grote ruimte biedt tot het vrijelijk uitdragen van meningen, ook als die meningen choqueren, kwetsen of verontrusten. Dat vereisen het pluralisme, de tolerantie en ruimdenkendheid, die een democratische samenleving kenmerken. De grens ligt evenwel bij uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie. Bij de beoordeling of die grens is overschreden spelen vele factoren spelen een rol. Het is de wisselwerking tussen de diverse factoren, veeleer dan één enkele factor, die “context-specifiek” de uitkomst van die beoordeling bepaalt.139

Beoordeling door de rechtbank

11.16

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de ten laste gelegde uitingen en bestanden ter verspreiding de navolgende omstandigheden en factoren in aanmerking:

  1. de inhoud van de uiting;

  2. de context waarin de uiting heeft plaatsgevonden;

  3. de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan;

  4. e doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht;

  5. de kennelijke bedoeling van de uiting.

Ad a) de inhoud van de uiting

11.17

De rechtbank zal de uitingen in de eerste plaats beoordelen op hun letterlijke inhoud. Daarbij zij opgemerkt dat het verheerlijken of vergoelijken van (terroristische) misdrijven of terroristische organisaties in Nederland op zichzelf niet strafbaar is. Ook het voeren van propaganda, in de zin van het geven van eenzijdige informatie om aanhangers te winnen voor een bepaalde zaak, valt in beginsel niet onder de reikwijdte van artikel 131 en 132 Sr.

Ad b) de context waarin de uiting heeft plaatsgevonden

11.18

Aan uitingen van specifiek godsdienstige aard, zoals het verkondigen van het geloof of uitingen gedaan tijdens een religieuze bijeenkomst komt onder artikel 9 EVRM een grote mate van bescherming toe.140 Uitingen in een andere context, bijvoorbeeld tijdens openbare demonstraties, worden – ook indien zij religieus zijn geïnspireerd – in beginsel beoordeeld onder artikel 10 EVRM.141

11.19

Uitingen die worden gedaan in het kader van het maatschappelijk debat kunnen rekenen op een grotere mate van bescherming onder artikel 10 EVRM.142 Staten hebben betrekkelijk weinig ruimte om strafrechtelijk op te treden tegen degenen die zich mengen in het politieke of maatschappelijk debat, zeker als het gaat om kritiek op de overheid of maatschappelijke misstanden. Het zal dan moeten gaan om uitingen die in een democratie van publiek belang zijn. Wanneer deelnemers aan het maatschappelijke debat stijlmiddelen gebruiken als overdrijving, provocatie, satire en het uitlokken van reacties om aldus aandacht te vragen of te trekken voor hun visie op een maatschappelijk discussiepunt komt hen daarin een ruime mate van vrijheid toe.

11.20

De media spelen in een democratie een essentiële rol.143 Aan de inhoud van journalistieke uitingen, zoals feitelijke berichtgeving, interviews of nieuwsanalyses komt daarom onder artikel 10 EVRM een ruime mate van bescherming toe. Bij de beoordeling of deze uitingen de grens van de vrijheid van meningsuiting hebben overschreden, spelen de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid een grote rol.144

Ad c) de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan

11.21

De rechtbank herkent de vluchtigheid van het berichtenverkeer op social media als Twitter en Facebook. Dit is echter geen vrijbrief om berichten met een opruiende inhoud op het internet te slingeren. Er is meestal sprake van korte berichten, vaak voorzien van een plaatje of een hyperlink. De berichten worden snel geconsumeerd, meestal na oppervlakkige lezing. Voor nuance of analyse is geen tijd of ruimte. Dit relativeert enerzijds de diepte van de indruk die het bericht achterlaat, anderzijds legt het ook een grote verantwoordelijkheid bij de verzender. Immers, de boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft. Zeker wanneer in een kort tijdsbestek veelvuldig berichten met een bepaalde strekking worden verstuurd, heeft dit een versterkend effect op de boodschap die wordt uitgedragen.

11.22

In een aantal gevallen is de ten laste gelegde uiting een retweet van een bericht van een ander, al dan niet voorzien van commentaar van verdachte. De rechtbank onderschrijft dat op Twitter het uitgangspunt geldt: retweet is not endorsement. Dat brengt mee dat het retweeten van een bericht dat op zich als opruiend wordt beoordeeld in beginsel niet strafbaar is ingevolge artikel 131 Sr. Wel valt deze gedraging onder de reikwijdte van artikel 132 Sr. Dat is anders indien uit het commentaar van verdachte bij de retweet blijkt dat hij de inhoud onderschrijft, of wanneer het geretweete bericht past binnen een reeks van berichten van verdachte van dezelfde aard en/of strekking, binnen een bepaalde periode. Hetzelfde geldt ook voor het delen van een hyperlink.

Ad d) de doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht

11.23

De rechtbank zal telkens per gebruikt medium vaststellen op welk publiek de uiting kennelijk was gericht.

Tot slot

11.24

De rechtbank zal in het volgende hoofdstuk gelet op dit alles per uiting beoordelen of deze rechtstreeks aanzet tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië is een terroristisch misdrijf. Nederland heeft de internationale verplichting terrorisme te bestrijden.145 De beperking van de vrijheid van meningsuiting is dus bij wet voorzien, dient een geoorloofd doel en is noodzakelijk in een democratische samenleving. Met andere woorden, artikel 10 van het EVRM biedt geen schuilplaats aan hen die opruien tot terroristische misdrijven dan wel geschriften die daartoe opruien verspreiden.

12 Opruiing en verspreiding ter opruiing, zoals ten laste gelegd

(Azzedine C. , Rudolph H., Oussama C. , Moussa L., Imane B., Hatim R.)

12.1

Alvorens in te gaan op de concreet ten laste gelegde uitingen maakt de rechtbank enkele opmerkingen vooraf.

Opruiing én verspreiding

12.2

Verspreiding van opruiende geschriften of afbeeldingen en opruiing liggen veelal in elkaars verlengde. Daar waar de rechtbank opruiing bewezen acht, komt zij tevens tot bewezenverklaring van verspreiding, tenzij anders is aangegeven.

Incomplete berichten

12.3

Van een aantal ten laste gelegde uitingen of geschriften ter verspreiding is in het dossier slechts de titel of een screenshot terug te vinden. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze in beginsel niet tot bewijs kunnen dienen. De rechtbank dient aan de hand van de concrete, daadwerkelijke en volledige inhoud van een ten laste gelegde uiting te kunnen beoordelen of, de hiervoor genoemde factoren in aanmerking genomen, die uiting rechtstreeks opruit tot het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Geen rechtstreeks verband met deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië

12.4

Ten aanzien van een aantal ten laste gelegde uitingen komt de rechtbank tot het oordeel dat niet valt in te zien hoe deze rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met het opwekken van de gedachte aan deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, het trachten de mening te vestigen dat deze deelname wenselijk of noodzakelijk is of het verlangen op te wekken om die deelname te bewerkstelligen, of zelfs maar uiting geven aan hoge morele waardering voor die deelname. Sommige van deze uitingen zijn schokkend, moreel ronduit verwerpelijk of kunnen worden gezien als belediging van een groep mensen en/of het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld als bedoeld in de artikelen 137c en 137d Sr. Dit zijn echter niet de strafbare feiten waartoe blijkens de tenlastelegging zou zijn opgeruid. Ook uitingen die (kunnen) leiden tot polarisatiein de maatschappij, of die strekken tot verwerping van de democratie houden naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks verband met het aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Vlaggen

12.5

Onder de aan verdachten ten laste gelegde uitingen bevinden zich meerdere afbeeldingen van vlaggen of afbeeldingen van het gebruik van vlaggen. Het gaat dan in het bijzonder om (varianten van) de volgende vlaggen.

12.6

Verder aan te duiden als de tawheedvlag. De vlag bevat de tekst van de islamitische geloofsbelijdenis (“Er is geen god dan Allah; Mohammed is de gezant van Allah”).146

12.7

Verder aan te duiden als de zegelvlag. Het is een vlag die door al-Qaeda is ontworpen. Het ontwerp van deze vlag was gebaseerd op een uitvoerige studie van de islamitische religieuze en historische bronnen over de vlag van de profeet. Omdat niet bekend is hoe de vlag van de profeet er uitzag staat het niet vast dat de door al-Qaeda ontworpen vlag daadwerkelijk de vlag van de profeet of van de islam is. De zegelvlag is door ISI (Islamitische Staat in Irak), later ISIS/ISIL, thans IS geclaimd als hun officiële vlag.147

12.8

De rechtbank beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat de zegelvlag (los van de vraag of dit terecht is) wordt geassocieerd met de gewapende jihadstrijd en met ISIS (vanaf 29 juni 2014 IS) in het bijzonder. Deskundige De Koning heeft ter terechtzitting bevestigd dat die associatie er in september 2013 reeds was en dat de verdachten zich daar van bewust waren.148

12.9

Deskundige Van Koningsveld heeft desgevraagd gesteld dat aan de tawheedvlag en de zegelvlag een terroristische betekenis wordt toegekend omdat deze door jihadistische strijdgroepen als strijdvlaggen worden gevoerd. Deze vlaggen hebben een hybridisch karakter, omdat daarin elementen uit verschillende bronnen en periodes zijn samengebracht. In deze vorm zijn zij pas in de moderne tijd in gebruik gekomen, als strijdvlaggen in de jihad. Bij hedendaagse demonstraties en optochten zijn zij dan ook niet te beschouwen als “authentieke” profetische vlaggen die kunnen worden meegevoerd met de bedoeling om de boodschap van de islam op vreedzame wijze te verkondigen, zoals wel eens verluidt, maar als verkondiging van de soevereiniteit van de islam en als doelbewuste oproepen tot en ondersteuningen van de gewapende strijd in naam van de godsdienst.149

12.10

De rechtbank begrijpt de deskundige Van Koningsveld aldus dat de tawheedvlag en de zegelvlag (in de ten laste gelegde periode) symbool stonden voor de gewapende jihadstrijd. Het gebruik van die vlag of afbeeldingen daarvan moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook – minst genomen – worden gezien als verheerlijking van die gewapende jihadstrijd. Na het uitroepen van het kalifaat op 29 juni 2014 kan het gebruik van de zegelvlag of afbeeldingen daarvan naar het oordeel van de rechtbank ook worden gezien als steunbetuiging aan IS.

12.11

Zoals hiervoor in hoofdstuk 11 opgenomen, valt het verheerlijken van de gewapende strijd of het betuigen van steun aan een terroristische organisatie op zich zelf niet onder de reikwijdte van artikel 131 en 132 Sr. Bijkomende omstandigheden kunnen dat anders maken. Een aantal van de ten laste gelegde uitingen betreft het enkele gebruik of bezit van de zegelvlag of tawheedvlag of een afbeelding daarvan, zonder bijkomende omstandigheden. In die gevallen komt de rechtbank tot vrijspraak.

Rudolph H. (feit 1) en Azzedine C. (09/767174-13, feit 2)

A. De Ware Religie

12.12

De openbare website De Ware Religie werd in de ten laste gelegde periode beheerd door in ieder geval Rudolph H. .150 Als beheerder bepaalde hij de inhoud van de site.

Medeplegen Azzedine C.

12.13

Het dossier bevat aanwijzingen dat Azzedine C. een zekere mate van betrokkenheid had bij De Ware Religie.151 Zowel Rudolph H. als Azzedine C. hebben verklaard dat Rudolph H. de enige redacteur was van De Ware Religie. Dit wordt bevestigd door Getuige 5.152 Azzedine C. leverde columns en had daarvoor een account voor de site. Hij fungeerde in een aantal gevallen als klankbord voor Rudolph H. . Verder trad hij naar buiten als woordvoerder van De Ware Religie, vanwege de omstandigheden die samenhingen met de detentie van Rudolph H. in 2012, zo verklaren beiden. In dat licht zijn genoemde aanwijzingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen Rudolph H. en Azzedine C. dat sprake is van medeplegen van het beheer van (en daarmee het plaatsen van berichten op) De Ware Religie. Azzedine C. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Onderzochte publicaties

12.14

Door de politie is de inhoud van de website onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014153 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014154.

12.15

De samenvatting en conclusies van de politie155 komen er op neer dat de gehele inhoud van De Ware Religie opruiend moet worden geacht. De deskundige Peters komt tot een andersluidend oordeel en stelt dat de gewapende strijd wel wordt verheerlijkt op deze site, maar in mindere mate dan in de analyse in het proces-verbaal wordt voorgesteld. Naar zijn bevindingen geschiedt de verheerlijking van de strijd vooral in de anasheed, waarvan, gezien het feit dat de teksten in het Arabisch worden gezongen, de impact beperkt zal zijn. Naar zijn oordeel roept De Ware Religie op tot debat en is daardoor een serieuze salafistische156 website die overigens een duidelijke sympathie heeft voor terroristische organisaties zoals IS en al-Qaeda157. Deskundige De Koning beschrijft De Ware Religie als een website met als doelstelling om informatie te geven over de islam en het belangrijkste nieuws omtrent moslims en islam te brengen. De Ware Religie is uitgegroeid tot de belangrijkste spreekbuis van de door hem onderzochte activisten. De toon op de site was wisselend zakelijk, moraliserend en soms grof scheldend en provocatief.158

12.16

De rechtbank heeft de publicaties waar in de tenlastelegging naar wordt verwezen beoordeeld. De publicaties betreffen lezingen, opiniebijdragen en beeldmateriaal. De publicaties zijn geplaatst op een website die zich profileert als een website gericht op het verspreiden van nieuws en opinie omtrent islam en moslims. Daarnaast probeert de site op bepaalde vlakken extra theologische verdieping te geven als de actualiteit daar om vraagt. Naast het nieuws brengt de website ook theologische verdieping vanuit het oogpunt van de islam. Verder zegt de redactie van De Ware Religie (in 2013) er naar te streven om moslims en niet-moslims in te lichten over de hedendaagse omstandigheden van de islam op basis van de Quran en de Sunnah van de profeet Mohammed, en ook over de omstandigheden van de moslimgemeenschap.159 Een groot deel van de berichten houdt verband met de gewapende jihadstrijd in Syrië. De doelgroep waarop de publicaties kennelijk waren gericht betreft moslims. De site heeft een opbouw en indeling die past bij een nieuwssite. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden gesproken van een website met opiniërende, journalistieke berichtgeving. De kennelijke bedoeling van de publicaties was het op een journalistieke wijze brengen van (veelal propagandistisch) nieuws over de islam en de strijd en de strijders in Syrië, vanuit een salafistisch perspectief.

Lezingen Oussama C.

12.17

Via de website De Ware Religie zijn in juni 2013 vier lezingen van Oussama C. verspreid. Het betreft “De jeugd van tegenwoordig”, “Het Graf”, “Jihaad voor Allah” en “Drie grote tekenen voor de dag des oordeels”.160

12.18

De lezingen richten zich blijkens hun inhoud tot moslimbroeders en/of -zusters en hebben de vorm en inhoud van een preek. Een preek is een vermanende toespraak met daarin een levensles, een boodschap. Ze zijn alle (grotendeels) theologisch van aard en gepubliceerd op een salafistische website met een duidelijke sympathie voor terroristische organisaties zoals IS.161 Deskundige De Koning beschrijft de lezingen als volgt:162

“De lezingen van Oussama C. zijn gericht op enerzijds het vermanen van mensen met betrekking tot hun zondige levensstijl en anderzijds het focussen van de aandacht en praktijken van mensen op wat het

belangrijkste is: de aanbidding van God. (…)

Op deze manier onderwijst Abou Yazeed wat het betekent om moslim te zijn, om deel uit te maken van een bepaalde gemeenschap, hoe ze die gemeenschap kunnen herkennen, en hoe zij zichzelf kunnen herkennen als lid van die gemeenschap, waardoor identiteit en (verwachtingen omtrent) gedrag bij elkaar zouden moeten komen. Het gaat daarbij niet zozeer om een tegenstelling tussen het aardse leven en de aanbidding van God als wel om het herstructureren van het aardse leven zodat het individu toegang krijgt tot het paradijs. Leven en dood zijn dus nauw met elkaar verbonden. Het gedenken van de dood (en tegelijkertijd de onverwachtheid ervan), van de kwellingen van het graf, van de dag des oordeels en van God dienen om mensen de juiste morele gevoeligheden en praktijken te laten ontwikkelen en geven tegelijkertijd een doel voor en zin aan die gevoeligheden en praktijken.

Voor Abou Yazeed zijn het de islamitische martelaren die sneuvelen in de strijd op het pad van God die de hoogste vorm van aanbidding hebben bereikt, de meest voorbeeldige moslims zijn en toegang krijgen tot het paradijs. Lezingen als deze gaan uit van het idee dat toehoorders een alternatieve leefstijl en wereldbeschouwing ontwikkelen die voor hen in werkelijkheid logischer, bevredigender en rechtvaardiger is dan hun huidige levensstijl. Abou Yazeed delegitimeert op deze manier de reguliere overdracht door ouders en reguliere moskeeën (die bijvoorbeeld niet over jihad en over dajjal spreken) en de hedendaagse levensstijl van jongeren en het perspectief van andere moslims omdat die niet gebaseerd zou zijn op de ‘ware’ islam. Uiteindelijk kunnen de eschatologische islamitische tradities met hun nadruk op leven en dood, martelaarschap en gedragsverandering veel verschillende betekenissen hebben voor individuen afhankelijk van hun eigen religieuze socialisatie, persoonlijke omstandigheden en ambities.”

12.19

In “De jeugd van tegenwoordig” en “Drie grote tekenen voor de dag des oordeels” wordt geen verband gelegd met de actuele situatie in Syrië. Gelet op de overige theologische inhoud van deze lezingen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze lezingen rechtstreeks aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank zal daarom Rudolph H. van deze onderdelen vrijspreken.

12.20

De lezing “Jihaad voor Allah” is in het dossier letterlijk uitgewerkt.163 Deskundige De Koning beschrijft de lezing als volgt:164

In zijn lezing grijpt Abou Yazeed voortdurend terug op schriftelijke bronnen van de islam zoals de koran, hadiths en uitspraken van islamitische predikers. Hij stelt dat de veelgehoorde opvatting dat jihad heilige oorlog betekent, onjuist is. Volgens Abou Yazeed is het belangrijkste doel van jihad (in de betekenis van strijd op het pad van God) om de mensen enkel en alleen God te laten aanbidden en hen van een aanbidding van het wereldse naar een aanbidding van God te brengen. Dit laatste is een motief dat voortdurend terugkomt in de lezingen van

Abou Yazeed: mensen dienen minder gericht te zijn op de geneugten van het wereldlijke leven en ze dienen zich te richten op het aanbidden van God. Jihad is volgens hem niet zozeer bedoeld om mensen te bevrijden van onderdrukking, maar om de missie van het verspreiden van de islam te beschermen. (…)

Vervolgens beperkt Abou Yazeed het onderwerp van zijn lezing tot de gewapende jihad (in plaats van

de innerlijke jihad): de aanvallende en verdedigende jihad. Dit is de vorm van jihad die, zo stelt hij,

door ongelovigen bestempeld wordt als terrorisme (…).

Volgens hem moet dit niet gezien worden als “haatprediken” of “terrorisme”, maar als “één van de pilaren waar islam op staat”. Om dat te bewijzen komt Abou Yazeed in de rest van zijn lezing met tal van voorbeelden uit de islamitische tradities: koranverzen, hadith en verhalen uit de tijd van de vrome voorgangers (de metgezellen van de profeet) en uit de tegenwoordige tijd. Op die manier laat Abou Yazeed zien hoe het verrichten van jihad het meest geliefd zou zijn door God (na het verrichten van het gebed en het eerbiedigen van de eigen ouders), de beste manier van leven en met als resultaat een ‘prachtige eindbestemming’ (rechtstreekse toegang tot het paradijs). In de huidige situatie verwijst hij naar Afghanistan, Mali, Tsjetsjenië, Palestina en Sham (Groot-Syrië) en stelt hij dat daar zeker sprake is van jihad fi sabil AllaH. (…).

Aan het einde van de lezing sluit Abou Yazeed af met enkele smeekbedes richting God waarin

hij God vraagt hen genade te schenken voor hun zwakheden, hen te laten sterven als martelaren op de

weg van God, hen mujahedin te laten worden op de weg van God, de broeders en zusters in Syrië,

Kasjmir, Somalië, Tsjetsjenië, Marokko, Algerije, Egypte, Mali, Tunesië, Palestina en andere landen

te bevrijden, de martelaren zoals Anwar al-Awlaki, Musab al-Zarqawi en Osama bin Laden te

accepteren, de vlag van tawhid over de hele wereld te laten wapperen, enzovoorts.

In de lezing probeert Abou Yazeed de hedendaagse conflicten in landen als Syrië en Somalië te plaatsen binnen de islamitische traditie en binnen de islamitische geschiedenis en zo het idee van de hedendaagse gewapende jihad als iets goeds, deugdzaams en als hoge vorm van aanbidding te beargumenteren. Hij gaat hiermee in tegen ideeën die jihad als terrorisme zouden bestempelen (hetgeen volgens hem bijvoorbeeld door de AIVD gedaan wordt) of tegen de praktijk van de gewapende jihad van Arabische regimes die, volgens hem, alleen de jihad zouden aangaan als het hen uitkomt. Daarmee gaat hij in tegen ideeën over jihad van sommige salafistische netwerken en predikers die het idee van een gewapende jihad tegen machthebbers afwijzen, maar bevindt hij zich wel binnen het gedachtegoed van andere predikers, zoals Anwar al-Awlaki.

12.21

De rechtbank onderschrijft de duiding door deskundige De Koning. In de lezing benoemt Oussama C. met zo veel woorden de gewapende jihadstrijd van vandaag de dag, die door de ongelovigen terrorisme wordt genoemd. Hij waardeert het deelnemen aan die gewapende strijd als zeer positief en het sterven als martelaar in die strijd als het hoogst haalbare. Hij verwijst verder naar de tawheedvlag en smeekt Allah (onder meer) de broeders en zusters in Syrië te bevrijden. Deze smeekbede kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gezien dan als de uitdrukkelijke wens van Oussama C. . Deze wens kan slechts gestalte krijgen indien mensen trachten de gewenste uitkomst te bewerkstelligen en daarmee aan de wil van Allah gevolg geven.

12.22

Gelet op de predikende aard van de lezing (mede in het licht van zijn andere lezingen), de website waarop zij is gepubliceerd, de daarbij behorende doelgroep van moslims en de context, was naar het oordeel van de rechtbank de kennelijke bedoeling van Oussama C. om de kijkers voor te houden dat het afreizen naar Syrië en aldaar deel nemen aan de strijd een nastrevenswaardig doel was. In die zin bevat deze lezing naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.23

De lezing “Het Graf” is in het dossier letterlijk uitgewerkt.165 Deskundige De Koning beschrijft de lezing als volgt:166

De lezing ‘Het Graf’ past in een islamitische traditie van teksten en lezingen die toehoorders wijzen op de vluchtigheid van het leven en de noodzaak om het gedrag in dit leven te beteren volgens islamitische maatstaven met het oog op het leven in het hiernamaals. De lezing begint met een oproep van Abou Yazeed aan de toehoorders om zich bewust te zijn van de dood. (…) Mensen moeten zich bewust zijn van het gegeven dat hun daden in het wereldlijke bepalen of iemand naar het paradijs gaat of naar de hel. (…) De folteringen van het graf zullen gruwelijk zijn zo vertelt Abou Yazeed in de lezing. (…)

Maar, zo stelt Abou Yazeed, “God heeft mensen middelen gegeven om gered te worden van de bestraffingen van het graf.” Eén daarvan is martelaarschap, zo stelt Abou Yazeed op basis van

islamitische bronnen. (…)

Als het gaat om de bestraffingen van het graf in relatie tot de martelaars stelt Abou Yazeed dan ook op basis van de islamitische bronnen: “Over degenen die jihad fi sabil Allah verrichten, daarover hoeven jullie geen zorgen te maken”. Vervolgens verbindt hij dit met de huidige generatie strijders: “Degenen die zich in Afghanistan, in Somalië, in Syrië, in Mali bevinden, daarover hoeven jullie je geen zorgen te maken.” (…)

Abou Yazeed maant zijn toehoorders om terug te kijken op hun leven en zich af te vragen of hun daden de daden zijn waarover ze op de dag des oordeels ondervraagd willen worden (…)

Zijn lezing is dan ook een vermaning of zoals hij zelf stelt “Dit is een waarschuwing. Wee jou die de waarheid nog niet ziet. Wee jou die de tawaghit verdedigd. Wee jou die de paleisgeleerden [islamitische geleerden die hun lezing van het geloof aanpassen aan de belangen en wensen van machthebbers die niet volgens sharia regeren] volgt.” (…)

Waarom zijn onze harten zo hard geworden? Waarom kennen wij geen liefde en solidariteit voor onze broeders en zusters in Syrië, in Palestina, in Afghanistan? Hoezo kijken wij toe hoe onze broeders en zusters worden afgeslacht? Waar is het leger van Saoedi-Arabië om in te grijpen? Waar is het leger van Egypte? Waar is het leger van Marokko? Waar is het leger van Algerije? Waar is het leger van Tunesië? Waar zijn de nucleaire bommen van Pakistan? Waar is het leger van Jordanië? Waar zijn de F16’s van Saoedi-Arabië? Waar zijn de zogenaamde islamitische leiders?”

Abou Yazeed wijst eerst opnieuw op de noodzaak de dood te gedenken en schakelt vervolgens over op het gebrek aan solidariteit en liefde voor moslims die te maken hebben met oorlog en onrechtvaardigheid en beklaagt zich over het gebrek aan actie daartegen van leiders van moslimlanden. (…)

De lezing eindigt met een smeekbede waarin Abou Yazeed vraagt om vergeving van de zonden, het bevrijden van de broeders en zusters in Syrië, Kasjmir, Tsjetsjenië, Somalië, Marokko, Algerije, Egypte, Mali, Palestina en Tunesië, het bevrijden van de gevangenen, de geleerden, de mujahedin te laten overwinnen, de vlag van tawhid over de hele wereld te laten wapperen, de ogen van de jeugd te openen en hen te laten sterven omwille van la illaha illallah [er is geen god dan God], af te rekenen met de vijanden van de islam en om ‘ons’ te laten lopen in de voetstappen van de salaf [de vrome voorgangers] en de profeet.

12.24

De rechtbank onderschrijft ook in deze de duiding door deskundige De Koning. In de lezing beschrijft Oussama C. onder verwijzing naar de Koran dat het sterven als martelaar in de gewapende jihadstrijd de beste manier is om aan de verschrikkingen van het graf te ontkomen. Hij benadrukt in dat licht de door Allah ingegeven noodzaak tot solidariteit onder moslims en vraagt zich af waarom zij toekijken hoe hun broeders en zusters worden afgeslacht. Hij smeekt ten slotte Allah de ogen van de jeugd te openen en hen te laten sterven omwille van la illaha illallaH.

12.25

Gelet op de predikende aard van de lezing (mede in het licht van zijn andere lezingen), de website waarop zij is gepubliceerd en de daarbij behorende doelgroep van moslims en de context, was naar het oordeel van de rechtbank de kennelijke bedoeling van Oussama C. om de kijkers voor te houden dat het afreizen naar Syrië en aldaar deel te nemen aan de strijd een nastrevenswaardig doel was. In die zin bevat deze lezing naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.26

Rudolph H. heeft deze lezingen bewerkt tot video’s. Hij heeft ze voorzien van een intro en outtro en er muziek aan toegevoegd.167 Hij heeft ze vervolgens zonder enig voorbehoud op De Ware Religie gepubliceerd. Hiermee onderschrijft hij (in tegenstelling tot het enkel retweeten of het delen van een hyperlink) de inhoud van de video. Daarom heeft Rudolph H. met het plaatsen van deze publicaties zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan opruiing.

Lezingen met een didactisch karakter

12.27

Onder het 2e gedachtestreepje wordt aan Rudolph H. verweten het verspreiden van ”lezingen met een didactisch karakter afkomstig van prominente personen betreffende de gewapende jihadstrijd”. De tenlastelegging verwijst daarbij naar Chocola 476-479. In dit deel van het dossier valt te lezen dat werken van Mohammed Ibn Abdulwahab, Abu al-Ala al-Maududi, Sayyid Qutb, Sayyid Imam Sharif, Yusuf al-Uyayri, Nasser Bin Hamad al-Fahd, Sulaiman Bin Nasser al-Ulwan, Khalid bin Abdul Rahman al Husainan, Anwar al-Awlaki, A.M. al-Maqdissi en Abd-al Mun'em Mustafa Halima in het beslag van Azzedine C. zijn aangetroffen. Verder valt te lezen dat “veel van de publicaties van deze auteurs (…) eveneens gepubliceerd waren op de Nederlandse jihadistische websites Ahlus-Sunnah Publicaties met de URL: http://ahlussunnahpublicaties.wordpress.com en www.dewarereligie.nl”. Nog los van de vraag welke publicaties dan precies op De Ware Religie zouden zijn aangetroffen, is er niets in het dossier opgenomen over de inhoud van de publicaties. De rechtbank kan ze dan ook niet beoordelen en zal Rudolph H. van dit onderdeel vrijspreken.

Opiniebijdragen Abou Moussa en/of artikelen en/of beeldmateriaal

12.28

In de periode van mei 2013 tot januari 2014 zijn op De Ware Religie zes opiniebijdragen gepubliceerd, die zijn geschreven door Azzedine C. .168 In deze columns gaat Azzedine C. in op actuele situaties. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over De Ware Religie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze columns opruiend van aard zijn. Rudolph H. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

12.29

Van de overige artikelen,169 boeken,170 lezingen171 en videofragmenten172 waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen ontbreekt in het dossier iedere beschrijving van de inhoud. De rechtbank kan deze dan ook niet beoordelen en zal Rudolph H. van dit onderdeel vrijspreken.

Artikelen en/of berichten en/of lezingen in augustus 2014

12.30

In de maand augustus 2014 zijn op De Ware Religie 25 berichten geplaatst.173 Daar van zijn er zeven volledig uitgewerkt en in het dossier opgenomen. Daarvan zijn er twee (hooguit) te rubriceren als propaganda voor IS.174 Van de andere zes valt niet in te zien hoe deze rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met het aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De overige 17 berichten zijn niet uitgewerkt, zodat de rechtbank ze niet kan beoordelen. Rudolph H. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

A. Ahlus-Sunnah

12.31

Van enige betrokkenheid van Rudolph H. en Azzedine C. bij het beheer van de website Ahlus-Sunnah publicaties is de rechtbank niet gebleken. Mogelijk heeft de opsteller van de tenlastelegging willen verwijzen naar de artikelen van Ahlus-Sunnah die tot eind december 2013 zijn geplaatst op De Ware Religie,175 of de artikelen op Ahlus-Sunnah publicaties waarnaar op De Ware Religie werd verwezen.176 Deze artikelen zijn in het dossier niet uitgewerkt, zodat de rechtbank ze niet kan beoordelen. Ten slotte, hetgeen hiervoor is opgenomen onder “De Ware Religie, lezingen met een didactisch karakter” geldt eveneens voor het onderdeel Ahlus-Sunnah, zodat Rudolph H. en Azzedine C. van dit gehele onderdeel worden vrijgesproken.

B. Radio Ghurabaa

12.32

Radio Ghurabaa was een internet radiozender die zich profileerde als “hét islamitische radiostation voor Qur'an, lezingen en anasheed”.177 Radio Ghurabaa heeft uitzendingen verzorgd in de periode van 1 februari 2014 tot en met 29 maart 2014.178

Medeplegen Azzedine C. Radio Ghurabaa

12.33

Het dossier bevat aanwijzingen dat Azzedine C. een zekere mate van betrokkenheid had bij Radio Ghurabaa.179 Zowel Rudolph H. als Azzedine C. hebben verklaard dat Rudolph H. de enige redacteur was van Radio Ghurabaa. Azzedine C. fungeerde in een aantal gevallen als klankbord voor Rudolph H. . Verder trad hij naar buiten als contactpersoon van Radio Ghurabaa, vanwege de omstandigheden die samenhingen met de detentie van Rudolph H. in 2012, zo verklaren beiden. In dat licht zijn genoemde aanwijzingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen Rudolph H. en Azzedine C. dat sprake is van medeplegen van het beheer van (en daarmee het plaatsen van berichten op) Radio Ghurabaa. Azzedine C. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Lezingen en liederen

12.34

Het dossier bevat niet de inhoud van de lezingen van Anwar al-Awlaki (op twee uitzonderingen na), Ahmad Musa Jibril, Abu Adnan, Abduljabbar Betrokkene 41 en Abu Imran, zoals ten laste gelegd.180 Het zelfde geldt voor de liederen181 die zijn ten laste gelegd.182 Rudolph H. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Hijrah en Jihad with the messenger of Allah

12.35

Op 13 maart 2014 zijn via Radio Ghurabaa twee lezingen van Anwar al-Awlaki met de titels “Hijrah” en “Jihad with the messenger of Allah” uitgezonden.183 De uitgewerkte teksten van deze lezingen zijn in het dossier opgenomen.184 Het betreft historische teksten, zonder verband of verwijzing naar de actuele situatie in Syrië. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien hoe deze lezingen rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met het aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Rudolph H. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Lezing Oussama C.

12.36

Op 14 februari 2014 werd via Radio Ghurabaa een lezing van Oussama C. uitgezonden.185 Oussama C. spreekt (onder meer) de volgende woorden:

(…) Jullie zijn degenen die van het Nusrah Front (moge God hen behoeden) en van de Islamitische Staat in Syrië en de Levant (moge God hen behoeden) van de Moehajirien (migranten) die vanuit de hele wereld zijn gegaan.

Jullie zijn degenen die een duidelijke zwarte vlag ophijsen, die een duidelijke zwarte vlag ophijsen, waarna de wetgever Allah spreekt. (…) Allah heeft deze beproeving laten plaats vinden op het gezegende land. Op het gezegende land van Shaam, waarover de profeet van Allah (…) zegt, waarlijk, waarlijk Shaam is het beste der landen en daarin zullen de besten van mijn mensen staan. De beste mensen van Marokko en de beste mensen van Nigeria en de beste mensen van Somalië, van Jemen, van Irak, van Europa van de moslims, van Amerika van de moslims, zullen allen verzameld worden op het land van Shaam.

(…)

Vandaag de dag zien dat broeders daar bijvoorbeeld die kant op gaan, waarna zij na een week of twee, drie terugkeren. Ja, dan kunnen wij denken waarom. Met welke reden keren zij terug? God mag het weten. Zij moeten weer goed gaan nadenken.

(…)

Soldaten in Shaam. Soldaten in Jemen en soldaten in Irak. We zien vandaag de dag talrijke bataljons in Shaam. Talrijke bataljons. Elke Moedjahied maakt zijn eigen bataljon en talrijke brigades. Maar wie ziet over de waarheid? Wie ziet over de waarheid? Wie zijn degenen door middel van wie Allah God de Verhevene deze religie laat overwinnen. Door middel van wie zal Hij zijn vlag, zijn vlag laten ophijsen, luister naar jouw profeet (…)

De overwinnende partij in Shaam is de partij die in Irak en in Jemen strijdt. Wie vechten in Irak? De broeders die de geloofsleerstellingen van loyaliteit en afkeer dragen. De leeuwen van sheikh Abu Bakr Al Bagdadi. Wie vechten in Jemen? Degenen die gefinancierd worden door Amerika? Degenen die gefinancierd worden door Saoedi-Arabië? Door Qatera? Welnee! Dit zijn de leeuwen van al-Qaeda (God mogen hen behoeden). En met de wil van God is dit de overwinnende partij.

(…)

Oh God, moge u sheikh Abu Bakr al-Baghdadi een geweldige overwinning geven

Oh God, moge u het Nusra Front en de Islamitische Staat in Syrië en de Levant een geweldige

overwinning geven.

(…)

Tenslotte sluit ik mijn woord af met het vragen van vergeving aan God, voor mij en voor u.

Gods zegen en vrede zij met zijn profeet die Hij heeft laten wederopstanden voor het zwaard en niet voor de pen.

12.37

De lezing richten zich blijkens zijn inhoud tot moslimbroeders en/of -zusters en heeft de vorm en inhoud van een preek. In zijn lezing benoemt Oussama C. de strijdgroepen ISIS en Jabhat al-Nusra die strijden in Syrië en hij refereert daarbij aan de zegelvlag. Zoals hiervoor reeds overwogen beschouwt de rechtbank het gebruik van deze vlag als verheerlijking van de gewapende jihadstrijd in Syrië. Oussama C. zegt met een verwijzing naar Koranteksten dat de beste mensen van de wereld verzameld zullen worden in het gezegende land Shaam en noemt de soldaten die daar vechten de leeuwen van Abu Bakr al-Baghdadi. Hij smeekt Allah om een overwinning voor ISIS en Jabhat al-Nusra en verheerlijkt en steunt daarmee hun strijd. Ook verwijst hij naar broeders die naar Syrië zijn gegaan en keurt hij af dat zij reeds na enkele weken zijn teruggekeerd (zij moeten weer goed gaan nadenken). Ten slotte sluit hij af met een verwijzing naar de profeet die is wederopgestaan voor het zwaard (de strijd) en niet voor de pen (het woord).

12.38

Gelet op de predikende aard van de lezing, het radiostation waarop zij is gedaan en de daarbij behorende doelgroep van moslims en de context, was naar het oordeel van de rechtbank de kennelijke bedoeling van Oussama C. om de toehoorders voor te houden dat het afreizen naar Syrië en aldaar deel te nemen aan de strijd een nastrevenswaardig doel was en dat degenen die reeds waren afgereisd navolging verdienen. In die zin bevat deze lezing naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.39

Rudolph H. heeft deze lezing zonder enig voorbehoud op Radio Ghurabaa gepubliceerd. Dit gaat verder dan een retweet of het delen van een hyperlink, waarbij niet zonder meer kan worden gezegd dat de verzender de inhoud onderschrijft. Daarom heeft Rudolph H. met het plaatsen van deze publicatie zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan opruiing.

C. Filmpjes

“Erkenning kalifaat”

12.40

Rond 1 juli 2014 verscheen op het internet een filmpje waarin onder andere Azzedine C. en Moussa L. te zien zijn. Zij zitten op een grasveld voor een grote zegelvlag. Azzedine C. spreekt in het Arabisch de volgende woorden:

“Vrede zij met de profeet. Wij willen onze grote umma feliciteren met het ontstaan van het gezegende kalifaat. Oh dapperen van de umma, Allah zal jullie de beste beloning geven. Allah zal u zegenen/bijstaan Emir en Kalifaat, Abu Bakr Al Baghdadi. Oh woordvoerder van de umma, Allah zal u zegenen en belonen. Vrede zij met u vanuit Nederland.” Azzedine C. steekt vervolgens zijn vinger omhoog en roept: "Takbier". De rest zegt hierna: "Allahu Akbar". Azzedine C. roept: "De Islamitische staat", de rest roept: ''Blijft bestaan.". Dit wordt twee maal herhaald.186

12.41

Dit filmpje bevat naar het oordeel van de rechtbank – gelet op het gebruik van de zegelvlag in combinatie met de uitgesproken tekst – een duidelijke steunbetuiging aan het zojuist uitgeroepen kalifaat IS en kan tevens worden gezien als verheerlijking daarvan. Een dergelijke steunbetuiging is zoals hiervoor al eerder overwogen op zich zelf nog niet het rechtstreeks aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Azzedine C. en Rudolph H. zullen dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

“Sta op voor Syrië”

12.42

In januari 2012 verscheen op het internet een filmpje waarin Azzedine C. , Rudolph H. en Moussa L. te zien zijn. In het filmpje zijn schokkende beelden te zien van slachtoffers van het regime Assad. Azzedine C. , Rudolph H. en Moussa L. zeggen daarna – kort gezegd – dat de broeders en zusters in Syrië worden gemarteld, verkracht en vermoord, alleen omdat ze moslim zijn. Zij vragen zich af waar de echte mannen zijn en de Umma187 wordt opgeroepen op te staan voor de broeders in Syrië188. Door deze combinatie lijkt het filmpje op het eerste oog aan te zetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Echter op twee momenten in het filmpje (halverwege en aan het einde heel duidelijk) blijkt dat het filmpje is bedoeld als oproep om deel te nemen aan een demonstratie bij het Syrische consulaat in Den Haag op 8 januari 2012. Gelet op deze context kan van het filmpje niet worden gezegd dat het opruiend van aard is. Azzedine C. en Rudolph H. zullen dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Video Betrokkene 2

12.43

Op 11 mei 2014 is door Azzedine C. op de Facebookpagina Werkgroep Shaam een bericht geplaatst met een link naar een Youtube video van Betrokkene 2.189 Een vertaling van deze video bevindt zich in het dossier.190 De video betreft een audioboodschap. Betrokkene 2 houdt – kort gezegd – een lezing over het onderlinge conflict tussen ISIS en Al-Qaeda. De lezing zou kunnen worden gezien als steunbetuiging aan ISIS. Een dergelijke steunbetuiging is zoals hiervoor al eerder overwogen op zich zelf nog niet het rechtstreeks aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Azzedine C. en Rudolph H. zullen dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Oh Oh Aleppo

12.44

Op 24 juni 2014 is een 30 minuten durende film online gezet met de titel Oh Oh Aleppo.191 De film toont hoe Nederlandse mannen in Syrië deelnemen aan de strijd tegen het regime van president Assad. Er wordt onder andere getoond hoe zij met automatische wapens schieten. De film is gemaakt in de stijl van een documentaire waarin een gemaskerde man een rondleiding geeft door Aleppo en daar in het Nederlands een verhaal bij vertelt. Twee van de mannen in de film zijn herkend. Het betreft Soufiane Z. en Betrokkene 3.192 De film is summier beschreven in het dossier.193 De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de inhoud van de film zoals getoond ter terechtzitting.

12.45

In de film verheerlijkt Soufiane Z. de gewapende strijd die wordt gevoerd alsook het martelaarschap. Hij benadrukt de band tussen moslimbroeders en stelt dat hij zich tijdens gevechten dicht bij Allah voelt. Ook zegt hij dat westerse jongeren heel goed in staat zijn om te vechten. Daarmee geeft hij een meer dan positief beeld van de mujahidun die daar de strijd voeren. Verder wordt de tegenstander (de soldaten van Assad) gedehumaniseerd en zo de strijd gelegitimeerd. In deze propagandafilm krijgen niet alleen de jihadstrijd en met name de Nederlandse mujahidun een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. In die zin bevat deze film naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.46

Uit het dossier blijkt dat Soufiane Z. aan Rudolph H. heeft gevraagd of hij en Azzedine C. naar de ondertiteling van de film wilden kijken en deze wilden controleren op taalfouten. Rudolph H. heeft dit ook gedaan.194 Dit is evenwel onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen Rudolph H., Azzedine C. en Soufiane Z. dat kan worden gesproken van medeplegen van het maken van het filmpje. Rudolph H. en Azzedine C. zullen in zoverre van dit onderdeel worden vrijgesproken.

12.47

Hoewel eerst door Rudolph H. ontkend, blijkt dat hij middels het Twitteraccount van De Ware Religie zowel op 29 mei 2014 een bericht (met een link naar) de aankondiging van de film195 als op 24 juni 2014 een bericht met (een link naar) de film “Oh, oh Aleppo” heeft gedeeld196. De rechtbank acht daarom bewezen dat Rudolph H. deze opruiende film heeft verspreid. Azzedine C. heeft slechts verklaard dat hij de video mogelijk heeft gedeeld.197 Uit het dossier blijkt dat dit in ieder geval geldt voor de aankondiging op 29 mei 2014198, echter voor het delen van de film zelf bevat het dossier geen bewijs. Azzedine C. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

D. Twitter Rudolph H.

12.48

Rudolph H. maakte gebruik van het Twitter account met de naam Abu Suhayb, met het profiel @AbuSuhayb_DWR.199 Door de politie zijn de berichten onderzocht die zijn gepost in de periode van 2 april 2014 tot en met 30 juli 2014.200

12.49

Ten aanzien van de tweets “zionistenvolk met wortel en al van de kaart vegen”, “@DickSchoof en @geertwilderspvv”, “niets mis mee als je het mij vraagt” en “(…) Ya Allah vernietig hen en hun plannen”,201 komt de rechtbank tot het oordeel dat niet valt in te zien hoe deze rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met het aanzetten tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank zal Rudolph H. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.50

De tweets “Wat zou het toch hilarisch zijn (…)”202 en “Oh Oh Den Haag, #jihadcity achter de duinen (…)”203 zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende serieus te nemen om te concluderen dat hier een aanmoedigende werking van uit zou kunnen gaan. De rechtbank zal Rudolph H. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.51

De tweet “#ISIS deelt voedsel en humanitaire hulp (…)”204 is naar het oordeel van de rechtbank weliswaar te beschouwen als propaganda voor ISIS, maar niet als opruiend. De rechtbank zal Rudolph H. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.52

Het bericht “Video van ISIS: Het toepassen van de Sharia volgens begrip van de Qur’aan en

Sunnah”205 bevat een hyperlink naar een videobestand. De video waarnaar de link verwijst was ten tijde van de zitting niet meer vindbaar. Van de ter terechtzitting getoonde video is gebleken dat het screenshot anders is dan het screenshot in het dossier. Het is daarom voor de rechtbank onduidelijk of dit dezelfde video is als waarnaar in de tweet wordt verwezen. De rechtbank zal Rudolph H. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.53

Ten aanzien van de overige berichten herhaalt de rechtbank dat berichten op Twitter zich niet lenen voor analyse naar een achterliggende inhoud. De boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft.

12.54

Op 12 april 2014 plaatste Rudolph H. een bericht met de tekst “Opeens heb je het. Je toekomst ligt in het paradijs”. Dit bericht bevat tevens een afbeelding van een strijder met een wapen en het onderschrift “Opeens heb je het. Je toekomst ligt in het paradijs”.206 Op 13 april 2014 plaatst Rudolph H. een bericht met als tekst “Nederlandse Mujahideen in Syrië, hoe bedoel je geen toekomst? Onze toekomst ligt in het Paradijs! Shaam al-Malaahim!”. Het bericht bevat tevens een afbeelding van strijders met wapens en het onderschrift “jongeren met toekomstplannen”.207Naar het oordeel van de rechtbank bevatten deze berichten een positieve waardering voor het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en daarmee een indirecte oproep om daar navolging aan te geven. Nu Rudolph H. deze berichten zonder verdere toevoeging heeft geretweet zal de rechtbank hem vrijspreken van opruiing. De rechtbank acht wel bewezen dat hij opruiende geschriften heeft verspreid.

12.55

Op 5 mei 2014 plaatste Rudolph H. een bericht met als tekst “Zitten er nog NL'ers tussen? *hoopt* "@ShaamNieuws: Nieuwe foto van enkele nieuwe rekruten van #ISIS in #Syrië”.208 Het bericht bevat tevens een afbeelding van (kennelijk) ISIS strijders. De rechtbank is van oordeel dat deze tweet als opruiend moet worden beschouwd. Op de afbeelding zijn strijders met zegelvlaggen te zien en Rudolph H. hoopt dat er Nederlanders tussen zitten. Daarmee bevat het bericht een positieve waardering voor het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en daarmee een indirecte oproep om daar navolging aan te geven.

12.56

Op 6 mei 2014 plaatste Rudolph H. een retweet van een bericht van Pieter van Ostayen met als tekst “A Belgian fighter: we need Muslims willing to die and fight for God. Two guarantees: Victory or Martyrdom #Syria. Dringend gezocht: moslims die bereidt zijn hun leven te geven voor Allah

Azza Wa jal en te strijden fisabilillaH. Twee garanties: overwinnig of Shahada. Allah staat aan onze kant”.209 De rechtbank is van oordeel dat de tweet van Ostayen opruiend van aard is. Er wordt klip en klaar aangespoord deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië met een verwijzing naar de overwinning of de martelaarsdood. Nu Rudolph H. dit bericht zonder verdere toevoeging heeft geretweet zal de rechtbank hem vrijspreken van opruiing. De rechtbank acht wel bewezen dat hij een opruiend geschrift heeft verspreid.

Medeplegen Azzedine C.

12.57

Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het Twitter account van Rudolph H. niet kan worden gesproken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking met Azzedine C. dat van medeplegen sprake is. Azzedine C. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

D. Twitter Azzedine C.

12.58

Azzedine C. maakte gebruik van de Twitter accounts @Ab0Moussa210 en @AbeMoussa.211

12.59

Ten aanzien van een aantal tweets212 komt de rechtbank tot het oordeel dat niet valt in te zien hoe deze rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met het aanzetten tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank zal Azzedine C. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.60

Een aantal tweets”213 is naar het oordeel van de rechtbank wellicht te beschouwen als verheerlijken van of propaganda voor de gewapende strijd, maar niet als opruiend. De rechtbank zal Azzedine C. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.61

Ten aanzien van de overige berichten herhaalt de rechtbank dat berichten op Twitter zich niet lenen voor analyse naar een achterliggende inhoud. De boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft.

12.62

Op 15 september 2013 plaatste Azzedine C. een bericht met de tekst “prachtige aktiefoto van de helden van Ahraar Shaam in Syrië”. Het bericht bevat tevens een afbeelding van een strijder die een wapen afvuurt.214 Op 23 september 2013 plaatste Azzedine C. een bericht met de tekst “Charisma spat er van af”. Het bericht bevat tevens een afbeelding van gewapende strijders die door een stad lopen.215Naar het oordeel van de rechtbank bevatten deze berichten een positieve waardering voor het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en daarmee een indirecte oproep om daar navolging aan te geven.

12.63

Op 18 september 2013 plaatste Azzedine C. een bericht met de tekst “Heerlijke foto”. Het bericht bevat tevens een afbeelding van gewapende strijders te paard met een zegelvlag.216 Dit bericht verheerlijkt niet alleen de gewapende strijd, maar bevat door de zegelvlag een link met de actuele strijd in Syrië en daarmee naar het oordeel van de rechtbank tevens een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.64

Op 19 september 2013 plaatste Azzedine C. een bericht met de tekst “Een mujahid die zijn onderbeen verloor (…)”. Het bericht bevat tevens een afbeelding van een man op een ziekenhuisbed die zijn losse onderbeen omhoog houdt.217 Dit bericht verheerlijkt niet alleen de gewapende strijd, maar bevat tevens waardering voor deze deelnemer aan die strijd. Dit bericht wekt de suggestie dat deze strijder navolging verdient. In die zin bevat dit bericht naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.65

In een aantal berichten worden martelaren of de martelaarsdood verheerlijkt.218 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.66

Op 28 juli 2014 retweet Azzedine C. een bericht van Shaam Nieuws waarin een link wordt gedeeld naar de IS video “Dit i/d methode v/d profeet”.219 Op 29 juli 2014 plaats Azzedine C. een bericht met de tekst “Als de pers in NL de laatste video van IS(IS) ziet gaat het nieuws niet meer over #MH17 Deze overtreft Salillu Sawaarim 4”.220

12.67

De video waar naar wordt verwezen bevat gruwelijke beelden van zeer gewelddadige acties van IS strijders. De video is een pure propagandafilm voor IS. Het toont dat IS aan de winnende hand is en in staat om het westen te weerstaan. De gewapende strijd wordt verheerlijkt en de tegenstanders gedehumaniseerd. De Koning spreekt in dit verband van propagandistische meedogenloosheid.221 Behalve gruwelbeelden zijn in de video zegelvlaggen te zien en het verscheuren van paspoorten door buitenlandse strijders. Van deze beelden gaat een grote overredingskracht uit doordat jongeren zich kunnen identificeren met deze buitenlandse strijders. Het betekent dat de strijders zich aldaar vestigen en niet meer terugkeren naar hun land van oorsprong. Het is een lichtend voorbeeld voor jongeren om hun land te verlaten, alles en iedereen achter zich te laten en deel te nemen aan de gewapende strijd.

12.68

Uit het bericht van 29 juli 2014 spreekt grote waardering van Azzedine C. voor de inhoud van die video. Daarmee onderschrijft hij de inhoud en zet hij indirect aan tot het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.69

In de periode van 18 tot 25 augustus 2014 plaatste Azzedine C. een bericht met de tekst “Imam Anwar al Awlaki”. Het bericht bevat tevens een afbeelding van twee gewapende strijders met het onderschrift “compromising is not at all an option in our religion because as muslims we are submitting ourselves exclusively to Allah”.222 Dit bericht verheerlijkt niet alleen de gewapende strijd, maar bevat tevens waardering voor deelnemers aan die strijd. Dit bericht wekt de suggestie dat deze strijders navolging verdienen. In die zin bevat dit bericht naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Nu Azzedine C. dit bericht zonder verdere toevoeging heeft geretweet zal de rechtbank hem vrijspreken van opruiing. De rechtbank acht wel bewezen dat hij een opruiend geschrift heeft verspreid.

Medeplegen Rudolph H.

12.70

Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het Twitter account van Azzedine C. niet kan worden gesproken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking met Rudolph H. dat van medeplegen sprake is. Rudolph H. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

D. Facebook Azzedine C.

12.71

Azzedine C. was de gebruiker van de Facebookpagina Ab0Moussa, met als gebruikersprofielen Abou Moussa223 en vanaf 28 juli 2014 Bakr Hadeetha.224

12.72

Ten aanzien van een aantal berichten225 komt de rechtbank tot het oordeel dat niet valt in te zien hoe deze rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met het aanzetten tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank zal Azzedine C. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.73

Een aantal berichten”226 is naar het oordeel van de rechtbank wellicht te beschouwen als verheerlijken van of propaganda voor de gewapende strijd, maar niet als opruiend. De rechtbank zal Azzedine C. dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

12.74

Ten aanzien van de overige berichten herhaalt de rechtbank dat berichten op Facebook zich niet lenen voor analyse naar een achterliggende inhoud. De boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft.

12.75

In een aantal berichten worden martelaren of de martelaarsdood verheerlijkt.227 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.76

Op 1 december 2013 plaatste Azzedine C. een bericht met onder meer de tekst “Naar Syrië reizen op zich is niet strafbaar! (…) Wat wel strafbaar kan zijn is je aansluiten bij Johba Nosra en #ISIS. (…) Mijn broederlijke advies aan de reizigers is: om geen bewijzen bij je te hebben, of te praten via internet over waar je naar toe gaat of bij wie jij je gaat aansluiten of wilt aansluiten. (…) Als je opgepakt wordt praat je niet totdat zij de aanklacht hebben voorgelezen en jij EERST met je advocaat hebt gesproken! (…) Wees dus slimmer dan deze dieren. En …nog een prettige reis bij het uitreizen naar Syrië (…)”.228 Dit bericht bevat zeer concrete tips en trucs voor degenen die van plan zijn om zich te gaan aansluiten bij ISIS of Jabhat al-Nusra. In die zin bevat dit bericht naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.77

Op 18 mei 2014 plaatste Azzedine C. een bericht met de tekst “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië". "Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim”, met een hyperlink.229

12.78

De video waar de hyperlink naar verwijst bevat gruwelijke beelden van zeer gewelddadige acties van IS strijders. De video is een pure propagandafilm voor IS. Het toont dat IS aan de winnende hand is en in staat om het westen te weerstaan. De gewapende strijd wordt verheerlijkt en de tegenstanders gedehumaniseerd . De Koning spreekt in dit verband van propagandistische meedogenloosheid.230 Behalve gruwelbeelden zijn in de video zegelvlaggen te zien en het verscheuren van paspoorten door buitenlandse strijders. Van deze beelden gaat een grote overredingskracht uit doordat jongeren zich kunnen identificeren met deze buitenlandse strijders. Het betekent dat de strijders zich aldaar vestigen en niet meer terugkeren naar hun land van oorsprong. Het is een lichtend voorbeeld voor jongeren om hun land te verlaten, alles en iedereen achter zich te laten en deel te nemen aan de gewapende strijd.

12.79

Uit het bericht van 18 mei 2014 spreekt grote waardering van Azzedine C. voor de inhoud van die video. Daarmee onderschrijft hij de inhoud en zet hij indirect aan tot het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Medeplegen Rudolph H.

12.80

Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de Facebookpagina van Azzedine C. niet kan worden gesproken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking met Rudolph H. dat van medeplegen sprake is. Rudolph H. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

D. Facebookpagina Shaam al-Ghareeba

12.81

Door de politie is de inhoud van de Facebookpagina Shaam al-Ghareeba onderzocht over de periode van 2 december 2013 tot 28 april 2014. Het onderzochte materiaal betreft berichten van twee versies van deze Facebookpagina, te weten “Shaam al-Ghareeba” en “Shaam al-Ghareeba II”. Beide pagina’s bleken identiek te zijn. De Facebookpagina heeft blijkens de profielfoto tot doel het bieden van “dagelijks nieuws over Syrië en omstreken”. De Facebookpagina Shaam al-Ghareeba put haar informatie en nieuwsvoorziening uitsluitend uit bronnen die gelieerd zijn aan ISIS en Jabhat al-Nusra (in ieder geval tot het voorjaar van 2014). Het gaat hier met name om de mediaorganisaties van ISIS, namelijk de Arabischtalige 'al-Farouk Media Productions ' en 'al-Furkan Media Productions' en 'al-Itissam Media Foundation', 'Ajnad Media Foundation' en 'al-Hayat', die zich specifiek toeleggen op het vervaardigen van mediaproducties in verschillende westerse talen.231

12.82

De politie concludeert na onderzoek van het veiliggestelde materiaal dat de berichtgeving van Shaam al-Ghareeba in de periode van 2 december 2013 tot 28 april 2014 deze Facebookpagina tot een media-outlet en propagandamachine maakte voor primair ISIS en subsidiair het Nusra Front. Het verleende support aan ISIS in de vorm van werving voor terrorisme, verspreiding van jihadistische propaganda die aanzet tot haat en geweld, en mobilisering van morele en politieke steun voor terroristische organisaties die zich schuldig maakten aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië (en Irak).232 Deze conclusie wordt volledig onderschreven door de deskundige Peters.233

12.83

De rechtbank heeft alle in het dossier opgenomen berichten beoordeeld.234 Het betreft berichten met een afbeelding en/of een hyperlink naar een video, al dan niet voorzien van commentaar of berichten met uitsluitend tekst. De berichten zijn geplaatst op een Facebookpagina die zich richt op “dagelijks nieuws uit Syrië”. Berichten op Facebook lenen zich niet voor analyse naar een achterliggende inhoud. De boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft. Zeker wanneer in een kort tijdsbestek veelvuldig berichten met een bepaalde strekking worden verstuurd, heeft dit een versterkend effect op de boodschap die wordt uitgedragen. Het grootste deel van de berichten houdt verband met de gewapende jihadstrijd in Syrië, zoals gevoerd door ISIS en Jabhat al-Nusra. Het is de rechtbank niet gebleken dat er in de berichten sprake was van journalistieke berichtgeving. Ook van satire of ironie, met enige vorm van zelfspot is niet gebleken. Voor zo ver sprake was van humor was dit ter ondersteuning van de kennelijke boodschap. De doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht betreft moslims en in het bijzonder “moslimbroeders”. Dit leidt de rechtbank af uit de aanhef van veel van de berichten, de verwijzing naar andere moslimgerichte media en de bronnen waarvan zij gebruik maakt. Het doel van Shaam al-Ghareeba was in elk geval positief nieuws over ISIS en Jabhat al-Nusra te delen en niet positief te berichten over Sjiieten, het FSA of andere groepen dan IS en Jabhat al-Nusra.235

Berichten

12.84

Van 63 berichten kan niet worden gezegd dat deze rechtstreeks verband houden met het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.236 Het betreft verwijzingen naar andere social media, oproepen voor nieuwe redacteuren, oproepen om humanitaire hulp te verlenen, berichten over gebeurtenissen in Nederland, aankondigingen van video’s, lezingen of vertalingen daarvan, berichten over gewapende strijd in andere landen of niet te duiden berichten vanwege het ontbreken van de onderliggende video waarnaar de hyperlink verwijst.

12.85

Van 97 berichten is de rechtbank van oordeel dat deze direct of indirect opruien tot het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank onderscheidt in de berichten die zij als opruiend beoordeelt de volgende categorieën:

 Berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd.237

 Berichten waarin martelaren of de martelaarsdood wordt verheerlijkt.238 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

 Berichten over (Nederlandse) mujahidun.239 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt die waardering tevens uitgesproken voor deelnemers aan die strijd. Deze berichten wekken de suggestie dat deze deelnemers navolging verdienen. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

 Berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens.240 Met deze berichten wordt geappelleerd aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd. Deze berichten wekken de suggestie dat deze jongeren navolging verdienen. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

 Berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen.241 Deze berichten suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

 Berichten met afbeeldingen van de zegelvlag, in combinatie met wapens of strijdtaferelen.242 Deze berichten verheerlijken niet alleen de gewapende strijd, maar bevatten door de directe link met de actuele strijd in Syrië naar het oordeel van de rechtbank tevens een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.86

Van 199 berichten is de rechtbank van oordeel dat deze de gewapende jihadstrijd in Syrië verheerlijken en/of propaganda bevatten voor ISIS en/of Jabhat al-Nusra.243 Dit betekent dat de Facebookpagina Shaam al-Ghareeba in vier maanden tijd een grote stroom aan eenzijdige berichtgeving over de goede daden en werken van de terroristische organisaties ISIS en Jabhat al-Nusra en hun gewapende jihadstrijd heeft verspreid. In het licht van de hoeveelheid berichten die door de rechtbank reeds als opruiend zijn beoordeeld, neemt de rechtbank de conclusie van de politie en de deskundige Peters over en concludeert dat het de kennelijke bedoeling van de Facebookpagina Shaam al-Ghareeba was om het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië als een nastrevenswaardig doel te profileren. De rechtbank beoordeelt daarom ook deze 199 berichten als een aansporing daartoe en in die zin opruiend.

Medeplegen Azzedine C. Facebookpagina Shaam al-Ghareeba

12.87

Azzedine C. was in de ten laste gelegde periode één van de redacteuren van de Facebookpagina Shaam al-Ghareeba.244 Azzedine C. heeft dit ter terechtzitting bevestigd. Hij heeft in die periode ook daadwerkelijk een flink aantal berichten geplaatst. Hij keek regelmatig op de Facebookpagina en nam kennis van de berichten die de andere redacteuren plaatsten, zij het niet van alle. Hij had wel contact met andere redacteuren, maar voorafgaand aan de plaatsing van berichten vond geen onderling overleg plaats. De door Azzedine C. geplaatste berichten waren grotendeels van dezelfde aard en/of strekking als de door anderen geplaatste berichten in de ten laste gelegde periode. Die andere berichten waren voor Azzedine C. geen reden om te stoppen met zijn redactiewerkzaamheden voor Shaam al-Ghareeba.245

12.88

Azzedine C. heeft aldus een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het plaatsen van berichten op Shaam al-Ghareeba. Daaraan doet niet af dat hij niet zelf alle ten laste gelegde berichten heeft geplaatst. Hij heeft zich daar niet van gedistantieerd en is doorgegaan met het zelf plaatsen van berichten van dezelfde aard en/of strekking. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat van een zo nauwe en bewuste samenwerking sprake is geweest dat in de ten laste gelegde periode kan worden gesproken van medeplegen van het plaatsen van alle berichten.

Medeplegen Rudolph H. Facebookpagina Shaam al-Ghareeba

12.89

Rudolph H. was de beheerder van de website De Ware Religie.246 Op deze website was door hem een zogenaamd katern gemaakt, waarin automatisch alle berichten van de Facebookpagina Shaam al-Ghareeba werden geplaatst, voorzien van een hyperlink.247 Dit katern was actief op zowel 9 december 2013 als 30 april 2014.248 De rechtbank leidt daar uit af dat het katern gedurende de gehele tussenliggende (ten laste gelegde) periode actief was. De (eenmalige) handeling van Rudolph H. waarbij dit venster werd geactiveerd brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat kan worden gesproken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen Rudolph H. en de redacteuren van de Facebookpagina Shaam al-Ghareeba dat er sprake is van medeplegen. Rudolph H. zal van dit onderdeel worden vrijgesproken, voor zover het ziet op artikel 131 Sr.

12.90

Wel brengt het handelen van Rudolph H. mee dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat sprake was van het verspreiden door Rudolph H. van de hiervoor beschreven opruiende uitingen.

D. Werkgroep Shaam

12.91

De Facebook pagina Werkgroep Shaam betrof een gesloten pagina. De privacy instellingen van deze groep waren als geheim ingesteld. Dit houdt in dat niemand zomaar lid kon worden, maar dat dit alleen op uitnodiging mogelijk was. De pagina was ook niet openbaar te bekijken. De pagina is op 7 april 2014 gecreëerd en is tot en met 12 mei 2014 veiliggesteld, bekeken en onderzocht.249

12.92

De rechtbank heeft hiervoor250 reeds overwogen dat opruiing in het openbaar geschiedt. Van opruiing in het openbaar is sprake wanneer de opruiing plaatsvindt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden geconsumeerd. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven. Uit het proces-verbaal blijkt en dit is door Azzedine C. ter terechtzitting ook bevestigd, dat de gesloten pagina Werkgroep Shaam uitsluitend toegankelijk was voor leden en dat men uitsluitend op uitnodiging van één van de leden nieuw lid kon worden. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de ten laste gelegde uitingen op deze Facebookpagina in het openbaar zijn gedaan. De rechtbank zal Rudolph H. en Azzedine C. reeds om deze reden vrijspreken van dit onderdeel.

E. Demonstraties

12.93

Azzedine C. heeft een demonstratie georganiseerd en bijgewoond die plaatsvond op 24 juli 2014 in Den Haag.251 Tijdens die demonstratie was – op enige afstand – ook Rudolph H. aanwezig. Hij heeft daarbij filmopnamen gemaakt.252 Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen bewijs dat Azzedine C. en Rudolph H. met hun gedragingen mensen hebben opgeroepen deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Azzedine C. en Rudolph H. worden dan ook van dit onderdeel vrijgesproken.

F. In voorraad hebben

12.94

Ten aanzien van de filmpjes, foto’s, geschriften en liederen die bij Azzedine C. en Rudolph H. zijn aangetroffen is de rechtbank niet gebleken dat zij deze in voorraad hadden ter verspreiding. Dat sommige (andere) teksten van aangetroffen auteurs ook zijn aangetroffen op internetsites die aan verdachten gelieerd kunnen worden is daarvoor onvoldoende. Daar komt nog bij dat van een groot deel van de aangetroffen documenten slechts een titel wordt genoemd of zelfs slechts de naam van een auteur. Ook valt van sommige teksten niet in te zien waarom deze zouden aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, zoals ten laste gelegd. Azzedine C. en Rudolph H. zullen daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Oussama C. (feit 2)

A. Lezingen

Hondius

12.95

Op 8 september 2013 was er een samenkomst van een groep moslims op een voetbalveldje in de Hondiusstraat in Den Haag. Op enig moment besloot de politie op te treden tegen de aanwezigen. Tijdens dat optreden werd gezegd dat een broeder een lezing ging geven. Het merendeel van de aanwezigen ging in een kring zitten rondom Oussama C. , die vervolgens het woord nam. Hij las – kennelijk vanaf zijn mobiele telefoon – een tekst voor. De andere mannen luisterden aandachtig naar hem.253 Oussama C. sprak onder meer de volgende woorden:

Alle lof aan Allah de Almachtige die ons vandaag hier heeft verenigd. De moslims zijn door Allah Almachtige uitgeroepen tot broeders van elkaar. Een ieder van jullie moet weten dat de overige banden, naast de banden tussen broeder en broeder ondergeschikt moeten zijn aan de band die je hebt met je broeder, zelfs die familieband. Allah de Almachtige zegt in de Koran, Soera Al Hijraat, vers 10, slechts de gelovigen zijn broeders van elkaar. (…) En kijk naar de staat van vandaag de dag. De moslims, het nationalisme kwam in hen op. Moslims begonnen met elkaar te vechten toen we zagen wat er vandaag de dag aan de hand is.

(…) De Sharia van Allah is verraden. Allemaal aanbidden ze het witte huis in Amerika. Alle leiders van A tot Z. De landen begonnen grenzen te zetten tussen elkaar en het reizen er tussen is enkel mogelijk met een paspoort en met toestemming van Amerika. En daarom mijn beste broeders dienen wij terug te keren naar de wetten van Allah. (…)

Kijk naar Shaam. Kijk naar Syrië broeders. Vanuit de hele wereld gaan mensen er heen om hun broeders en zusters te verdedigen. Vanuit de hele wereld, elk land. En dit (op beeld is te zien dat Oussama C. in de richting van de politie gebaard) zij gaan er kapot van. Elke week vertrekken broeders en zusters. Ze proberen tegen te houden maar ze kunnen niks. Dank aan Allah. Want Allah, de Almachtige, is de beste planner en vanuit de hele wereld gaan ze er heen. En hoe komt dit? Hoe komt dit? Waar komt deze zorgen vandaan dat ze vanuit de hele wereld naar Syrië gaan om hun broeders en zusters te verdedigen? Ik zweer het broeders, Dit komt door hetgeen ons verenigd heeft en dat is de Islaam. En hier dienen wij altijd naar terug te keren. (…) Broeders probeer geen conflicten te maken met andere broeders. Dit is een ziekte. Boycotten en ruzies moeten over zijn. Zoals Allah zegt in de soerah Al Fath: "Hard zijn tegen de Kuffaar, hard zijn tegen de Kuffaar, degenen die niet in Allah geloven. En zacht onder elkaar. Zacht en liefdevol onder elkaar, tussen de moslims. (…).254

12.96

De rechtbank begrijpt deze lezing aldus dat Oussama C. verwijst naar Koranteksten om te onderbouwen dat solidariteit onder moslims door Allah verplicht is. Moslims onderling dienen elkaar te helpen om samen de ongelovigen te bestrijden. In dat licht verwijst hij vervolgens naar de actuele situatie in Syrië en naar broeders en zusters die reeds zijn afgereisd naar Syrië om te strijden ter verdediging van de moslims aldaar. Hij dankt Allah dat de politie hen niet kan tegenhouden. De rechtbank merkt op dat zowel voor als na de lezing van Oussama C. op en rond het veldje zegelvlaggen en tawheedvlaggen te zien waren.255 Oussama C. zelf loopt na de lezing met een zegelvlag heen en weer op de openbare weg.256 Zoals hiervoor reeds overwogen beschouwt de rechtbank het gebruik van deze vlaggen als verheerlijking van de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.97

Gelet op de aard van de lezing, de gelegenheid waar hij is gedaan, de context van de strijdvlaggen en de groep moslims tot wie hij was gericht, was naar het oordeel van de rechtbank de kennelijke bedoeling van Oussama C. om de toehoorders voor te houden dat het afreizen naar Syrië en aldaar deel te nemen aan de strijd een nastrevenswaardig doel was en dat degenen die reeds waren afgereisd navolging verdienden. In die zin bevat deze lezing naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Radio Ghurabaa

12.98

Op 14 februari 2014 werd via Radio Ghurabaa een lezing van Oussama C. uitgezonden.257 Oussama C. heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij deze lezing met dat doel heeft ingesproken. Radio Ghurabaa was een internet radiozender die zich profileerde als “hét islamitische radiostation voor Qur'an, lezingen en anasheed”.258Oussama C. spreekt onder meer de volgende woorden:

(…) Jullie zijn degenen die van het Nusrah Front (moge God hen behoeden) en van de Islamitische Staat in Syrië en de Levant (moge God hen behoeden) van de Moehajirien (migranten) die vanuit de hele wereld zijn gegaan.

Jullie zijn degenen die een duidelijke zwarte vlag ophijsen, die een duidelijke zwarte vlag ophijsen, waarna de wetgever Allah spreekt. (…) Allah heeft deze beproeving laten plaats vinden op het gezegende land. Op het gezegende land van Shaam, waarover de profeet van Allah (…) zegt, waarlijk, waarlijk Shaam is het beste der landen en daarin zullen de besten van mijn mensen staan. De beste mensen van Marokko en de beste mensen van Nigeria en de beste mensen van Somalië, van Jemen, van Irak, van Europa van de moslims, van Amerika van de moslims, zullen allen verzameld worden op het land van Shaam.

(…)

Vandaag de dag zien dat broeders daar bijvoorbeeld die kant op gaan, waarna zij na een week of twee, drie terugkeren. Ja, dan kunnen wij denken waarom. Met welke reden keren zij terug? God mag het weten. Zij moeten weer goed gaan nadenken.

(…)

Soldaten in Shaam. Soldaten in Jemen en soldaten in Irak. We zien vandaag de dag talrijke bataljons in Shaam. Talrijke bataljons. Elke Moedjahied maakt zijn eigen bataljon en talrijke brigades. Maar wie ziet over de waarheid? Wie ziet over de waarheid? Wie zijn degenen door middel van wie Allah God de Verhevene deze religie laat overwinnen. Door middel van wie zal Hij zijn vlag, zijn vlag laten ophijsen, luister naar jouw profeet (…)

De overwinnende partij in Shaam is de partij die in Irak en in Jemen strijdt. Wie vechten in Irak? De broeders die de geloofsleerstellingen van loyaliteit en afkeer dragen. De leeuwen van sheikh Abu Bakr Al Bagdadi. Wie vechten in Jemen? Degenen die gefinancierd worden door Amerika? Degenen die gefinancierd worden door Saoedi-Arabië? Door Qatera? Welnee! Dit zijn de leeuwen van al-Qaeda (God mogen hen behoeden). En met de wil van God is dit de overwinnende partij.

(…)

Oh God, moge u sheikh Abu Bakr al-Baghdadi een geweldige overwinning geven

Oh God, moge u het Nusra Front en de Islamitische Staat in Syrië en de Levant een geweldige

overwinning geven.

(…)

Tenslotte sluit ik mijn woord af met het vragen van vergeving aan God, voor mij en voor u.

Gods zegen en vrede zij met zijn profeet die Hij heeft laten wederopstanden voor het zwaard en niet voor de pen.

12.99

In zijn lezing benoemt Oussama C. de strijdgroepen ISIS en Jabhat al-Nusra die strijden in Syrië en refereert daarbij aan de zegelvlag. Zoals hiervoor reeds overwogen beschouwt de rechtbank het gebruik van deze vlaggen als verheerlijking van de gewapende jihadstrijd in Syrië. Hij zegt met een verwijzing naar Koranteksten dat de beste mensen van de wereld verzameld zullen worden in het gezegende land Shaam en noemt de soldaten die daar vechten de leeuwen van Abu Bakr al-Baghdadi. Hij smeekt Allah om een overwinning voor ISIS en Jabhat al-Nusra en verheerlijkt en steunt daarmee hun strijd. Ook verwijst hij naar broeders die naar Syrië zijn gegaan en keurt hij af dat zij reeds na enkele weken zijn teruggekeerd (zij moeten weer goed gaan nadenken). Ten slotte sluit hij af met een verwijzing naar de profeet die is wederopgestaan voor het zwaard (de strijd) en niet voor de pen (het woord).

12.100 Gelet op de predikende aard van de lezing, het radiostation waarop hij is gedaan en de daarbij behorende doelgroep van moslims en de context, was naar het oordeel van de rechtbank de kennelijke bedoeling van Oussama C. om de toehoorders voor te houden dat het afreizen naar Syrië en aldaar deel te nemen aan de strijd een nastrevenswaardig doel was en dat degenen die reeds waren afgereisd navolging verdienden. In die zin bevat deze lezing naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

B. Facebook Abou Yazeed Al-Maghriebi

12.101 Oussama C. was in de periode van 3 december 2013 tot en met 1 februari 2014 de gebruiker van het Facebook profiel Abou Yazeed Al-Maghriebi en vanaf 2 februari 2014 tot aan zijn aanhouding in juni 2014 van het Facebook profiel Abou Yazeed II.259

12.102 De politie concludeert na onderzoek van het veiliggestelde materiaal dat Oussama C. in de berichtgeving op zijn Facebookpagina’s in de periode van 3 december 2013 tot 25 maart 2014 sterk de nadruk heeft gelegd op de legitimering en verheerlijking van gewapende jihadstrijd en het terrorisme, de support voor ISIS en Jabhat al-Nusra.260 Deze samenvatting wordt gedeeld door de deskundige Peters, die er aan toevoegt dat de berichtgeving kennelijk werving als doel heeft.261

12.103 De rechtbank heeft de in het dossier opgenomen berichten waar de tenlastelegging naar verwijst beoordeeld. Het betreft berichten met een afbeelding en/of een hyperlink naar een video, al dan niet voorzien van commentaar of berichten met uitsluitend tekst. De berichten zijn geplaatst op een Facebookpagina met wisselende profielfoto’s die (vrijwel) allemaal een afbeelding bevatten van de zegelvlag of de tawheedvlag. Berichten op Facebook lenen zich niet voor analyse naar een achterliggende inhoud. De boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft. Zeker wanneer in een kort tijdsbestek veelvuldig berichten met een bepaalde strekking worden verstuurd, heeft dit een versterkend effect op de boodschap die wordt uitgedragen. Het grootste deel van de berichten houdt verband met de gewapende jihadstrijd in Syrië, zoals gevoerd door ISIS en Jabhat al-Nusra. Het is de rechtbank niet gebleken dat er in de berichten sprake was van journalistiek berichtgeving. De doelgroep waarop de uitingen kennelijk waren gericht betreft moslims. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud van de berichten.

12.104 Van 31 berichten kan niet worden gezegd dat deze rechtstreeks verband houden met het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Het betreft bijvoorbeeld berichten over andere strijdgebieden dan Syrië, verwijzingen naar andere social media, aankondigingen van nieuwe vertalingen, Koranteksten en een prijsvraag waarmee een boek, vlag of hoofdband kon worden gewonnen.262 Ook is er een bericht dat ronduit aanzet tot geweld tegen homoseksuelen,263 maar waar geen verband met Syrië valt te leggen. Ten slotte is er een aantal niet te duiden berichten vanwege het ontbreken van de onderliggende video waarnaar de hyperlink verwijst.264

12.105 Van 25 berichten is de rechtbank van oordeel dat deze direct of indirect opruien tot het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank onderscheidt in de berichten die zij als opruiend beoordeelt de volgende categorieën:

 Berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd.265

 Berichten waarin martelaren of de martelaarsdood wordt verheerlijkt.266 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

 Berichten over (Nederlandse) mujahidun.267 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt die waardering tevens uitgesproken voor deelnemers aan die strijd. Deze berichten wekken de suggestie dat deze deelnemers navolging verdienen. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

 Berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens.268 Met deze berichten wordt geappelleerd aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd. Deze berichten wekken de suggestie dat deze jongeren navolging verdienen. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

 Berichten met afbeeldingen van de zegelvlag, in combinatie met wapens of strijdtaferelen.269 Deze berichten verheerlijken niet alleen de gewapende strijd, maar bevatten door de directe link met de actuele strijd in Syrië naar het oordeel van de rechtbank tevens een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.106 Van 33 berichten is de rechtbank van oordeel dat deze de gewapende jihadstrijd in Syrië verheerlijken en/of propaganda bevatten voor ISIS en/of Jabhat al-Nusra.270 Hieronder schaart de rechtbank ook de profielfoto met daarop een gemaskerde man en een gesluierde vrouw die beide een wapen vasthouden,271 door Oussama C. ter terechtzitting omschreven als een romantische foto. Mede gelet op deze omschrijving is de foto kennelijk bedoeld om de gewapende strijd te idealiseren en te verheerlijken. Dit betekent dat de Facebookpagina van Oussama C. in vier maanden tijd een grote stroom aan eenzijdige berichtgeving over de goede daden en werken van de terroristische organisaties ISIS en Jabhat al-Nusra en hun gewapende jihadstrijd heeft verspreid. In het licht van de hoeveelheid berichten die door de rechtbank reeds als opruiend zijn beoordeeld, neemt de rechtbank de conclusie van de politie en de deskundige Peters over en concludeert dat het de kennelijke bedoeling van de Facebookpagina van Oussama C. was om het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië als een nastrevenswaardig doel te profileren. De rechtbank beoordeelt daarom ook deze berichten als een aansporing daartoe en in die zin opruiend.

B. Ask Fm

12.107 Aan Oussama C. wordt verweten dat hij op zijn Ask.fm pagina heeft verwezen naar “gewelddadig Jihadistische inhoud op andere websites”. De rechtbank kan op basis van het proces-verbaal waar in de tenlastelegging aan wordt gerefereerd de inhoud van die websites evenwel niet beoordelen, nu daarvan geen beschrijving wordt gegeven, anders dan de enkele verwijzing naar een tweetal auteurs. Om deze reden zal Oussama C. van dit onderdeel worden vrijgesproken.

C. Youtube / De Ware Religie

Lezingen

12.108 Via de website De Ware Religie zijn in juni 2013 vier lezingen van Oussama C. verspreid. Het betreft “De jeugd van tegenwoordig”, “Het Graf”, “Jihaad voor Allah” en “Drie grote tekenen voor de dag des oordeels”.272

12.109 De lezingen richten zich blijkens hun inhoud tot moslimbroeders en/of -zusters en hebben de vorm en inhoud van een preek. Een preek is een vermanende toespraak met daarin een levensles, een boodschap. Ze zijn alle (grotendeels) theologisch van aard en gepubliceerd op een salafistische website met een duidelijke sympathie voor terroristische organisaties zoals IS.273 Deskundige De Koning beschrijft de lezingen als volgt:

De lezingen van Oussama C. zijn gericht op enerzijds het vermanen van mensen met betrekking tot hun zondige levensstijl en anderzijds het focussen van de aandacht en praktijken van mensen op wat het

belangrijkste is: de aanbidding van God. (…)

Op deze manier onderwijst Abou Yazeed wat het betekent om moslim te zijn, om deel uit te maken van een bepaalde gemeenschap, hoe ze die gemeenschap kunnen herkennen, en hoe zij zichzelf kunnen herkennen als lid van die gemeenschap, waardoor identiteit en (verwachtingen omtrent) gedrag bij elkaar zouden moeten komen. Het gaat daarbij niet zozeer om een tegenstelling tussen het aardse leven en de aanbidding van God als wel om het herstructureren van het aardse leven zodat het individu toegang krijgt tot het paradijs. Leven en dood zijn dus nauw met elkaar verbonden. Het gedenken van de dood (en tegelijkertijd de onverwachtheid ervan), van de kwellingen van het graf, van de dag des oordeels en van God dienen om mensen de juiste morele gevoeligheden en praktijken te laten ontwikkelen en geven tegelijkertijd een doel voor en zin aan die gevoeligheden en praktijken.

Voor Abou Yazeed zijn het de islamitische martelaren die sneuvelen in de strijd op het pad van God die de hoogste vorm van aanbidding hebben bereikt, de meest voorbeeldige moslims zijn en toegang krijgen tot het paradijs. Lezingen als deze gaan uit van het idee dat toehoorders een alternatieve leefstijl en wereldbeschouwing ontwikkelen die voor hen in werkelijkheid logischer, bevredigender en rechtvaardiger is dan hun huidige levensstijl. Abou Yazeed delegitimeert op deze manier de reguliere overdracht door ouders en reguliere moskeeën (die bijvoorbeeld niet over jihad en over dajjal spreken) en de hedendaagse levensstijl van jongeren en het perspectief van andere moslims omdat die niet gebaseerd zou zijn op de ‘ware’ islam. Uiteindelijk kunnen de eschatologische islamitische tradities met hun nadruk op leven en dood, martelaarschap en gedragsverandering veel verschillende betekenissen hebben voor individuen afhankelijk van hun eigen religieuze socialisatie, persoonlijke omstandigheden en ambities.274

12.110 In “De jeugd van tegenwoordig” en “Drie grote tekenen voor de dag des oordeels” wordt geen verband gelegd met de actuele situatie in Syrië. Gelet op de overige theologische inhoud van deze lezingen kan naar het oordeel van de rechtbank van de rechtbank niet worden gezegd dat deze lezingen rechtstreeks aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank zal Oussama C. daarom van deze onderdelen vrijspreken.

12.111 De lezing “Jihaad voor Allah” is in het dossier letterlijk uitgewerkt.275 Deskundige De Koning beschrijft de lezing als volgt:

In zijn lezing grijpt Abou Yazeed voortdurend terug op schriftelijke bronnen van de islam zoals de koran, hadiths en uitspraken van islamitische predikers. Hij stelt dat de veelgehoorde opvatting dat jihad heilige oorlog betekent, onjuist is. Volgens Abou Yazeed is het belangrijkste doel van jihad (in de betekenis van strijd op het pad van God) om de mensen enkel en alleen God te laten aanbidden en hen van een aanbidding van het wereldse naar een aanbidding van God te brengen. Dit laatste is een motief dat voortdurend terugkomt in de lezingen van

Abou Yazeed: mensen dienen minder gericht te zijn op de geneugten van het wereldlijke leven en ze dienen zich te richten op het aanbidden van God. Jihad is volgens hem niet zozeer bedoeld om mensen te bevrijden van onderdrukking, maar om de missie van het verspreiden van de islam te beschermen. (…)

Vervolgens beperkt Abou Yazeed het onderwerp van zijn lezing tot de gewapende jihad (in plaats van

de innerlijke jihad): de aanvallende en verdedigende jihad. Dit is de vorm van jihad die, zo stelt hij,

door ongelovigen bestempeld wordt als terrorisme (…).

Volgens hem moet dit niet gezien worden als “haatprediken” of “terrorisme”, maar als “één van de pilaren waar islam op staat”. Om dat te bewijzen komt Abou Yazeed in de rest van zijn lezing met tal van voorbeelden uit de islamitische tradities: koranverzen, hadith en verhalen uit de tijd van de vrome voorgangers (de metgezellen van de profeet) en uit de tegenwoordige tijd. Op die manier laat Abou Yazeed zien hoe het verrichten van jihad het meest geliefd zou zijn door God (na het verrichten van het gebed en het eerbiedigen van de eigen ouders), de beste manier van leven en met als resultaat een ‘prachtige eindbestemming’ (rechtstreekse toegang tot het paradijs). In de huidige situatie verwijst hij naar Afghanistan, Mali, Tsjetsjenië, Palestina en Sham (Groot-Syrië) en stelt hij dat daar zeker sprake is van jihad fi sabil AllaH. (…).

Aan het einde van de lezing sluit Abou Yazeed af met enkele smeekbedes richting God waarin

hij God vraagt hen genade te schenken voor hun zwakheden, hen te laten sterven als martelaren op de

weg van God, hen mujahedin te laten worden op de weg van God, de broeders en zusters in Syrië,

Kasjmir, Somalië, Tsjetsjenië, Marokko, Algerije, Egypte, Mali, Tunesië, Palestina en andere landen

te bevrijden, de martelaren zoals Anwar al-Awlaki, Musab al-Zarqawi en Osama bin Laden te

accepteren, de vlag van tawhid over de hele wereld te laten wapperen, enzovoorts.

In de lezing probeert Abou Yazeed de hedendaagse conflicten in landen als Syrië en Somalië te plaatsen binnen de islamitische traditie en binnen de islamitische geschiedenis en zo het idee van de hedendaagse gewapende jihad als iets goeds, deugdzaams en als hoge vorm van aanbidding te beargumenteren. Hij gaat hiermee in tegen ideeën die jihad als terrorisme zouden bestempelen (hetgeen volgens hem bijvoorbeeld door de AIVD gedaan wordt) of tegen de praktijk van de gewapende jihad van Arabische regimes die, volgens hem, alleen de jihad zouden aangaan als het hen uitkomt. Daarmee gaat hij in tegen ideeën over jihad van sommige salafistische netwerken en predikers die het idee van een gewapende jihad tegen machthebbers afwijzen, maar bevindt hij zich wel binnen het gedachtegoed van andere predikers, zoals Anwar al-Awlaki.276

12.112 De rechtbank onderschrijft de duiding door deskundige De Koning. In de lezing benoemt Oussama C. met zo veel woorden de gewapende jihadstrijd van vandaag de dag, die door de ongelovigen terrorisme wordt genoemd. Hij waardeert het deelnemen aan die gewapende strijd als zeer positief en het sterven als martelaar in die strijd als het hoogst haalbare. Hij verwijst verder naar de Tawheedvlag en smeekt Allah (onder meer) de broeders en zusters in Syrië te bevrijden. Deze smeekbede kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gezien dan als de uitdrukkelijke wens van Oussama C.. Deze wens kan slechts gestalte krijgen indien mensen trachten de gewenste uitkomst te bewerkstelligen en daarmee aan de wil van Allah gevolg geven.

12.113 Gelet op de predikende aard van de lezing (mede in het licht van zijn andere lezingen), de website waarop hij is gepubliceerd en de daarbij behorende doelgroep van moslims en de context, was naar het oordeel van de rechtbank de kennelijke bedoeling van Oussama C. om de kijkers voor te houden dat het afreizen naar Syrië en aldaar deel te nemen aan de strijd een nastrevenswaardig doel was. In die zin bevat deze lezing naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.114 De lezing “Het Graf” is in het dossier letterlijk uitgewerkt.277 Deskundige De Koning beschrijft de lezing als volgt:

De lezing ‘Het Graf’ past in een islamitische traditie van teksten en lezingen die toehoorders wijzen op de vluchtigheid van het leven en de noodzaak om het gedrag in dit leven te beteren volgens islamitische maatstaven met het oog op het leven in het hiernamaals. De lezing begint met een oproep van Abou Yazeed aan de toehoorders om zich bewust te

zijn van de dood. (…) Mensen moeten zich bewust zijn van het gegeven dat hun daden in het wereldlijke bepalen of iemand naar het paradijs gaat of naar de hel. (…) De folteringen van het graf zullen gruwelijk zijn zo vertelt Abou Yazeed in de lezing. (…)

Maar, zo stelt Abou Yazeed, “God heeft mensen middelen gegeven om gered te worden van de bestraffingen van het graf.” Eén daarvan is martelaarschap, zo stelt Abou Yazeed op basis van

islamitische bronnen. (…)

Als het gaat om de bestraffingen van het graf in relatie tot de martelaars stelt Abou Yazeed dan ook op basis van de islamitische bronnen: “Over degenen die jihad fi sabil Allah verrichten, daarover hoeven jullie geen zorgen te maken”. Vervolgens verbindt hij dit met de huidige generatie strijders: “Degenen die zich in Afghanistan, in Somalië, in Syrië, in Mali bevinden, daarover hoeven jullie je geen zorgen te maken.” (…)

Abou Yazeed maant zijn toehoorders om terug te kijken op hun leven en zich af te vragen of hun daden de daden zijn waarover ze op de dag des oordeels ondervraagd willen worden (…)

Zijn lezing is dan ook een vermaning of zoals hij zelf stelt “Dit is een waarschuwing. Wee jou die de waarheid nog niet ziet. Wee jou die de tawaghit verdedigd. Wee jou die de paleisgeleerden [islamitische geleerden die hun lezing van het geloof aanpassen aan de belangen en wensen van machthebbers die niet volgens sharia regeren] volgt.” (…)

Waarom zijn onze harten zo hard geworden? Waarom kennen wij geen liefde en solidariteit voor onze broeders en zusters in Syrië, in Palestina, in Afghanistan? Hoezo kijken wij toe hoe onze broeders en zusters worden afgeslacht? Waar is het leger van Saoedi-Arabië om in te grijpen? Waar is het leger van Egypte? Waar is het leger van Marokko? Waar is het leger van Algerije? Waar is het leger van Tunesië? Waar zijn de nucleaire bommen van Pakistan? Waar is het leger van Jordanië? Waar zijn de F16’s van Saoedi-Arabië? Waar zijn de zogenaamde islamitische leiders?”

Abou Yazeed wijst eerst opnieuw op de noodzaak de dood te gedenken en schakelt vervolgens over op het gebrek aan solidariteit en liefde voor moslims die te maken hebben met oorlog en onrechtvaardigheid en beklaagt zich over het gebrek aan actie daartegen van leiders van moslimlanden. (…)

De lezing eindigt met een smeekbede waarin Abou Yazeed vraagt om vergeving van de zonden, het bevrijden van de broeders en zusters in Syrië, Kasjmir, Tsjetsjenië, Somalië, Marokko, Algerije, Egypte, Mali, Palestina en Tunesië, het bevrijden van de gevangenen, de geleerden, de mujahedin te laten overwinnen, de vlag van tawhid over de hele wereld te laten wapperen, de ogen van de jeugd te openen en hen te laten sterven omwille van la illaha illallah [er is geen god dan God], af te rekenen met de vijanden van de islam en om ‘ons’ te laten lopen in de voetstappen van de salaf [de vrome voorgangers] en de profeet.278

12.115 De rechtbank onderschrijft ook in deze de duiding door deskundige De Koning. In de lezing beschrijft Oussama C. onder verwijzing naar de Koran dat het sterven als martelaar in de gewapende jihadstrijd de beste manier is om aan de verschrikkingen van het graf te ontkomen. Hij benadrukt in dat licht de door Allah ingegeven noodzaak tot solidariteit onder moslims en verwijst naar de broeders en zusters die in (onder meer) Syrië worden afgeslacht. Hij smeekt ten slotte Allah de ogen van de jeugd te openen en hen te laten sterven omwille van la illaha illallaH.

12.116 Gelet op de predikende aard van de lezing (mede in het licht van zijn andere lezingen), de website waarop hij is gepubliceerd en de daarbij behorende doelgroep van moslims en de context, was naar het oordeel van de rechtbank de kennelijke bedoeling van Oussama C. om de kijkers voor te houden dat het afreizen naar Syrië en aldaar deel te nemen aan de strijd een nastrevenswaardig doel was. In die zin bevat deze lezing naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.117 Oussama C. heeft Rudolph H. voorafgaand aan de plaatsing van deze lezingen daartoe toestemming gegeven en ze met dat doel ingesproken. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen Oussama C. en Rudolph H. dat kan worden gesproken van medeplegen van het plaatsen van deze lezingen op De Ware Religie.

Nusrah bil-Jihaad

12.118 Oussama C. was de beheerder van het Youtube kanaal Nusrah bil-Jihaad. Hij heeft 33 video’s geplaatst op dit kanaal in de periode van januari 2013 tot juni 2014.279 In de tenlastelegging staat ten aanzien van dit onderdeel onder C, 2e gedachtestreepje, als pleegperiode 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 genoemd. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat mag worden uitgegaan van de ruimere periode (1 januari 2012 tot en met 24 juni 2014) in de aanhef van het ten laste gelegde feit 2. De rechtbank zal de kortere periode uitstrepen.

12.119 De rechtbank heeft alle in het dossier opgenomen berichten beoordeeld.280 Het betreft video’s met beelden, liederen en/of lezingen. De video’s zijn geplaatst op een openbaar toegankelijk Youtube kanaal met als naam Nusrah bil-Jihaad, hetgeen vertaald betekent “Overwinning door de Jihad”. Vrijwel alle video’s houden verband met de gewapende jihadstrijd in Syrië, zoals gevoerd door ISIS en Jabhat al-Nusra. Het is de rechtbank niet gebleken dat er in de berichten sprake was van journalistiek berichtgeving. Ook van satire of ironie, met enige vorm van zelfspot is niet gebleken. De doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht betreft moslims en in het bijzonder “moslimbroeders”. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud van de berichten. Minst genomen heeft Oussama C. de bedoeling gehad om bestaande videofilms voor een Nederlands publiek toegankelijk te maken door de Arabische teksten van een Nederlandse ondertiteling te voorzien. Daar waar hij de video’s heeft voorzien van een trailer moeten de video’s worden gezien in het licht van de inhoud van die trailers.

12.120 Zeven video’s werden voorafgegaan en afgesloten door trailer 1. In deze trailer zijn gewapende soldaten te zien die marcheren door de regen en onweer. De tekst “wees een ondersteuner” verschijnt in beeld.281 In deze video’s wordt het martelaarschap verheerlijkt282 en propaganda gevoerd voor de gewapende strijd tegen de ongelovigen en andersdenkenden.283 Gelet op de naam van het Youtube kanaal, de doelgroep van het kanaal, de inhoud van de video’s in de context van de gewapende strijd zoals die door de trailer wordt ingegeven en de niet mis te verstane oproep “wees een ondersteuner”, bevatten deze video’s naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreekse aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.121 Zes video’s werden voorafgegaan en afgesloten door trailer 2. In deze trailer worden strijders en overleden strijders afgebeeld met foto’s, waarbij in elk geval de overleden Nederlandse Syriëgangers Betrokkene 4 en de broers Betrokkene 5 worden herkend.284 In deze video’s worden mujahidun verheerlijkt,285 het martelaarschap verheerlijkt286 en propaganda gevoerd voor de gewapende strijd tegen ongelovigen en andersdenkenden.287 Gelet op de naam van het Youtube kanaal, de doelgroep van het kanaal, de inhoud van de video’s in de context van de gewapende strijd en het verheerlijken van strijders en hun martelaarsdood zoals die door de trailer wordt ingegeven, wordt het deelnemen aan die strijd weergegeven als een nastrevenswaardige doel en bevatten deze video’s naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreekse aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.122 Vier video’s werden voorafgegaan en/of afgesloten door trailer 3. In deze trailer verschijnen in beeld achtereenvolgens de teksten “Nusrah bil-Jihaad”, “Overwinning door de Jihaad” en “Wees een ondersteuner”.288 In deze video’s worden mujahidun verheerlijkt289, het martelaarschap verheerlijkt290 en propaganda gevoerd voor de gewapende strijd tegen ongelovigen en andersdenkenden.291 Gelet op de naam van het Youtube kanaal, de doelgroep van het kanaal, de inhoud van de video’s in de context van de gewapende strijd zoals die door de trailer wordt ingegeven en de niet mis te verstane oproep “wees een ondersteuner”, bevatten deze video’s naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.123 Twee video’s werden voorafgegaan door trailer 4. In deze trailer komen de volgende teksten in beeld: "de overwinning door middel van jihaad", "mujahideen" (foto van strijders), "Shuhaada" (foto van omgekomen strijder Betrokkene 5), "martelaarsoperaties", "da’wah conferenties", "slagvelden", "afslachtingen", "broederschap" en "Dawlaatal Islam.. Baqiah". De trailer eindigt met een aantal foto's van onder meer de omgekomen strijders Betrokkene 4, Betrokkene 5 en Osama bin Laden.292 In deze video’s wordt het martelaarschap verheerlijkt293 en propaganda gevoerd voor de gewapende strijd tegen ongelovigen en andersdenkenden.294 Gelet op de naam van het Youtube kanaal, de doelgroep van het kanaal, de inhoud van de video’s in de context van de gewapende strijd en het verheerlijken van de martelaarsdood zoals die door de trailer wordt ingegeven, wordt het deelnemen aan die strijd weergegeven als een nastrevenswaardige doel en bevatten deze video’s naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreekse aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.124 Elf video’s worden niet voorafgegaan door één van de trailers. Dit betreffen video’s met geluidsopnamen van anasheed,295 geluidsopnamen van anasheed voorzien van beelden met onder meer strijders en martelaars,296 beelden van een strijder,297 lezingen van Oussama C. 298 en een lezing van Abu Qatada.299 Gelet op de naam van het Youtube kanaal, de doelgroep van het kanaal, de inhoud van de video’s bevatten vijf van deze video’s300 naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreekse aansporing om deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Voor het overige zal Oussama C. van dit onderdeel worden vrijgesproken.

D. Benefietlezing

12.125 Oussama C. wordt verweten dat hij een lezing heeft gegeven op een benefietavond voor Syrië op 6 juni 2014, waarbij propaganda voor de gewelddadige Jihadstrijd is gevoerd. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank niet het wettig bewijs dat Oussama C. tijdens deze lezing opruiende taal heeft gebezigd of dat hij de gewapende strijd heeft verheerlijkt of daarvoor propaganda heeft gevoerd. Het betrof overigens een benefietavond op 22 juni 2014, waar volgens Oussama C. geld werd ingezameld om een ambulance aan te schaffen ten behoeve van Syrië. Getuige 6 heeft deze gang van zaken bevestigd en verklaard dat Oussama C. op deze avond met een lezing de mensen met verzen uit de Koran of gebeurtenissen van de profeet stimuleerde om te doneren.301 Om deze reden zal de rechtbank Oussama C. van dit onderdeel vrijspreken.

E. In voorraad hebben

12.126 Ten aanzien van de afbeeldingen, filmpjes en bestanden die bij Oussama C. op zijn telefoon en computer zijn aangetroffen is de rechtbank niet gebleken dat hij deze in voorraad had ter verspreiding. Bij het in voorraad hebben ter verspreiding komt het aan op de intentie. Het woord in voorraad hebben houdt reeds een bestemming in. Uit de omstandigheden moet blijken dat verdachte de ten laste gelegde afbeeldingen, filmpjes en bestanden onder zich had om ze daadwerkelijk te verspreiden. Dat (sommige van) deze bestanden mogelijk van opruiende aard zijn is daarvoor onvoldoende. Ook het gegeven dat Oussama C. andere berichten van opruiende aard wél heeft verspreid leidt niet tot een ander oordeel. Oussama C. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Imane B.(feit 1)

A. Facebookpagina Shaam al-Ghareeba

12.127 Het dossier bevat veel aanwijzingen dat Imane B. een zekere mate van betrokkenheid had bij de social media activiteiten van haar echtgenoot Azzedine C..302 Azzedine C. heeft verklaard dat Imane B. geen betrokkenheid had bij deze Facebookpagina, anders dan dat zij een keer via zijn account een post heeft geplaatst.303 In dat licht zijn genoemde aanwijzingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking met Azzedine C. en/of andere redacteuren van Shaam al-Ghareeba dat sprake is van medeplegen van het plaatsen van berichten op deze Facebookpagina. Imane B. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

B. Twitter

12.128 Imane B. was de gebruiker van het Twitteraccount @AzzamAbdollah, met als Twitter profiel in de periode van 10 oktober 2013 tot en met 13 mei 2014 de naam Azzaam Abdollah en in de periode van 13 tot en met 27 augustus 2014 de naam Abu Abdullah #Baqiya.304

12.129 De naam Azzaam Abdollah, wordt op verschillende websites verkort gebruikt voor de persoon, Abdullah Yusuf Azzam. Deze persoon is ook bekend onder de namen Sjeik Azzam of de "Godfather van de Jihad". Hij was een centraal persoon in de ontwikkeling van de wereldwijd opererende militante islamistische bewegingen. Azzam bouwde een wetenschappelijke, ideologische en praktische paramilitaire infrastructuur voor de mondialisering van islamitische bewegingen die tot dan toe gefocust waren op afzonderlijke nationale vrijheidsstrijden. Azzams filosofische rationalisatie van de wereldwijde jihad en praktische benadering van werving en training van moslimmilitanten vanuit verschillende delen van de wereld, bloeide gedurende de oorlog in Afghanistan tegen de Sovjet-bezetters. Dit is achteraf bezien de bakermat van al Qaida geweest.305 De rechtbank concludeert dat Imane B. met het gebruik van deze naam – in elk geval op hoofdlijnen – het gedachtegoed van Azzam onderschrijft.

12.130 De rechtbank vindt sommige berichten te onbepaald of te weinig informatie bevatten om te kunnen beoordelen.306 Ook zijn er berichten die hooguit als propaganda kunnen worden beschouwd.307 Ook zijn er berichten waarvan niet valt in te zien in hoeverre zij rechtstreeks zouden kunnen aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.308

12.131 Ten aanzien van het op 15 april 2014 door Imane B. geplaatste bericht309 met de tekst “Nederland heeft vele Mujahidien geschonken aan de Jihad in Shaam, ook veel broeders zijn vertrokken voor …”, overweegt de rechtbank het volgende. Dit bericht betreft een retweet van een bericht van Azzedine C.. Volgens de officieren van justitie gaat het in deze om de tweet van Azzedine C. zoals weergegeven op Malaga 138. Echter, de rechtbank constateert dat die tweet en de ten laste gelegde retweet tekstueel niet volledig overeenstemmen. De rechtbank zal die tweet van Azzedine C. dan ook niet betrekken bij de beoordeling. De ten laste gelegde tekst van de retweet is onvolledig en valt derhalve niet te duiden. Om deze reden zal de rechtbank Imane B. vrijspreken van dit onderdeel.

12.132 Ten aanzien van het op 13 april 2014 door Imane B. geplaatste bericht310 met de tekst “Nieuwe foto van Nederlandse strijders in #Syrië. Van mu-ziek naar mu-jahid”, overweegt de rechtbank het volgende. Dit bericht betreft een retweet van een bericht van @Shaam Nieuws.311 Dit oorspronkelijke bericht betreft een afbeelding van een onbekende strijder, met de tekst “Opeens heb je het …je toekomst ligt in het paradijs” en de subtekst “van MU-zikant naar MU-jahid” en een verwijzing naar de Facebookpagina Shaam al-Malaahim, de Europese mujahidun in het gezegende land van Shaam. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in dit bericht niet alleen de gewapende jihadstrijd in Syrië verheerlijkt, maar ook de – kennelijk Nederlandse – strijders die daar aan deelnemen. Gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. In die zin bevat dit bericht naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Nu Imane B. dit bericht heeft geretweet zonder commentaar, zal de rechtbank haar vrijspreken van opruiing als bedoeld in artikel 131 Sr. Wel acht de rechtbank bewezen dat zij een opruiend bericht heeft verspreid.

C. Werkgroep Shaam

12.133 De Facebook pagina Werkgroep Shaam betrof een gesloten pagina. De privacyinstellingen van deze groep waren als geheim ingesteld. Dit houdt in dat niemand zomaar lid kon worden, maar dat dit alleen op uitnodiging mogelijk was. De pagina was ook niet openbaar te bekijken. De pagina is op 7 april 2014 gecreëerd en is tot en met 12 mei 2014 veiliggesteld, bekeken en onderzocht.312

12.134 De rechtbank heeft hiervoor313 reeds overwogen dat opruiing in het openbaar geschiedt. Van opruiing in het openbaar is sprake wanneer de opruiing plaatsvindt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden geconsumeerd. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven. Uit het proces-verbaal blijkt en dit is door Azzedine C. ter terechtzitting ook bevestigd, dat de gesloten pagina Werkgroep Shaam uitsluitend toegankelijk was voor leden en dat men uitsluitend op uitnodiging van één van de leden nieuw lid kon worden. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de ten laste gelegde uitingen op deze Facebookpagina in het openbaar zijn gedaan. De rechtbank zal Imane B. reeds om deze reden vrijspreken van dit onderdeel.

D. Facebookpagina’s Azzedine C.

12.135 Het dossier bevat veel aanwijzingen dat Imane B. een zekere mate van betrokkenheid had bij de social media activiteiten van haar echtgenoot Azzedine C..314 Azzedine C. heeft hierover verklaard: “Imane B. is mijn vrouw. Zoals ik eerder heb verklaard ben ik absoluut atechnisch en roep ik met regelmaat de hulp in van mijn naasten. Het is hartstikke normaal dat mijn levenspartner toegang heeft tot mijn sociale media”.315 In dat licht zijn genoemde aanwijzingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking met Azzedine C. dat sprake is van medeplegen van het plaatsen van berichten op de Facebookpagina’s van Azzedine C.. Imane B. zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Moussa L. (09/767238-14, feit 1)

12.136 De rechtbank heeft de in het dossier opgenomen berichten waar de tenlastelegging naar verwijst beoordeeld. Het betreft social media berichten met een afbeelding, al dan niet voorzien van commentaar of berichten met uitsluitend tekst. De berichten zijn geplaatst op een Facebookpagina en Twitter account met een profielfoto die minst genomen de indruk wekt dat de gebruiker de gewapende jihadstrijd steunt. Berichten op Facebook en Twitter lenen zich niet voor analyse naar een achterliggende inhoud. De boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft. De doelgroep waarop de uitingen kennelijk waren gericht betreft moslims. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud van de berichten.

Facebook

12.137 Moussa L. was de gebruiker van de Facebookpagina met het profiel Abu Ilias.316 De omslagfoto van dit profiel betrof een afbeelding van strijders en de tekst “When I am in the battlefield, I love it more then when I am in my home”. Op 31 december 2013 heeft Moussa L. een bericht gepost. In dit bericht is een afbeelding te zien van een stoere man met een bandana met daarop de islamitische geloofsbelijdenis en met de tekst “join the jihad”. Moussa L. heeft deze afbeelding zelf voorzien van de tekst “in shaa Allah”.317 Gelet op de afbeelding van een kennelijke strijder, de opruiende tekst en de toevoeging van Moussa L., een en ander in combinatie met de profielfoto van de Facebookpagina, is de rechtbank van oordeel dat dit bericht rechtsreeks oproept tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.138 Het delen van een foto van Soufiane Z. zwaaiend met de zegelvlag met daarbij de toegevoegde tekst “Met deze foto is het allemaal begonnen. Hahaha”318 beschouwt de rechtbank gezien de context als het verheerlijken van de gewapende strijd. Dit is echter op zich zelf niet strafbaar. Moussa L. zal dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

12.139 Op 13 april 2014 heeft Moussa L. een tekst gepost met daarbij een compilatiefoto van 12 kennelijk omgekomen personen.319 De tekst verheerlijkt (de zegeningen van) het martelaarschap.320 In dit bericht krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. De toegevoegde foto – in combinatie met de profielfoto van de Facebookpagina – legt de link naar de actuele situatie in Syrië. In die zin bevat dit bericht naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Filmpjes

“Erkenning kalifaat”

12.140 Rond 1 juli 2014 verscheen op het internet een filmpje waarin onder andere Azzedine C. en Moussa L. te zien zijn. Zij zitten op een grasveld voor een grote zegelvlag. Azzedine C. spreekt in het Arabisch de volgende woorden:

Vrede zij met de profeet. Wij willen onze grote umma feliciteren met het ontstaan van het gezegende kalifaat. Oh dapperen van de umma, Allah zal jullie de beste beloning geven. Allah zal u zegenen/bijstaan Emir en Kalifaat, Abu Bakr Al Baghdadi. Oh woordvoerder van de umma, Allah zal u zegenen en belonen. Vrede zij met u vanuit Nederland.

Azzedine C. steekt vervolgens zijn vinger omhoog en roept: "Takbier". De rest zegt hierna: "Allahu Akbar". Azzedine C. roept: "De Islamitische staat", de rest roept: ''Blijft bestaan". Dit wordt twee maal herhaald.321

12.141 Dit filmpje bevat naar het oordeel van de rechtbank – gelet op het gebruik van de zegelvlag in combinatie met de uitgesproken tekst – een duidelijke steunbetuiging aan het zojuist uitgeroepen kalifaat IS en kan tevens worden gezien als verheerlijking daarvan. Een dergelijke steunbetuiging is zoals hiervoor al eerder overwogen op zich zelf nog niet het rechtstreeks aanzetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Moussa L. zal dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

“Sta op voor Syrië”

12.142 In januari 2012 verschijnt op het internet een filmpje waarin Azzedine C., Rudolph H. en Moussa L. te zien zijn. In het filmpje zijn schokkende beelden te zien van slachtoffers van het regime Assad. Azzedine C., Rudolph H. en Moussa L. zeggen daarna – kort gezegd – dat de broeders en zusters in Syrië worden gemarteld, verkracht en vermoord, alleen omdat ze moslim zijn. Zij vragen zich af waar de echte mannen zijn en de Umma wordt opgeroepen op te staan voor de broeders in Syrië.322 Door deze combinatie lijkt het filmpje op het eerste oog aan te zetten tot deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Echter op twee momenten in het filmpje (halverwege en aan het einde heel duidelijk) blijkt dat het filmpje is bedoeld als oproep om deel te nemen aan een demonstratie bij het Syrische consulaat in Den Haag op 8 januari 2012. Gelet op deze context kan van het filmpje niet worden gezegd dat het opruiend van aard is. Moussa L. zal dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Usb-stick

12.143 Ten aanzien van de afbeeldingen, filmpjes en bestanden die bij Moussa L. zijn aangetroffen op een usb-stick is de rechtbank niet gebleken dat hij deze in voorraad had ter verspreiding. Bij het in voorraad hebben ter verspreiding komt het aan op de intentie. Het woord in voorraad hebben houdt reeds een bestemming in. Uit de omstandigheden moet blijken dat verdachte de ten laste gelegde afbeeldingen, filmpjes en bestanden onder zich had om ze daadwerkelijk te verspreiden. Dat (sommige van) deze bestanden mogelijk van opruiende aard zijn is daarvoor onvoldoende. Ook het gegeven dat Moussa L. andere berichten van opruiende aard wél heeft verspreid leidt niet tot een ander oordeel.

(09/827053-15, feit 1)

Twitter

12.144 Moussa L. was de gebruiker van het Twitter account Abu Ilias@Moussa L.M.323 Tussen 24 december 2014 en 8 januari 2015 plaatste hij een aantal tweets die door de politie zijn veilig gesteld.324

12.145 Van 10 berichten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze rechtstreeks verband houden met het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië of het oproepen van geweld tegen de Nederlandse politie.325

12.146 In één bericht worden martelaren en de martelaarsdood verheerlijkt en is een strijder te zien met een zegelvlag. Moussa L. heeft zelf de tekst toegevoegd: “Hoe lang blijven mensen slapen terwijl de vijanden klaarwakker zijn”.326 In dit bericht krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. Gelet ook op de toevoeging door verdachte bevat dit bericht naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

12.147 In vier berichten worden martelaren of de martelaarsdood verheerlijkt.327 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Nu Moussa L. deze berichten heeft geretweet zonder commentaar, zal de rechtbank hem vrijspreken van opruiing als bedoeld in artikel 131 Sr. Wel acht de rechtbank bewezen dat hij opruiende berichten heeft verspreid.

12.148 Eén bericht bevat een afbeelding van gewapende mujahidun en de tekst “#IS #ISIS #Islamic State #mujahideen”.328 In dit bericht krijgen niet alleen IS en de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt die waardering tevens uitgesproken voor deelnemers aan die strijd. Dit bericht wekt de suggestie dat deze deelnemers navolging verdienen. In die zin bevat dit bericht naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Nu Moussa L. dit bericht heeft geretweet zonder commentaar, zal de rechtbank hem vrijspreken van opruiing als bedoeld in artikel 131 Sr. Wel acht de rechtbank bewezen dat hij een opruiend bericht heeft verspreid.

12.149 In twee berichten wordt de uitdrukking “katalahummuAllah” gebezigd, met een verwijzing naar de politie en een herkenbaar afgebeelde politieagent.329 Deze uitdrukking is afkomstig uit de Koran en betekent zo veel als “Allah zal hen bestrijden en vervloeken”.330 Uit het gebruik van het woord blijkt een grote vijandschap tegenover degene tot wie het is gericht.331 Moussa L. heeft naast deze twee berichten in dezelfde periode nog een bericht gepost, waarin hij een agent afbeeldt met de tekst “Er is geen vrees voor de onderdrukkers”.332 Uit deze berichten spreekt afkeer van de politie en zelfs haat. De islamitische context van de uitdrukking is een oproep aan Allah om degene tot wie het is gericht te bestrijden. Een dergelijke oproep kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gezien dan als de uitdrukkelijke wens van Moussa L. om dat resultaat te bereiken. Dat resultaat kan slechts gestalte krijgen indien mensen trachten de gewenste uitkomst te bewerkstelligen en daarmee aan de wil van Allah gevolg geven. In dit licht beschouwt de rechtbank deze berichten als een indirecte aansporing tot geweld tegen de politie en de afgebeelde agent in het bijzonder, en tegen het openbaar gezag.

12.150 Eén bericht bevat de tekst “Gaybar gaybar ya yahoed, jzashi mohamad saya'oed. Gaybar gaybar ya amerika, jzashi mohamed saya'oed !!”.333 Naar het oordeel van de rechtbank moet deze tekst worden gezien als het aanzetten tot geweld tegen Joden.334 Nu echter is ten laste gelegd dat verdachte zou hebben opgeruid tot het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, zodat de rechtbank Moussa L. van dit onderdeel zal vrijspreken.

12.151 Drie berichten bevatten enige vorm van propaganda voor IS.335 Er is geen sprake van bijkomende omstandigheden, zodat de rechtbank Moussa L. van deze onderdelen zal vrijspreken.

Hatim R. (feit 2)

12.152 De rechtbank heeft de in het dossier opgenomen berichten waar de tenlastelegging kennelijk op was gericht beoordeeld.336 Het betreft social media berichten met een afbeelding, al dan niet voorzien van commentaar of berichten met uitsluitend tekst. De berichten zijn geplaatst op een Facebookpagina en Twitter account met een profielfoto die minst genomen de indruk wekt dat de gebruiker de gewapende jihadstrijd in Syrië steunt en aanspoort ook deel te nemen. Berichten op Facebook en Twitter lenen zich niet voor analyse naar een achterliggende inhoud. De boodschap die het bericht bij eerste, oppervlakkige kennisname lijkt te verkondigen, is de boodschap die beklijft. Hatim R. nam deel aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Het grootste deel van de berichten houdt verband met de gewapende jihadstrijd in Syrië, zoals gevoerd door ISIS en Jabhat al-Nusra. Het is de rechtbank niet gebleken dat er in de berichten sprake was van journalistiek berichtgeving. De doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht betreft moslims en in het bijzonder “moslimbroeders”. Dit leidt de rechtbank af uit de aanhef van veel van de berichten. Gelet op het feit dat Hatim R. zelf deelnam aan de gewapende strijd concludeert de rechtbank dat Hatim R. in elk geval de gewapende jihadstrijd in Syrië ondersteunde en die steun wilde uitdragen.

Facebook

12.153 Hatim R. was de gebruiker van het Facebook account Abou Hatim La Haye.337 Het account was niet afgeschermd en voor iedereen zichtbaar.338 Hatim R. gebruikte als omslagfoto een afbeelding van een strijder met de tekst “join the caravan” en als profielfoto een foto van hemzelf waarop hij met een wapen staat afgebeeld.339 Op deze Facebookpagina heeft Hatim R. onder meer een bericht geplaatst met foto’s van twee als martelaar gestorven Duitse strijders,340 een bericht met een foto van hemzelf met een wapen,341 een bericht met een foto van hemzelf met een wapen en de tekst “Khilafah feest in Al Bab iedereen is blij en huilt om blijdschap. We danken Allah”,342 en een bericht met “een lijst voor de broeders die InshaAllah van plan zijn om naar Syrië te gaan en wat handig is om mee te nemen”.343

12.154 In deze berichten krijgt niet alleen de jihadstrijd een hoge morele waardering, maar wordt ook waardering uitgesproken voor deelnemers aan die strijd en gesuggereerd dat het deelnemen aan die strijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient. Verder wordt het uitgeroepen kalifaat bejubeld en kennelijk ook de strijd die daarmee samenhangt. Ten slotte bevat een bericht zeer concrete tips en trucs voor degenen die van plan zijn om te gaan deelnemen aan de strijd. In die zin bevatten deze berichten naar het oordeel van de rechtbank een aansporing om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Twitter

12.155 Hatim R. was de gebruiker van het Twitter account @AbeHatim.344 Het account was niet afgeschermd en voor iedereen zichtbaar.345

12.156 Op 23 en 24 september 2014 zijn met dit account de volgende tweets geplaatst: “zijn er al Lone Wolfs gespot in NL?”,346 “Als ik nu in NL was dan wist ik wat ik moest doen. Bloed aan me handen.”,347 en “Wat krijg ik een warme gevoel van binnen na het zien van een Fransman die onthoofd wordt. Hoop dat NL hier een les uit leert”.348

12.157 Op 21 september 2014 heeft de woordvoerder van IS een oproep gedaan om aanslagen te plegen op westerse doelen en burgers. Op 24 september 2014 is in Algerije een Franse bergbeklimmer door Terroristten onthoofd, uit naam van het kalifaat. In dit licht zijn deze tweets naar het oordeel van de rechtbank niet anders uit te leggen dan een rechtstreekse oproep om geweld te plegen in Nederland.

12.158 Op 24 september is de volgende tweet geplaatst: “Zo blij dat ik nu in Syrië ben, jongens droom komt uit. Oog in oog staan met de VS en Bondgenoten”.349 De rechtbank ziet in dit bericht – mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – een grote positieve waardering voor het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en daarmee een indirecte oproep om daar navolging aan te geven.

13 Werven voor de gewapende strijd, het juridisch kader

13.1

De verdenking jegens Oussama C. en Azzedine C. komt er – kort weergegeven – op neer dat Oussama C. in de periode van 1 januari 2012 tot en met 24 juni 2014 vijf en Azzedine C. in de periode van 1 juli 2012 tot en met 27 augustus 2014 zes, in de tenlasteleggingen met name genoemde, personen heeft geworven voor de gewapende (terroristische) strijd in Syrië.

Juridisch kader

13.2

Artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt het werven voor de gewapende strijd strafbaar. Lid 1 van dit artikel luidt als volgt:


Hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

13.3

In lid 3 van dit artikel wordt bepaald dat de in lid 1 bedoelde gevangenisstraf met een derde wordt verhoogd indien de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 Sr inhoudt.

13.4

Met de invoeging van het bestanddeel ‘gewapende strijd’ in lid 1 van artikel 205 Sr werd beoogd ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen die betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake is van deelname aan enig(e) groep of samenwerkingsverband. De werving moet daadwerkelijke deelname aan de strijd beogen; enkel financiële ondersteuning valt daar niet onder. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat onder het begrip ‘strijd’ als hiervoor bedoeld ook de ‘jihad’ kan worden begrepen omdat een jihad kan worden geduid als islamitische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitisch geloof – de Koran en de soenna – staat vermeld. De verwezenlijking van een wereld volgens een bepaald model door het ontplooien van geweldsactiviteiten kan niet anders dan (ook) met ingrijpend geweld worden gerealiseerd, aldus de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de ‘strijd’ zich kenmerkt door de toepassing van ernstig geweld als voornaamste methode om ongeacht welk (geo)politiek, religieus of ideologisch doel te bereiken. Een strijd is volgens de wetgever ‘gewapend’ wanneer de (uiteindelijk) beoogde toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerillasituatie.350

13.5

De strafmaat is, zo volgt ook uit de wetsgeschiedenis, – onder meer – ingegeven door de verscherpte afkeuring van werven voor de ‘jihad’, volgens de wetgever een bijzonder kwalijke en bedreigende vorm van rekrutering, een vorm die mogelijk desastreuze gevolgen heeft voor de betrokkene en de mogelijke slachtoffers.351

13.6

Blijkens de wetgeschiedenis kan onder ‘werven’ worden begrepen: het ‘bespelen’ en het ‘beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen’. Deze handelingen kunnen ‘vis-a-vis’ plaatsvinden, maar ook met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite.352

13.7

Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele werven van personen voor de gewapende (terroristische) strijd. Het komt aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven, op dat moment tegenover de strijd staat en of het werven resultaat heeft of niet.353 Het werven is voltooid wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting bij de gewapende strijd te bewegen, zich heeft geopenbaard. Het hoeft daarbij niet te gaan om een concreet verzoek tot het deelnemen aan de gewapende strijd.354 Het werven zal over het algemeen geen eenmalige handeling betreffen (maar uitgesloten is dit niet), maar omvat veeleer een geleidelijk proces.355

14 Werven voor de gewapende strijd, zoals ten laste gelegd
(Oussama C. en Azzedine C. )

Oussama C.

14.1

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in het dossier niet voldoende bewijs kan worden gevonden voor het werven voor de gewapende jihadstrijd door Oussama C. van Betrokkene 4, Betrokkene 5, Betrokkene 6 en Betrokkene 7. In zoverre moet dan ook vrijspraak van het tenlastegelegde volgen.

14.2

De vraag die resteert is of bewezen kan worden dat Oussama C. zich jegens Getuige 1 aan werving voor de gewapende jihadstrijd heeft schuldig gemaakt.

14.3

Centraal in de beoordeling van deze bewijsvraag staan de drie verklaringen die Getuige 1 op 14, 15 en 16 januari 2014 bij de politie heeft afgelegd. Hetgeen de officieren van justitie en de verdediging verdeeld houdt, is of deze verklaringen betrouwbaar kunnen worden geacht; de officieren van justitie menen van wel, de verdediging meent van niet.

14.4

Toen Getuige 1 in januari 2014 door de politie werd verhoord, was hij verdachte. Hij werd verdacht van het ronselen van een minderjarig meisje voor de gewapende strijd en van het onttrekken van dat meisje aan het wettig over haar gestelde gezag. Op 28 augustus 2014 heeft Getuige 1 wederom een verklaring afgelegd bij de politie, ditmaal als getuige en nadat hij zich zelf (op 18 augustus 2014) tot de politie had gewend. Getuige 1 is hierna, op verzoek van de verdediging, (op 2 februari 2015) als getuige gehoord door de rechter-commissaris en vervolgens door de rechtbank (ter terechtzitting van 17 september 2015). Kort samengevat is het patroon in de verklaringen van Getuige 1 als volgt: waar hij in januari 2014 nog in belastende zin verklaart over Oussama C. , neemt hij delen van zijn (belastende) verklaringen terug als hij weer bij de politie verschijnt in augustus 2014, waarna hij ten overstaan van de rechter-commissaris afstand neemt van vrijwel zijn gehele verklaring, om uiteindelijk ter terechtzitting te verklaren zich niet meer te kunnen herinneren wat hij bij de politie had verklaard toen hij daar in januari 2014 werd gehoord.

14.5

De verdediging heeft de betrouwbaarheid aangevochten van de verklaringen die Getuige 1 in januari 2014 heeft afgelegd. Zij heeft daarbij gewezen op omstandigheden betreffende de persoon van Getuige 1356, op zijn status op het moment dat hij werd verhoord (die van verdachte) en zijn daarmee samenhangende belang om zijn eigen hachje te redden, op de stijl van verhoren door de verbalisanten357 en op de inconsistentie in de opeenvolgende verklaringen van Getuige 1. Meer in het bijzonder heeft de verdediging in dit verband naar voren gebracht dat bij het uitluisteren van het tweede en derde verhoor is geconstateerd dat de processen-verbaal daarmee op belangrijke onderdelen niet overeenstemden, hetgeen ernstige twijfel doet rijzen aan het, niet letterlijk uitgewerkte, eerste verhoor van Getuige 1. Omdat de verklaringen van Getuige 1 niet betrouwbaar zijn, kunnen zij volgens de verdediging, niet worden gebezigd voor het bewijs.

14.6

Voordat de rechtbank in zal gaan op de verklaringen die Getuige 1 heeft afgelegd, overweegt zij over het bezigen van getuigenverklaringen als bewijs in meer algemene zin het volgende.

14.7

Bij bewijsbeslissingen zal in de regel primair tot uitgangspunt worden genomen de verklaringen, voor zover voorhanden, die door een getuige tegenover een (onafhankelijke) rechter zijn afgelegd. De achtergrond hiervan is dat het onderzoek van en de verhoren door een rechter in beginsel gericht zijn op de schuld en onschuld van de verdachte, waarbij zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging in de gelegenheid zijn (geweest) om de desbetreffende getuige vragen te stellen en de betrouwbaarheid van zijn verklaring(en) te toetsen.358 Dit betekent echter niet dat de rechtbank geen acht zou mogen slaan op verklaringen die bij de politie zijn afgelegd, voor zover die afwijken van latere, tegenover een onafhankelijke rechter afgelegde, verklaringen.

14.8

Bij de waardering van de door Getuige 1 afgelegde verklaringen en daarmee hun bruikbaarheid voor het eventuele bewijs, sluit de rechtbank aan bij het toetsingskader dat hiervoor in de jurisprudentie is geformuleerd.359 Dit toetsingskader houdt het volgende in.

14.9

In de eerste plaats zal, voor zover mogelijk, moeten worden onderzocht of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring, zoals de psychische belasting, de mogelijke betrokkenheid bij het tenlastegelegde feitencomplex, de beïnvloedbaarheid of een belang of motief – persoonlijk, etnisch, financieel of anderszins – om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen.

14.10

De beoordeling van de betrouwbaarheid – in objectieve zin – van de door getuigen afgelegde verklaringen zal (met name) plaatsvinden aan de hand van:

  1. de toetsing aan objectieve, van elders verkregen informatie of gegevens;

  2. de consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen;

  3. de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen hebben verklaard;

  4. e plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).

Het tweede verhoor van Getuige 1 bij de politie 360

14.11

Tijdens dit verhoor heeft Getuige 1, meer in zijn algemeenheid, over Oussama C. (die hij ‘Abou Yazeed’ noemt361) verklaard dat hij hem kent vanaf november 2012 en dat hij vaker met hem om ging nadat, wat in het dossier wel genoemd wordt, ‘het Hondius-incident’ plaatsvond, een gebeurtenis (op 8 september 2013) waarbij ook Getuige 1 aanwezig was.362 Verder heeft Getuige 1 verklaard dat Oussama C. bekendheid genoot, zowel ‘in de groep’ als daarbuiten, dat de broeders altijd samen met Oussama C. waren en dat hij vaak het woord voerde.363

14.12

Getuige 1 heeft voorts verklaard dat Oussama C. radicale gedachten had, dat hij het meest sprak over ‘de jihad van het verleden’ en de profeet en dat hij het soms had over Syrië en wat daar allemaal gebeurde.364 Dit soort uitlatingen deed Oussama C., aldus Getuige 1, terwijl ze over straat liepen of terwijl ze aan het eten waren,365 bij bijvoorbeeld Frankies (waar Getuige 1 rond oktober 2013 voor het laatst was)366 of Fez (waar Getuige 1 eind 2013 nog was geweest)367. Als het ging om Syrië, was Oussama C., zo heeft Getuige 1 verklaard, van mening dat de strijd daar snel afgelopen moest zijn, dat Assad daar snel weg moest, dat de strijders van ISIS snel de macht zouden moeten krijgen368 en dat de grond daar nu ‘gezegend’ is.369

14.13

Ook heeft Getuige 1 verklaard dat Oussama C. ‘dingen’ over ISIS plaatste op Youtube, onder meer over het bevrijden van gevangenissen, het goed behandelen van kinderen en over een zelfmoordterrorist die met een bomaanslag ‘een stad openmaakte’. Getuige 1 heeft verklaard dat hij deze filmpjes, die Oussama C. plaatste op – onder meer – Ahlus Sunnah Publicaties, ook heeft gezien.370 Oussama C. liet, zo heeft Getuige 1 verklaard, ook filmpjes zien aan anderen (op zijn telefoon). Oussama C. toonde deze filmpjes volgens Getuige 1 aan een groepje en soms ook alleen aan Getuige 1; dit gebeurde bij Frankies of bij Fez of in de moskee. Het ging in totaal om vijf, zes filmpjes. Oussama C. zei daarbij volgens Getuige 1: ‘kijk naar deze filmpjes’.371 Getuige 1 heeft verder verklaard dat Oussama C. hem een keer een filmpje heeft laten zien waarop strijders van ISIS tegen het leger van Assad streden en de overwinning behaalden. Oussama C. zei volgens Getuige 1 over dit filmpje dat de ISIS-strijders goed zijn, dat zij het martelaarschap, de hogere rang in het paradijs, zullen verkrijgen en dat hij, Oussama C. , wenste dat zij beloond zouden worden.372 Oussama C. zei daarbij volgens Getuige 1 ook: ‘kijk dit goed en dergelijke’, om vervolgens over te stappen op een ander onderwerp.373 Getuige 1 heeft voorts, op de vraag van één van de verbalisanten waarom Oussama C. filmpjes aan hem, Getuige 1, liet zien, als volgt gereageerd:

Ja, hij (…) wil graag met mij zien. Hij zegt van: kijk, misschien heeft ie gedachtes dat hij andere gedachtes met mij wil hebben. Maar eh…Je weet maar nooit eh misschien. Eh wilt ie mij overhalen om daar naar toe te gaan, kan. Ik zeg niet dat hij dat doet, maar het kan.374

14.14

Over ‘de broeders’, en de rechtbank gaat ervan uit dat Getuige 1 daaronder ook Oussama C. schaart, heeft Getuige 1 verklaard dat zij zeggen dat hun Syrië ‘jihad’ is375 en dat al-Baghdadi van ISIS hun ‘emir’ is.376 De broeders zijn ook van mening, aldus Getuige 1, dat Sjiieten geen moslims zijn en ‘je’ jouw broeders en zusters hoort te helpen door ze steunen met ‘geld, kleren of mannen’, waarbij Getuige 1 ook heeft verklaard met ‘hulp met mannen’ te bedoelen zowel het vechten met een geweer als activiteiten die dit ondersteunen.377

14.15

Getuige 1 heeft de broeders in de groep waarin ook Oussama C. verkeerde aangeduid als ‘extremisten’ omdat ze ‘hard’ en ‘diep’ in het geloof staan; Getuige 1 heeft dit afgeleid uit het feit dat zij anderen als ‘ongelovigen’ bestempelen, uit het feit dat zij zeiden dat er in opstand moest worden gekomen en dat er moest worden geregeerd met de wetten van Allah. 378 Getuige 1 heeft voorts nog over de broeders verklaard dat ze ‘indirect’ praten,379 hetgeen de rechtbank begrijpt als omfloerst praten en niet expliciet zeggen waar het om gaat.

Het derde verhoor van Getuige 1 bij de politie 380
14.16 Tijdens dit verhoor heeft Getuige 1 verklaard dat er in ‘het groepje van Abou Yazeed’ veel over de martelaar werd gesproken.381

Tussenconclusie over de betrouwbaarheid van het tweede en derde politieverhoor van Getuige 1

14.17

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat de verklaringen van Getuige 1 beslissend zijn beïnvloed door zijn persoonlijkheid en/of zijn toenmalige status. Meer in het bijzonder overweegt zij daartoe het volgende.

14.18

Zoals hiervoor al is opgemerkt, was Getuige 1 verdachte toen hij werd gehoord. Getuige 1 heeft over zichzelf verklaard dat hij een ‘zwak karakter’ heeft en dat hij mensen snel vertrouwt en gelooft. Ook anderen, verdachten en getuigen en ook Oussama C., hebben dit over Getuige 1 gezegd.

14.19

In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat als iemand die wordt verhoord een niet zo sterke persoonlijkheid heeft, zijn verklaringen alleen daarom als niet betrouwbaar moeten worden betiteld. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de persoon die wordt verhoord, ook zelf wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit of strafbare feiten. Ook en combinatie van die omstandigheden noopt niet tot een dergelijke conclusie.

14.20

De rechtbank stelt vast dat Getuige 1 uitvoerige, gedetailleerde en genuanceerde verklaringen heeft afgelegd. Uit de letterlijke uitwerking van het tweede en het derde verhoor kan worden afgeleid dat de verhoren plaatsvonden in een open en goede sfeer. Dit is ook verklaard door de twee verbalisanten die de verhoren bij Getuige 1 hebben afgenomen. Op basis van de letterlijk uitwerking van het tweede en derde verhoor stelt de rechtbank voorts vast dat van sturing door de verhorend verbalisanten of van het uitoefenen van druk van hun zijde geen sprake is geweest noch van het doen van beloftes. Dat de verbalisanten zich een enkele keer hebben bediend van het stellen van gesloten vragen, maakt niet dat van ‘sturing’ van hun kant kan worden gesproken, nu uit de inhoud van de verhoren ook kan worden afgeleid dat Getuige 1 soms wat afdwaalde en hij door het stellen van dergelijke vragen weer op ‘het rechte pad’ moest worden gebracht. Het overgrote deel van de gestelde vragen is echter ‘open’ van karakter. Deze wijze van het stellen van vragen heeft er toe geleid dat Getuige 1 eerst uitgebreid over zijn geloof is gaan praten, vervolgens is gaan uitleggen waarom hij zich niet (meer) kan vinden in de geloofsbeleving van de broeders waarmee hij omging, waarna hij vrijwel vloeiend is overgegaan op de activiteiten van die broeders. Voor de conclusie dat Getuige 1 ‘in vrijheid’, niet gehinderd door zijn persoonlijkheid of zijn toenmalige status, heeft verklaard, vindt de rechtbank verder steun in de volgende omstandigheden:

 Getuige 1 belast ook zichzelf door te verklaren over de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht, terwijl niet valt in te zien waarom hij dit valselijk zou doen;

 de verklaringen van Getuige 1 bevatten gedeeltes welke ontlastend zijn voor Oussama C. ;

 Getuige 1 is alert tijdens de verhoren, zo geeft hij een aantal keren aan het antwoord op vragen niet te weten en ook verbetert hij de verbalisanten een enkele keer.

De rechtbank merkt verder op dat Getuige 1 tijdens het tweede en derde verhoor consistent verklaart.

Overige bewijsmiddelen

14.21

Oussama C. zelf heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Nederlandse jongens die naar Syrië zijn vertrokken om daar deel te nemen aan de gewapende strijd beschouwd als ‘helden in een nobele strijd’.382

14.22

Bij de rechter-commissaris heeft Oussama C. (als getuige) over Getuige 1 verklaard dat hij hem begin 2013 wekelijks zag en daarna minder en dat zij elkaar zowel in de moskee ontmoeten als in eethuizen (zoals in eethuis Fez); ze waren dan met meerdere jongens, aldus Oussama C. .383 Oussama C. heeft bij de rechter-commissaris ook verklaard dat Getuige 1 ‘dwalende’ was in de periode dat hij, Oussama C. , contact met hem had; Getuige 1 ging, volgens Oussama C. , dan weer om met de ene groep, nam afstand van die groep en sloot zich vervolgens aan bij anderen etcetera.384

14.23

Ter terechtzitting heeft Oussama C. voorts verklaard dat hij met Getuige 1 sprak over religieuze zaken, maar ook wel eens over het nieuws in Syrië, bijvoorbeeld als ‘de broeders’ met z’n allen aan het eten waren.385 Verder verklaarde Oussama C. dat ze in eethuis Fez wel eens in een groepje een filmpje over Syrië hebben bekeken.386

14.24

Uit het dossier komt voorts naar voren dat Oussama C. in 2013 een aantal lezingen heeft gegeven387 en hij in die periode ook actief was op social media.388 De rechtbank verwijst verder naar hetgeen hiervoor (in hoofdstuk 10) is overwogen over de opvattingen van Oussama C. .

14.25

De Koning heeft Oussama C. in zijn verhoor bij de rechter-commissaris getypeerd als ‘een begenadigd spreker’ wiens lezingen goed en belangrijk waren.389

14.26

Oussama C. beantwoordde vragen van moslimbroeders en zusters op de website ‘ask.fm’. Op vrijdag 20 juni 2014 had hij al 1.283 antwoorden gegeven op vragen en had hij 1.459 ‘likes’.390 In juni 2014 had Oussama C. 1.071 volgers op zijn Facebookpagina ‘Abou Muwaheed Yazeed’.391

14.27

Uit getapte telefoongesprekken en contacten via WhatsApp in de periode van februari tot en met juni 2014 komt naar voren dat Oussama C. aan zowel mannen als vrouwen zijn mening over verschillende onderwerpen kenbaar maakte (waaronder over geloofskwesties, jihad, hijrah en martelaarsoperaties), zowel gevraagd als ongevraagd. Oussama C. stuurde deze personen soms ook nadere informatie en een enkel keer verwees hij ze naar bepaalde websites (waaronder ook het door Getuige 1 genoemde Ahlus Sunnah Publicaties).392 Opvallend in die gesprekken is de (leer)stellige manier waarop Oussama C. spreekt, waarbij soms ook van ‘inpraten op’ sprake is.393 Één van de personen aan wie Oussama C. in die periode advies/informatie verstrekt (in dit geval over de vraag of jihad zonder leider mogelijk is) reageert daarop als volgt: ‘maar echt, door jou ben ik wel wat wijzer geworden hoor’.394

14.28

Op 11 maart 2014 zegt Oussama C. in een telefoongesprek tegen een NN-vrouw dat hij één van de grootste voorstanders in Nederland is van de jihad. Hij zegt in dat gesprek verder dat je daar alleen niet 24 uur per dag over moet praten omdat je jezelf dan in gevaar brengt. Verder zegt hij dat hij vroeger ook constant over de jihad praatte, maar tegenwoordig niet meer.395

14.29

Op 20 maart 2014 antwoordt Oussama C. in een telefoongesprek met een NN-vrouw ‘natuurlijk’ op haar vraag of hij een voorstander is van ‘martelaarsoperaties ofwel zelfmoordaanslagen’.396

14.30

Getuige 7 heeft bij de politie verklaard dat Oussama C. zich aan haar opdrong op Facebook, op haar inpraatte (over – onder meer – haar gedrag) en allerlei, positief getinte, dingen vertelde over het kalifaat die, volgens Getuige 7, niet juist waren. Oussama C. sprak volgens Getuige 7 ook veel over de jihad en vertelde dat hij Osama bin Laden een held vond. Getuige 7 werd door Oussama C.’s uitspraken beïnvloed, zo heeft zij bij de politie en later als getuige bij de rechter-commissaris, ook verklaard. Volgens Getuige 7 is Oussama C. slim en nam hij het woord ‘Syrië’ nooit in de mond; hij sprak ‘indirect’, aldus Getuige 7.397

14.31

Naar het oordeel van de rechtbank kan in de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen steun worden gevonden voor hetgeen Getuige 1 tijdens het tweede en derde verhoor bij de politie heeft verklaard. De betreffende bewijsmiddelen bieden niet alleen steun aan hetgeen Getuige 1 in januari 2014 heeft verklaard over de opvattingen van Oussama C. , maar ook aan hetgeen hij heeft verklaard over het uitdragen van die opvattingen door Oussama C. en de wijze waarop hij dat deed. Uit de betreffende bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank voorts worden afgeleid dat Oussama C. enige status had en dat van wat hij te berde bracht, invloed uitging of uit kon gaan.

14.32

Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen die Getuige 1 tijdens het tweede en derde verhoor heeft afgelegd, betrouwbaar en geloofwaardig moeten worden geacht. Zij zal de inhoud van deze verklaringen daarom bezigen voor het bewijs.

Het eerste verhoor van Getuige 1 bij de politie 398

14.33

De rechtbank is van oordeel dat het proces-verbaal van dit verhoor met enige behoedzaamheid moet worden bezien, nu bij vergelijking van de processen-verbaal van het tweede en het derde politieverhoor van Getuige 1 met de letterlijke uitwerking van die verhoren is gebleken van enkele, op onderdelen niet onbelangrijke, verschillen. Niettemin moet worden geconstateerd dat waar Getuige 1 in dit verhoor over Oussama C. verklaart, deze verklaring in lijn is met hetgeen hij tijdens het tweede en derde verhoor over (zijn contacten met) Oussama C. heeft gezegd en in zoverre de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de tweede en derde verklaring van Getuige 1 versterken. Volgens Getuige 1, in het eerste verhoor, is hij door Oussama C. gehersenspoeld; Oussama C. sprak, aldus Getuige 1, constant over de profeet en zei dat de jihad, waarover hij ook veel over sprak, goed was; Oussama C. vond de jihad ‘leuk’, aldus Getuige 1. Oussama C. zei volgens Getuige 1 ook dat het verplicht is om naar Syrië te gaan, dat martelaarschap goed is en dat je dan in het paradijs komt. Oussama C. steunt de strijdgroepen in Syrië ook, volgens Getuige 1. Tijdens het eerste verhoor heeft Getuige 1 over de frequentie van de contacten met Oussama C. ook nog verklaard dat hij hem in ieder geval elke vrijdag zag, maar dat zij ook op andere dagen afspraken om samen te eten.399

14.34

Dat Getuige 1 heeft verklaard door Oussama C. te zijn gehersenspoeld, heeft één van de verhorende verbalisanten tijdens diens verhoor bij de rechter-commissaris ook bevestigd.400 Deze verbalisant heeft ook verklaard zich te herinneren dat Getuige 1 verklaarde dat Oussama C. vóór de strijd in Syrië is, dat ‘zij’ willen dat mensen daar naar toe gaan en dat dat ook voor Getuige 1 gold.401

14.35

Wat het eerste politieverhoor van Getuige 1 betreft merkt de rechtbank ook nog op dat Getuige 1 zijn opvallende, verklaring afgelegd tijdens dat verhoor, te weten dat Oussama C. zelf niet naar Syrië gaat omdat hij een ‘bangerik’ is, tijdens het tweede politieverhoor op 15 januari 2014 heeft herhaald402 en ook ter terechtzitting van 17 september 2015.403

14.36

Dat de sfeer en de wijze van verhoren tijdens het eerste politieverhoor (waarbij overigens dezelfde verbalisanten waren betrokken) anders is geweest dan tijdens het tweede en derde verhoor, acht de rechtbank niet waarschijnlijk.
De verklaringen van Getuige 1 in augustus 2014 (politie) en februari 2015 (rechter-commissaris)

14.37

Op 18 augustus 2014 heeft Getuige 1 bij de politie aangegeven dat zijn verklaringen van januari 2014 enkele feitelijke onjuistheden bevatten en dat hij die wilde rechtzetten. Tijdens het verhoor van 28 augustus 2014 bij de politie heeft hij verklaard dat hij, wat Oussama C. betreft, wil rechtzetten dat Oussama C. nooit tegen hem heeft gezegd dat hij, Getuige 1, naar Syrië zou moeten gaan en dat Oussama C. geen ‘ronselaar’ is. Getuige 1 heeft bij de politie ook verklaard na de arrestatie van Oussama C. door ‘broeders’ op straat te zijn aangesproken op hetgeen hij bij de politie had gezegd. Hij voelde zich bedreigd; er was tegen hem gezegd ‘dat de broeders plannen met hem hadden’ en hij had het gevoel ‘dat dit niet goed ging’.

14.38

Getuige 1 is op 2 februari 2015 door de rechter-commissaris gehoord. Bij gelegenheid van dat verhoor heeft Getuige 1 te kennen gegeven dat hij in januari 2014, uit angst en omdat hij vrijgelaten wilde worden, verklaringen heeft afgelegd die niet juist zijn; hij wilde, aldus Getuige 1, ‘de recherche hun zin geven’. Getuige 1 zet tijdens dit verhoor méér recht dan alleen enkele feitelijke onjuistheden. Uit het verhoor volgt ook dat het contact met ‘broeders’ na de aanhouding van Oussama C. een minder grote rol speelt dan Getuige 1 in augustus 2014 bij de politie had aangegeven.

14.39

Getuige 1 heeft in september 2015 tegen een journalist van het NRC Handelsblad gezegd dat hij zijn in januari 2014 bij de politie afgelegde verklaringen ‘heeft verzonnen’ en dat hij is gaan ‘meepraten’ met de recherche om zelf buiten schot te blijven.

14.40

Tekenend in zowel de verklaring van Getuige 1 bij de rechter-commissaris als in zijn uitlatingen ten overstaan van de NRC-journalist is dat hij zegt ook te hebben verzonnen dat hij werd bedreigd door ‘de broeders’; dit heeft hij gezegd, aldus Getuige 1, om de politie zo ver te krijgen dat zij een verklaring van hem wilden opnemen. Van enige onwil van de politie om met Getuige 1 te praten, blijkt echter niet uit het dossier. Bovendien heeft Getuige 1 bij de rechter-commissaris, toen hem werd voorgehouden dat hij eerder had verklaard te zijn bedreigd, achtereenvolgens gezegd: ‘ik weet het niet’, ‘dat zei ik omdat ik mijn verklaring zo snel mogelijk wilde veranderen’ en ‘ik ben niet echt bedreigd’.

14.41

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat aan hetgeen Getuige 1 in augustus 2014 en februari 2015 bij de politie respectievelijk de rechter-commissaris heeft verklaard weinig geloof kan worden gehecht. Het beeld dat ontstaat als wordt bezien wat Getuige 1 vanaf augustus 2014 heeft gezegd is dat hij, geschrokken van de commotie die in de kringen rond Oussama C. was ontstaan over zijn verklaringen, zich in allerlei bochten heeft gewrongen om het (mogelijk) belastende karakter aan die verklaringen te ontnemen en op, moeilijke, vragen geen antwoord te hoeven geven.

14.42

De rechtbank wordt gesterkt in deze conclusie door de indruk die Getuige 1 ter terechtzitting heeft gemaakt, toen hij werd gehoord als getuige; Getuige 1 was daar zenuwachtig, onzeker, zat niet op zijn gemak en heeft op vrijwel alle vragen van de rechtbank geantwoord ‘dat hij het zich niet meer kon herinneren’.

14.43

De rechtbank wijst er in dit verband ook nog op dat Getuige 1 zich bij de rechter-commissaris dingen heeft laten ontvallen die, evident, verzonnen zijn. Zo heeft Getuige 1 verklaard dat Oussama C. zei dat het niet is toegestaan om naar Syrië te gaan en dat Oussama C. ook tegen hem, Getuige 1, heeft gezegd dat hij niet naar Syrië moest gaan. Dergelijke uitlatingen passen echter in het geheel niet bij ‘het gedachtegoed’ van Oussama C. , iets wat Oussama C. ter terechtzitting ook zelf heeft erkend. Een en ander doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van Getuige 1 dat niet juist is wat hij in januari 2014 over Oussama C. heeft verklaard.

Slotconclusie

14.44

Mede gelet op de hiervoor geschetste context waarbinnen de contacten tussen Getuige 1 en Oussama C. zich afspeelden,404 kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de verklaringen die Getuige 1 in januari 2014 bij de politie heeft afgelegd, bezien in samenhang met de verklaringen van Oussama C. zelf en hetgeen overigens uit het dossier naar voren komt, worden bewezen dat Oussama C. jegens Getuige 1 handelingen heeft verricht die zagen op het bespelen, beïnvloeden en ideologisch rijp maken van (de geest van) Getuige 1 voor de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank weegt in dit verband ook nog mee dat uit de verklaringen die Getuige 1 bij de politie heeft afgelegd kan worden afgeleid dat van de woorden en de handelingen van Oussama C. invloed uitging; zo heeft Getuige 1 meermalen verklaard dat hij afstand wilde nemen van Oussama C. en ‘de broeders’, dat hij door anderen was gewaarschuwd voor die ‘broeders’ en hun gedachtengoed en dat hij zich, als hij onder ‘de broeders’ was, niet standvastig voelde en ook niet serieus genomen.405

14.45

Dat Getuige 1 bij de politie ook enkele keren heeft verklaard dat Oussama C. nooit tegen hem heeft gezegd dat hij naar Syrië móest gaan, doet aan de voorgaande conclusie niet af, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat een concreet verzoek tot aansluiting bij de gewapende strijd voor een bewezenverklaring van werven voor die strijd niet vereist is. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Getuige 1 niet naar Syrië is afgereisd.

14.46

De feitelijke handelingen van Oussama C. die de rechtbank bewezen zal verklaren zijn het onderhouden van intensief contact met Getuige 1 en het voeren van gesprekken met hem (en daarbij het tonen van filmpjes). Dat het werven van Getuige 1 voor de gewapende jihadstrijd in Syrië ook heeft plaatsgevonden door lezingen aan hem te geven, acht de rechtbank niet bewezen.406 In zoverre zal vrijspraak volgen.

Azzedine C.

Betrokkene 10, Betrokkene 11, Betrokkene 12, Betrokkene 13 en Betrokkene 4
14.47 In de periode van april tot en met juni 2013 hebben familieleden van Betrokkene 10, Betrokkene 11, Betrokkene 12, Betrokkene 13 en Betrokkene 4, jongemannen die in de periode van december 2012 tot en met juni 2013 naar Syrië zijn vertrokken en die daar sedertdien deelnemen aan de gewapende strijd of daaraan hebben deelgenomen, zich tot de politie gewend en aangifte gedaan van vermissing en/of het ronselen van hun zoon/broer. In de gesprekken die volgden over (de periode voorafgaand aan en de aanleiding voor) het vertrek naar Syrië hebben deze familieleden allen de naam van Azzedine C. genoemd. Meerdere familieleden hebben Azzedine C. ook aangesproken op zijn mogelijke betrokkenheid. Azzedine C. ontkende in alle gevallen, maar heeft volgens één van de familieleden wel gezegd dat als zij hun zoon/broer wilden zien, hij dat kon regelen en hij zou die familie ook hebben ingelicht over het feit dat hun zoon/broer in Syrië gewond was geraakt.

14.48

In een, getapt, telefoongesprek, tussen de moeder van Betrokkene 10 en de moeder van Betrokkene 12 heeft de moeder van Betrokkene 10 gezegd dat Betrokkene 12 door Azzedine C. is geronseld.

14.49

Azzedine C. onderhield in de periode voorafgaand aan de uitreis van genoemde vijf mannen naar Syrië (telefonisch) contact met hen en, in het geval van Betrokkene 12, had hij ook nog contact met hem toen hij, Betrokkene 12, in Syrië was. Azzedine C. heeft ook in contact gestaan met andere Syriëgangers dan de in de tenlastelegging genoemde.

14.50

Azzedine C. heeft zich verder in 2013 in de media opgeworpen als woordvoerder van ‘de Syriëgangers’. Zo heeft hij destijds in het programma ‘Nieuwsuur’ gezegd dat hij van de ongeveer 100 afgereisde personen er 75 tot 80 kent, dat het een hechte groep is en heeft hij uitspraken gedaan als: ‘We leven voor de dood na het leven. Het is niet eng om daar te sterven. De beste dood voor de islam is de martelaarsdood’.

14.51

Op social media heeft Azzedine C. ook adviezen verstrekt aan ‘broeders’ die overwegen om naar Syrië te gaan, welke adviezen met name betrekking hadden op het gedrag op social media en op hoe te handelen in het geval die broeders bij politie en justitie in beeld zouden komen.

14.52

Met de, in Nederland achtergebleven, familieleden van Syriëgangers stond Azzedine C. ook in contact. Zo heeft hij bijvoorbeeld contact gehad met de familieleden van een Syriëganger naar aanleiding van berichten over diens overlijden aldaar en er is gesproken over het plaatsen van berichten over het overlijden op social media.

14.53

De Koning heeft verklaard dat de focus van ‘het clubje’ waartoe ook Azzedine C. behoorde
(– onder meer – in 2013) op de militaire jihad lag met als doel het vestigen van de heerschappij en de wetten van Allah en dat dat clubje van mening was dat de verplichting tot het voeren van de jihad geldt voor alle moslims in de wereld. Ook heeft De Koning Azzedine C. geduid als duidelijk pro-ISIS.

14.54

Azzedine C. heeft ter terechtzitting van verklaard dat hij door mensen werd benaderd met vragen over ‘hoe naar Syrië te gaan’ en voorts dat hij er niet tegen is dat ‘broeders’ naar Syrië gaan om daar deel te nemen aan de gewapende strijd.

14.55

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen hiervoor is weergegeven het niveau van enkel aanwijzingen niet ontstijgt. De aangiftes van de familieleden van de in de tenlastelegging genoemde jongemannen hebben een hoog speculatief karakter als het gaat om de betrokkenheid van Azzedine C. bij het (proces voorafgaand aan het) nemen van de beslissing van de vijf jongemannen om naar Syrië te vertrekken. Alle familieleden waren, zo hebben zij verklaard, volkomen verrast toen zij hoorden dat hun zoon/broer was vertrokken naar Syrië. Hetgeen zij (al dan niet achteraf) hierover hebben gehoord, hebben zij grotendeels alleen ‘van horen zeggen’. Dit een en ander kleurt ook het hiervoor aangehaalde tapgesprek. Van belang is verder dat niets bekend is geworden over de inhoud van het (telefonisch) contact dat Azzedine C. met de vijf jongemannen heeft onderhouden. Tussen hetgeen overigens uit het dossier naar voren komt en de in de tenlastelegging genoemde jongemannen is ten slotte óf geen directe relatie te leggen óf het zegt hooguit iets over de mening van Azzedine C. over de Syriëgang.

14.56

Een en ander brengt de rechtbank, net als de officieren van justitie en de verdediging, tot de conclusie dat in het dossier niet voldoende bewijs kan worden gevonden voor het werven voor de gewapende (terroristische) strijd door Azzedine C. van de in de tenlastelegging genoemde (vijf) personen. Azzedine C. moet dan ook in zoverre worden vrijgesproken.

Getuige 1

14.57

Hiervoor heeft de rechtbank, in relatie tot hetgeen aan Oussama C. wordt verweten, geoordeeld dat alleen geloof kan worden gehecht aan hetgeen Getuige 1 in januari 2014 bij de politie heeft verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt anders te oordelen als het gaat om Azzedine C..

14.58

Getuige 1 heeft over Azzedine C.(die hij Abou Moussa noemt) het volgende verklaard:

 hij kent Azzedine C. sinds september 2013 en hij ontmoette hem in restaurant Frankies;

 Azzedine C. had vermoedelijk een leidende rol in de groep ‘broeders’;

 Azzedine C. wilde dat er in Syrië een regering komt die regeert met de wetten van Allah;

 Azzedine C. sprak soms over de jihad, over wat dit inhoudt, hoe de jihad moet worden uitgevoerd en of er in Syrië sprake is van een jihad;

 Azzedine C. verheerlijkte de strijd in Syrië;

 “Ja, hij [Azzedine C. ] zegt niet dat van dat je er naar toe gaat. Hij zegt van: als je niet kan, (…) dus (…) smeekbedes. Eh dat is (…), maar stuur mensen dan kleren en geld en eH. Hij is ook van mening dat eh als je, als je kan helpen, ga.”;

 Azzedine C. sprak over wie er naar Syrië was gegaan en wie daar was gesneuveld.

14.59

Getuige 1 heeft de vraag of Azzedine C. ook persoonlijk met hem sprak over onderwerpen als de strijd in Syrië, ontkennend beantwoord en hetzelfde heeft hij gedaan op de vraag of Azzedine C. hem (net als Oussama C.) ook filmpjes liet zien.

14.60

Hetgeen Getuige 1 over ‘de broeders’ heeft verklaard, heeft de rechtbank hiervoor (onder 14.14 en 14.15) reeds weergegeven. De rechtbank verwijst hier op deze plaats naar, nu zij ervan uitgaat dat Getuige 1 ook Azzedine C. tot ‘de broeders’ rekent.

14.61

In het eerste politieverhoor heeft Getuige 1 verklaard dat hij (ook) is gehersenspoeld door Azzedine C.. Even later verklaart hij echter dat het Oussama C. was die hem op een bepaalde manier hersenspoelde.

14.62

Evenals de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in de hiervoor aangehaalde verklaringen van Getuige 1 onvoldoende basis kan worden gevonden voor een veroordeling van Azzedine C. voor het werven van Getuige 1 voor de gewapende (terroristische) strijd in Syrië. De rechtbank acht in dit verband met name van belang dat van intensief persoonlijk contact tussen Azzedine C. en Getuige 1 niet is gebleken. In het dossier bevinden zich ook geen andere bewijsmiddelen die hiervoor grondslag kunnen bieden. Een en ander betekent dat Azzedine C. van dit deel van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

15. Samenspanning tot, voorbereiding en bevordering van en deelneming aan training voor

terroristische misdrijven, het juridisch kader

15.1

Aan een aantal verdachten is - kort gezegd en voor zover hier relevant - ten laste gelegd:

 samenspanning tot het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk;

 voorbereiding en/of bevordering van het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk;

 deelneming en/of medewerking aan training voor het plegen van een (misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een) terroristisch misdrijf.

15.2

Alvorens in het volgende hoofdstuk de ten laste gelegde gedragingen afzonderlijk te bespreken, zal de rechtbank hier het juridische kader van de relevante strafrechtelijke bepalingen uiteen zetten.

Juridisch kader inzake samenspanning

15.3

Wegens het grote belang van het voorkomen van terroristische misdrijven heeft de wetgever de samenspanning daartoe strafbaar gesteld. Samenspanning wordt omschreven in artikel 80 Sr en is - voor wat betreft het teweegbrengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk - strafbaar gesteld in respectievelijk artikel 176b en 289a Sr.

15.4

Samenspanning tot een terroristisch misdrijf bestaat zodra twee of meer personen een afspraak maken om een concreet terroristisch misdrijf te plegen. De samenspanners hoeven niet af te spreken dat zij allen het misdrijf zullen plegen, het is voldoende dat overeengekomen wordt dat ten minste één van hen het misdrijf zal plegen.407 De afspraak moet definitief zijn (onderhandelingen over een overeenkomst impliceren nog geen overeenkomst), alsook ernstig gemeend (niet gemeende voornemens volstaan niet) en concreet (het voorgenomen misdrijf moet voldoende vorm hebben gekregen).408 De eisen die gesteld worden aan de concreetheid van het voorgenomen misdrijf zijn daarbij vergelijkbaar met de eisen die daaraan gesteld worden bij ‘gewone’ ernstige misdrijven die worden voorbereid (artikel 46 Sr).409 Er zal enige zekerheid moeten bestaan over de wijze van uitvoering, het moment waarop het misdrijf zal plaatsvinden en de persoon van het slachtoffer (of de groep van slachtoffers). Het moet gaan om een serieuze afspraak, de samenspanners moeten zich jegens elkaar gebonden achten om de afspraak na te komen.410

15.5

Samenspanning is voltooid op het moment dat een zodanige afspraak is gemaakt, een begin van uitvoering is niet vereist.411 Vrijwillige terugtred is niet mogelijk.412

Juridisch kader inzake de voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven

15.6

Zoals hierboven is vermeld zijn het teweegbrengen van een ontploffing, moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk, strafbaar gesteld in respectievelijk artikel 176b en 289a Sr. Daarin is bepaald dat artikel 96, lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing is. Het artikel betreft een lex specialis ten opzichte van artikel 46 Sr.

15.7

Ingevolge artikel 96 lid 2 Sr is sprake van strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen indien een persoon:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om

daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

15.8

Deze handelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.413 Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, lid 2 Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan.414 Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, is strikte toetsing noodzakelijk. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen mogen wel in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van verdachte tezamen het oogmerk van verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.415

15.9

De voorbereiding en bevordering zijn zelfstandig strafbaar gesteld als voltooide delicten. Hiervan is geen vrijwillige terugtred mogelijk.416

Juridisch kader inzake training voor terroristische misdrijven

15.10

Hoewel de tekst van artikel 134a Sr een veel ruimere strekking suggereert, is daarin slechts strafbaar gesteld het meewerken (als trainer) en het deelnemen (als getrainde) aan trainingen voor terrorisme.417

15.11

Het begrip training ziet op de in artikel 134a genoemde gedragingen en nadrukkelijk niet op gedragingen die geen relatie hebben tot een (terroristische) training. Training is omschreven als “het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken”.418 Ingevolge het Verdrag van Warschau moet daarbij worden gedacht aan het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken.419

15.12

De training kan worden gegeven of gevolgd in reguliere trainingskampen. De wetgever had hierbij niet alleen gedragingen in het buitenland op het oog, ook het in Nederland deelnemen aan een terroristisch trainingskamp moet onder alle omstandigheden strafbaar worden geacht. Artikel 134a Sr omvat het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp waarbij de deelnemers deel uitmaken van een terroristische organisatie of zich schuldig maken aan samenspanning tot het plegen van een terroristisch misdrijf. De training kan echter ook plaatsvinden door middel van het internet (als virtueel trainingskamp), via individuele lessen dan wel in groepsverband.420 Daarbij kan het gaan om de verwerving van fysieke vaardigheden of het opdoen van intellectuele kennis. Voorts kan de training plaatsvinden via zowel persoonlijk contact als door raadpleging van het internet of ander ‘lesmateriaal’. In dit laatste geval, waarbij sprake is van een vorm van ‘zelfstudie’, zal het oordeel of gesproken kan worden van training mede afhangen van (1) de feitelijke vaststellingen ten aanzien van het type geraadpleegde materiaal, (2) de eventuele samenhang van geraadpleegd materiaal en onder omstandigheden (3) de frequentie van de raadpleging. De termen ‘meewerken aan training’ en ‘deelnemen aan training’ hebben dezelfde reikwijdte.421

15.13

Blijkens de wetsgeschiedenis dient onderscheid te worden gemaakt tussen het opzet van degene die training volgt en degene die training geeft. Voor degene die training geeft kan voorwaardelijk opzet reeds voldoende zijn. Dit zal in de praktijk betekenen dat van een strafbare gedraging sprake is, zodra de trainer zich welbewust blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat zijn cursist die training volgt met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf.422 Degene die training volgt moet de bedoeling of het kwalijk oogmerk hebben die kennis of vaardigheden te verwerven ten behoeve van het plegen van een terroristisch misdrijf. Niet alleen moet sprake zijn van willens en wetens informatie vergaren met als doel het plegen van een terroristisch misdrijf, maar tevens is vereist dat er sprake is van een concreet doel. Derhalve moet aantoonbaar zijn en bewezen worden welk misdrijf de verdachte voor ogen stond waarvoor hij de kennis en vaardigheden heeft verworven. Voorts moet het daarbij gaan om één van de misdrijven zoals die limitatief zijn omschreven in de artikelen 83 en 83b Sr.423

15.14

Deelneming aan en het verlenen van medewerking aan training van terrorisme zijn zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingsdelicten.

16. Deelneming aan training voor terroristische misdrijven, zoals ten laste gelegd

(Jordi de J.)
16.1 Aan Jordi de J. wordt – kort gezegd – verweten dat hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 mei 2013 in Nederland en in Syrië kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Jordi de J. zou dit volgens de steller van de tenlastelegging als volgt hebben gedaan:

  • -

    a) door een reis naar Mekka (Saoedi Arabië) te maken om zich voor te bereiden op de gewelddadige jihad en/of

  • -

    b) door zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd met een terroristisch oogmerk eigen te maken en/of

  • -

    c) door zich te laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of

  • -

    d) door deel te nemen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië.

16.2

De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat het tenlastegelegde in zijn geheel bewezen kan worden. Door de verdediging is betoogd dat voor het tenlastegelegde onvoldoende bewijs in het dossier kan worden gevonden, reden waarom volgens de verdediging algehele vrijspraak moet volgen.

16.3

De rechtbank overweegt als volgt.

16.4

Niet ter discussie staat dat Jordi de J., die de kunya ‘Abou Moussa’ gebruikt, enige tijd in Syrië heeft verbleven. Op 16 februari 2013 is hij, samen met Betrokkene 14, naar dat land vertrokken en op 27 april 2013 is hij weer teruggekeerd in Nederland.424 In debat is (de kwalificatie van) wat zich heeft voorgedaan voorafgaand aan het vertrek naar Syrië en in Syrië.

16.5

Ad (a)
Uit het dossier blijkt dat Jordi de J. in oktober/november 2012 op hadj (bedevaart) in
– onder meer – Mekka en Medina (Saoedi Arabië) is geweest. Vanzelfsprekend is deelname aan de hadj niet strafbaar. Het dossier bevat geen bewijs dat Jordi de J. zich tijdens zijn hadj heeft voorbereid op de gewelddadige jihad. De rechtbank spreekt Jordi de J. dan ook vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging (nog daargelaten dat Saoedi Arabië in de tenlastelegging niet wordt genoemd als plaats waar de tenlastegelegde feiten (mede) zouden zijn gepleegd).

16.6

Ad (b)
De rechtbank begrijpt het onder b) tenlastegelegde aldus dat hiermee wordt gedoeld op de periode voorafgaand aan het vertrek van Jordi de J. naar Syrië. Naar het oordeel van de rechtbank veronderstelt het zich eigen maken van een gedachtegoed dat iemand in een bepaalde periode de fundamentele en elementaire denkbeelden, ideeën en principes van een dergelijk gedachtegoed tot zich neemt en onderschrijft. Uit het dossier komt naar voren dat Jordi de J. in de periode voorafgaand aan zijn vertrek naar Syrië, met name in gesprekken met geloofsgenoten, weliswaar met enige regelmaat is geconfronteerd met elementen van een gedachtegoed dat als radicaal betiteld zou kunnen worden425, maar dit is, gelet op hetgeen de rechtbank verstaat onder ‘het zich eigen maken van een gedachtegoed’, onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder (b) tenlastegelegde te komen. In zoverre moet dus eveneens vrijspraak volgen. Gelet hierop kan onbesproken worden gelaten of het zich eigen maken van een gedachtegoed als in de tenlastelegging genoemd kan gelden als het verwerven van kennis tot het plegen, voorbereiden of vergemakkelijken van terrorisme.

16.7

Ad (c)
Ter terechtzitting heeft Jordi de J. verklaard dat hij, voordat hij naar Syrië vertrok, met zijn reisgenoot Betrokkene 14 heeft gesproken over ‘hoe je in Syrië moet komen’. Verder heeft hij, ook ter terechtzitting, verklaard in Nederland van Betrokkene 15 een briefje te hebben gekregen met daarop een Syrisch telefoonnummer en een beschrijving van de ‘beste’ route naar Syrië. De op het briefje beschreven route heeft Jordi de J. gevolgd en met genoemd telefoonnummer heeft Jordi de J., toen hij in het zuiden van Turkije was gearriveerd, contact gezocht, waarna Jordi de J., samen met Betrokkene 14, door een smokkelaar over de grens van Turkije met Syrië is gebracht.426

16.8

Jordi de J. heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in Syrië humanitaire hulp wilde gaan verlenen en dat hij met dat doel naar Syrië is afgereisd. De rechtbank acht dit echter niet geloofwaardig. Bewezen kan worden dat Jordi de J. al in Nederland de intentie had om de door hem alhier verworven informatie te gebruiken om naar het strijdgebied in Syrië af te reizen en daar aan de strijd te gaan deelnemen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

16.9

Ter terechtzitting heeft Jordi de J. verklaard dat voorafgaand aan zijn vertrek naar Syrië diverse geloofsgenoten in Nederland in gesprekken met hem de indruk wekten dat het verplicht was om naar dat land te vertrekken om aldaar voor de moslimbroeders en -zusters op te komen; één van de aan hem gepresenteerde manieren om dit te gaan doen was volgens Jordi de J. om aan de gewapende strijd te gaan deelnemen. Jordi de J. heeft ook verklaard dat bevriende broeders die naar Syrië vertrokken, onder wie Betrokkene 15, daar naar toe gingen om te vechten en dat hij in die tijd niemand kende die naar Syrië was gegaan om daar humanitaire hulp te gaan verlenen.427 In de kringen waarin Jordi de J. destijds verkeerde lag de focus op de militaire jihad met als doel het vestigen van de heerschappij en de wetten van Allah en was men van mening dat de verplichting tot het voeren van de (militaire) jihad geldt voor alle moslims in de wereld (zie hierboven in hoofdstuk 8).428 Ter terechtzitting heeft De Koning ook verklaard dat de mannen die naar Syrië vertrekken, meestal betrokken raken bij gevechten.429

16.10

Van belang is verder de brief die Jordi de J. in mei 2013 naar de NOS heeft gestuurd. Volgens de NOS schreef hij in die brief tot de conclusie te zijn gekomen, na gesprekken met zijn vrienden en het bekijken van filmpjes op Youtube, ‘dat hij moest helpen om president Assad te verdrijven, om daarna te kunnen helpen met het land op te bouwen’.430 Het woord ‘verdrijven’ duidt naar het oordeel van de rechtbank op ‘strijden’; met het verlenen van humanitaire hulp verdrijft men nu eenmaal niet een brute heerser. De hierna nog te bespreken verklaring van Betrokkene 16 biedt hier ook steun aan.

16.11

Hetgeen ook afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van Jordi de J. op dit punt is dat hij zich nauwelijks heeft verdiept in wat zijn humanitaire hulp in Syrië zou moeten gaan inhouden en hoe hij dat in goede banen zou moeten gaan leiden. Weinig geloofwaardig is ook dat Jordi de J. niets heeft kunnen verklaren over de intenties en plannen van zijn reisgenoot Betrokkene 14.431

16.12

Ad (d)
Ter terechtzitting heeft Jordi de J. verklaard dat hij na aankomst in Syrië twee of drie dagen in een villa nabij Bab Al-Hawa heeft verbleven en dat hij vervolgens is overgebracht naar een trainingskamp in Sheikh Suleiman. In het kamp werden ideologische lessen gegeven en ook ‘vechttraining’. Jordi de J. heeft verklaard dat hij de ideologische lessen heeft gevolgd, maar dat hij zich, door een blessure aan zijn enkel voor te wenden, aan deelname aan de vechttraining heeft weten te onttrekken. Omdat hij onwillig was om te trainen en om die reden als spion werd aangemerkt is hij, aldus Jordi de J., na vijf of zes dagen naar een andere plaats, waar de gewapende strijd volop woedde, overgebracht en aldaar heeft hij tot zijn vertrek naar Nederland verbleven. Jordi de J. is daar ook getuige geweest van de begrafenis van de Nederlandse strijder Betrokkene 5.432

16.13

Getuige 2 heeft verklaard dat hij Jordi de J. heeft ontmoet in een trainingskamp van de strijdgroep Majlis Shura Mujahedeen in Sheikh Suleiman, welke strijdgroep volgens Getuige 2 onder leiding stond van ‘Abu Aseer’. Getuige 2 arriveerde, aldus zijn verklaring, op 23 februari 2013 in dit kamp. Getuige 2 heeft Jordi de J. herkend op een aan hem getoonde foto. Hij kent hem als ‘Abu Moussa’. In het trainingskamp, dat volgens Getuige 2 verplicht was voor een ieder die binnenkwam bij Majlis Shura Mujahedeen, werden militaire, fysieke en religieuze trainingen gegeven. Alle personen die hij op foto’s had herkend, hebben, aldus Getuige 2, in het trainingskamp in Sheikh Suleiman alle soorten militaire training gevolgd. Jordi de J. trainde [cursivering rechtbank] in het trainingskamp tegen zijn zin, zo verklaart Getuige 2 ook.433 Getuige 2 heeft ook de reisgenoot van Jordi de J., Betrokkene 14 (die hij kent als ‘Abu Mohamed’), op een foto herkend. Betrokkene 14 verbleef ook in genoemd trainingskamp en heeft daar ook militaire training ondergaan, aldus Getuige 2.434

16.14

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van Getuige 2 op het punt van de gestelde deelname van Jordi de J. aan militaire training, niet onduidelijk of te algemeen zijn. Uit die verklaringen kan ook niet worden afgeleid, zoals de verdediging ook heeft betoogd, dat de waarnemingen van Getuige 2, als het gaat om de activiteiten van Jordi de J., beperkt waren omdat hij, Getuige 2, in het trainingskamp gedetineerd zat. De rechtbank zal de verklaringen van Getuige 2 dan ook bezigen voor het bewijs. Hierbij heeft de rechtbank ook nog het volgende meegewogen.

16.15

In de periode waarin Jordi de J. in Syrië verbleef, was aldaar, voornamelijk in de regio Aleppo (en Sheikh Suleiman ligt in die regio), een strijdgroep genaamd ‘Mujahideen Shura Council’ (ook wel: ‘Shura Council of the Islamic State’) actief. Deze strijdgroep werd in die tijd betiteld als ‘a small extremist jihadi-salafi network’ en is, toen de leiding werd overgenomen door ‘Betrokkene 32’, op enig moment een subgroep van ISIL geworden. De strijdgroep werd grotendeels gevormd door buitenlandse strijders en ‘expat-Syriërs’ en was in maart 2013 betrokken bij de slag bij Betrokkene 52 Toman, waarbij de hiervoor genoemde Betrokkene 5 is omgekomen. Na de slag bij Betrokkene 52 Toman heeft Betrokkene 32 in een videoboodschap het belang van training benadrukt.435 Een en ander biedt steun aan hetgeen Getuige 2 heeft verklaard.

16.16

Ook Getuige 1 heeft (toen hij zelf nog verdachte was én als getuige) verklaringen over Jordi de J. afgelegd. Wat deze verklaringen betreft, verwijst de rechtbank allereerst naar hetgeen zij hiervoor in zijn algemeenheid over (de betrouwbaarheid) daarvan heeft overwogen. Kort gezegd komt dit er op neer dat de verklaringen die Getuige 1 in januari 2014 bij de politie heeft afgelegd betrouwbaar moeten worden geacht, maar dat dit niet geldt voor zijn verklaringen zoals afgelegd bij de politie in augustus 2014 en ten overstaan van de rechter-commissaris in februari 2015.

16.17

Getuige 1 heeft op 15 januari 2014 het volgende verklaard (V1 is verbalisant 1, V2 is verbalisant 2 en AS is Getuige 1):

V1: Heb je wel eens jongens gesproken die teruggekomen zijn? Of meisjes?
AS: Eh teruggekomen?
V1: Ja.
AS: Eh Jordi de J..
V1: Heb je met hem d’r wel eens over gehad?
AS: Hij heeft niet gezegd eh over de route, maar hij heeft wel gezegd hoe het daar is.
V1: Oké. Wat vertelde ie daarover?
AS: Hij hij vertelde van de, hoe de trainingskamp is. Eh hij vertelde meer over eh die moeilijkheden. Of je daar in de winter, als je in de bergen ben, dat je in een tent moet slapen. Eh eh dat, dat je gewoon niet eh genoeg goede training krijgt en dergelijke. Hij heeft nooit gest, hij zegt dat ie nooit heeft gestreden. Hij was nooit in de vlucht eh sorry in de trainingskamp.
V1: Mm, mm.
AS: En eh hij had me een keertje ook verteld eh hoe het allemaal gaat als er een bom neervalt, dan eh is een bom met zoveel scherven d’r uit komen. En eh nou..
V1: Wat heeft hij verteld over de trainingskampen dan?
AS: … en eh van eh dat je genoeg traint. Hoe je moet schieten.
V1: Mm, mm.
AS: Eh en hem eh gewoon een beetje cool eh, cool eh, hoe heet dat, een beetje, hoe zeg je dat? Een lichaam, nee niet de lichaam, conditie trainen.
V1: Conditietraining.
AS: Gewoon conditie trainen, leren schieten eh ja, gewoon zulke dingen.
V2: Mm.
V1: En wie geeft die trainingen dan?
AS: Hij zei een man uit en het was een Syrische man.
V1: Mm, mm.
AS: Maar hij heeft geen naam tuurlijk. Hij zei een Syrische man. Want hij zei tegen mij van eh de, ik had een foutje gedaan en eh die Syrische man schelde met opeens eh uit in het Syrisch. Zeg maar: hoe ken, ga je dan met hem in contact als hij Syrisch is en jij Nederlander zijn? Hij zei, hij zegt: vertaalt iemand in de kamp.
V1: Zijn daar vertalers? (…)
AS: Eh vertalers, ja.
V1: Oké. Maar dat kamp, die kampen is allemaal in Syrië?
AS: Ja, allemaal in Syrië.
V1: Hoe lang heeft hij in zo’n kamp gezeten?
AS: Eh hij was misschien, effe kijken, hij was in eh mei gegaan, of in februari sorry….
V1: mm, mm.
AS: … is die in de zomer, of in mei teruggekomen.
V1: En al die tijd heeft ie in zo’n kamp gezeten?
AS: Eh dat deed ie wel. (…)436
V2: Wat heeft ie je verteld over waar hij sliep bijvoorbeeld?
AS: Eh in een vluchtelingenkamp in een tent. En hij vond het geen pretje. Eh ja, gewoon in de tenten. Zolang je in trainingskamp, ben je gewoon in een aan, in een tent te slapen. En ik heb het ook gehoord als je daar aan de straat, strijd mee, dat jij geld krijgt om de huur te betalen, een lening te krijgen.437

16.18

Getuige 1’s verklaring over Jordi de J. komt spontaan tot stand; hij komt op de vraag of hij mensen kent die uit Syrië zijn teruggekomen zelf met de naam van Jordi de J. en hij komt ook zelf met de mededeling in Syrië dat Jordi de J. in een trainingskamp is geweest. Opvallend is verder dat hij een aantal details over dat kamp en de omstandigheden aldaar verstrekt, details waarvan de rechtbank zich onmogelijk kan voorstellen dat je deze kunt verzinnen zonder daarover met de persoon die aldaar heeft verbleven, te hebben gesproken. Van belang is verder dat de verklaring van Getuige 1 deels ook ontlastend is voor Jordi de J.; zo verklaart Getuige 1 dat Jordi de J. in Syrië níet aan de strijd heeft deelgenomen. De verklaring van Getuige 1 bevat voorts details die overeenstemmen met hetgeen Jordi de J. zelf heeft verklaard, bijvoorbeeld over de duur van zijn verblijf in Syrië. De rechtbank acht deze verklaring van Getuige 1 dan ook betrouwbaar en zal ook deze bezigen voor het bewijs. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het opvallend is dat elementen uit de verklaring van Getuige 1 terugkomen in de verklaring die Jordi de J. op 16 mei 2013, kort na zijn terugkeer uit Syrië, als getuige bij de politie heeft afgelegd. Jordi de J. heeft toen – onder meer – verklaard dat hij in Syrië in een vluchtelingenkamp in tenten heeft geslapen. Weliswaar heeft Jordi de J. ter terechtzitting verklaard dat de bij de politie afgelegde verklaring voor het overgrote deel niet op waarheid berust, maar de rechtbank sluit bepaald niet uit dat hij een deel van dit verzonnen verhaal ook aan Getuige 1 heeft verteld. Een en ander versterkt naar het oordeel van de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van Getuige 1.

16.19

Dat de verklaringen van Getuige 1, zoals de verdediging heeft betoogd, niet gebaseerd zijn op eigen wetenschap, maar voortkomen uit de berichtgeving van de NOS over Jordi de J., volgt de rechtbank niet. Uit hetgeen in het dossier over die berichtgeving wordt vermeld, volgt niet dat Jordi de J. aan de NOS heeft verteld dat hij in een trainingskamp heeft verbleven, wat daar zou zijn gebeurd en wat hij daar zou hebben gedaan. Dat Jordi de J. niet in de winter in Syrië zou zijn geweest, zoals Getuige 1 heeft verklaard, volgt de rechtbank evenmin; hij vertrok immers in februari.

16.20

Betrokkene 16 (de weduwe van Betrokkene 5) heeft op 31 januari 2014 tegen een politieagent gezegd dat Jordi de J., die zij goed kent, naar Syrië is gereisd ‘om daar te vechten’.438 Op 2 oktober 2014 is zij door de politie als getuige gehoord. Anders dan de verdediging meent, heeft Betrokkene 16 bij die gelegenheid haar verklaring van 31 januari 2014 niet teruggenomen; ze verklaarde alleen, althans zo begrijpt de rechtbank haar, dat ze zich niet meer kon herinneren wat ze bij de politie had gezegd.439 Ook de verklaring van Betrokkene 16 zal de rechtbank daarom voor het bewijs gebruiken.

16.21

De verklaringen van Getuige 2, Getuige 1 en Betrokkene 16 liggen in lijn met elkaar. De verklaringen van Jordi de J. volgen deze verklaringen ook goeddeels, maar haaks op die verklaringen staat zijn verklaring dat hij niet heeft deelgenomen aan militaire trainingen. De rechtbank acht de verklaring van Jordi de J. op dit punt, gelet op de verklaringen van Getuige 2, Getuige 1 en Betrokkene 16, niet geloofwaardig. Dat de moeder van Jordi de J. ook heeft verklaard dat Jordi de J. geen militaire training heeft gevolgd, maakt dit niet anders, nu deze verklaring uitsluitend gebaseerd is op hetgeen zij van Jordi de J. heeft gehoord. De verklaring van zijn moeder legt om die reden onvoldoende gewicht in de schaal.

Conclusie c) en d)

16.22

Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, alle in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat Jordi de J. niet alleen het voornemen had om zich in Syrië in de gewapende jihadstrijd te mengen en hij om die reden informatie over de reis naar dat land heeft ingewonnen, maar hij dit voornemen ook heeft uitgevoerd door in een trainingskamp van de (jihadistische) strijdgroep ‘Mujahideen Shura Council’ deel te nemen aan ideologische en militaire trainingen.

16.23

De hiervoor opgesomde handelingen van Jordi de J. leiden ook tot de conclusie dat hij het oogmerk had de ten laste gelegde delicten moord en doodslag en het teweegbrengen van ontploffingen te begaan.

Ten slotte
16.24 Op deze plaats merkt de rechtbank reeds op dat zij op basis van de verklaringen van Jordi de J. zelf, van zijn moeder en van Getuige 2, aannemelijk acht dat Jordi de J. al vrij snel nadat hij in het trainingskamp was gearriveerd, spijt heeft gekregen van zijn impulsieve beslissing om in Syrië te gaan strijden en in dat kamp met tegenzin aan in elk geval militaire trainingen heeft deelgenomen. Dit zijn omstandigheden waaraan de rechtbank een groot gewicht zal toekennen bij het bepalen van de strafmaat.

17. Samenspanning tot, voorbereiding en bevordering van en deelneming aan training voor

terroristische misdrijven, zoals ten laste gelegd

(Hicham el O., Anis Z. en Hatim R.)

Het afreizen naar Syrië en deelname aan training aldaar door Hicham el O., Anis Z. en Hatim R.

Afreizen door Hicham el O.

17.1

Hicham el O. heeft in september en oktober 2012 in Jemen verbleven. Uit het dossier is echter niet af te leiden dat dit in enig verband stond met zijn latere vertrek naar en verblijf in Syrië. In het dossier ontbreekt eveneens wettig bewijs dat en/of hoe Hicham el O. zich over het afreizen naar Syrië heeft laten informeren. Een keten van logische aannames kan de plaats van dat wettig bewijs niet innemen. Om deze redenen moet vrijspraak volgen van deze onderdelen van de tenlastelegging.

17.2

Hicham el O. is vervolgens op 21 januari 2013 uitgereisd naar Syrië en in augustus 2013 weer teruggekomen naar Nederland.440 Naar eigen zeggen heeft hij in Syrië niet deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd, maar in de autohandel gezeten. Het Openbaar Ministerie verdenkt hem toch van deelname, omdat het meent dat hij de enige gebruiker van het Syrisch telefoonnummer Telefoonnummer 1 is geweest. Deze gebruiker noemde zich Abu Redouan en lijkt op grond van tapgesprekken betrokken bij het faciliteren van en deelnemen aan de gewapende strijd.

17.3

Ook de rechtbank is van oordeel dat Hicham el O. de enige gebruiker van het nummer Telefoonnummer 1, en dus Abu Redouan, moet zijn geweest.441 Allereerst heeft een verbalisant de stem van Abu Redouan vergeleken met de stem van Hicham el O. en geconcludeerd dat deze overeenkwamen.442 Daarnaast heeft dit telefoonnummer, naast met Soufiane Z., vooral contact met de Nederlandse telefoonnummers van de broer, zus en moeder van Hicham el O.. Bovendien blijkt uit onderzoek dat Abu Redouan, op de vraag van Soufiane Z. op 31 juli 2013 om 19:10 uur of hij zijn neef kon bellen, om 19:12 en 19:13 uur uitbelde naar Betrokkene 17.443 Ter terechtzitting heeft Hicham el O. aangegeven dat Betrokkene 17 inderdaad een neef van hem is.444 Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank eveneens vast dat Hicham el O. gebruik maakte van de kunya Abu Redouan.

Deelname aan een trainingskamp door Hicham el O.

17.4

Deze conclusie wordt bevestigd door de verklaring van Getuige 2, die Hicham el O. van een foto heeft herkend als Abu Redouan. Hij had Abu Redouan in het paleis van Kafr Hamra gezien en af en toe ook in het trainingskamp Sheikh Suleyman van de later in ISIS opgegane groep Maghlis Shura Mujahideen. Abu Redouan was volgens Getuige 2 altijd samen met een Nederlander die hij kende als Betrokkene 18.445 Getuige 2 herkende Betrokkene 18 op een foto van Betrokkene 19. Getuige 2 heeft verder verklaard dat alle personen die hij van de foto’s herkende alle soorten militaire trainingen hadden gevolgd in het kamp.446

17.5

De rechtbank acht deze verklaring van Getuige 2 betrouwbaar, nu hij de herkenning van Hicham el O. van de foto combineert met het noemen van zijn kunya. Daarnaast blijk uit het dossier dat Hicham el O. inderdaad in Syrië samen met Betrokkene 18 is geweest447 en ook in Kafr Hamra heeft verbleven.448 De enkele omstandigheid dat Getuige 2 ook heeft gezegd dat Hicham el O. met zijn vrouw en kind in Syrië was, berust kennelijk op een vergissing.449 De rechtbank acht daarom bewezen dat Hicham el O. heeft deelgenomen aan een trainingskamp.

Afreizen door Anis Z.

17.6

Uit het dossier blijkt dat Soufiane Z. in verband kon worden gebracht met drie telefoonnummers met dezelfde zes begincijfers. Deze nummers bleken in een reeks van vijftig, lopend van Telefoonnummer 3 tot en met Telefoonummer 5 geleverd aan Hilial Telecom in Den Haag.450 De rechtbank gaat er in het vervolg van uit dat deze telefoonnummers in deze reeks zijn aangeschaft door Soufiane Z..

17.7

De partner van Anis Z. is op 25 maart 2013 naar het politiebureau gekomen om te informeren of hij was aangehouden. Zij had Anis Z. op 23 maart nog gezien en had hem daarna niet meer te pakken kunnen krijgen op het bij haar bekende telefoonnummer.451 Anis Z. zou in het weekend van 23 en 24 maart 2013 al zijn spullen naar een vriend hebben gebracht. Vervolgens zou Anis Z. bij zijn broer Soufiane Z. zijn ingetrokken. Het laatste gesprek met het bij zijn partner bekende telefoonnummer van Anis Z. is op 23 maart om 23:07 uur gevoerd met de partner van Soufiane Z. .452 De rechtbank gaat er daarom van uit dat Anis Z. in het weekend van op 24 maart 2013 samen met zijn broer Soufiane Z. was.

17.8

Op 24 maart 2013 zijn de telefoonnummers Telefoonnummer 4 en Telefoonnummer 5 vrijwel gelijktijdig (beide 06:09 uur) geactiveerd. Het nummer eindigend op -Telefoonnummer 5 bleek later in gebruik te zijn bij Soufiane Z..453 Uit de opgevraagde historische telefoongegevens bleek dat de gebruikers van deze telefoonnummers zich naar België begaven,454 waarna Soufiane Z. weer terugging naar Nederland455 en de gebruiker van het nummer eindigend op Telefoonnummer 4 zich naar Turkije verplaatste. Op 24 tot en met 26 maart 2013 hielden de gebruikers van de nummers veelvuldig contact. De gebruiker van het nummer eindigend op Telefoonnummer 4 en Soufiane Z. hebben in die periode ook onder meer contact gehad met het Nederlandse telefoonnummer Telefoonnummer 6, met het Syrische telefoonnummer Telefoonnummer 2 en met het Turkse telefoonnummer Telefoonnummer 7. Na 26 maart is het nummer eindigend op – Telefoonnummer 4 niet meer actief geweest. Op 27 maart 2013 werd Soufiane Z. gebeld met het Syrische nummer van Betrokkene 21.456 Op 30 maart 2013 werd Soufiane Z. gebeld door het Syrische nummer Telefoonnummer 8, dat later in gebruik bleek bij Anis Z.. Na 30 maart 2013 had Soufiane Z. met het nummer eindigend op -Telefoonnummer 5 enkel nog contact met vijf Syrische telefoonnummers, waaronder die van Anis Z. en Betrokkene 21.457 Op 31 maart 2013 werd op een bij Azzedine C. en Soufiane Z. aangetroffen simkaart onder het contact “Anis Z.” het telefoonnummer Telefoonnummer 4 aangetroffen.458

17.9

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op Telefoonnummer 4 een door Soufiane Z. aangeschaft nummer heeft gekregen dat vrijwel op dezelfde tijd als het door Soufiane Z. gebruikte nummer is geactiveerd. Nu Soufiane Z. op 24 maart 2013 met zijn broer Anis Z. was, is het aannemelijk dat dit nummer ook door Anis Z. werd gebruikt. Dit geldt te meer nu hij vanaf dat moment ook niet meer te bereiken was op zijn oude telefoonnummer en op de simkaart van Soufiane Z. en Azzedine C. dit nummer onder de naam van Anis Z. was opgeslagen. Daar komt nog bij dat het nummer van Soufiane Z., een paar dagen nadat het nummer eindigend op Telefoonnummer 4 niet meer actief was, is gebeld door een Syrisch nummer dat later bij Anis Z. in gebruik bleek. Daarmee staat voor de rechtbank voldoende vast dat het nummer eindigend op Telefoonnummer 4 in gebruik was bij Anis Z. tijdens zijn uitreis naar Syrië. Dit wordt bovendien bevestigd door de op een bij Soufiane Z. aangetroffen telefoontoestel ontvangen sms-berichten van het telefoonnummer eindigend op -Telefoonnummer 4 van 25 en 26 maart 2013 met onder meer de inhoud “broeder haalt mij morgen ochtend als ik het goed heb begrepen” en “ik ben met broeder in de auto”,459 welke berichten duiden op een gefaciliteerde reis.

17.10

De rechtbank leidt uit het veelvuldige onderlinge contact (met nieuwe nummers) en contact met dezelfde Turkse en Syrische telefoonnummers tevens af dat Soufiane Z. op de hoogte was van (het doel van) de reis van zijn broer. Dit betekent eveneens dat de gebruikers van de telefoonnummers Telefoonnummer 6, Telefoonnummer 2 en Telefoonnummer 7 bij die reis betrokken waren. Dit wordt bevestigd door bij Soufiane Z. in zijn telefoon aangetroffen sms-berichten van het nummer Telefoonnummer 6 van 25 maart 2013, waarin tegen Soufiane Z. bijvoorbeeld werd gezegd dat zijn broertjes beltegoed op was en hij de broeders moest bellen dat hij er was.460

Deelname aan een trainingskamp door Anis Z.

17.11

Deze conclusie wordt bevestigd door de verklaring van Getuige 2, die Anis Z. heeft herkend van een foto. Anis Z. zou namelijk eind maart 2013 in het trainingskamp Sheikh Suleyman van de later in ISIS opgegane groep Maghlis Shura Mujahideen in Syrië zijn aangekomen. Getuige 2 heeft verder verklaard dat alle personen die hij van de foto’s herkende alle soorten militaire trainingen hadden gevolgd in het kamp.461 Deze verklaring van Getuige 2 vindt bevestiging in telefoongesprekken tussen Soufiane Z. en Anis Z., waarin Anis Z. heeft verteld dat hij zijn paspoort heeft ingeleverd bij de Amir toen hij in het militaire kamp was462 en hij in het kamp een uur moest hardlopen, onder de grond moest kruipen en van de ene paal naar de andere moest slingeren.463 De rechtbank acht derhalve bewezen dat Anis Z. heeft deelgenomen aan een trainingskamp.

Afreizen door Hatim R.

17.12

Op 29 mei 2013 werd op het Facebookaccount Abou Hatim La Haye en het Twitteraccount van Shaam Nieuws Netwerk een foto aangetroffen,464 waarop een jihadi met een automatisch machinegeweer stond afgebeeld. Deze persoon leek sterk op Hatim R.. Bij de tweet van Shaam Nieuws Netwerk stond de begeleidende tekst: “Nieuwe foto van half #Marokkaanse half #Surinaamse Abou Yusuf uit #Den_Haag in de Syrische #al_Baab.465

17.13

Op 3 juli 2013 is er een telefoongesprek onderschept van een telefoonnummer dat in gebruik was bij Soufiane Z.. Soufiane Z. spreekt in dit gesprek met een gebruiker van het Syrisch telefoonnummer Telefoonummer 2, die zich Abou Yousef noemt.466 In dit gesprek wordt naar het oordeel rechtbank duidelijk dat de gebruiker van dit telefoonnummer Abou Yousef Hatim R. is.467 In combinatie met de hiervoor genoemde tweet gaat de rechtbank er daarom van uit dat Hatim R. uiterlijk eind mei 2013 naar Syrië is vertrokken.468

Deelname aan een trainingskamp door Hatim R.

17.14

De rechtbank acht het weliswaar aannemelijk dat Hatim R. zich heeft laten informeren over de reis naar Syrië en in een trainingskamp heeft gezeten, maar ziet hiervoor geen wettig bewijs in het dossier. Zij zal Hatim R. van deze onderdelen dan ook vrijspreken.

Conclusies met betrekking tot het afreizen en deelname aan het trainingskamp

17.15

De rechtbank komt tot de conclusie dat Hicham el O. op 21 januari 2013, Anis Z. op 24 maart 2013 en Hatim R. uiterlijk eind mei 2013 naar Syrië zijn uitgereisd. Na aankomst hebben in ieder geval Hicham el O. en Anis Z. deelgenomen aan een trainingskamp.

Activiteiten in Syrië

Tapgesprekken

17.16

In het dossier bevinden zich tapgesprekken tussen Soufiane Z. met de volgende Syriëgangers: met Anis Z. van 25 juni 2013 tot en met 11 november 2013, met Betrokkene 21 (Betrokkene 21) van 1 juli tot en met 23 november 2013, met Hicham el O. (Abu Redouan) van 27 juni 2013 tot en met 4 augustus 2013 en met Hatim R. (Abu Yousef) van 3juli 2013 tot en met 6 oktober 2013. In deze gesprekken wordt ook gesproken over de eveneens in Syrië verblijvende Betrokkene 19 (Betrokkene 18), Betrokkene 22Betrokkene 5, Betrokkene 23, Betrokkene 24, Betrokkene 25 (Betrokkene 25) en Abdellah Betrokkene 13 (Abu Isa).469 Hoewel in die gesprekken ook vaak wordt gesproken over het “praten via internet” en wordt verwezen naar het gebruik van concept-mails, kan uit de wel onderschepte communicatie een beeld wordt gekregen van de activiteiten en onderlinge contacten van de zich in Syrië bevindende personen. De rechtbank acht voor het vaststellen van de door Anis Z., Hicham el O. en Hatim R. ondernomen activiteiten de volgende gesprekken van belang.

17.17

Het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Anis Z. van 25 juni 2013 vanaf 21:04 uur:

A praat over wat er vandaag is gebeurd.

A: Ik was op Rebat (de wacht houden) en toen hebben wij [een granaten: Arabisch] een [Arabisch] granaat gegooid tegen de vijand, toen is een van hun overleden. Die man is doodgegaan, eentje van hun ..

S: Van die vijand?

A: Dat wil zeggen dat ze wraak op ons hebben genomen

S: Ja

A: Ik zit met Betrokkene 26 (fon), die uit Arnhem, ik leg het hem uit, ik zit met hem te praten in de bunker, het zit helemaal vol. Ik zeg wat wij wouden, toen ben ik helemaal vol gegaan. Verder kun je niet naar voren.

S: ja.

A: Klein beetje ontmoeting van hun, voordat bel ik je en ze zitten te praten over Hicham, hij zit te praten hij zegt tegen mij: Abou Moujahid hoor je het ook, de tank opeens. In ieder geval hij zei tegen mij Abou Moujahid: Hoor je dat ook? Die tank was heel dichtbij opeens, wat normaal is die nooit dicht bij.

S: Ja.

A: In ieder geval, ik zeg tegen hem, ik zeg tegen hem: Ja achie, ik hoor dat ook! ik keek naar boven zweer ik bij allah, ik zie tank afrijden hij wou over mij en Betrokkene 26 heenrijden!

(S lacht)

A: Ik zeg tegen hem 'teruggaan, terug terug' Wij beginnen op de grond te kruipen en hun beginnen, die vijand begint kapot lang te schieten met BKC. Ze beginnen te schieten met sluipschutter met alles, met alles beginnen ze te schieten. We konden daar niet langs, ze hadden een stukje wat omhoog ging, of wij daar langs gingen op die vijand of hij kon zien. Op die moment, ik was voor Betrokkene 26(fon), ik zeg tegen hem, wollah hij kijkt naar achteren, wij zien de tank gewoon kapot dichtbij, helemaal dichtbij. ik heb het nog nooit dichtbij gezien.

S: Ja

A: Ik zeg tegen hem, wacht even, wacht even wacht even er wordt hier geschoten voor mij. Ik kan hier niet langs of je langs gaat, ik word geraakt dan wordt jij geraakt. Wij wachten, Betrokkene 26 hij keek naar achter, hij ziet de tank, hij begint op ons richten, op mij en dinges. Als hij schiet dan had ik ... (ntv) gemaakt, wij zien dat, ik begin kapot snel .. mijn armen beginnen zo te kruipen op de grond, mijn armen beginnen te bloeden van onder bij mij ellebogen, die van hem ook, we beginnen te kruipen, te kruipen, hun beginnen te schieten. Die komen allemaal naast ons

S: Lacht

A; Ik kom om de hoek, ik zie de broeders van onze groep die twee, een Belgische broeder en een Nederlandse ... (ntv) ik zeg: een tank een tank komt aan! Amir, begin te gaan (niet goed te verstaan), hij begint te gaan. Die tank schiet naast ons .. TOEF! (doet geluid na)die zand vliegt omhoog die komt allemaal op ons terecht. Wij beginnen te gaan en hij schieten, nog een keer: TOEF, TOEF (doet geluid na) maar die geluid is hard, is niet zacht. Wollah is echt een harde geluid. Zij wilden wraaknemen omdat wij eentje van hun hadden doodgemaakt. En wat gebeurde er toen? Ewa toen, iedereen begint te schieten, ik doe mijn AK op 'rush', op die automatic en ik begin (doet mitrailleursalvo na), magazijn op, ik pak andere (doet mitrailleursalvo na). Betrokkene 26 had zijn magazijn laten vallen, had hij een magazijn van mij gepakt, had ik aan hem gegeven. Wij beginnen te schieten, in ieder geval, eindstand: mijn kogels zijn allemaal op. Zes magazijnen, zeven magazijnen, allemaal op. Die emir zegt tegen mij: Begin te schieten, begin te schieten! Ik zeg tegen hem: ik heb geen kogels meer, toen begonnen ze allemaal aan mij magazijnen te geven. Drie magazijnen gaven hun aan mij. Ik begin weer te schieten (doet mitrailleursalvo na), begin weer te schieten en op dat moment hoor je al RPG aanwezig en hoor je BKC van ons. Wij komen terug en we zien ze aankomen met RPG, die koppen, je weet toch die worden afgevuurd? Die, en die BKC. Hun beginnen naar voren te gaan, wij gaan terug naar achteren, die Betrokkene 26 .. toen zei die emir tegen mij: Ga met die RPG mee en ga hun dekken, je weet toch? Ik begin te schieten zodat hij op de tank kan schieten. Ik ga met hem mee, wat gebeurt er? Diegene die BKC had, Betrokkene 28, hij ging naar voren, hij had BKC en eentje (ntv) had RPG. Die BKC had hij op 'rush' (doet mitrailleursalvo na), werd hij geraakt precies in zijn ogen. In zijn ogen, zijn arm. Hij is shaheed en die andere is ook inshallah shaheed. Op het laatst gingen we die deken van hem af halen van het gezicht, ik wou kijken wie het was. Zijn ogen waren geschoten, zijn schedel was ingedeukt, je weet toch? Tanden waren naar voren, in ieder geval, zijn hoofd kapot geschoten, zijn armen, zijn bot komt eruit enzo en in zijn buik zag je een gat.

S vraagt of de dode een Algerijnse broeder was. A bevestigt dit. A zegt: Hij was niet met ons, hij was met die BKC. Hij was pas tien dagen hier. A zegt dat er nadat de Algerijnse broeder dood was, ze nog twee uur nonstop hebben geschoten. Toen kwam de mujahedien met snipers enzo.

S: Allahu akbar. Grote avontuur inshallah.

A: In iedere geval, wij beginnen kapot te schieten op hun (doet mitrailleursalvo na) hun schieten met de tank op ons naast ons ik zie helemaal rook. Ik zie vliegtuigen van boven komen beginnen op ons te schieten maar ze missen. Zweer ik op allah, vandaag was eeh ... ??470

17.18

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat Anis Z. aan zijn broer Soufiane Z. verslag uitbrengt over een gevecht waarbij hij betrokken was. Daarbij werden Anis Z. en zijn broeders beschoten door een tank, sluipschutters, machinegeweren en vliegtuigen. Dit gebeurde uit wraak, omdat zij, toen Anis Z. en zijn medestrijders op wacht stonden, een van hun soldaten hadden gedood met een handgranaat. Anis Z. heeft in het gevecht ook teruggeschoten met zijn AK (de rechtbank begrijpt: AK-47, een Kalasjnikov). Daarbij zijn er aan de kant van Anis Z. twee martelaren gevallen. De broeders van Anis Z. (mujahidun) waren in het bezit van machinegeweren (waaronder een BKC) en een raketwerper (een RPG). Daarmee hebben ze op de vijand geschoten.

17.19

In het tapgesprek van 28 juni 2013 om 20:16 uur vertelt Anis Z. aan Soufiane Z. dat hij tegen Betrokkene 21 heeft gezegd dat Sadiq (de rechtbank begrijpt: Betrokkene 23) ook gewoon binnen is. Bovendien vertelt Anis Z. hem dat Abu Yousef (Hatim R.) zijn wapen heeft ingeleverd en terug wilde gaan naar Turkije. Daarna heeft Hatim R. zich bedacht en nu wilde de Amir zijn wapen niet meer aan hem teruggeven.471 Soufiane Z. heeft gezegd dat dat hij samen met een broeder bezig was om geld te verzamelen. Dit zou gaan om een bedrag met zes nullen. Deze broeder heeft Soufiane Z. geflasht door na vier maanden opeens zijn telefoon uit te doen en daarna naar Syrië te vertrekken.472

17.20

In het tapgesprek van 29 juni 2013 vanaf 23:03 uur vertelt Anis Z. aan Soufiane Z. dat hij net klaar is met bewaken. Zijn taak was om elke auto tegen te houden en te controleren, omdat er PKK in het gebied zat. Anis Z. zegt verder dat hij nog niets van Betrokkene 23 heeft gehoord, maar Betrokkene 21 gisteren nog heeft gezien.473 In het vervolg van het gesprek vraagt Soufiane Z. hoeveel geld Anis Z. daar per maand krijgt. Anis Z. antwoordt “Ik weet het niet. De ene keer kregen we van Baghdadi”. Soufiane Z. vermaant hem daarna om geen namen te noemen.474 Daarna vertelt Anis Z. dat Betrokkene 18 en Abu Redouan een appartement hebben.475 De rechtbank leidt hieruit af dat Anis Z. in de directe omgeving van Betrokkene 21, Betrokkene 19 en Hicham el O. verkeert. Bovendien heef Anis Z. geld gekregen van Baghdadi, de leider van ISIS. Hieruit leidt de rechtbank af dat Anis Z. en zijn broeders voor ISIS hebben gevochten.

17.21

Het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Hicham el O. van 1 juli 2013 vanaf 14:49 uur:

R: Er was toch geld gestuurd naar Betrokkene 9 (fan)?

S: Ja

R: En ik had begrepen van ( ... ntv .... ) dat het eigenlijk voor iedereen is toch? Het is voor de broeders toch en niet voor 1 persoon toch?

S: Neenee, dat geld die bij Betrokkene 9 (fon) is die zijn voor alle broeders en daarnaast was nog een andere broeder die had vijfhonderd euro gegeven. En die vijfhonderd euro had een broeder specifiek gezegd: de helft, tweehonderdvijftig euro is voor Betrokkene 21 en tweehonderdvijftig euro is voor Betrokkene 30 (fon). Dus die vijfhonderd euro die daarbij zit is apart, heeft er niks mee te maken

R: Ik weet, maar de rest moet toch gewoon verdeeld worden onder de broeders die het nodig hebben toch?

S: Ja ja klopt. Maar ik had het ook duidelijk op een papiertje gezet: dit geld is voor Betrokkene 9 . Dit geld is voor alle broeders. En toen was er een andere broeder van een andere stad die had gezegd: vijfhonderd euro moet worden verdeeld tussen Betrokkene 31 (fon) en Betrokkene 21. Dus die vijfhonderd euro is helemaal niet opgehaald door die andere geld, snap je?476

(…)

R: Als ik wat kan regelen, ik kan die mensen die wat kunnen doen en dat ze een kaart (fon) kunnen komen begrijp je?

S: Nee, nee kijk, andere mensen die kunnen alleen voor verkoop snap je, als die dingen zijn binnengekomen dan kunnen ze verkopen. Maar ik had alles geregeld: ik had verkoop, ik had kopers geregeld, ik had alles geregeld ach ie. En die ene procent moest alleen nog maar van hem en toen stond op een gegeven moment zijn telefoon uit en heeft hij niks tegen mij gezegd. Tenzij .. .ik weet niet of jij Betrokkene 25 enzo nog spreekt? Want Betrokkene 25 is ook met hem toch?

R: Ja ik spreek hem nog

S: Zeg tegen Betrokkene 25 dat de broer van Samir mij alle codes, alle inlogcodes moet geven, via email. Dan gaat Betrokkene 25 mij geven en ga ik nog steeds mijn best doen ....

R: Ik ga met hem praten en ga dat proberen te regelen inshallah477

17.22

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er geld is gestuurd naar Betrokkene 19. Hicham el O. vraagt aan Soufiane Z. of het klopt dat dit geld voor alle broeders is. Soufiane Z. bevestigt dit en vertelt dat er ook nog specifiek geld is gestuurd voor Betrokkene 21 en ene Betrokkene 30/Betrokkene 31. De rechtbank begrijpt voorts dat de persoon met wie Soufiane Z. een groot geldbedrag wilde gaan maken en die opeens weg was naar Syrië de broer van Samir is. Soufiane Z. vraagt aan Hicham el O. of hij aan Betrokkene 25 wil zeggen dat die broer van Samir hem via de e-mail alle inlogcodes moet geven.

17.23

In het tapgesprek van 2 juli 2013 vanaf 20:24 uur zegt Anis Z. dat er een brief is gekomen van de allerhoogste dat hier geen “dawla” meer is en dat iedereen naar “jebhat” moet. Anis Z. zegt dat broeders naar “jebhat” gaan en hij denkt dat hij met hen meegaat.478 De rechtbank overweegt dat Anis Z. met de brief van de allerhoogste kennelijk doelt op een brief van Al Zawahiri, de leider van Al Qaeda.479 De rechtbank leidt hieruit af dat Anis Z. aangesloten was bij ISIS en nu samen met broeders de keuze gaat maken om zich aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra.

17.24

Het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Anis Z. van 3 juli 2013 vanaf 15:10 uur:

Anis Z. zegt dat hij de wapen moet inleveren en dat hij met Betrokkene 25 en met de broeders uit Delft en uit Den Haag misschien naar Jebhat (front) gaat. Anis Z. zegt dat de in de brief staat dat Dawla (de staat) is gecanceld en dat iedereen naar Jebhat (front) moet en dat kwam van de grootste.

Soufiane Z. zegt: Iedereen van Nederland gaat toch, zijn er nog mensen die een meningsverschil hebben.

Anis Z. : Betrokkene 25 , Abu Redouan, iedereen die zegt, we weten genoeg, we gaan misschien vandaag, of we gaan wat later, een van deze dagen, vandaag of morgen.

17.25

De rechtbank leidt hieruit af dat Anis Z. zijn wapen in moet leveren en hij met de broeders uit Delft en Den Haag, waaronder Betrokkene 25 en Abu Redouan, naar Jabhat al-Nusra gaat.

17.26

Op 3 juli 2013 vanaf 18:03 uur wordt Soufiane Z. gebeld door Hatim R.:

S; Achie, hoe gaat het verder met jou? Want ik had iets gehoord maar ik weet niet of het waar is of dat het misschien uit de context is gerukt. Ik had iets over jou begrepen dat je terug wou gaan naar Turkije of zoiets?

Abu Yousef: Nee, nee, nee luister. Mensen. Aggie of Akkie (fon), weetje wat het is wat mensen ... uhh . Dat is het probleem van hier. Mensen moeten zich echt met hun eigen zaken bemoeien. Je weet tocH. We zitten hier de hele tijd met elkaar, weinig dingen prive. Je weet toch, en dat is niet erg, maar heel veel mensen gaan echt met andere mensen bemoeien en dan uh gaat er voor niks er fitna (fon) ontstaan weet je. En dan komen roddels, die dingen voor niks.

S: Dus het is gewoon gelogen dan?

V:: He?

S: Het is gewoon gelogen?

Y: Ik ga het tegen jou zeggen gewoon eerlijk. Je weet toch wel. Kijk voor een klein gedeelte is het waar.

S: Nou.

Y: Maar om met die klein gedeelte uh ...... is het heel wat anders. Die klein gedeelte was uh dat gaat gewoon over uh .. .ik moet vaak dingen doen weet je maar uh de mensen maken gelijk hun eigen verhaal uh die doen hun eigen verhaal enzo je weet toch wel. Maare wat ik heb gedaan. Die dingen wat ik heb gedaan is allemaal met toestemming gebeurd je weet toch wel.

S: Ja. Maar mag ik een advies kennen. Haal het nooit in jouw hoofd om terug te komen of iets. Snap je en blijf daar. daar is jouw toekomst en daar Is jouw leven. Als je hier naartoe komt, weet dat Allah jou gaat vernederen. Snap je. Je gaat echt vernederd leven als je hier weer terug gaat. Je moet altijd

verantwoording over alles. Snap je?

Y: Ja ja. Dat doe ik sowieso niet terug komen. Daar denk ik niet aan

(…)

S: als je problemen opgelost is gewoon vergeven dat is ook altijd wat ik tegen mijn broertje zeg. Jullie doelen zijn hoog snap je. Jullie doelen zijn hoog. Jullie hebben een duidelijke vijand. Jullie moeten geen ruzie om onzinnige dingen snap je. Gewoon problemen oplossen en meteen vergeten. En meteen richting de Aduw (vijand) rennen, snap je?

Y: Ja man, ja man, dat weet ik.

(…)

Als Soufiane Z. nog met Abu Moussa spreekt mag hij het nummer van Abu Youssef geven. Abu Youssef wil met Abu Moussa spreken.480

17.27

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat Soufiane Z. aan Hatim R. vraagt of het klopt dat hij terug wilde gaan naar Turkije (zoals hij op 28 juni 2013 van Anis Z. had gehoord). Soufiane Z. vermaant Hatim R. vervolgens om “daar” te blijven en niet naar Turkije te gaan of weer terug “hier” te komen (anders zal Allah hem vernederen). Hatim R. heeft wat problemen, maar Soufiane Z. zegt dat er geen ruzie moet worden gemaakt om onzinnige dingen en Hatim R. dan meteen richting de vijand moet rennen. Hatim R. bevestigt dit en laat daarna weten dat hij met Azzedine C. (Abu Moussa) wil spreken.

17.28

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Betrokkene 21 van 4 juli 2013 vanaf 17:17 uur laat Betrokkene 21 weten dat Anis Z. met de Koran bezig is en goed bezig is. Ook vertelt hij dat Betrokkene 25 en Abu Redouan het met elkaar hebben goed gemaakt. Soufiane Z. zegt dat “de broeder” (de rechtbank begrijpt: Hatim R.) hem heeft gebeld en hem om vergiffenis heeft gevraagd. Betrokkene 21 laat weten dat het wel goed gaat tussen Hatim R. en Betrokkene 19.481

17.29

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Betrokkene 21 van 6 juli 2013 vanaf 17:13 uur laat Betrokkene 21 weten dat hij heeft gehoord dat Anis Z. naar “de andere broeders” gaat. Soufiane Z. zegt dit klopt en dat hij dacht dit ze allemaal zouden gaan. Betrokkene 21 zegt dat het hem nu niet verstandig lijkt. Soufiane Z. zegt dat hij van Anis Z. had gehoord dat er een brief was gekomen waarin de allerhoogste had gezegd dat alles moest zijn zoals het eerst was: de mensen van Shaam voor Shaam en Irak voor Irak. Iedereen moest terug naar zijn eigen groep.482

17.30

Het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Anis Z. van 6 juli 2013 vanaf 21:21 uur:

Soufian: Wat ben je aan het doen?

Anis Z. : we zijn bij Jabhat (front) gegaan.

Soufian: Je moet de naam niet noemen

Anis Z. : wat?

Soufian: Je moet die naam niet noemen ... Hoe gaat het verder met broeders? hebben ze niet raar gedaan toen jullie gingen?

Anis Z. : He?

Soufian: Gingen ze niet raar doen toen jullie weggingen?

Anis Z. : Ik heb het niet gezegd, we zijn gewoon gegaan483

(...)

Soufian: Zijn veel broeders uit Nederland gegaan

Anis Z. : Ja ongeveer wij met zijn alleen

Soufian: Ongeveer iedereen van Nederland is gegaan

Anis Z. : ja Betrokkene 25 zowiezo, we zijn hier met zijn twee en he484

17.31

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat vrijwel alle Nederlandse broeders zich bij Jabhat al-Nusra hebben aangesloten, onder wie Anis Z. en Betrokkene 25.

17.32

Uit het vervolg van het telefoongesprek blijkt dat Betrokkene 25 zijn e-mail heeft gecheckt en zijn reactie daarop aan Soufiane Z. is dat hij ver weg is van “die broeder”. Soufiane Z. laat weten dat hij Betrokkene 21 heeft gesproken over de “fitna” die gaande is. Anis Z. zegt dat Betrokkene 21 nog bij “die anderen” is. Anis Z. wil dat Betrokkene 21 contact met hem opneemt of naar hem en Betrokkene 25 toekomt om hem te laten weten wat er aan de hand is. De rechtbank begrijpt hieruit dat Betrokkene 21 nog aangesloten was bij ISIS.485

17.33

Het gesprek tussen Soufiane Z. en Anis Z. gaat daarna als volgt verder:

Anis Z. : Ik zeg je eerlijk, ik voel me geflashed. Anis Z. zegt: Ik had granaten, alles ... ik dacht ik ga eentje zelf houden, eentje in mijn zak doen, toen dacht ik: nee ik ga dat niet doen. Toen had ik een paar

Brownings gevonden die hadden we afgepakt van een paar die we daar hadden gepakt .. Al die dingen ... we hebben daar niks van gezien! Hij heeft dat aan mensen gegeven die gewoon aan het slapen waren daar.

Soufian vraagt of ze de Emir daarop hebben aangesproken.

(…)

A zegt met een dilemma te zitten. 'Toen de Dewla (fon) was hier, toen is diegene van Jebhet (fon) zijn allemaal met hun wapens die ze Amin (fon) hebben gekregen van Jebhet, naar Dewla (fon) gegaan. Jebhet heeft vandaag gezegd: toen hebben wij niet gezeurd over die wapens. Maar nu, Dewla is er niet meer dus iedereen is teruggegaan naar Jebhet maar ik bijvoorbeeld heb ook een wapen van Dawla en heb hem ook meegenomen naar Jebhet, want ik heb geen wapen. Ik ga niet in een oorlogsgebied zonder wapen rondlopen!

S zegt dat A rustig moet blijven en dat als hij eenmaal geld heeft, hij het wapen kan inleveren.486

17.34

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de emir van zijn eerdere groep bij een aanval buitgemaakte wapens ook had verdeeld onder mensen die gewoon lagen te slapen. Anis Z. voelt zich daardoor bedrogen. Anis Z. heeft zijn wapen meegenomen toen hij overstapte van ISIS naar Jabhat al-Nusra.

17.35

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Hicham el O. van 7 juli 2013 vanaf 17:08 uur laat Hicham el O. weten dat het goed gaat met de Nederlandse broeders en dat sommigen zijn overgestapt naar “een andere groep” en dat de meesten dat gaan doen. De meerderheid van de Belgen heeft zich daar al bij aangesloten. Soufiane Z. zegt dat Betrokkene 21 het niet wist over die brief en vandaag of morgen even bij jullie langs komt.487

17.36

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Hicham el O. van 14 juli 2013 vanaf 20:46 uur laat Hicham el O. weten dat Anis Z. met de broeders uit Delft is meegegaan, maar dat hij beter af had kunnen wachten totdat ze met zijn allen naar de andere groep zouden gaan. Soufiane Z. zegt dat Anis Z. boos was op de emir omdat deze hen niet goed behandelde, omdat hij de oorlogsbuit ook verdeelde onder mensen die niet hadden deelgenomen aan de veldslag. Hicham el O. zegt dat hij ook bij die actie betrokken was en dat hij ook naar “die andere” gaat. Hicham el O. zegt dat hij in totaal meer dan 10.000 euro heeft verdeeld onder de Nederlandse en andere goede broeders. Soufiane Z. vraagt zijn broertje ook nog wat te geven. Hicham el O. reageert door te zeggen dat hij dacht dat Anis Z. nog meer dan 1000 euro had en hij hem, nu hij hoort dat dit niet zo is, 300 euro gaat geven.488

17.37

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Anis Z. van 15 juli 2013 vanaf 17:58 uur laat Anis Z. weten de spullen van Soufiane Z. te gaan ophalen bij Abu Redouan. Anis Z. zegt dat Betrokkene 18 en Abu Redouan geld voor zichzelf hebben gehouden en daarvoor allebei een dikke jeep hebben gekocht. Soufiane Z. zegt tegen Anis Z. dat hij Hicham el O. heeft gesproken en dat deze hem geld gaat geven en hij, anders dan Anis Z. denkt, niets voor zichzelf heeft gehouden.489

17.38

Het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Betrokkene 21 van 18 juli 2013 vanaf 18:27 uur:

F: Had ik al verteld over die eerste, die eerste keer dat ik iktihaam (het binnenvallen, binnendringen) ging doen?

S: Ja

F: We hadden ook eentje gepakt

S: Ja

F: En eerlijk gezegd, we hadden geen gevangenen, geen niks, helemaal niks. Hij had zich overgegeven, hij kwam zo aanlopen ook. Hij kwam aan en gelijk slachten, gelijk geslacht he (lacht)

S: (lacht) niet eens vragen ofzo490

(…)

S: Heb jij Abu Redouan al gezien? Ja toch?

F: Ja, ik heb hem gisteren, ehh vandaag gezien ja

S: Ok want hij had ehhh, je moet hem uitleggen dat hij geen nieuwe email moet maken. Hij moet alleen die oude concepten gebruiken, snap je?

F: Jaja, ik heb jou dat nieuwe email (ntv). Ik heb hem die ding gewoon gegeven, gewoon alles gegeven. Hij is gelijk weer weggegaan he

S: Komt goed

S zegt dat F tegen Abu Redouan moet zeggen dat Betrokkene 39(fon) twee camera's uit de tas van Abu Redouan heeft gepakt en verkocht. Een camera was van Abu Moussa en de ander van iemand anders. S zegt dat het niet de bedoeling was dat het verkocht zou worden.

F zegt dat hij Abu Redouan zal bellen en hij zal het laten weten.

S zegt: Als je Abu Redouan spreekt, zeg hem dat hij moet gaan checken. Ik heb net gecheckt, hij moet nu weer gaan checken ja?491

17.39

De rechtbank leidt hieruit af dat de eerste keer dat Betrokkene 21 meedeed met een aanval ze een strijder die zich over had gegeven gelijk hadden afgeslacht. Ook heeft hij Hicham el O. die dag gezien. Soufiane Z. maakt aan Betrokkene 21 duidelijk dat hij de wijze van het werken met conceptmails aan Hicham el O. moet uitleggen. Ook moet Betrokkene 21 tegen Hicham el O. zeggen dat Betrokkene 13 twee camera’s, waaronder een van Azzedine C. , uit de tas van Hicham el O. heeft gepakt en deze heeft verkocht en dat dit niet de bedoeling is.

17.40

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Hicham el O. van 19 juli 2013 vanaf 20:06 uur laat Hicham el O. weten dat hij, zoals hij had aangegeven, met Anis Z. heeft gesproken.492 In telefoongesprek op 22 juli 2013 vanaf 16:22 uur geeft Soufiane Z. aan dat Betrokkene 23 bij de Muhajerrien brigades zit. Hicham el O. geeft aan dat hij Betrokkene 23 een dezer dagen wil gaan opzoeken. Daarop geeft Soufiane Z. hem zijn telefoonnummer. Hicham el O. gaat hem direct bellen.493 In het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Betrokkene 21 van 22 juli 2013 vanaf 22:47 uur zegt Betrokkene 21 dat hij Hicham el O. heeft gesproken en dat hij naar Betrokkene 23 toegaat. Soufiane Z. zegt dat hij het telefoonnummer van Betrokkene 23 aan Hicham el O. heeft gegeven. Betrokkene 21 laat daarna weten dat hij morgen eerst naar Hicham el O. toegaat en dat zij daarna samen naar Betrokkene 23 gaan.494

17.41

Het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Anis Z. van 23 juli 2013 vanaf 16:58 uur:

A: Ja ik zit in Aleppo, in een buitenwijk. Ik zit nu bij die andere groep. Die andere groep is veel beter. Vorige week hadden we ikhtihaam (binnenvallen, binnendringen) maar helaas niet doorgegaan. Nu weer. We hebben veel ikhtihaam (binnenvallen, binnendringen). Zometeen gaan we naar (ntv) gaan we Betrokkene 25 enzo ophalen

S: Is die andere groep beter of is deze groep beter?

A: Nee, deze groep is beter

S: God is glorieus, godzijdank. Hoe is het afgelopen met je silah (wapen) en heb je al met Betrokkene 32 (fon) gesproken?

A: Nee, ik heb niet teruggegeven. Die mensen zeggen gewoon: toen mensen van onze groep naar dawla (staat) waren gegaan, toen hebben ze ook allemaal de wapens meegenomen. Hun zeggen: deze wapen is voor de mujaheddien. Toen zei ik: omwille van Allah, je moet gewoon deze wapen houden. En hun zeggen nog steeds tegen mij: je moet die wapen geven, ze willen mij het paspoort niet geven, ze zeggen tegen mij, geef die wapen, ik heb geen wapen. Ik ga niet dat wapen geven, dat paspoort interesseert mij niet.495

(…)

A zegt dat hij een goed wapen heeft, een splinternieuwe496

17.42

De rechtbank leidt hieruit af dat Anis Z. met zijn nieuwe groep veel aanvallen heeft gedaan. Hij heeft zijn splinternieuwe wapen niet teruggegeven aan ISIS, maar meegenomen naar de Jabhat al-Nusra. Anis Z. gaat het wapen ook niet teruggeven, ondanks dat ISIS zijn paspoort nog heeft.

17.43

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Betrokkene 21 van 23 juli 2013 vanaf 12:24 uur laat Betrokkene 21 weten dat hij Betrokkene 24 nog had gesproken voor wat hij wist dat zijn laatste gevecht zou zijn. Soufiane Z. zegt dat hij in zijn testament had gezet dat de broeders van wie hij het meest hield en die veel voor hem hebben betekend onder meer Hicham el O., Betrokkene 19, Betrokkene 21 en Soufiane Z. waren. Betrokkene 21 zegt daarna tegen Soufiane Z. dat Betrokkene 25 samen is met Anis Z. en Hicham el O..497

17.44

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Hicham el O. van 29 juli 2013 vanaf 20:15 uur laat Soufiane Z. weten dat hij een berichtje voor Hicham el O. heeft achtergelaten. Hicham el O. zegt dat hij hier zo snel mogelijk op zal reageren. Soufiane Z. vraagt daarna of Betrokkene 5 al begraven is. Hicham el O. antwoordt dat hij denkt dat dit al is gebeurd, maar hij er niet bij was. Andere broeders waren er wel.498

17.45

In het tapgesprek tussen Soufiane Z. en Betrokkene 21 van 31 juli 2013 vanaf 12:34 uur feliciteert Soufiane Z. Betrokkene 21 met Choukri. Betrokkene 21 laat weten dat hij Betrokkene 22niet meer had gezien en hij ook de begrafenis niet heeft bijgewoond. Wel heeft hij Betrokkene 23 gezien. Betrokkene 21 zegt dat Betrokkene 23 misschien “deze kant” op komt, eerst om hen om te zoeken maar misschien ook om te blijven.499 De rechtbank begrijpt dat Betrokkene 23 zich wellicht bij de groep van Betrokkene 21 ging aansluiten.

17.46

Het telefoongesprek tussen Soufiane Z. en Hicham el O. van 4 augustus 2013 vanaf 15:17 uur:

S: Jaja. Maar ik bedoel gewoon die grote fitna, snap je?

R: O, maar ik merk daar niks van hoor.

S: Helemaal niks?

R: Nee ik zelf merk er niks van

S: Ga je binnenkort naar die andere?

R: Ik ben daar al

S: je bent er al, ok mashallaH. HamdullaH. Is het bij die andere beter?

R: Jazeker

S: Ja? Hebben ze ook huisje voor jullie geregeld enzo?

R: Nee ik woon nog steeds gewoon in hetzelfde huis

S: Hebben ze niet raar gedaan toen je van de andere groep wegging?

R: He?

S: Gaan ze dan niet raar doen als je zegt: ik ga naar een andere groep?

R: Jazeker (ntv) ... die mensen .. je moet mogelijk hun vermijden dan kom je ook niet in de .. (ntv) .. .500

17.47

De rechtbank begrijpt uit het voorgaande dat ook Hicham el O. al bij “die andere groep” is en zich dus heeft aangesloten bij Jabhat al-Nusra.

17.48

Op 21 september 2013 laat Betrokkene 21 nog weten dat hij in een huis wacht om op wacht te mogen staan of een aanval te mogen doen. Soufiane Z. vertelt dat Anis Z. onderweg was naar een aanval.501 Op 24 september 2013 vindt er een gesprek plaats waarin Hatim R. zegt dat hij een lijst aan het maken is voor de broeders die dingen moeten doen en hij Betrokkene 21 gisteren nog heeft gesproken.502 Op 29 september 2013 vindt er een gesprek plaats waarin Betrokkene 21 aan Soufiane Z. vraagt of hij aan Abu Yusef (Hatim R.) door wil geven of hij de spullen van Chahid die daar liggen bij zich wil houden.503 Op 2 oktober 2013 volgt daarop een gesprek waarin Betrokkene 21 zegt dat hij een tas aan Hatim R. heeft gegeven en de kalash (de rechtbank begrijpt: Kalasjnikov) zelf heeft meegenomen.504 In de twee laatste gesprekken wordt gesproken over het martelaarschap (shaheed) en het paradijs (djennah) waarnaar Betrokkene 21 verlangt.

Berichten op social media

17.49

Op 25 april 2014 verscheen er op het Twitterkanaal van Shaam Nieuws een bericht met de tekst “Nederlandse Betrokkene 33 (Schiedam) en Abu Yusuf (Den Haag) onder #ISIS vlag in al-Baab te #Syrie en een foto van Hatim R. en Betrokkene 33.505 Op 21 juli 2014 plaatste Hatim R. een tweet waarin hij liet weten dat zij (dawlah) werden gebombardeerd door vliegtuigen van Bashar.506 Hatim R. kwam daarnaast gewapend voor in een film van het mediakanaal van IS (vermoedelijk daterend van oktober 2014).507

17.50

Op 6 oktober 2014 heeft Soufiane Z. een foto geretweet met daarop onder meer Soufiane Z., Hatim R., Anis Z., Betrokkene 19 en Betrokkene 33 met daarbij de tekst “#IS Band of brothers. Kogel vangen voor je mattie omdat je zelf martelaar wilt worden.508 Op deze foto zijn in totaal negen personen te zien die allen kennelijk gewapend zijn met machinegeweren.509

17.51

De rechtbank leidt uit deze bericht af dat de met naam genoemde personen in oktober 2014 aangesloten waren bij IS en (ook) toen deelnamen aan de gewapende jihadstrijd.

Conclusies met betrekking tot de activiteiten van Hicham el O., Anis Z. en Hatim R. in Syrië

17.52

De rechtbank komt tot de conclusie dat Betrokkene 21, Anis Z., Hicham el O. en Hatim R. veelvuldig contact met elkaar hadden, boodschappen aan elkaar doorgaven, samen met elkaar strijders bezochten en voorwerpen voor elkaar bewaarden en aan elkaar verstrekten. Bovendien blijkt uit de tapgesprekken en de berichten op sociale media dat Hicham el O., Anis Z. en Hatim R. vuurwapens voorhanden hebben gehad en deze ook hebben gebruikt bij gevechtshandelingen. Ook hebben Hicham el O. en Anis Z. overleg gevoerd en afstemming gehad met Soufiane Z. over het verdelen van geld voor de strijders.

17.53

De rechtbank komt op grond het voorgaande tot de conclusie dat Hicham el O. tot augustus 2013, Anis Z. en Hatim R. tot in ieder geval oktober 2014, al dan niet gezamenlijk, hebben deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd en deze strijd tevens hebben gefaciliteerd.

Faciliteren van de uitreis van Syriëgangers

Faciliteren van de uitreis van Betrokkene 4

17.54

De familie van Betrokkene 4 runt een pizzeria in Den Haag.510 Op 27 juni 2013 werd door zijn broer bij de politie gemeld dat Betrokkene 4 sinds twee dagen weg was. Op 26 juni 2013 had hij nog gebeld met de mededeling dat hij in Turkije was, aan de grens met Syrië.511

17.55

Op 27 juni 2013 vindt vanaf 14:48 uur het volgende telefoongesprek plaats tussen Anis Z. en Soufiane Z.:

A: Eeh ... kijk? Er is eentje geen probleem ik weet niet hoe ik dat ehhh . .ik heb geregeld dat die jongen wordt opgehaald.

S: Ja

A: Ik heb Abu Redouan gebeld en hij heeft geregeld degene die hem gaat ophalen. Ze willen hem ophalen maar ik bel hem ze bellen hem en zijn telefoon staat al sinds gistermiddag staat die al uit. Ze kunnen hem niet bereiken

S: Wollah

A: Zeg me eerst met z'n hoeveel zijn ze, in z'n eentje of met iemand anders?

S: Misschien is ie al binnen, misschien ie die al binnen

A: Alleen hoe bedoel je hoe gaat die naar binnen? T'is onmogelijk Wij hebben hem. .. lk heb hem gezegd dat hij moest wachten tot hij werd gebeld, want hij is ehhh

S: Want hij heeft die nummer van die ene Betrokkene 34 (fon) want Abou Mouhad brengt mensen naar binnen.

A: Ja maar dan moet ie ook het nummer hebben van iemand die hem komt ophalen bij de grens want Betrokkene 34 gaat de grens niet over he

S:Oh

A: Hij brengt alleen maar tot de grens tot jij net over de hek bent en dan gaat hij terug ..

S: Ok, inshallah

A: En ik bel hem en zijn telefoon staat uit, Abu Redouan belt hem want heeft iemand gevonden ene Turk hij brengt hem naar de grens, hij gaat over de grens tot Orantes (fon) hij gaat hem ophalen en komt'ie met hem over de grens weer terug helemaal naar Bayt El Mouhajirin (huis van ontvangst).

S: Jaja, wollah

A: Maar we kunnen hem niet bereiken

S: Ik ga even kijken wat ik kan regelen, ik bel over twee uurtjes terug inshallah

A: Wie is die broer ken ik hem?

S: Ehh jij niet maar andere broeders kennen hem wel ..

A: He?

S: Zeg tegen hun Soufiane Z. .

A: Soufiane Z. ?

S:Ja

A: Oke in iedere geval .. eeH. . Wat moet ik tegen Abu Redouan zeggen want hij heeft mij nu net gebeld, hij zegt tegen mij ik bel je, bel Abu Mohamed en vraag hoe en wat

S: Wat ik ga doen, ik ben nu met mijn moeder ik ga haar zo even thuis afzetten, dan ga ik meteen naar een broeder toe, een broeder want mijn broeder heeft wel contact met hem. Dan ga ik meteen zeggen: Hoe dat zit snap je? Dus over twee uurtjes kan ik je pas terugbellen inshallah

A: Is goed

S: Ja? Of als je ... of als je mij ook gewoon effe het nummer geeft van Abu Redouan ... maar dan moet je mij wel gewoon de juiste geven want die jij me hebt gegeven, ik kan niet eens bellen naar die. Ik weet niet hoe ik die netnummer moet toevoegen

A: Hier, wacht wacht, ik geef hem nu, wacht wacht512

17.56

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat Anis Z. aan Hicham el O. heeft gevraagd om ene Soufiane Z. bij de grens op te halen, omdat Betrokkene 34 mensen alleen tot de grens brengt. Hicham el O. kan deze Soufiane Z. echter niet bereiken. Soufiane Z. reageert door te zeggen dat hij naar een broeder toegaat die wel contact met hem heeft. Hij vraagt ook het nummer van Hicham el O..

17.57

In het tapgesprek tussen Hicham el O. en Soufiane Z. op 27 juni 2013 vanaf 16:39 uur laat Hicham el O. weten dat hij de broeder over wie Anis Z. sprak niet kan bereiken. Soufiane Z. zegt dat hij naar een broeder toe gaat rijden, die nog wel contact met hem heeft, om even te kijken hoe en wat. Soufiane Z. moet Hicham el O. laten weten of het lukt om hem te bereiken, anders gaat Hicham el O. er naartoe rijden om te kijken of hij er nog zit. Hicham el O. merkt op dat als hij binnen is naar de Muhajireen Shaam zal worden gebracht.513

17.58

In het tapgesprek tussen Hicham el O. en Soufiane Z. op 27 juni 2013 vanaf 17:44 uur laat Soufiane Z. weten dat de broeder waar hij net naar toe is gegaan hem gisteravond nog heeft gesproken, maar dat zijn telefoon nu inderdaad uit staat. Hicham el O. zegt dat hij dat hij zo even bij de grens gaat kijken of hij daar is.514

17.59

In het tapgesprek tussen Anis Z. en Soufiane Z. op 27 juni 2013 vanaf 19:35 uur laat Anis Z. weten dat die broeder hem net heeft gebeld met een ander nummer en dat Hicham el O. hem gaat ophalen.515

17.60

In het tapgesprek tussen Hicham el O. en Soufiane Z. op 27 juni 2013 vanaf 22:18 uur zegt Hicham el O. dat het is gelukt en hij met hem is. Ook komt de nieuweling aan de lijn die zegt dat hij al naar het thuisfront heeft gebeld.516

17.61

Op 28 juni 2013 vindt vanaf 16:33 uur het volgende telefoongesprek plaats tussen Betrokkene 21 en Soufiane Z.:

S: Ik had gehoord dat die Soufiane Z. die op de pizzeria altijd zit, dat die ook binnen is gekomen

F: Ik had ook zoiets gehoord ja. Hij is nog niet opgehaald volgens mij

S: He?

F: Hij is nog niet opgehaald toch?

S: Jawel, volgens mij wel. Ik weet niet, zoiets had ik gehoord. Volgens mij had ik gehoord dat Abu Redouan hem had opgehaald ofzo

17.62

De rechtbank leidt uit dit gesprek af dat Soufiane Z. tegen Betrokkene 21 zegt dat hij heeft gehoord dat Hicham el O. “Soufiane Z. die altijd op de pizzeria zit” heeft opgehaald.

17.63

In het tapgesprek van 21 september 2013 vertelt Soufiane Z. aan Betrokkene 21 dat “Soufiane Z. pizza” shaheed (martelaar) is geworden.517 Uit het dossier blijkt dat Betrokkene 4 heeft deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd en in september 2013 is omgekomen tijdens een vuurgevecht.518

17.64

De rechtbank leidt, uit de genoemde data, de naam Soufiane Z. en het noemen van de pizzeria, af dat Soufiane Z. en Anis Z. en Hicham el O. betrokken waren bij het binnen Syrië brengen van Betrokkene 4 en hem hierbij hebben begeleid.

Faciliteren van de uitreis van Betrokkene 35

17.65

Ook hebben Hatim R. en Anis Z. bemoeienis gehad met de uitreis van Betrokkene 35. Uit het dossier kan genoegzaam worden afgeleid dat Betrokkene 35 in Syrië heeft deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd.519 Betrokkene 35 gebruikte daarbij het uit de reeks van Soufiane Z. afkomstige telefoonnummer Telefoonnummer 8. Hun betrokkenheid blijkt ook uit de volgende gang van zaken:

 Op 22 augustus 2013 is Betrokkene 35 vertrokken naar Syrië.

 Op 23 augustus 2013 heeft Hatim R. 22 keer naar Betrokkene 35 proberen te bellen.520

 Op 24 augustus 2013 is er viermaal minutenlang telefonisch contact geweest tussen Betrokkene 35 en Hatim R.. Ook heeft hij die dag meerdere keren Anis Z. gebeld. Betrokkene 35 maakte op dat moment gebruik van een Turks telefoonnetwerk.521

 Op 11 oktober 2013 stuurde Betrokkene 35 een sms-bericht naar Hatim R..

 Op 15 oktober 2013 is Betrokkene 35 weer in Nederland aangekomen.522

17.66

Betrokkene 35 heeft verklaard dat de Syrischeche nummers al in zijn telefoon stonden toen hij naar Syrië vertrok. Hij heeft Anis Z. en Hatim R. gebeld om in Syrië te komen.523 Betrokkene 35 had vaak last van psychoses en hij is ook teruggekomen, omdat hij daar ook in Syrië last van had en daarvoor hulp nodig had.524

17.67

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat Soufiane Z. en Anis Z. en Hatim R. Betrokkene 35 hebben geholpen om in Syrië te komen en hem daarmee inlichtingen en gelegenheid heeft verschaft om zich te voegen bij de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Faciliteren van de uitreis van Betrokkene 5

17.68

Bovendien blijkt uit het dossier dat Hatim R., Soufiane Z. en Anis Z. de uitreis van Betrokkene 5 heeft gefaciliteerd. Dit blijkt uit de volgende gang van zaken:

 Op 25 en 29 september 2013 heeft Soufiane Z. gesproken over Betrokkene 5 met Betrokkene 21;525

 Op 5 oktober 2013 is Betrokkene 5 uitgereisd;

 Op 6 oktober 2013 heeft Betrokkene 5 met gebruik van een Turks telefoonnetwerk526 om 10:25 uur gebeld en tussen 10:32 uur en 11:42 uur drie sms-berichten gestuurd naar Anis Z.;527

 Op 6 oktober 2013 om 13:54 uur heeft Betrokkene 5 een gesprek van 100 seconden met Hatim R.;

 Op 6 oktober 2013 om 20:31 uur en 21:14 uur wordt door Betrokkene 5 wederom naar het Syrische nummer van Hatim R. gebeld. Om 21:23 uur stuurt Betrokkene 5 ook nog een sms-bericht naar Hatim R.;

 Op 6 oktober 2013 om 21:29 uur heeft Soufiane Z. het volgende telefoongesprek met Hatim R.:

S: Achie die ene jongen, hij wacht nog steeds he?

Y: Ja ik weet, ik heb hem een sms gestuurd. Ik ga hem zo snel mogelijk, inshallah morgen halen. Maar weet je wat het is, Betrokkene 18 regelt dat weet je. Ik heb die telefoonnummer niet van die smokkelaar zeg maar.

S: Achie .. mohiem. Bel hem even, hij is een beetje in paniek. Hoor je mij?

Y: He?

S: Ik zeg bel hem even, hij is even in paniek. Bel hem .. .

Y: Bellen is lastig, ik heb een sms gestuurd, ik heb tegen hem gezegd iets van ehh ... (ntv) .

S: Is niet aangekomen bij hem snap je, is niet aangekomen bij hem snap je?

Y: Ok

S: Daarom beste, doe gewoon even bellen en zeg tegen hem, snap je? En het moet wel een beetje snel, snap je?

Y: Is goed. Maar het bereik is echt slecht...528

 Op 6 oktober om 21:31 uur heeft Hatim R. uitgebeld naar Betrokkene 5 en 30 seconden lang telefonisch contact met hem gehad en om 21:32 uur en 21:33 uur werd Betrokkene 5 wederom gebeld door het Syrisch telefoonnummer van Hatim R.;529

 Op 7 oktober om 17:07 uur werd Betrokkene 5 twee minuten door het Syrisch telefoonnummer van Hatim R. gebeld.

 Op 7 oktober 2013 heeft Betrokkene 5 tussen 19:50 en 23:38 uur naar zijn familieleden gebeld om te laten weten dat hij in Syrië was aangekomen.530

17.69

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat Betrokkene 5 tijdens zijn uitreis (veelvuldig) contact heeft gehad met Anis Z. en Hatim R.. Daarnaast blijkt uit het telefoongesprek van Soufiane Z. en Hatim R. op 6 oktober 2013 om 21:29 uur en het daarop direct met Betrokkene 5 opgenomen contact duidelijk dat Hatim R. (samen met Betrokkene 18) de dag erna Betrokkene 5 de Turks-Syrische grens over zouden helpen smokkelen. Uit het dossier blijkt dat Betrokkene 5 daarna is gaan deelnemen aan de gewapende jihadstrijd.531 Daarmee hebben Anis Z. en Hatim R. Betrokkene 5 inlichtingen en gelegenheid verschaft om zich te voegen bij de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Faciliteren van de uitreis van Betrokkene 6 en Betrokkene 40

17.70

Hatim R. heeft ook telefonische contacten gehad met Syriëgangers Betrokkene 35 Betrokkene 6,532 en Betrokkene 24 el Betrokkene 40533 op het moment dat zij (vermoedelijk) onderweg waren naar Syrië. Hoewel de rechtbank het zeer aannemelijk acht dat Hatim R. ook hen heeft gefaciliteerd bij het uitreizen naar Syrië kan dit – bij het ontbreken van de inhoud van deze gesprekken – niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Faciliteren van de uitreis van Syriëgangers door het maken en verspreiden van een goederenlijst

17.71

Op 1 juli 2014 heeft Hatim R. “een lijst voor de broeders die InshaAllah van plan zijn om naar Syrië te gaan en wat handig is om mee te nemen” op Facebook gepost.534 In deze lijst worden goederen genoemd die van pas komen tijdens de “ribat” en het “slagveld”.535 De rechtbank is van oordeel dat Hatim R. hiermee inlichtingen heeft verschaft voor deelname aan de gewapende jihadstrijd.

Conclusies met betrekking tot faciliteren van de uitreis van Syriëgangers

17.72

De rechtbank komt tot de conclusie dat onder meer Soufiane Z. en Hicham el O., Anis Z. en Hatim R. vanuit Syrië betrokken waren bij het in het strijdgebied brengen van Betrokkene 4, Betrokkene 35 en Betrokkene 5. Betrokkene 4, Betrokkene 35 en Betrokkene 5 hebben daarna deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd. Ook heeft Hatim R. een goederenlijst gemaakt, die bestemd was om (aankomende) Syriëgangers te informeren over mee te nemen goederen bij het uitreizen naar Syrië.

Juridische kwalificatie van het handelen van Hicham el O., Anis Z. en Hatim R.

17.73

De rechtbank komt tot de conclusie dat Hicham el O. op 21 januari 2013, Anis Z. op 24 maart 2013 en Hatim R. uiterlijk eind mei 2013 naar Syrië zijn uitgereisd. Na aankomst hebben in ieder geval Hicham el O. en Anis Z. deelgenomen aan een trainingskamp. Daarna hebben Hicham el O. tot augustus 2013 en Anis Z. en Hatim R. tot in ieder geval oktober 2014, al dan niet gezamenlijk, deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd en deze strijd tevens gefaciliteerd door geld onder de strijders te verdelen. Aldus hebben zij gehandeld met het oogmerk om die strijd te bevorderen en voorbereiden.

17.74

Dat Hicham el O. en Anis Z. aan het trainingskamp hebben deelgenomen met het oog op de gewapende jihadstrijd kan ook worden opgemaakt uit de latere deelname aan die gewapende strijd. Zij hebben zich dan ook tevens schuldig gemaakt aan de training zoals bedoelde in artikel 134a Sr. De rechtbank is van oordeel dat de nauwe uitleg die daaraan moet worden gegeven met zich brengt dat Hatim R., Hicham el O. en Anis Z. met betrekking tot dit artikel voor hun overige gedragingen moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

17.75

Tevens is gebleken dat onder meer Anis Z., Hicham el O. en Hatim R. aangesloten waren bij ISIS. Daarna hebben zij in juli 2013 – na de brief van al Zawahiri – overleg gevoerd over het overstappen van ISIS naar Jabhat al-Nusra. Daarna hebben onder meer Anis Z. en Hicham el O. bewust de keuze gemaakt voor die overstap.536 Daarmee hebben zij een afspraak gemaakt met het doel om voldoende concrete terroristische misdrijven voor die organisatie te gaan plegen. Gelet op de al eerder gepleegde gevechtshandelingen en het meenemen van vuurwapens naar Jabhat al-Nusra, kan ook worden gezegd dat deze afspraak voldoende gemeend en definitief was. Aldus kan worden bewezen zij hebben samengespannen tot moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk.

17.76

Ten slotte hebben Hicham el O., Anis Z. en Hatim R. ervoor zorg gedragen dat anderen in het strijdgebied in Syrië werden gebracht door (te communiceren om) hen bij de grens met Turkije op te halen. Zij hebben deze latere deelnemers aan de gewapende jihadstrijd in Syrië dan ook, al dan niet gezamenlijk, voorzien van gelegenheid en inlichtingen met het oogmerk om deelname aan die gewapende jihadstrijd te bevorderen. Hatim R. heeft tevens met hetzelfde doel een goederenlijst verspreid.

18 Deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie

Inleiding

18.1

Aan alle verdachten wordt verweten dat zij vanaf 1 januari 2012 tot 27 augustus 2014 hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft (terroristische) misdrijven te plegen. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo dat de opsteller daarvan heeft bedoeld dat er sprake is van één organisatie waarvan het oogmerk was het plegen van zowel terroristische als “gewone” misdrijven en dat de deelnemers aan deze organisatie deels in Nederland en deels in Syrië actief waren.

18.2

Deelneming aan een (terroristische) criminele organisatie is strafbaar gesteld in de artikelen 140 en 140a Sr. Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven waarop de organisatie het oog heeft zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven welke door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Een persoon is strafbaar vanwege alleen maar zijn deelneming aan een misdadige organisatie.

Organisatie, het juridisch kader

18.3

Met een organisatie in de zin van de artikelen 140 en 140a Sr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.537

18.4

Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.538

18.5

Naarmate samenwerking inniger en duurzamer is, zal eerder aan het vereiste van een samenwerkingsverband met een zekere structuur zijn voldaan. Een dergelijk samenwerkingsverband kan toevallig en in de loop der tijd ontstaan omdat men "werkendeweg" ontdekt dat men een gezamenlijk doel heeft waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is. Zo'n samenwerkingsverband is niet afhankelijk van regels, uitdrukkelijke afspraken of hiërarchische verhoudingen, maar kan heel wel duurzaam zijn en aan het werken aan een gemeenschappelijk doel een bepaalde structuur ontlenen.539

18.6

Is van een lossere vorm van samenwerking sprake - geen vaste deelnemers aan het samenwerkingsverband, de deelnemers kennen elkaar maar ten dele - dan zal met name het vereiste van het samenwerkingsverband kunnen meebrengen dat ook de onderlinge verhouding tussen de deelnemers of enkele daarvan aan het samenwerkingsverband enige structuur geeft.540 Het feit dat twee personen van een groep gedurende ongeveer dezelfde tijd in een gestructureerd verband hebben samengewerkt, wordt voldoende geacht om ook de overige personen van die groep te beschouwen als behorend tot de organisatie, zonder dat van hen een dergelijke structuur in de samenwerking wordt vastgesteld.541

Is er een organisatie?


Organisatie in Nederland

18.7

De getuige-deskundige De Koning heeft verklaard dat hij de verdachten niet tot een strak geleide organisatie zou rekenen, maar tot een netwerk van mensen die door overeenkomsten in ideologie en vriendschapsbanden, bij elkaar kwamen en deelnamen aan specifieke acties en activiteiten.542 Hij beschouwde Azzedine C. , Rudolph H., Oussama C. en Soufiane Z. in de periode van na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 als de inner circle van dit netwerk.543 Dit heeft hij gebaseerd op zijn gesprekken die hij afzonderlijk en gezamenlijk met hen heeft gehad. De inner circle betrof mensen die veel met elkaar optrokken en, vaak in een voorstadium, overlegden over activiteiten. Ook waren zij vaak initiatiefnemer of een van de eersten om hun boodschap te verspreiden en activiteiten bekend te maken.544 De Koning beschrijft Azzedine C. en Rudolph H. als de personen met voortdurend initiatief en overwicht.545 De Koning had de indruk dat Oussama C. ook bij het overleg betrokken was, maar niet als initiatiefnemer. Soufiane Z. zei altijd dat als ze een goede spreker wilden, ze Oussama C. moesten vragen.546 Er werd door anderen ook over Oussama C. gesproken als hun spreker, als hun vaste jongen, en hij werd gezien als een van de gezichten van de groep.547 Oussama C. was iemand de ze er graag bij hadden.548 Er was ook een outer circle, maar deze varieerde sterk: er zijn mensen bijgekomen en afgehaakt.549 Moussa L. behoorde daartoe, net zoals aanvankelijk ook Jordi de J.. De Koning heeft dit afgeleid aan het feit dat Moussa L. vaak bij activiteiten aanwezig was.550

18.8

De rechtbank overweegt dat uit de woorden van De Koning blijkt dat er een – in juridische zin – sprake is geweest van een organisatie, waarbij over een langere periode innige samenwerking heeft bestaan tussen in ieder geval de vaste kern van initiatiefnemers Azzedine C. , Rudolph H. en Soufiane Z.. In juridische zin kunnen van de verdachten ook Oussama C. , Moussa L. en Jordi de J. als behorend tot het netwerk tot de organisatie worden gerekend. De analyse van De Koning, die hij op basis van zijn eigen waarnemingen heeft getrokken, wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier.

18.9

Zo heeft Azzedine C. op 12 januari 2012 Stichting ingeschreven bij de Kamer van Koophandel,551 met als bestuursleden Betrokkene 33552 (voorzitter), Azzedine C. 553 (secretaris) en Jordi de J.554 (penningmeester).555 De stichting werd door Rudolph H. op 2 mei 2012 in een brief aan een geestverwant omschreven als een overkoepelende stichting die hun gezamenlijke al langer bestaande initiatieven (uit Stichting 1 voortgekomen) Stichting 2 en Stichting 3 faciliteerde. De websites van Stichting 3 en Stichting 2 stonden ook op naam van Stichting.556 De stichting had tevens een apart draaiend Team Media dat de video’s, flyers, audio en website beheerde.557 Stichting hield zich bezig met het onderwijzen van Arabisch, Qur’an, aqidah, ulum al Qur’an aan broeders en kinderen in Den Haag en omgeving en hield zich bezig met het voorzien van studiemateriaal.

18.10

Voor al hun activiteiten huurden zij een pand in Den Haag. Dit bood hun de mogelijkheid om te bidden, te studeren en gezamenlijk te eten.558 Dit pand aan de Adres in Den Haag werd vanaf 1 april 2012 tot eind 2012 door Azzedine C. namens Stichting gehuurd.559 De Koning schrijft in zijn rapport dat het pand al snel een hangplek werd voor diverse mannen uit het door hem onderzochte netwerk en ook werd gebruikt voor lezingen.560 Het eigen pand gaf de Haagse activisten ook de mogelijkheid om onder elkaar te zijn. Ze hoefden niet meer naar de moskeeën om lezingen te geven of bij te wonen, maar konden dat nu in eigen kring doen.561 Uit het dossier blijkt dat er in ieder geval lezingen waren georganiseerd met op 24 juni 2012 als spreker Betrokkene 41,562 met op 21 juli 2012 als spreker Betrokkene 42,563 met op 1 september 2012 als spreker Abu Yazied (Oussama C. ), met op 8 september 2012 als spreker Abou Moussa (Azzedine C. ) en met op 6 oktober 2012 als spreker Betrokkene 43.564 Verder lijken ook Soufiane Z.,565 Rudolph H. 566 en Moussa L.567 een lezing te hebben gegeven. Azzedine C. heeft over de lezingen gezegd dat deze islamitische onderwerpen betroffen.568

18.11

Azzedine C. , Rudolph H. en Moussa L. hebben ter terechtzitting aangegeven min of meer vaste bezoekers te zijn geweest van de Adres. Oussama C. en Jordi de J. hebben verklaard dat zij een enkele keer in het pand zijn geweest.569 Azzedine C. heeft in zijn Commentaar op het Zaaksdossier Organisatie verder aangegeven dat Hatim R., Betrokkene 13 en Betrokkene 12 in het pand kwamen en Betrokkene 11 en Betrokkene 10 wel eens in het pand zijn geweest.570 Ter terechtzitting heeft Azzedine C. verklaard ook sterk het vermoeden te hebben dat Betrokkene 4 wel eens op de Adres is gekomen.571 Uit het dossier blijkt verder dat ook Betrokkene 43,572 Betrokkene 33, Betrokkene 44, Soufiane Z.,573 Betrokkene 45,574 Betrokkene 46575 en Betrokkene 47576 (tijdens lezingen) in het pand kwamen. Ter financiering van het pand droegen sommige bezoekers maandelijks een bepaald bedrag af. Ook vroeg Azzedine C. aan de bezoekers van lezingen een bijdrage. Er waren geschreven en ongeschreven regels hoe de bezoekers zich in en bij het gebruik van de faciliteiten van het pand dienden te gedragen.577

18.12

Aan het vanuit Stichting gefaciliteerde samenwerkingsverband Stichting 3 deden Azzedine C. , Rudolph H., Betrokkene 43, Betrokkene 12, Moussa L., Hatim R., Betrokkene 47, Betrokkene 45, Betrokkene 46 en Betrokkene 50 mee.578 Azzedine C. heeft in zijn Commentaar op het Zaaksdossier Organisatie verder aangegeven dat Betrokkene 13 ook bij Stichting 3 betrokken was.579 Uit het dossier blijkt dat ook Betrokkene 48 aan de activiteiten van Stichting 3 heeft meegedaan.580 De activiteiten van Stichting 3 hebben in het publieke domein plaatsgevonden tot in ieder geval juli 2012.581 De activiteiten van Stichting 3 bestonden uit het verrichten van da’wah, het uitnodigen naar (meer begrip voor) de islam.582

18.13

Daarnaast werden er demonstraties georganiseerd door het eveneens door Stichting gefaciliteerde samenwerkingsverband Stichting 2 . In het kader van Stichting 2 werden demonstraties georganiseerd om onder meer te protesteren tegen de detentie van moslimgedetineerden in Marokko, Nederland en België en tegen de film “Innocence of Muslims”.583 Deze demonstraties werden onder meer bijgewoond door Azzedine C. , Betrokkene 43, Rudolph H., Betrokkene 12, Betrokkene 47, Moussa L., Hatim R., Betrokkene 10, Soufiane Z.,584 Betrokkene 44, Abdellah Betrokkene 13, Betrokkene 33,585 Betrokkene 49586 en Betrokkene 46.587 De activiteiten van Stichting 2 hebben plaatsgevonden tot december 2013.588

18.14

Nadat er een einde was gekomen aan de huur van de Adres hadden de (in Nederland achtergebleven) bezoekers nog regelmatig contact met elkaar. Zo heeft Hatim R. op 15 mei 2013 de woning van Azzedine C. bezocht, alwaar ook Rudolph H. zich bevond589 en werd op 11 juli 2013 Soufiane Z. waargenomen in het gezelschap van Moussa L. en Rudolph H. .590 Uit registraties van de politie blijkt dat Azzedine C. en Betrokkene 1 op 16 juni 2013 in gezelschap waren van Awad el Hadad.591 Ook werden er bijeenkomsten georganiseerd, waar gezamenlijk werd gebarbecued en gevoetbald, zoals op 26 mei 2013, 1 september 2013 en 21 september 2013 bij Sporthal ’t Zandje en op 8 september 2013 aan de Hondiusstraat. Op 26 mei 2013 en 8 september 2013 werd (door Oussama C. ) ook een korte islamitische lezing gehouden, die op 8 september 2013 in ieder geval ook betrekking had op de strijd in Syrië.592 Op 1 en 8 september 2013 werd ook de ISIS-vlag (de rechtbank begrijpt: de zegelvlag) getoond.593 Deelnemers aan deze bijeenkomsten waren onder meer Oussama C. , Azzedine C. ,594 Soufiane Z., Rudolph H., Moussa L., Betrokkene 35 Betrokkene 6, Betrokkene 50,595 Betrokkene 46, Betrokkene 43,596 Betrokkene 5, Betrokkene 7597 en Betrokkene 51.598

18.15

Ook ontmoetten enkelen van hen elkaar bij Snackbar Frankies. Uit een tapgesprek van 2 oktober 2013 kan worden afgeleid dat Soufiane Z. samen met Betrokkene 1 en Azzedine C. de dag ervoor bij Frankies had gezeten.599 Op 13 februari 2014 werd door de wijkagenten vastgelegd dat zij regelmatig Azzedine C. , Betrokkene 1 en Betrokkene 52 bij Frankies zagen praten en/of eten. Op 26 juni 2014 werd Betrokkene 1 wederom aangetroffen bij Frankies in het gezelschap van Betrokkene 53, Betrokkene 54, Betrokkene 55, Betrokkene 51 en Betrokkene 56.600 Ook Jordi de J. en Oussama C. hebben verklaard bij Frankies bijeen te zijn gekomen.601

18.16

Uit de gevorderde historische telefoongegevens blijkt bovendien dat Azzedine C. , Soufiane Z., Rudolph H., Oussama C. , Betrokkene 1, Jordi de J. en Moussa L. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juli 2014 het hieronder afgebeelde aantal telefonische contacten met elkaar hebben gehad.

Azzedine C.

Soufiane Z.

Rudolph H.

Oussama C.

Kharbachi

Jordi de J.

Moussa L.

Azzedine C.

479

236

29

139

x

169

Soufiane Z.

479

115

23

423

90

5

Rudolph H.

236

115

x

25

x

x

Oussama C.

29

23

x

9

25

2

Kharbachi

139

423

25

9

x

30

Jordi de J.

x

90

x

25

x

x

Moussa L.

169

5

x

2

30

x

18.17

In de periode dat de telefoons van Soufiane Z. (12 juli 2013 tot 14 januari 2014), Azzedine C. (24 februari 2014 tot 15 juli 2014), en Oussama C. (29 november 2013 tot 25 juni 2014) werden getapt, hebben de verdachten het hieronder afgebeelde aantal telefonische contacten met elkaar gehad.

Azzedine C.

Soufiane Z.

Rudolph H.

Oussama C.

Kharbachi

Jordi de J.

Moussa L.

Azzedine C.

272

60

4-8

22

x

x

Soufiane Z.

272

100

50

303

x

5

Rudolph H.

60

100

x

x

x

x

Oussama C.

4-8

50

x

22

28

2

Kharbachi

22

303

x

22

x

x

Jordi de J.

x

x

x

28

x

x

Moussa L.

x

5

x

2

x

x

18.18

De politie heeft hierbij tevens geconstateerd dat Soufiane Z. het meest contact had met Betrokkene 1 en Azzedine C. . Dit contact was vrijwel dagelijks.602

18.19

Voor het verder uitbouwen van het verrichten van da’wah is in april 2014 gestart met Project DawaH. Dit project heeft geduurd tot juni 2014. In het kader van dit project werd geflyerd.603 Uit de omstandigheden dat hij de uitnodiging heeft gestuurd voor de eerste bijeenkomst voor Project Dawah,604 deze bij hem thuis was en hij ter voorbereiding daarop een powerpointpresentatie heeft gemaakt en het eerste verslag heeft rondgemaild,605 leidt de rechtbank af dat Azzedine C. daarin wel degelijk een aanjagende rol heeft gehad. Oussama C. werd als emir van Project Dawah verkozen. Andere deelnemers van Project Dawah waren onder meer Moussa L., Jordi de J.,606 Awad el Hadad,607 Ilias Geurtsen,608 Abdoul Nour el Ousrouti en Betrokkene 56.609

Vertrek van een aantal groepsleden: organisatie in Syrië

18.20

In december 2012 zijn Betrokkene 13 en Betrokkene 12 naar Syrië afgereisd.610 In januari tot en met maart 2013 kregen zij navolging van bezoekers van de Adres Betrokkene 33, Betrokkene 11, Betrokkene 10 en Jordi de J.. Later zijn ook de aan de Adres of de daaruit gefaciliteerde stichtingen te relateren Hatim R., Betrokkene 4, Betrokkene 44, Soufiane Z., Betrokkene 50, Betrokkene 47, Betrokkene 48 en Betrokkene 49 naar Syrië afgereisd.611 De Koning heeft verklaard dat hij van Soufiane Z. had begrepen dat de uitreizigers ervaringen uitwisselden over wat zijn in Syrië meemaakten.612 Ook heeft hij gezegd dat het thuisfront aanvankelijk (tot halverwege 2013) wist bij welke groepering de uitreizigers zich hadden aangesloten.613

18.21

De rechtbank is hiervoor al tot de conclusie gekomen dat Hatim R. uiterlijk eind mei 2013 is uitgereisd naar Syrië en daar sindsdien heeft deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd. Hij stond daar in nauw contact met onder meer Anis Z. en Hicham el O., die ook aan de strijd deelnamen. Hatim R. had tevens contact met Betrokkene 33,614 terwijl Anis Z. ook weer gebruik maakte van de telefoon van Betrokkene 10.615

18.22

Zowel Hatim R. als Anis Z. en Hicham el O. onderhielden ook afzonderlijk intensief (telefonisch) contact met Soufiane Z.. In onderlinge contacten gaven zij onder meer boodschappen aan elkaar door, bezochten zij andere strijders en bewaarden zij voorwerpen voor en verstrekten zij voorwerpen aan elkaar, waaronder ook een laptop van Soufiane Z. en een camera van Azzedine C. . Tevens is gebleken dat Soufiane Z. ook communiceerde via “conceptmails” en door het “praten via internet”. Uit het Skype-account van Soufiane Z. blijkt dat hij onder meer Betrokkene 33, Anis Z., Hatim R., Rudolph H., Hicham el O. en Betrokkene 19 als contact had.616

18.23

Uit het dossier blijkt verder dat ook Azzedine C. contact onderhield met hen die naar Syrië waren vertrokken. Azzedine C. heeft zich immers in de media niet alleen opgeworpen als woordvoerder van de Syriëgangers,617 maar ook ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad een groot aantal Syriëgangers kende. Zijn in de media gedane uitspraak dat de Nederlandse Syriëgangers een hechte groep vormden, had hij ook van henzelf gehoord.618 Concreet kan worden vastgesteld dat hij met Betrokkene 10, Betrokkene 12619 en Betrokkene 13620 contact heeft gehouden toen zij in Syrië waren en daar deelnamen aan de gewapende strijd. Dit laatste wordt bevestigd door de Skypehistorie op de bij Azzedine C. in beslag genomen iPad.621 Uit deze Skypehistorie blijkt tevens dat er met die iPad contact is geweest met Betrokkene 33.622 Ook Hatim R. heeft op een gegeven moment vanuit Syrië gevraagd om zijn telefoonnummer aan Azzedine C. te geven en aangegeven dat hij hem wilde spreken.623

18.24

Bovendien heeft Azzedine C. contact gehad met Hicham el O. toen deze in Syrië verbleef. De verklaringen van Azzedine C. en Hicham el O. dat zij onderling geen contact hadden, acht de rechtbank namelijk ongeloofwaardig, nu de contactpersoon “aburedouan1985” voorkwam in het Skype-account van Azzedine C. .624 Bovendien zijn met de iPad van Azzedine C. onder het Skype-account van Soufiane Z. gesprekken gevoerd met Hicham el O..625 Een aanwijzing dat Soufiane Z. toen niet alleen was, kan worden gevonden in het bericht van Soufiane Z. van 29 mei 2013 om 16:01 uur vanaf de iPad van Azzedine C. waarin wordt gezegd dat hij bij broeders is, terwijl er nog geen acht minuten daarna contact werd gezocht met Betrokkene 33 en Hicham el O..626 Daar komt nog bij dat in een tapgesprek tussen Soufiane Z. en Betrokkene 21 wordt aangegeven dat Hicham el O. een camera van Azzedine C. in zijn tas had zitten,627 Soufiane Z. in telefoongesprekken met Hicham el O. aan Abu Moussa refereerde628 en Azzedine C. Hicham el O. de groeten deed toen Soufiane Z. met hem aan de lijn was.629

18.25

Oussama C. heeft terechtzitting aangegeven dat hij in een Whatsappgroep zat met Hatim R. en hij hem ook een lezing heeft gestuurd.630 Moussa L. zat ook in deze groepsapp. Oussama C. heeft tevens telefonisch contact gehad met Betrokkene 4 toen deze in Syrië verbleef.631

18.26

In december 2013 is ook Soufiane Z. afgereisd naar Syrië.632 Uit het dossier volgt dat hij ook daarna nog (telefonisch) contact heeft gehouden met in ieder geval Azzedine C. en Rudolph H. .633 Hiervoor is al overwogen dat Soufiane Z. in 2014 in Syrië in contact stond met in ieder geval Hatim R., Anis Z. en Betrokkene 33.

Online activiteiten en contacten

18.27

Naast de onderlinge contacten en ontmoetingen zoals hiervoor beschreven, vond er ook veel onderling contact plaats door (openbare) communicatie op het internet. Daartoe creëerden en onderhielden de verdachten en overige in het dossier voorkomende personen, die zich zowel in Nederland als in Syrië konden bevinden, vanaf eind 2012 websites en accounts op social media.

18.28

Stichting was in eerste instantie – naast van de hiervoor al genoemde websites van Stichting 2 en Stichting 3 – ook de registrar van www.dewareligie.nl (hierna: DWR).634 Deze website werd in april 2013 door Rudolph H. begonnen.635 De Koning meende dat DWR een voorzetting was van de activiteiten op straat en vermoedde dat er meerdere personen achter DWR zaten in de vorm van beheerders, schrijvers en mensen die andere aanjoegen om een stuk te schrijven.636 Soufiane Z. en Azzedine C. hebben aan die website bijdragen geleverd in de vorm van columns.637 Ook werden in juni 2013 met zijn toestemming lezingen van Oussama C. op DWR geplaatst.638 Dit gebeurde ook op het eveneens door Rudolph H. opgestarte Radio Ghurabaa.639 Op 28 februari 2014,640 12 maart 2014,641 20 maart 2014,642 19 juni 2014643 en 24 juni 2014644 hadden Azzedine C. en Rudolph H. overleg over (het naar buiten treden namens) DWR en Radio Ghurabaa. Rudolph H. heeft verklaard dat DWR was gekoppeld aan Twitter en Facebook, waardoor daarop automatisch een bericht met een link werd geplaatst als een artikel werd gepubliceerd.645

18.29

Op DWR werd vanaf 9 december 2013 tot en met in ieder geval 30 april 2014 via een katern alle berichten getoond van Facebookpagina Shaam al-Ghareeba,646 waarvan Azzedine C. een van de redacteuren was.647 Ook werd op DWR verwezen naar Radio Ghurabaa.648 Shaam al-Ghareeba verwees op zijn beurt weer naar DWR, maar ook naar Radio Ghurabaa en de Facebookpagina Shaam al Malaahim, waarvan Soufiane Z., de beheerder en woordvoerder was.649 Ook namen Shaam al-Ghareeba, De Ware Religie en Shaam al Malaahim artikelen van elkaar over650 en nam Shaam al-Ghareeba een bericht over van Nusrah bil-Jihaad, het Youtubekanaal van Oussama C. .651 Daarnaast zijn Shaam al-Ghareeba en DWR een samenwerking aangegaan gericht op het verzamelen van vragen over de jihadstrijd in Syrië.652 Azzedine C. verwees op zijn eigen Facebookaccount en Twitteraccount naar DWR en Shaam al-Ghareeba als websites die de bewuste moslim moest volgen.653 Oussama C. postte op zijn eigen Facebookaccount weer een link van Shaam al-Ghareeba.654

18.30

Daarnaast waren ook de persoonlijke Facebookaccounts van onder meer Azzedine C. , Rudolph H., Soufiane Z., Oussama C. , Hatim R., Moussa L. Betrokkene 1 en Betrokkene 33 (onderling) met elkaar bevriend. Op sociale media werden berichten van elkaar gedeeld, geliket en becommentarieerd.655 Tevens waren Azzedine C. en Soufiane Z. beheerders van de op 7 april 2014 aangemaakte geheime Facebookgroep Werkgroep Shaam.656 Rudolph H., Hatim R. en Betrokkene 33 waren lid van deze groep waarop de ontstane fitaan in Shaam konden worden bespreken en verschillende inzichten daarover konden worden gedeeld.657

Tussenconclusie: gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband

18.31

Uit het voorgaande ontstaat het beeld van een groep met een duurzame vaste kern bestaande uit Azzedine C. , Rudolph H. en Soufiane Z. die het initiatief namen voor en overleg voerden over hun activiteiten. De activiteiten hadden in zoverre hetzelfde doel dat ze op een of andere manier bezig waren met (het verspreiden van) de islamitische boodschap658 en de strijd in Syrië. Hun geloof en gezamenlijke opvattingen brachten hen zowel fysiek als virtueel bij elkaar waarbij zij in georganiseerd verband activiteiten organiseerden, zoals het doen van da’wah, het organiseren van demonstraties, het verzorgen van lezingen en het houden van bijeenkomsten. Deze activiteiten trokken een wisselende groep aan geloofsgenoten, zoals onder meer Oussama C. , Hatim R., Moussa L. en Jordi de J.. De groep had tevens contact met hun naar Syrië uitgereisde groepsleden, waaronder Hatim R. en later Soufiane Z.. Met deze en andere Syriëgangers met wie Hatim R. en Soufiane Z. samenwerkten, zoals onder meer Hicham Hicham el O. en Anis Z., wisselden zij informatie uit, die ook weer werd gebruikt bij het opzetten en versterken van elkaars activiteiten op internet, met name op sociale media.

18.32

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er, zij het in soms wisselende verbanden, mede doordat sommigen naar Syrië reisden - waarvan een aantal terugkeerde en een aantal aldaar kwam te overlijden - in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met september 2014 sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband. Hoewel de soms wisselende verbanden en verandering van rollen maakten dat er sprake was van een lossere vorm van samenwerking, ontleende de organisatie zijn structuur aan haar vaste kern, bestaande uit Azzedine C. , Soufiane Z. en Rudolph H., die gedurende de gehele ten laste gelegde periode veelvuldig en op geordende wijze met elkaar hebben samengewerkt. Aldus is er sprake geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband en daarmee van een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr.

18.33

De rechtbank merkt op dat Oussama C. pas voor het eerst in beeld komt in mei 2013 en op 24 juni 2014 is opgepakt. Voor Jordi de J. geldt dat hij niet bij de groep betrokken was voor het einde van 2013. Zijn enkel papieren functie bij Stichting en een sporadisch bezoek aan de Adres, zonder concrete deelname aan (online) activiteiten, zijn daarvoor niet voldoende. Ook Anis Z. en Hicham el O. zijn voor mei 2013 niet bij de organisatie in beeld. Dit geldt voor Hicham el O. ook voor de periode na augustus 2013. De rechtbank heeft ook niet kunnen vaststellen dat Anis Z. na november 2013 nog met de organisatie heeft samengewerkt. Dit betekent dat Oussama C. , Jordi de J., Hicham el O. en Anis Z. voor en na de genoemde periodes niet tot het samenwerkingsverband kunnen worden gerekend.

18.34

Het dossier bevat voorts onvoldoende aanknopingspunten dat Imane B. ook behoorde tot de organisatie. De rechtbank acht haar relatief kortdurende contact met Azzedine C. in de vorm van een huwelijk, de totale afwezigheid van contacten met anderen die tot de organisatie behoorden (zowel fysiek als online) en de zeer beperkte bijdrage die zij aan de activiteiten van Azzedine C. heeft geleverd van onvoldoende substantie om van samenwerking in het kader van de organisatie te kunnen spreken.

Oogmerk tot het plegen van misdrijven, het juridisch kader

18.35

Voor een bewezenverklaring van art. 140 Sr is daarnaast vereist dat de organisatie het oogmerk moet hebben om misdrijven te plegen. Met het oogmerk wordt primair gedoeld op het naaste doel: datgene dat men zich als direct gewild voorstelt.659 De organisatie hoeft echter niet in het leven te zijn geroepen tot het plegen van misdrijven. Het is ook niet vereist dat het plegen van misdrijven de uitsluitende bedoeling of de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.660 Met andere woorden: de criminele organisatie behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben.661 De organisatie kan ook het oogmerk hebben om misdrijven te plegen indien deze misdrijven worden gepleegd ter verwezenlijking van een oorbaar of in de voorstelling van de organisatie edel einddoel.662

18.36

Het bijzondere aan artikel 140a Sr, de criminele terroristische organisatie, is dat er een dubbel oogmerk is vereist: er moet een oogmerk zijn tot het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk, zoals hiervoor beschreven. Voor een bewezenverklaring voor de criminele terroristische organisatie moet het naaste doel dus zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven.663

18.37

Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.664

Wat is het oogmerk van de organisatie?

18.38

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wat het oogmerk, het naaste doel van de hiervoor beschreven organisatie was. Daarbij acht de rechtbank het van belang om op te merken dat daarbij niet op de losse (officiële) en elkaar opvolgende geledingen wordt gedoeld, maar op de bredere overkoepelende organisatie, waarvan Azzedine C. , Rudolph H. en Soufiane Z. de vaste kern vormden.

18.39

Een tweede opmerking die de rechtbank daarover wil maken is dat een deel van de hiervoor genoemde activiteiten van de organisatie onmiskenbaar legaal waren. Het staat immers buiten kijf dat activiteiten als (straat)da’wah, het schrijven van columns en het organiseren van demonstraties, ook in indringende vorm, in principe worden beschermd door de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. In die activiteiten kan weliswaar een aanwijzing worden gevonden voor een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband, maar niet voor enig onoorbaar oogmerk Ter nuancering merkt de rechtbank overigens op dat er tijdens (een deel van) die activiteiten door het scanderen van leuzen op demonstraties en het meenemen van posters,665 vlaggen, hoofdbanden en tassen666 wel openlijk werd geflirt met personen en organisaties, waarvan zij wisten dat het overgrote deel van de bevolking deze associeerde met terrorisme.

18.40

Een derde voorafgaande opmerking moet zijn dat het oogmerk van een organisatie moet worden afgeleid uit de gedragingen van de verdachten in het kader van de organisatie en het gezamenlijk handelen vanuit de organisatie, zij het dat daarbij betekenis kan toekomen aan door hen gedeelde opvattingen.667

18.41

De rechtbank zal daarom – met nadruk op basis van de gedragingen van de verdachten en handelingen namens de organisatie – moeten bezien of deze, naast legale doelen, ook tot naaste doel had om mensen aan te sporen om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië aan de kant van terroristische organisaties, deze strijd te bevorderen of strijders te faciliteren, zoals aan de verdachten ten laste is gelegd. Daarvoor bevat het dossier enkele (objectieve) aanwijzingen, waarvan er meerdere kunnen worden gevonden in de op 17 en 18 mei 2014 gevoerde OVC-gesprekken (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie) tussen leden van de vaste kern Azzedine C. en Rudolph H. en Betrokkene 1. Betrokkene 1 is uiteindelijk in augustus/september 2014 naar Syrië vertrokken.668 Het andere lid van de vaste kern, Soufiane Z., bevond zich op dat moment al in Syrië. De andere bewijsmiddelen betreffen de getuigenverklaringen van De Koning en Getuige 1 en de telefonische en digitale communicatie tussen de verdachten, de bij hen aangetroffen goederen en hun reisbewegingen.

140 Sr ad A en B: Oogmerk tot opruien en verspreiding van opruiende geschriften?

18.42

De rechtbank stelt voorop dat in dit vonnis Rudolph H. (De Ware Religie, Radio Ghurabaa, Twitteraccount Abu Suhayb, Facebookaccount Shaam al-Ghareeba), Azzedine C. (Facebookaccounts Abu Moussa, Bakr Haditha en Shaam al-Ghareeba en Twitteraccounts Abe Moussa en Ab0Mousa), Oussama C. (Youtubekanaal Nusra bil-Jihaad en Facebookaccount Abou Yazeed), Moussa L. (Facebookaccount Abu Ilyas en Twitteraccount Abu Ilyas) en Hatim R. (Facebook- en Twitteraccount Abou Hatim La Haye) worden veroordeeld voor het veelvuldig opruien tot (en/of het verspreiden van opruiende geschriften waarin werd oproepen tot) het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië (aan de kant van terroristische organisaties). Hoewel daar wel een stelselmatigheid van het verrichten van activiteiten kan worden afgeleid, kan daaruit niet zonder meer volgen dat ook het oogmerk van de organisatie daarop was gericht. Daarvoor dient immers ook vast komen te staan dat er in de organisatie sprake was van een onderlinge verdeling van werkzaamheden en/of een onderlinge afstemming van en/of planmatigheid met betrekking tot activiteiten met het doel om op te ruien.

Gezamenlijke strategie: wetenschap van inhoud, afstemming en overleg

18.43

Zoals hiervoor overwogen verwezen de (sociale) mediakanalen van Rudolph H., Azzedine C. en Soufiane Z. veelvuldig naar elkaar, prezen zij elkaar aan, namen zij berichten van elkaar over, verspreidden zij (opruiende) berichten van elkaar en leverden zij inhoud aan elkaar aan. Bovendien trad Azzedine C. voor enkele kanalen van Rudolph H. naar buiten als contactpersoon. Dit wijst minimaal op een onderlinge wetenschap, onderlinge beïnvloeding en afstemming van hun werkzaamheden ten aanzien van hun (opruiende) uitingen. Dat Rudolph H., Azzedine C. en Soufiane Z. ook daadwerkelijk van de (globale) inhoud van elkaars kanalen en activiteiten op de hoogte waren en elkaar daar ook op wezen, blijkt ook uit de inhoud van gesprekken die zij daarover hebben gevoerd.

18.44

De rechtbank acht in dit kader het onder meer het volgende fragment uit een OVC-gesprek van 18 mei 2014 illustratief:

Azzedine: Ja en ik heb net... heeft eeh ... trouwens die Ibn Mohammed volgens mij, met zo'n witte zegel...

Rudolph H. : Ja .. .

Azzedine: dat is ook een van de redacteuren van Shaam al-Ghareeba. Je herkent mijn schrijfstijl wel toch, en die van Sehmet (fon.)?

Rudolph H. : Ja

Azzedine: maar er is ook nog een ander broeder bij.

Rudolph H. : En Ibn Mohammed, is hij Dawla of Jabha?

Azzedine: Hij is Dawla. (onduidelijk) ik zeg wat ben jij? (…) Wie denk je dat haq is? Wat zijn jouw bronnen? Hij zegt (onduidelijk) dat Dawla gelijk heeft. Ik zeg ok. Maar hij is alleen redacteur he.669

18.45

De rechtbank leidt uit dit fragment af dat Azzedine C. weet wie de andere redacteuren van Shaam al-Ghareeba zijn. Ook kan hieruit worden opgemaakt dat Rudolph H. bekend is met de inhoud van Facebookpagina Shaam al-Ghareeba, omdat hij de schrijfstijl van de verschillende redacteuren herkent. Bovendien suggereert de vraag “is hij dawla of jabha?” dat men als redacteur óf achter Jabat al Nusra óf achter ISIS stond, welke organisaties op dat moment beide als terroristisch werden aangemerkt. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat 296 berichten van de Facebook Shaam al Ghareeba opruiend waren en dat deze door Rudolph H. via DWR zijn verspreid.

18.46

De rechtbank acht ook het volgende tapgesprek tussen Azzedine C. (NN) en Soufiane Z. op 10 november 2013 relevant:

NN: Heb je die nieuwe vlag gezien

S: Welke nieuwe vlag?

NN: Van Jabha(fon)

S: Nee man

NN: Misschien via Alkaida Aljihad (de strijd) in het land van Shaam (Syrië) God mag het weten

S: Serieus?

NN: Maar ik weet niet of dat helemaal precies waar is.

S: Dus je gaat niet naar Frankie komen?

NN: Nee man ben net binnen, kan niet maken dat ..... (niet te verstaan)

S: Oke dan spreek ik nog. Stuur mij die ding via Facebook, dan kan ik daar670 naar kijken.

NN: Ik heb op Betrokkene 51 (fon) gezet, je kan op telefoon van drie broeder kijken.

S: Oke dat is goed671

18.47

Op 10 november 2013 werd er door Shaam al-Ghareeba een bericht geplaatst over een mogelijke naamsverandering van Jabat al Nusra in Al Qaeda organisatie in het land van Shaam. Daarbij werd de foto van een vlag geplaatst.672 De rechtbank leidt uit de combinatie van het gesprek en het bericht af dat ook Soufiane Z. van het bestaan en de inhoud van Shaam al-Ghareeba op de hoogte was, hetgeen wordt bevestigd door de hiervoor aangetoonde verbanden.

18.48

Naast wetenschap van elkaars (opruiings)activiteiten vindt er ook overleg plaats over een gezamenlijke activiteiten en strategie. De rechtbank acht in dit kader het volgende OVC-fragment van belang:

Azzedine C. : Maar ga je het dan ook produceren als productie van de ware religie?

Rudolph H. : Nee, nee, ik maak het onder Abu Said, want als je het onder de ware religie doet, dan krijg je weer van wie wij zijn, en wie zij zijn, en wie dat stuk dan heeft geschreven. Het mooie zou zijn dat ik het kan gebruiken, dat ik het vrijwillig doe en niet vanuit school, vanuit scriptie ofzo. . Dat zou mooi zijn.

Azzedine C. : Ja, ja, ja,

Rudolph H. : En lukt dat niet, dan lukt dat niet. Maar je hebt altijd, tja, zulke dingen moet niet vanuit de ware religie doen. Dat is meer voor de .. ntv ..

Azzedine C. : Nee maar laten we vooral productie eruit laten, maar wordt gepresenteerd door.

Rudolph H. : Ja, maar het probleem daarbij is, dan ben je gelijk fout. Dan loop je allemaal interviews te doen. En dat ze dan gelijk weten wie we zijn. Snap je, maar al je alleen interviews doet met 10, 20 mensen, maar als er staat productie van, dan is het gelijk van "ow dan ben je dus wel een van hun!"

Rudolph H. : lk heb met de ware religie een beetje met hem gesproken.

Azzedine C. : Want hij weet, Abu Said en Abu Moussa zitten er achter. Dus hij zegt, ik weet wel dat Abu Moussa hier achter zitten.

Azzedine C. : Heeft tie gezegd??

Rudolph H. : Ja, en Abu Fer (fon.) en Abu Said want jij hebt een zoontje gekregen.673 Dus ik zeg tegen hem op de ware religie, .. ntv ..,maar hij weet gewoon, hij weet donders goed.

Azzedine C. : Hij denkt het te weten.

Rudolph H. : Hij weet dat wij slim genoeg zijn, om die discussie niet te voeren, om te zeggen dat wij dat niet doen

Kharbachi zegt: jullie mogen alles posten, ik kan niet met jullie concurreren.674

18.49

De rechtbank leidt uit het gesprek af dat er overleg plaatsvindt over een productie, waarbij er afstemming plaatsvindt over of dit via DWR of op persoonlijke titel van Rudolph H. moet (Abu Said). Ook wordt er gesproken voor welke producties DWR geschikt is. Betrokkene 1 geeft Azzedine C. en Rudolph H. zijn instemming om alles te publiceren, omdat hij niet met hen kan concurreren.

18.50

In het kader van het voornoemde overleg over strategie acht de rechtbank het volgende OVC-gesprek tussen Betrokkene 1, Azzedine C. en Rudolph H. ook relevant:

Mounir: Jongens, weten jullie wat jullie daar eigenlijk moeten zetten, bij (onduidelijk) moslim? Om te dansen, dat is iets persoonlijks tegen Abdelkarim (fon.), maar is eigenlijk een heel directe reclamespot, moet je zeggen, moslims gaan dood (onduidelijk) moet je een filmpje maken met dingen over Bashar Assad, al die geslachte kinderen ...

Azzedine: Ja, maar dat hebben we al!675

Mounir praat verder over wat er in het filmpje zou moeten

Mounir ... en wat moslims hier doen. Zij dansen, alsof er niks aan de hand is.

Azzedine: Ja daarom, weet je wat (onduidelijk) mensen (onduidelijk) video zetten

Mounir: Ik kan dat niet. Als ik dat kon, dan had ik dat gedaan. Dit is iets wat ik zelfstandig thuis kan doen, weet je, dan had ik het wel gedaan

Rudolph H. : Ja, die reactie (onduidelijk) heel veel mensen gekregen ook, hoe kunnen we nog blij zijn als we weten wat er allemaal in Shaam gebeurt, die reacties liggen voor het oprapen.

Mounir: (onduidelijk) broeder die goed omgaat met die programma knippen en plakken (onduidelijk). Bij sommige mensen werken plaatjes en televisie goed deze tijd. Je weet dat ze iets vertellen. Een plaatje ... snap je abu Said

Rudolph H. : Ja

Mounir: .. . een filmpje vertelt soms ook wat. Zonder wat te zeggen, alleen naar kijken. Een filmpje geeft ook een boodschap (onduidelijk) de kunstwereld. Een schilderij, die moet zogenaamd wat zeggen.

Rudolph H. : Ja

Mounir: Een filmpje wil wat zeggen. Je ziet moslims dansen aan de ene kant van de wereld ... dan doe je bijvoorbeeld ... alsof je een wereldkaart maakt. .. dan doe je in Centraal Afrika676

18.51

De rechtbank leidt uit dit fragment af dat er wordt overlegd over de inhoud van een te produceren filmpje met beelden van door het leger van Assad afgeslachte kinderen. Daarop reageert Azzedine C. dat zij (we) dat al hebben, welke meervoudsvorm wijst op een gezamenlijke uiting (van de organisatie). Bovendien wordt er in strategische zin gesproken over de boodschap van een filmpje en de kracht van het beeld.

18.52

De rechtbank ziet ook in het volgende OVC-fragment een aanwijzing voor een gezamenlijke strategie:

Rudolph H. zegt dat al-Jabha al-Islamiyya ook een statement heeft gemaakt.

Azzedine zegt dat Rudolph H. daar geen aandacht aan moet geven.

Rudolph H. zegt dat hij dat ook niet doet, maar dat hij het gewoon aan het lezen is.

Azzedine vertelt dat ze inderdaad op al-Jazeera zijn gekomen. Af en toe ziet hij abu Jazeed hun aandacht geven.677

18.53

Het gesprek hierover gaat even later als volgt verder:

Rudolph H. leest de verklaring van jabha islamiyya. Ze kiezen hun woorden zorgvuldig, vindt hij. In de verklaring wordt gesteld dat de Syrische revolutie als ultieme politieke doel heeft om Assad weg te krijgen.

Rudolph H. : 'Het is niet alleen politiek gezien dat je hem niet mag, het is ook qua ideologie toch?

Mounir: 'ja'

Rudolph H. : 'Of mag je hem, of vind je hem ... het is een prima kerel buiten politiek of zo ... '

Mounir: 'Waarom zeggen ze niet een religieus doel?

Rudolph H. : 'Ja, een religieus doel, ideologisch doel, of gewoon ethisch doel. Gewoon het feit, deze man is gewoon niet meer, die kun je niet accepteren. Politiek gezien. Als je bijvoorbeeld hoort dat Geert Wilders na alle debatten gewoon weer een biertje gaat drinken met die Pechtold terwijl ze elkaar in de camera keihard aanvallen. Dat is super hypocriet natuurlijk, daar lijkt dit op. Weet je, binnen de politiek mogen we elkaar niet, erbuiten zijn we beste vrienden of zo'.

Azzedine: 'Daar doen wij niet aan mee.678

18.54

De rechtbank leidt uit het voorgaande fragment af dat Azzedine C. tegen Rudolph H. zegt dat hij, anders dan hij van Oussama C. (kennelijk openlijk) heeft gezien, geen aandacht moet geven aan (de verklaring van de) groep Jabhat al-Islamiya. Daarmee wordt er overleg gevoerd over met welke partijen wordt gesympathiseerd en de openlijke steun van Azzedine C. , Rudolph H. en Betrokkene 1 verdienen (en welke partijen en personen uitdrukkelijk niet).679

Concrete gevallen

18.55

Tevens blijkt dat er afstemming en overleg heeft plaatsgevonden tussen Rudolph H., Azzedine C. en Soufiane Z. over het verspreiden van enkele concrete door de rechtbank als opruiend beoordeelde berichten. Ook hebben zij elkaar daarover van advies voorzien en hebben zij gesproken over het effect dat de berichten zouden hebben.

Betrokkene 25

18.56

Op 11 november 2013 belt Anis Z. naar Soufiane Z. met de mededeling dat de benen van Betrokkene 25 (Betrokkene 25) eraf zijn geschoten door een tank. Soufiane Z. antwoordt dat Anis Z. hem via internet moet bellen zodat ze kunnen praten.680

18.57

Op 25 november 2013 om 11:52 uur stuurt Azzedine C. aan Soufiane Z. een sms-bericht met de inhoud “Wat is nummer van abu bakr zijn broertje?”.

18.58

Op 25 november om 11:53 uur stuurt Rudolph H. een sms-bericht naar Soufiane Z. met de inhoud: “Geef Abou Moussa nog een het tel nr van de familie. Anders kan hij niet met ze bellen.”

18.59

Azzedine C. heeft daarna contact gelegd met de broer van Betrokkene 25 en hem gevraagd of hij het goed vond als DWR er een nieuwsbericht plaatste over zijn overlijden. Hij heeft het positieve antwoord doorgegeven aan DWR.681

18.60

Op 25 november om 14:49 uur belt Soufiane Z. met Rudolph H. . Soufiane Z. vraagt of er al nieuws is, of Abou Moussa al met de familie heeft gesproken. Rudolph H. antwoordt dat er akkoord is gegeven voor Betrokkene 25, die is online gezet.682 Soufiane Z. zegt dat Rudolph H. hem misschien de woordvoerder van de Nederlandse Jihadien kan noemen. Rudolph H. antwoordt dat hij dat al heeft gedaan. Rudolph H. zegt dat er al wel twitterberichten zijn, nog niet heel veel, maar dat het ook pas een uur online is. Rudolph H. zegt dat hij de foto die Soufiane Z. hem gaf, heeft gebruikt. Soufiane Z. vraagt of er ook bij staat dat die andere twee “shahid” zijn geworden. Rudolph H. zegt van niet omdat de bevestiging van de familie er nog niet is.

18.61

Uit onderzoek bleek dat op DWR op 25 november 2013 een artikel is verschenen met de kop “Zevende Nederlandse mujahied in Syrië verkrijgt martelaarschap”. Bij het artikel is een afbeelding geplaatst van een man die werd herkend Aboubakr Betrokkene 25. Op de foto staat Betrokkene 25 afgebeeld met een mitrailleur in zijn handen waarbij kennelijk paradijselijke afbeeldingen zijn geplaatst. Uit het artikel is op te maken dat Betrokkene 25 twee weken geleden zwaar gewond raakte en daarna aan zijn verwondingen is overleden.683 Verder bevatte het artikel de volgende tekst:

Betrokkene 25 woonde in Delft en was een succesvolle zakenman, maar besloot ongeveer een jaar terug de oproep van de islamitische gemeenschap in Syrië niet langer te negeren. Hij vertrok samen met Abu Walae, die eerder ook het martelaarschap verkreeg. Betrokkene 25 had nooit het plan om terug te keren naar Nederland. Hij wilde ofwel helpen met de implementatie van de sharia in Syrië, dan wel op het pad van Allah sterven. "Je gaat toch een keer dood, dus dan zou het geweldig zijn als je voor een nobel doel sterft," aldus Betrokkene 25 in het interview. "Wij weten ook uit de overleveringen dat alle zonden worden gewist bij de eerste druppel bloed die je laat vallen op het slagveld als Martelaar, dus je kijkt zelfs uit naar deze druppel." Deze woorden bracht hij in praktijk toen hij zwaargewond raakte bij een slag. Ondanks de pijn die hij had, was hij tevreden met de wil van AllaH. Deze tevredenheid steeg toen hij in zijn dromen de blijde tijdingen kreeg.684

18.62

Azzedine C. deelde op 30 november 2013 een (Engelse) vertaling van het artikel op DWR met daarbij ook de door DWR gebruikt afbeelding.685

18.63

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er via Anis Z. informatie uit Syrië is doorgespeeld aan Soufiane Z., die de informatie weer door heeft gespeeld aan Rudolph H. en Azzedine C. . Er heeft een duidelijk verdeling van werkzaamheden plaatsgevonden, waarbij Azzedine C. ondersteunende handeling heeft verricht door de familie van Betrokkene 25 om toestemming te vragen om een bericht op DWR te mogen plaatsen. Soufiane Z. en Rudolph H. hebben daarna de inhoud en vorm van het bericht afgestemd. Bovendien hebben zij overleg gehad over het effect en het bereik van dit in Hoofdstuk 12 (in verschillende varianten) al opruiend geachte bericht. Deze opeenvolgende handelingen duiden bovendien op een planmatige aanpak.

Plaatjes

18.64

Gevraagd naar de verspreiding van plaatjes heeft De Koning aangegeven dat deze zich heel snel konden verspreiden, met name op Twitter, ook onder mensen uit de omgeving.686 De Koning heeft verder verklaard dat Soufiane Z. tegen hem heeft gezegd dat de plaatjes met daaronder teksten als “jongeren met toekomstplannen” aanmoedigend waren bedoeld.687

18.65

Zo verscheen op 1 april 2014 op Shaam al-Ghareeba een afbeelding met daarop vier gewapende mannen met militaire uniformen met bivakmutsen, met op de achtergrond een man op een auto met artillerie en de tekst “Jongeren met toekomstplannen”.688 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is dit bericht ook verschenen in het venster op DWR.

18.66

Op 13 april 2014 stuurde Soufiane Z. de volgende tweet met daarbij deze zelfde afbeelding:

Nederlandse Mujahideen in Syrië, hoe bedoel je geen toekomst? Onze toekomst ligt in het paradijs! Shaam al-Malaahim!689

18.67

Nog diezelfde dag werd dit bericht geretweet door Rudolph H. .690

18.68

In Hoofdstuk 12 is deze door het door Azzedine C. (mede)beheerde Shaam al-Ghareeba geplaatste, door Rudolph H. verspreidde, en door Soufiane Z. en Rudolph H. overgenomen afbeelding als opruiend beoordeeld. Ook uit deze gang van zaken blijkt de onderlinge beïnvloeding en versterking door het verspreiden van opruiende berichten.

Salilu Sawarim deel 4

18.69

De rechtbank acht in dit kader het volgende OVC-fragment van belang:

Azzedine vraagt of Rudolph H. "Salil al Sawarem” heeft gezien.

Rudolph H. heeft hem niet gezien.

Mounir vraagt of Azzeddine de film gedownload heeft. Mounir vertelt over het filmpje van een uur in HD-kwaliteit. Het begint met een mooie koran recitatie over van de wolken naar beneden schijnen, waarna de camera naar beneden gaat alsof je in een drone naar beneden gaat, boven Rabbat. Amerika gaat kapot. Kuffaar gaan kapot door dit filmpje.

Rudolph H. kijkt het wel als hij wifi heeft.

Azzedine: Weet je waar zij bang voor zijn met moslims? Als moslims alleen maar de inspiratie van zeg maar eeh, hoe heet dat eeh, van iets willen gaan doen. Hoe heet dat Abu Said, als je iets wil gaan doen?

Mounir: De intentie hebben?

Rudolph H. : Eeeh, ambitie?

Azzedine: Ja, ambitie. Als ze alleen al zien datje moslim bent met ambitie ben je al een gevaar. Dan weten ze, klaar! Of we moeten jou down gaan maken, of jij gaat ons down maken. Want als jij de leiding gaat volgen wat jouw eeh, wat jou vooraanzicht, klaar. Dat weten zij ook heel goed he! Wij bedreigen Vaticaan, oooh, ze hebben meteen (ntv). Ze nemen het echt serieus.691

18.70

Het gesprek hierover gaat even later als volgt verder:

Mounir vraagt of "Salil al Sawarem over Irak of Shaam gaat? (onduidelijk) Aaah lekker terug naar huis, heb je internet. (onduidelijk) Wordt waarschijnlijk over een filmpje met een drone gesproken met landerijen.

Mounir vraagt: 'heb je ze nog gedropt op facebook'.

Rudolph H. of Azzedine zegt: 'Ja overal'. (onduidelijk) Het doel is 1 officieel kanaal he. (onduidelijk) ja net over de honderden retweets. (onduidelijk)692

18.71

Op 17 mei 2014 om 10:47 uur twitterde Rudolph H. middels het account van DWR:

Facebook heeft de pagina Shaam Ghareeba II offline gehaald. Ze hebben echter al een nieuwe pagina online. Kijk hier: link…693

18.72

Gelet op de datum en de titel van de film wordt in dit gesprek gesproken over de film Salilu Sawarim deel 4, naar welke film door Shaam al-Ghareeba (3) inderdaad op 17 mei 2014 om 18:26 uur een link werd gedeeld met daarbij de volgende status:

De beste gekste Jihad actie film ooit! Saleel Sawarim 4!694

18.73

Azzedine C. heeft op 18 mei 2014 bovendien een link op zijn Facebookaccount geplaatst met daarbij het bericht:


Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië". Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim.695

18.74

Uit onderzoek bleek dat er op 20 mei 2014 ook een bericht met een link naar de film op Facebookgroep Shaam al-Ghareeba is geplaatst, met daarbij het bericht:

DE NEDERLANDSE VERTALING IS ER!

SALEEEL AL SAWAAARIM.

De video is nu wel beschikbaar!

Er zitten een paar vertaalfouten in maar niet erg!

18.75

Onder het bericht wordt de kijker door de plaatser “Veel kijkplezier!” gewenst.696 In de video zijn zogenaamde drive by shootings, aanslagen met bermbommen, het verscheuren van paspoorten,697 het binnengaan van woningen waarbij de bewoners worden geëxecuteerd door onder andere een zogenaamd nekschot of het afzagen/snijden van het hoofd en opnamen van sniperacties vanuit de positie van de schutter te zien.698 In Hoofdstuk 12 zijn deze uitingen op Facebook als opruiend beoordeeld.

18.76

De rechtbank concludeert dat Rudolph H., Azzedine C. en Betrokkene 54 een gesprek hebben gevoerd over de inhoud van de film, het beangstigende effect dat deze film heeft, de wijze van verspreiding van dit opruiende bericht en het bereik dat het plaatsen hiervan zal hebben. Rudolph H. heeft via DWR naar het kanaal verwezen waarop de film op dezelfde dag (met positief commentaar) werd gedeeld.699 Daarnaast heeft Azzedine C. heeft de film “overal” op Facebook gezet. Daarmee staat de onderlinge afstemming over het plaatsen en het planmatige karakter van het verspreiden van deze opruiende berichten vast.

Oh oh Aleppo

18.77

Op 29 mei 2014 heeft Soufiane Z. vanuit Syrië een korte trailer van de film “Oh oh Aleppo”700 gepubliceerd en op 19 juni 2014 heeft hij een bericht701 de wereld in gestuurd dat hij binnenkort de video zou plaatsen.702

18.78

Op 19 juni 2014 om 18:53 uur vindt het volgende telefoongesprek tussen Azzedine C. en Rudolph H. plaats:

Rudolph H. : Soufiane Z. is klaar met zijn reportage. Dus hij vraagt of wij er vanavond even een half uur willen kijken en dan kritiek kunnen geven en dan uhm. ja je moet maar even kijken, heb je al een nieuwe facebook? Of nog niet?

Azzedine C. : Ik ben gewoon op Youtube en twitter, ik kan overal, maar ik heb geen facebook.

Rudolph H. : oke, nee dan moet je maar even hem een dm sturen ofzo. en dan ja, hij is klaar en bezig met uploaden en hij wil kijken of die al online kan en dan kunnen we hem de komende dagen ook online zetten.

Azzedine C. : Maar hij heeft het op Youtube, toch?

Rudolph H. : Ja hij denkt dat over een paar uurtjes is die klaar met uploaden en dan gaat hij hem aan ons geven.

Azzedine C. : Ja daarom, dan kan ik het ook via de Whatsapp of wat ook van hem krijgen.703

18.79

Rudolph H. heeft verklaard dat Soufiane Z. hem heeft gevraagd of hij en Azzedine C. naar de ondertiteling wilden kijken en controleren op taalfouten en dat hij dit ook heeft gedaan.704 De rechtbank haalt uit dit gesprek echter meer dan Rudolph H. haar wil laten geloven. Rudolph H. geeft in dit gesprek aan dat Soufiane Z. zijn reportage af heeft en aan hem heeft gevraagd of zij (Rudolph H. en Azzedine C. ) er even een half uur naar willen kijken en dan kritiek kunnen geven, zodat zij (we) hem de komende dagen ook online kunnen zetten. De rechtbank leidt daaruit af dat er ook om inhoudelijke kritiek is gevraagd en zodat zij, Soufiane Z., Rudolph H. en Azzedine C. , daarna de film de komende dagen online konden zetten.

18.80

Op 24 juni 2014 heeft Soufiane Z. een 30 minuten durende film online gezet met de naam Oh oh Aleppo.705

18.81

Hoewel eerst door Rudolph H. ontkend, blijkt dat hij middels het Twitteraccount van DWR zowel op 29 mei 2014 een bericht (met een link naar) de aankondiging van de film706 als op 24 juni 2014 een bericht met (een link naar) de film “Oh, oh Aleppo” heeft gedeeld.707 Azzedine C. heeft verklaard dat hij de video mogelijk heeft gedeeld.708 Uit het dossier blijkt dat dit in ieder geval geldt voor de aankondiging op 29 mei 2014.709 Betrokkene 1 heeft op 27 juni 2014 (een link naar) deze film op zijn Facebookaccount geplaatst.710

18.82

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat Soufiane Z. op de dag van de aankondiging Rudolph H. en Azzedine C. heeft gevraagd om inhoudelijke kritiek te leveren, zodat zij de film “Oh oh Aleppo” enkele dagen daarna online konden zetten. Daarop is de aankondiging door Rudolph H. en Azzedine C. via Twitter verspreid en heeft in ieder geval Rudolph H. ook daadwerkelijk zijn commentaar aan Soufiane Z. gestuurd. De daadwerkelijke video is door in ieder geval Rudolph H. via het Twitteraccount van DWR verspreid. Deze opeenvolgende handelingen en onderlinge afstemming kenmerken het planmatige karakter van het plaatsen en verspreiden van dit in Hoofdstuk 12 opruiend geachte bericht.

Tussenconclusie oogmerk tot opruiing en verspreiding van opruiende geschriften

18.83

Concluderend kan worden gesteld dat de kanalen DWR, Shaam al-Ghareeba, Shaam al Malaahim en de persoonlijke social media accounts van Rudolph H., Azzedine C. en Soufiane Z. zowel in het algemeen als in specifieke situaties onderdeel waren van de activiteiten van de criminele organisatie. De rechtbank is van oordeel dat er, uit de planmatige en stelselmatige onderlinge afstemming van het verder verspreiden en versterken van de berichten op deze afzonderlijke kanalen en het overleg over het effect dat daarmee zou worden bereikt, kan worden afgeleid dat het oogmerk van de organisatie (ook) was gericht op (A) opruiing en (B) het verspreiden van opruiende geschriften.

140 Sr ad E: oogmerk tot werven voor de gewapende strijd?

Overeenkomsten tussen oogmerk tot opruiing en oogmerk tot werven

18.84

De rechtbank stelt voorop dat zojuist is vastgesteld dat de organisatie het oogmerk had om op te ruien tot het afreizen naar Syrië en het aldaar deelnemen aan de gewapende jihadstrijd. Onder verwijzing naar in Hoofdstuk 13 geschetste juridisch kader met betrekking tot het werven voor de gewapende strijd, merkt de rechtbank op dat ook een enkele (voldoende krachtige en directe) uiting personen daartoe kan bewegen en daarmee wervend kan zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat de wetgever expliciet aandacht heeft besteed aan de mogelijkheid dat het werven plaats zou kunnen vinden met communicatiemiddelen, zoals een internetsite.

18.85

Een bericht dat opruit tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië zal – juist vanwege de daarvoor benodigde rechtstreekse oproep – al snel voldoen aan de eis van een voldoende krachtige en directe uiting. Voor het stelselmatig (ook indirect) oproepen tot deelname aan de gewapende strijd, zoals voor meerdere kanalen van de organisatie bewezenverklaard, moet hetzelfde gelden. Daarbij zij dan opgemerkt dat het dan meer een proces betreft waarbij het (ontvankelijke) publiek geleidelijk wordt bespeeld door (telkens en in andere vormen) geconfronteerd te worden met de boodschap om deel te gaan nemen aan de gewapende strijd. Dat de verdachten zich (digitaal) in een ontvankelijk publiek voor hun boodschappen begaven, behoeft geen betoog en blijkt al uit de hiervoor vastgestelde verbondenheid via sociale media en andere onderlinge contacten.

18.86

Dit betekent dat, hoewel de delictsomschrijvingen andere bestanddelen hebben en verschillen in de rechtsgoederen die zij beogen te beschermen, het (globale) oogmerk om op te ruien tot deelname aan de gewapende strijd - materieel gezien - al snel overlap zal vertonen met het (globale) oogmerk om te werven daarvoor. Met andere woorden: een organisatie die het doel heeft om een ontvankelijk publiek stelselmatig direct en indirect op te roepen tot deelname aan de gewapende strijd zal al snel het doel hebben om te werven voor die gewapende strijd.

Versterkend effect door overige digitale activiteiten

18.87

De rechtbank ziet bovendien verdere aanwijzingen voor het oogmerk tot het werven voor de gewapende strijd in de versterkende kracht die uitging van begeleidende berichten die op zichzelf wellicht niet opruiend waren, maar wel de gewapende strijd vergoelijkten, verheerlijkten en/of rechtvaardigden. Door stelselmatige berichten van dien aard kunnen personen immers wel worden bespeeld of ideologisch worden rijp gemaakt. Daarvoor verwijst de rechtbank naar het in Hoofdstuk 12 overwogene, waarbij de opruiing op Shaam al-Ghareeba werd begeleid door “slechts” verheerlijkende, vergoelijkende en/of rechtvaardigende berichten.

18.88

Deze berichten werden automatisch ook verspreid door DWR. Van de in totaal 1532711 berichten op DWR hadden er 715 de tag “jihad” en 417 de tag “Syrië”.712 Peters beschrijft DWR als een tendentieuze website waarop een jihadistisch standpunt werd ingenomen vóór de gewapende strijd buiten Nederland. Op DWR werden ook artikelen gepubliceerd die de gewapende strijd verheerlijkten713 en werd ook duidelijk gesympathiseerd met IS en Al Qaeda.714 De Koning heeft gezegd dat op DWR werd verdedigd dat er sprake was van een jihad en dat mensen afreisden naar Syrië.715 Deze analyses worden bevestigd door de zich op de website bevindende FAQ, waarin op de vraag “Wat is jullie mening met betrekking tot de afgereisde mujahidien in Syrië?” wordt geantwoord “Het zijn onze mujahidien die, zo verschillend zoals ze zijn, voor één doel zij aan zij zijn gaan strijden. Moge Allah hun laten slagen zowel hier als in het hiernamaals.”. Bovendien schrijft DWR in haar e-mail van 20 juni 2014 aan de NCTV “Wij sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahidien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam”.716 Daarmee heeft DWR minimaal haar sympathie voor kernelementen van de in Hoofdstuk 10 beschreven opvattingen actief uitgedragen.

18.89

Dat de door DWR uitgedragen berichten ook daadwerkelijk van invloed zijn geweest op het denken van anderen, kan worden afgeleid uit het feit dat de naar Syrië uitgereisde Betrokkene 55 de deelname aan de gewapende strijd rechtvaardigde met door DWR gepubliceerde artikelen.717 Daarnaast kwam bij DWR af en toe de vraag binnen of men geholpen kon worden met een uitreis, waaruit blijkt dat (in ieder geval een deel van) het publiek dacht dat DWR achter de deelname aan de gewapende strijd in Syrië stond en deze zelfs kon faciliteren.718 Bovendien moet het effect van de (goed bekeken)719 berichtgeving over omgekomen Syriëgangers niet worden gebagatelliseerd. Niet alleen is het enkele bericht over Betrokkene 25 in Hoofdstuk 12 individueel al als opruiend beoordeeld, maar bovendien blijkt dat effect ook uit het volgende.

18.90

Op 1 juni 2014 werd op Shaam al-Ghareeba het bericht over de dood van Betrokkene 56 geplaatst met daarin de tekst “Zojuist is er nieuws binnen gekomen dat een dierbare Nederlandse broeder in Syrië aan zijn verwondingen Betrokkene 56 is gevallen”.720 Op DWR werd op 4 juni 2014 een biografie van Betrokkene 56 geplaatst die met toestemming van (en een link naar) Shaam al-Malaahim was overgenomen.721 Onder de biografie op Shaam al-Malaahim plaatste Betrokkene 1 een comment met de tekst: “Degene die verdrietig zijn wees verdrietig om jullie zelf. Ik ben echt heel blij voor hem, tranen van vreugde is wat ik voor hem over heb en tranen van verdriet voor mij zelf zolang ik hier rondloop”.722 Een dergelijke reactie, waaruit blijkt dat een gevoel van vreugde over het martelaarschap en verdriet over het achterblijven in Nederland ontstaat, illustreert de wervende kracht van dit soort berichtgeving.

18.91

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het wervende effect dat van de opruiende berichtgeving op onder meer Shaam al-Ghareeba, DWR en Shaam al Malaahim uitging, door de organisatie is versterkt door deze te vergezellen van vergoelijkende, verheerlijkende en/of rechtvaardigende berichten zoals hiervoor weergegeven. Daarin werd onder meer gesympathiseerd met de mujahidun en terroristische organisaties als Al Qaeda, Jahbat al Nusra en IS. Dit samenspel maakt dat uit de digitale activiteiten van de organisatie kan worden afgeleid dat zij het oogmerk had om anderen te bespelen en ideologisch rijp te maken en daarmee te werven voor de gewapende strijd.

Ideologisch rijp maken en bewegen door onderlinge persoonlijke contacten

18.92

De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of het oogmerk tot werven – naast uit de digitale activiteiten – ook kan worden afgeleid uit de persoonlijke contacten die de organisatie heeft gehad of bewust heeft gefaciliteerd en/of georganiseerd. Daarbij merkt zij voorafgaand op dat deze persoonlijke contacten beïnvloed kunnen zijn en/of kracht kunnen zijn bijgezet door de digitale activiteiten van de organisatie.

Adres

18.93

Zoals hiervoor is vermeld, werd het pand aan de Adres in 2012 gebruikt voor islamitische lezingen en andere samenkomsten in eigen kring. Vaste bezoeker Betrokkene 45 heeft in een interview gezegd dat zij een plek voor zichzelf hadden gecreëerd waar ze vrijuit hun interpretatie van het geloof konden beleven.723 Eveneens vaste bezoeker Betrokkene 43 heeft zich in een interview ook uitgelaten over de activiteiten op de Adres. Er werd daar gesproken over zaken waarvoor je niet zo makkelijk terecht kon in reguliere moskeeën, zoals de jihad of de sunnah van het dragen van een wapen.724

18.94

Volgens Betrokkene 43 werd er tijdens de bijeenkomsten gesproken over het geloof, kregen ze Koranles en werd er gezamenlijk gegeten,725 hetgeen bevestiging vindt in de brief van Rudolph H. van 2 mei 2012 aan een geestverwant.726 Ook zijn er volgens Betrokkene 43 avonden geweest waarop radicale predikers kwamen en er video’s werden bekeken van figuren als sjeik Khalid Husainan en Anwar al-Awlaki, waarin de jihad werd gerechtvaardigd en een dwingend appel werd gedaan op iedere moslim om op te komen voor de medemoslims die – waar ook ter wereld – onrecht werd aangedaan. Ook dit vindt bevestiging in het dossier, nu in ieder geval vaststaat dat er lezingen Betrokkene 41, Soufiane Z., Azzedine C. en Oussama C. zijn georganiseerd.727 Bovendien heeft Moussa L. verklaard dat er computers en beeldschermen aanwezig waren en hij Betrokkene 43 inderdaad islamitische lezingen heeft zien bekijken.728 Daarnaast vindt de strekking van de inhoud van de filmpjes (deels) bevestiging in de eigen producties van het vanuit de Adres gefaciliteerde Stichting 2 , waarin wordt opgeroepen om op te komen voor de broeders en zusters in Syrië (met een verwijzing naar een demonstratie)729 en Birma waarbij in zijn algemeenheid werd gepropageerd “Oh muslimien stand up and fight for the sake of Allah”730 en de afbeelding van een Kalasjnikov in de computerruimte.731

18.95

Een volgend letterlijk citaat van Betrokkene 43 is: “Het is niet zo dat er een collectief plan lag om naar Syrië te gaan voor jihad, wel dat door de aanwezig jongens de wens werd uitgesproken om te gaan vechten. Maar eigenlijk wist niemand hoe je dat praktisch moest doen. Pas toen het eind 2012 iemand lukte om over de grens te komen, volgden er druppelsgewijs meer.”. Ook hiervoor ziet de rechtbank bevestiging in het dossier, nu daaruit blijkt dat Betrokkene 13 en Betrokkene 12 in december 2012 naar Syrië zijn afgereisd en zij in januari tot en met maart 2013 navolging kreeg van Betrokkene 33, Betrokkene 12, Betrokkene 11, Betrokkene 10 en Jordi de J., allen regelmatige bezoekers van de Adres.732

18.96

Later zijn ook de aan de Adres of de daaruit gefaciliteerde stichtingen te relateren Hatim R., Betrokkene 4, Betrokkene 44, Soufiane Z., Betrokkene 50, Betrokkene 47, Betrokkene 48 en Betrokkene 49 naar Syrië zijn afgereisd. Hoewel de verdachten, en dan met name Azzedine C. , het aantal hebben geprobeerd te relativeren zijn in totaal veertien van de (bij naam genoemde) eenentwintig bezoekers van de Adres of deelnemers van daaraan verwante activiteiten naar Syrië afgereisd om deel te nemen aan de gewapende strijd. Van de overige zeven bij naam genoemde bezoekers zijn er vier verdachte in dit proces.

18.97

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat men tijdens de door de organisatie georganiseerde en gefaciliteerde bijeenkomsten op de Adres – door het rechtvaardigen van de jihad, het dwingende appel om op te komen voor medemoslims en het uitspreken van de wens om naar Syrië te gaan om daar te vechten – ideologisch rijp werden gemaakt voor de gewapende strijd. Daarbij moet worden opgemerkt dat daar niet duidelijk een persoon voor verantwoordelijk kan worden gehouden, maar er gaandeweg een proces heeft plaatsgevonden waarbij de bezoekers van de Adres door elkaar (ook middels het laten zien van video’s) ervan overtuigd raakten dat men behoorde te gaan vechten in Syrië.

Hondius

Hondi

18.98

Het dossier bevat daarnaast aanwijzingen dat het proces tot ideologisch rijp maken zich ook na de Adres heeft voortgezet. Daarin past ook het incident op het sportterrein aan de Hondiusstraat op 8 september 2013. Hierbij waren onder meer Azzedine C. , Rudolph H., Oussama C. , Moussa L.733 en Soufiane Z.734 aanwezig. Op en rondom het sportterrein hingen een jihadvlag (de rechtbank begrijpt: tawheedvlag) en een vlag van ISI (de rechtbank begrijpt: zegelvlag). Na het arriveren van de politie bleef een groep van ongeveer 40 mannen over, waarna er werd opgeroepen tot het zitten rondom Oussama C. ,735 die daarop een lezing heeft gegeven met onder meer de volgende inhoud:

Kijk naar Shaam (Syrië). Kijk naar Syrië broeders. Vanuit de hele wereld gaan mensen er heen om hun broeders en zusters te verdedigen. Vanuit de hele wereld, elk land. En dit (op beeld is te zien dat Oussama C. in de richting van de politie gebaard) zij gaan er kapot van. Elke week vertrekken broeders en zusters. Ze proberen tegen te houden maar ze kunnen niks. Dank aan AllaH. Want Allah, de Almachtige, is de beste planner en vanuit de hele wereld gaan ze er heen. En hoe komt dit? Hoe komt dit? Waar komt deze zorgen vandaan dat ze vanuit de hele wereld naar Syrië gaan om hun broeders en zusters te verdedigen? Ik zweer het broeders, Dit komt door hetgeen ons verenigd heeft en dat is de Islaam. En hier dienen wij altijd naar terug te keren. Zoals Omar Ibn AI Khaftaab (een van de eerste volgelingen van de profeet Mohammed), Allah zegent hem, heeft gezegd: "Wij zijn een volk wat Allah met de Islam heeft verenigd. Als wij hier naar iets anders zoeken dan de Islaam dan zou Allah ons vernederen".736

18.99

In deze als opruiend beoordeelde lezing wordt duidelijk gemaakt dat er elke week broeders en zusters naar Syrië vertrekken door hetgeen hen verenigd heeft (de islam). Hier dienen de toehoorders (wij) altijd naar terug te keren; verwijzend naar een volgeling van de profeet: als zij naar iets anders zouden zoeken dan de islam zou Allah hen (ons) vernederen. Daarmee wordt een theologische legitimatie gegeven voor het afreizen naar Syrië om aldaar de broeders en zusters te verdedigen. De aanwezigheid van de twee vlaggen versterkten deze door Oussama C. uitgedragen boodschap doordat zij als steunbetuiging aan jihadistische organisaties kunnen worden gezien. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de lezing daarmee een wervend karakter had, omdat het geschikt is in een proces waarin personen ideologisch rijp worden gemaakt voor de gewapende strijd.

Frankies en Fez

18.100 Deze lezing door Oussama C. op een door de (vaste kern van de) organisatie prominent bezochte bijeenkomst alleen is echter niet voldoende om daaruit een oogmerk tot werven voor de gewapende strijd in de periode na de Adres af te leiden. Daarvoor is nodig dat deze uiting een patroon of een geleidelijk proces vormt met andere wervende handelingen.

18.101 Eén van de aanwezigen bij het incident op het sportterrein aan de Hondiusstraat was Getuige 1. In Hoofdstuk 14 is bewezenverklaard dat hij door Oussama C. is geworven voor de gewapende strijd. Daarbij is al overwogen dat alleen geloof kan worden gehecht aan de verklaringen die hij in januari 2014 bij de politie heeft afgelegd en de eerste (niet opgenomen) verklaring van Getuige 1 met enige behoedzaamheid moet worden bezien. De rechtbank zal daarom met name het tweede en derde letterlijk uitgewerkte verhoor als uitgangspunt nemen. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank met betrekking tot het oogmerk van de organisatie het volgende af.737

18.102 Getuige 1 heeft verklaard dat er in Den Haag een groep extremisten is, waarvan hij vijftien tot twintig broeders kent. Deze heeft hij gezien bij “de slag van Hondius”.738 Getuige 1 heeft over Hondius verklaard dat er vlaggen waren opgehangen en dat enkele broeders tawheedhoofdbandjes hadden.739 Abu Moussa (Azzedine C. ) heeft die dag tegenover de politie het woord gevoerd.740 Abou Yazied (Oussama C. ) heeft toen een lezing gegeven waarin hij zei dat de broeders standvastig moesten zijn en elkaar moesten helpen als iemand werd aangevallen.741 Er waren broeders die hun ID niet wilden geven, maar toen heeft Abu Said (Rudolph H. ) gezegd dat ze gewoon moesten opstaan, hun ID moesten laten zien en weggaan.742


18.103 De broeders die bij Frankies kwamen waren volgens Getuige 1 Azzedine C. , Oussama C. , Abu Mohammed (Soufiane Z.), Abu Moussa Jordi de J. (Jordi de J.) en Hakan, een Turkse broeder. Dit was in ieder geval tot oktober 2013.743 Bij Fez kwamen Oussama C. , Abu Moussa, Jordi de J., Abu Ilyas (Moussa L.), Abu Qitaal (Betrokkene 51) en Abu Harit. Dit was in ieder geval tot eind 2013.744 Buiten deze gesprekken bij Frankies en Fez ging Getuige 1 vooral om met Oussama C. , met wie hij ook een-op-eengesprekken heeft gehad.745 Naast de demonstratie in december 2013 en Hondius, is hij verder nog een keer met Rudolph H., Moussa L., Betrokkene 51 en Abu Harith voor een paar uurtjes naar een paar broeders in België gegaan.746 Bovendien volgde Getuige 1 Azzedine C. en Oussama C. op Facebook747 en was hij bekend met Shaam al-Ghareeba.748

18.104 Getuige 1 heeft verder over de groep broeders verklaard dat zij bij Frankies zeggen dat er in Syrië jihad is en dat Syrië wordt aangevallen door sjiieten. De broeders zeiden verder dat al Baghdadi van ISIS hun emir is.749 Ook waren ze van mening dat sjiieten geen moslims zijn en ‘je’ jouw broeders en zusters hoort te helpen door ze steunen met ‘geld, kleren of mannen’, omdat de broeders één lichaam zijn. Daarbij heeft Getuige 1 ook verklaard met ‘hulp met mannen’ ook te bedoelen ‘hulp door te gaan strijden’.750 Ook hoopten ze dat in een Syrië een regering zou komen die regeerde met de wetten van AllaH. 751 Getuige 1 heeft tevens gezegd dat ze ‘indirect’ praten over de jihad.752 Hij heeft hen aangeduid als ‘extremisten’ omdat ze ‘hard’ en ‘diep’ in het geloof staan. Getuige 1 heeft dit afgeleid uit het feit dat zij anderen als ‘ongelovigen’ bestempelen, uit het feit dat zij zeiden dat er in opstand moest worden gekomen en dat er moest worden geregeerd met de wetten van AllaH. 753


18.105 Als Getuige 1 met deze broeders bij Frankies of Fez zat, dan praatte Oussama C. veel.754 Oussama C. liet ook filmpjes zien aan anderen (op zijn telefoon).755 Oussama C. zei over een filmpje dat de ISIS-strijders goed zijn, dat zij het martelaarschap, de hogere rang in het paradijs, zullen verkrijgen en dat hij wenste dat zij beloond zouden worden.756 Op grond van het gedrag van Azzedine C. en zijn manier van praten bij Frankies kreeg Getuige 1 het vermoeden dat het iemand is die leidt. Azzedine C. sprak over de jihad in Syrië en wat die inhield en hoe die moest worden uitgevoerd.757 Soufiane Z. heeft tegen hem gezegd dat geleerden die zich uitspreken tegen de jihad zijn daartoe worden gedwongen.758 Jordi de J. heeft met Getuige 1 zijn ervaringen over het trainingskamp in Syrië gedeeld.759

18.106 De rechtbank leidt uit de verklaringen van Getuige 1 af dat er tijdens de gesprekken bij met name Frankies actief werd uitgedragen dat er in Syrië sprake was van een jihad en dat de broeders en zusters daar moesten worden ondersteund door onder meer daar te gaan strijden. Bovendien werd verkondigd dat men achter (de strijd van) ISIS stond en werd het martelaarschap verheerlijkt. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat men in deze gesprekken ideologisch rijp werd gemaakt en werd bewogen om deel te gaan nemen aan de gewapende strijd in Syrië.

18.107 De conclusie dat bij Frankies werd geworven voor de gewapende strijd vindt bovendien nog ondersteuning in de verklaring van De Koning dat het gesprek en de onderlinge discussies vanaf februari/maart 2013 alleen nog maar over (de reactie op berichten over) Syriëgangers gingen760 en de demonstranten op de (ook door Getuige 1 bezochte) demonstratie in december 2013 (in algemene zin) vonden dat de strijders van ISIS en Jahbat al Nusra helden zijn die tenminste iets deden tegen het onrechtvaardige regime van Assad.761 Bovendien past de wijze van werving naadloos in hetgeen al is geconcludeerd met betrekking tot de Adres, nu ook daar in onderlinge gesprekken werd geworven door (met het behulp van filmpjes) de jihad te rechtvaardigen en (op elkaar) een appel te doen om op te komen voor moslims in andere delen van de wereld.

Oogmerk uit combinatie van digitale activiteiten en onderlinge persoonlijke contacten

18.108 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het oogmerk van de organisatie tot het werven voor de gewapende strijd in Syrië kan worden afgeleid uit de afzonderlijke vanuit de organisatie ontplooide activiteiten zoals de bijeenkomsten op de Adres, bij Hondius en Frankies en de gezamenlijke gedragingen en uitingen die daar zijn verricht. Ook heeft de organisatie online opruiende berichten geuit en verspreid, die tevens gepaard gingen met berichten met een wervend karakter.

Combinatie van persoonlijke contacten en online activiteiten

18.109 Daarbij komt nog dat Getuige 1 heeft verklaard dat hij Azzedine C. en Oussama C. volgde op Facebook en ook bekend was met Shaam al-Ghareeba. Ook andere bezoekers van de Adres, Hondius en Frankies waren, zoals hiervoor opgemerkt, digitaal met elkaar verbonden.762 Hieruit blijkt dat de hiervoor genoemde handelingen en kanalen niet enkel op zichzelf moeten worden gezien, maar onderdeel uitmaakten van een (constante) stroom aan uitingen vanuit de organisatie die geschikt waren om ideologisch rijp te maken voor en te bewegen tot deelname aan de gewapende strijd in Syrië. Deze combinatie van digitale en persoonlijke wervende boodschappen kunnen niet anders dan een versterkend effect op elkaar hebben gehad.

Tussenconclusie oogmerk tot werven

18.110 Concluderend is de rechtbank van oordeel dat uit (de combinatie van) het al eerder vastgestelde oogmerk tot opruiing, de versterking daarvan door wervende berichtgeving op DWR en sociale media en het bewegen en ideologisch rijp maken door de organisatie bij bijeenkomsten op onder meer de Adres, bij Hondius en Frankies kan worden afgeleid dat het oogmerk van de organisatie (mede) was gericht op het werven voor de gewapende strijd.

140 Sr ad H: oogmerk tot het financieren van terrorisme?

18.111 De Koning heeft verklaard dat hij van Soufiane Z. heeft gehoord dat er binnen deze groep geld werd ingezameld voor de eerste groepen die in 2012/2013 vanuit Den Haag naar Syrië vertrokken.763 De rechtbank zal moeten onderzoeken of er voor deze verklaring van de Koning voldoende steun is te vinden in het dossier.

OVC-gesprek

18.112 Daarvoor acht de rechtbank allereerst het volgende OVC-gesprek van belang. Dit past namelijk niet alleen naadloos in het oogmerk tot werven voor de gewapende strijd, zoals zojuist beschreven,764 maar is ook relevant voor het oogmerk tot het financieren van terrorisme. Tussen Rudolph H., Azzedine C. en Betrokkene 1 vond het volgende gesprek plaats:

Mounir: Hij (Adil) zegt, jullie, ik zweer jullie zijn gedwaald. Hij zegt jullie manier van werken is anders. Jullie zijn te luidruchtig bezig, snap je of niet. Ik zei tegen hem: islam is geen maffia werk vriend, ik zei: we zijn geen maffia's, we zijn geen kilo's aan het hosselen. Ik zei: je moet die mensen het geloof laten zien, ik zei: hoe wil je dit in ... ntv .. doen? Ik zei: ben jij nog in het huis van Abi AI Arqam [waar de profeet vergaderde met zijn staf] of zo. Ik zei: waar zit jij chef. Ik zei: Allah heeft allang gezegd, 1400 geleden: Heden heb ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de Islam [de overgave van God] als godsdienst voor jullie goedgevonden. [AI Ma 'Ida, 3.] Wij hebben hier geen Daar Al Arqam, snap je.765 Ik zei: weet je voor wie Daar AI Arqam geldt of niet, voor mensen in China. Zelfs hun niet eens, zelf hun komen naar voren [zijn ontwikkeld], begrijp je. Ik zei: China is onderdrukkingsgebied, je bent in je eentje met vijf/zes man, snap je. Ik zei: dan kunnen ze elkaar nog rustig Tawhid [eenheid van Allah] onderwijzen, net als hoe die Russen ooit

zeiden, hun gingen elkaar onderwijzen in de bunkers. Ik zei: het is gewoon duidelijk, ik zei: als homo's durven om voor hun rechten te praten, wij durven voor onze rechten te praten. Wij moeten werken aan een kraan, zegt hij, wij moeten een kraan maken.

Azzedine: Je hebt gelijk laat hem alleen werken en niet met andere mensen erbij.

Mounir: Niet iedereen mag maar gaan, er moeten ook mensen hier blijven voor saaf (geld) (onduidelijk) dat klopt allemaal wa lakin (maar), wat doet dat er minder toe dat mensen zijn vertrokken en gaan. Die konden waarschijnlijk geen saaf (fon.) regelen (onduidelijk)

Azzedine: je hebt gelijk.

Mounir: men moet gaan bewegen, geld halen, sponsoren ze elke maand zo en zo veel, snap je. Ja tocH. (onduidelijk)766

18.113 De rechtbank leidt uit dit fragment af dat Betrokkene 1, in repliek op ene Adil die meent dat zij (jullie) dwalen, omdat hun manier van werken te luidruchtig is, vindt dat zij (we) mensen het geloof moeten laten zien en daarmee naar voren moeten komen. Betrokkene 1 merkt op dat zelfs in onderdrukkingsgebieden mensen elkaar tawheed kunnen onderwijzen. De rechtbank leidt hieruit af dat hij vindt dat dit ook hier moet gebeuren. Azzedine C. is naar het oordeel van de rechtbank met Betrokkene 1 eens. De rechtbank leidt uit dit fragment eveneens af dat Betrokkene 1 en Azzedine C. bespreken dat niet iedereen (naar Syrië) mag gaan, maar dat er ook mensen hier moeten blijven om geld te regelen en dat men daarvoor in beweging moet komen. Azzedine C. is het wederom met Betrokkene 1 eens.767 Aan dit deel van het gesprek deden Azzedine C. en Betrokkene 1 mee. Ook Rudolph H. was daarbij aanwezig.

18.114 De rechtbank concludeert op grond van dit OVC-gesprek dan ook dat een deel van de vaste kern van de organisatie overlegt dat een deel naar Syrië moest gaan en een deel hier geld moest regelen om de strijd in Syrië te ondersteunen.

Aanhouding Azzedine C. en Soufiane Z. bij de Grieks-Turkse grens

18.115 Op 31 maart 2013 omstreeks 16:00 uur werden Azzedine C. en Soufiane Z. aangehouden in Soufli, Griekenland, omdat zij zich al lopend bevonden in militair gebied. Zij werden aangehouden op ongeveer 500 meter van de rivier,768 die de natuurlijke grens tussen Griekenland en Turkije vormt.769

18.116 Soufiane Z. had twee tassen, vier mobiele telefoons (drie van het merk Nokia en een van het merk Samsung), een iPad mini, een camera van het merk Sony en een geldbedrag van 5800 euro bij zicH. 770 In het paspoort van Soufiane Z. was een visum voor Turkije aangebracht.771 Azzedine C. had twee tassen met kleren, drie mobiele telefoons (een van het merk Nokia en twee van het merk Samsung), een iPod mini, een kaart van Griekenland-Albanië-FYROM, een GPS van het merk GARMIN en een geldbedrag van 3480 euro bij zicH. 772

18.117 In een van de mobiele telefoons van Soufiane Z. werden onder meer de volgende contacten aangetroffen:

Contact

Telefoonnummer

Netnummer

In gebruik bij:

Abou Us

Telefoonnummer 9

Syrië

-

Broertje Bakr

Telefoonnummer 10

Nederland

-

Chinatown

Telefoonnummer 11

Turks

-

Abu Ibraheem

Telefoonnummer 12

Syrië

Betrokkene 33

Abu Red

Telefoonnummer 13

Syrië

Hicham el O.773


18.118 Ook bleek dat deze telefoon op 31 maart 2013 tussen 22:00 uur en 23:00 uur gemiste oproepen had van de nummers: Telefoonnummer 14, Telefoonnummer 15, Telefoonnummer 16 en Telefoonnummer 17.774 Dit betroffen respectievelijk drie Turkse telefoonnummers en een Grieks telefoonnummer.775

18.119 Op twee bij Azzedine C. en Soufiane Z. aangetroffen simkaarten stonden onder meer de volgende contacten:776

Contact

Telefoonnummer

Netnummer

In gebruik bij:

Nak

Telefoonnummer 18

Nederland

-

Anis Z.

Telefoonnummer 19

Nederland

Anis Z.

F

Telefoonnummer 20

Syrië

-

Japon

Telefoonnummer 21

Frankrijk

-

Mousa

Telefoonnummer 22

Nederland

Azzedine C.

Ray

Telefoonnummer 23

Syrië

Hicham el O.

Sjeanpaul

Telefoonnummer 24

Syrië

-

Thijs

Telefoonnummer 25

Syrië

Betrokkene 33777

Utr

Telefoonnummer 26

Syrië

-

18.120 Zoals in Hoofdstuk 17 beschreven zijn Abu Redouan en Anis Z. respectievelijk op 21 januari 2013 en 24 maart 2013 uitgereisd naar Syrië om aldaar deel te nemen aan de gewapende strijd. De rechtbank heeft in datzelfde Hoofdstuk tevens geconcludeerd dat de contacten Nak en Utr/Abou Us betrokken waren bij de uitreis van Anis Z..

Intentie van de reis van Azzedine C. en Soufiane Z.

18.121 Ter terechtzitting gevraagd naar de doel van zijn reis met Soufiane Z., heeft Azzedine C. zich op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank zal dus zelfstandig moeten beoordelen wat Azzedine C. en Soufiane Z. met deze reis beoogden.

18.122 Naar de aanhouding in Griekenland gevraagd, heeft De Koning verklaard dat Soufiane Z. hem later heeft verteld dat hij had geprobeerd om met iemand te gaan. De Koning heeft dit zo opgevat dat Soufiane Z. naar Syrië wilde vertrekken.778 Deze verklaring van De Koning wordt ondersteund doordat de bij Azzedine C. en Soufiane Z. aangetroffen telefoonnummers eerder zijn gebruikt bij het afreizen naar Syrië door Anis Z.. Daarnaast duidt het Turkse visum in het paspoort van Soufiane Z., de gemiste oproepen van Turkse kant en het zich dichtbij de grens bevinden van Azzedine C. en Soufiane Z. op een te maken oversteek. Bovendien bevatten hun simkaarten meerdere Syrische nummers van personen die op dat moment deelnamen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank acht voor de overtuiging ten slotte ook nog van belang dat Soufiane Z. uiteindelijk in december 2013 naar Syrië is uitgereisd en aldaar is gaan deelnemen aan de gewapende jihadstrijd. De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat Soufiane Z. en Azzedine C. op 31 maart 2013 de intentie hadden om uit te reizen naar Syrië en daar deel te gaan nemen aan de gewapende jihadstrijd.

18.123 Dit betekent ook dat de voorwerpen (zowel de goederen als het geld) die zij bij zich hadden, daar direct verband mee hielden en/of daarvoor gebruikt zouden gaan worden. In die zin was het doel van Soufiane Z. en Azzedine C. ook gericht op het verlenen van geldelijke steun aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Voor Azzedine C. geldt bovendien dat dit strookt met de verklaring van Getuige 1 dat hij van mening was dat men moest bijdragen aan de jihad in Syrië, onder meer door het geven van geld. De rechtbank ziet voor de bestemming van dit geld ook nog ondersteuning in het feit dat Soufiane Z. zich in met name juli 2013, zoals in Hoofdstuk 17 beschreven, eveneens bezig hield met het genereren van geld en telefonisch instructies gaf over het verdelen hiervan onder de deelnemers aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Betrokkenheid bij het verdelen van het geld in Syrië

18.124 Bij het verdelen van dit geld in juli 2013 speelde Hicham el O. een sleutelrol door het geld in Syrië te distribueren onder de broeders in Syrie, onder wie Anis Z.. Hicham el O. had daartoe veelvuldig telefonisch contact met Soufiane Z.. In juli alleen al ging dit om een bedrag van meer dan 10.000 euro. Hicham el O. was ook in het bezit van een camera van Azzedine C. , die door Betrokkene 13 werd verkocht. Azzedine C. had vanuit Nederland met zowel Betrokkene 13 als met Hicham el O. contact via Skype. Bovendien stond het telefoonnummer van Hicham el O. op meerdere simkaarten die op 31 maart 2013 bij Soufiane Z. en Azzedine C. werden aangetroffen. Ook het voorgaande wijst in de richting van het verlenen van geldelijke steun (in zowel goederen als geld) aan deelnemers aan de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Betrokkenheid van de organisatie

18.125 Uit het dossier blijkt dat Soufiane Z. in 2012 en 2013 een bijstandsuitkering genoot, dat hij bij een bank een schuld had van 2.437,37 euro, dat hij een belastingschuld had van 7.568,00 euro en dat hij in 2012 en 2013 voor 8.179,00 euro aan moneytransfers naar het buitenland heeft verricht.779

18.126 Bij het voorhouden van het reclasseringsrapport, heeft Azzedine C. verklaard dat hij de laatste jaren van een uitkering leefde en inderdaad een grote schuld heeft bij het CJIB. Gevraagd hoe hij dan aan een dergelijk relatief groot bedrag is gekomen, heeft Azzedine C. zich eerst op zijn zwijgrecht beroepen en daarna verklaard dat hij dit bedrag had gespaard.780 Bij het ontbreken van een verdere onderbouwing acht de rechtbank deze verklaring, gelet op zijn financiële situatie, volstrekt ongeloofwaardig. Daar komt nog bij dat er in het dossier wel aanwijzingen zijn te vinden voor financieel niet transparant handelen door Azzedine C. (namens Stichting).781 Bovendien roepen ook de reisbewegingen van Azzedine C. en Imane B.in augustus 2014 en het toen bij hen aangetroffen bedrag van 2500 euro (onbeantwoorde) vragen op.782

18.127 De rechtbank is daarom van oordeel dat de bij Soufiane Z. en Azzedine C. aangetroffen en door hen in Syrië verspreide geldbedragen en goederen zowel afzonderlijk als gezamenlijk als onverklaarbaar vermogen moet worden aangemerkt. Dit maakt dat deze een andere herkomst moet hebben.

Tussenconclusie oogmerk tot het financieren van terrorisme

18.128 Gelet op deze laatste constatering over de herkomst van het geld, de tapgesprekken over het genereren en het verdelen van geld door Hicham el O. en Soufiane Z. en het verkopen van de camera van Azzedine C. in Syrië, de verklaring van Getuige 1 over Azzedine C. en het OVC-gesprek in aanwezigheid van Azzedine C. , Rudolph H. en Betrokkene 1 over het regelen van het geld en het daarmee ondersteunen van de strijd, ziet de rechtbank voldoende steun voor de verklaring van De Koning dat door de organisatie in 2012 en 2013 geld werd ingezameld ter ondersteuning van de gewapende jihadstrijd in Syrië. In Hoofdstuk 8 is geconcludeerd dat de gewapende jihadstrijd in Syrië het plegen van terroristische misdrijven inhoudt en dat verdachten zich hiervan bewust waren. Hieruit moet dan ook volgen dat de organisatie mede het oogmerk heeft gehad tot het financieren van terrorisme.

140a ad D: oogmerk tot voorbereiding en/of bevordering van brandstichting, moord en/of doodslag met terroristisch oogmerk

18.129 De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat het oogmerk van de “gewone” criminele organisatie (mede) was gericht op

A) opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië;

B) verspreiden van geschriften die daartoe opruien;

E) werven voor deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en

H) financieren van deze strijd.

18.130 De rechtbank herhaalt dat de gewapende jihadstrijd in Syrië, zoals onder in Hoofdstuk 8 overwogen, het plegen van terroristische misdrijven, zoals het teweegbrengen van een ontploffing, moord en doodslag met terroristisch oogmerk, inhoudt.

18.131 De rechtbank dient thans nog te beoordelen of de organisatie het oogmerk heeft gehad om de gewapende jihadstrijd in Syrië voor te bereiden en/of te bevorderen. Het juridisch kader ter zake is uiteengezet in Hoofdstuk 15. Allereerst zal worden bezien of de al bewezenverklaarde oogmerken onder de definities van voorbereiden en/of bevorderen vallen van artikel 96, tweede lid, Sr.

Overeenkomsten met al bewezenverklaarde oogmerken

Sub 1: door te trachten anderen te bewegen tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië

18.132 De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaring van de hiervoor genoemde oogmerken A, B en E meebrengt dat de organisatie ook het oogmerk heeft gehad om de gewapende jihadstrijd in Syrië te bevorderen door te trachten anderen te bewegen tot deelname daaraan.

Sub 2: door te trachten zich of anderen middelen te verschaffen tot deelname aan gewapende jihadstrijd in Syrië

18.133 De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaring van de hiervoor genoemde oogmerk H meebrengt dat de organisatie ook het oogmerk heeft gehad om de gewapende jihadstrijd in Syrië te bevorderen door te trachten zich of anderen middelen te verschaffen tot deelname daaraan.

Oogmerk uit overige bevorderings- en/of voorbereidingsmiddelen?

18.134 De rechtbank zal tevens moeten beoordelen of nog niet besproken gedragingen van de verdachten in het kader van de organisatie en gezamenlijk handelen vanuit de organisatie nog meer (strafbare terroristische) oogmerken opleveren. Daarbij moet vooral worden gedacht aan de overgebleven in artikel 96, tweede lid, Sr genoemde bevorderings- en/of voorbereidingsmiddelen tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De rechtbank zal dus moeten bezien of de organisatie het oogmerk heeft gehad om personen inlichtingen en de gelegenheid te verschaffen om deel te gaan nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Het dossier bevat daarvoor de volgende aanwijzingen.

Het beschikken van de organisatie over inlichtingen en gelegenheid

18.135 De rechtbank stelt voorop dat al bewezen is dat de organisatie – kort gezegd – tot doel had om te ronselen voor deelname aan die gewapende jihadstrijd via zowel persoonlijke gesprekken als activiteiten op internet. De rechtbank acht het bij die vaststelling illusoir dat de organisatie niet ook werd benaderd of zij die reis ook kon faciliteren. In dat licht beziet zij ook de opmerkingen van Azzedine C. dat “mensen dachten dat hij een soort van airline had”783 en van Rudolph H. dat DWR benaderd werd met vragen over hoe naar Syrië te komen.

18.136 In Hoofdstuk 17 is bewezenverklaard dat Soufiane Z. zijn broer Anis Z. vanaf 24 maart 2013 heeft geholpen bij het uitreizen naar Syrië. Daar waren ook de gebruikers van een Nederlands en een Syrisch telefoonnummer bij betrokken. Op 31 maart 2013 hebben Azzedine C. en Soufiane Z. zelf proberen uit te reizen naar Syrië, terwijl zij in het bezit waren van deze zelfde telefoonnummers. Tevens hadden zij op dat moment de beschikking over de (Syrische) telefoonnummers van Hicham el O. en Anis Z., die, zoals in Hoofdstuk 17 bewezenverklaard, meerdere latere strijders bij de grens van Syrië hebben opgehaald. De rechtbank merkt op dat voorafgaand aan en tijdens hun uitreis, gelet op de complexiteit van de onderneming, wel afstemming en overleg tussen Soufiane Z. en Azzedine C. moet hebben plaatsgevonden. Gelet op de verdeling van het geld en de goederen hebben zij daarin ook beiden een aandeel gehad. Daarmee staat bovendien vast dat Azzedine C. en Soufiane Z. weliswaar geen “airline’ hadden, maar wel de beschikking hadden over en op de hoogte waren van de mogelijkheden om het uitreizen te faciliteren. Dit vormt dan ook een belangrijke aanwijzing voor betrokkenheid van de organisatie daarbij.

Advies tot heimelijkheid


18.137 Getuige 1 heeft aangegeven dat hij vermoedde dat de broeders voorzichtig waren met het geven van informatie over en mogelijkheden tot het uitreizen naar Syrië;784 informatie en mogelijkheden waarvan de rechtbank zojuist heeft vastgesteld dat zij daar wel over beschikten. Dit vermoeden van Getuige 1 wordt bevestigd door een bericht dat Azzedine C. op 1 december 2013 op zijn Facebookaccount plaatste. In dit bericht legde hij uit dat het reizen naar Syrië niet strafbaar is, maar het aansluiten bij “Jobha Nosra” en “ISIS” wel strafbaar zou kunnen zijn. Zijn broederlijke advies was daarom “om geen bewijzen bij je te hebben, of te praten via internet over waar je naar toe gaat of bij wie jij je gaat aansluiten of wilt aansluiten”. Onder aan het bericht stond “Wees slimmer dan deze dieren! En… nog een prettige reis bij het uitreizen naar Syrië”.785 Naast dat Azzedine C. hiermee praktische en juridische inlichtingen heeft gegeven hoe uit de handen van justitie te blijven bij het uitreizen, heeft hij immers ook de noodzaak tot heimelijkheid benadrukt. Op het moment van het plaatsen van dit bericht was het Facebookaccount van Azzedine C. bevriend met dat van Rudolph H. en Oussama C. .786

18.138 De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat de organisatie over de inlichtingen en gelegenheid beschikte om anderen te laten afreizen naar Syrië om aldaar deel te kunnen nemen aan de gewapende jihadstrijd. Het verschaffen van de inlichtingen en gelegenheid zal heimelijk hebben plaatsgevonden.

Betrokkene 4

18.139 In Hoofdstuk 17 is al bewezenverklaard dat Betrokkene 4 op 25 juni 2013 richting Syrië is vertrokken en daar op 27 juni 2013 is aangekomen. In het voortraject van zijn uitreis heeft Getuige 1 aan Betrokkene 4 gevraagd of hij naar Syrië wilde uitreizen, waarop deze antwoordde dat dit soort dingen met de broeders “onder de tafel werd besproken”.787 Dit wijst duidelijk op een voorafgaande afstemming en overleg binnen de groep broeders van Hondius en Frankies, over wie Getuige 1 heeft verklaard. Daarnaast blijkt Betrokkene 4 voorafgaand aan zijn uitreis op 9 en 12 mei 2013 met Soufiane Z.,788 op 7 juni 2013 met Azzedine C. 789 en tussen 9 mei en 23 juni 2013 met Oussama C. 790 telefonische contacten te hebben gehad. Gelet op het voorgaande moet er niet raar van worden opgekeken dat er in dit soort telefonische contacten geen inlichtingen werden verschaft. Toch ziet de rechtbank daar, in combinatie met het volgende, met betrekking tot het oogmerk van de organisatie wel voldoende bewijs voor.

18.140 In Hoofdstuk 17 al overwogen dat Betrokkene 4 op 27 juni 2013 door de organisatie aan Syrische zijde, op dat moment bestaande uit Hatim R., Anis Z. en Hicham el O., na overleg en afstemming met Soufiane Z. vanuit Nederland, is opgehaald bij de Turks-Syrische grens. Azzedine C. en Soufiane Z. hebben in mei en juni 2013 veelvuldig telefoon- en Skypegesprekken met de zich in Syrië bevindende leden van de organisatie gehad.791 Opvallend hierbij is dat Soufiane Z. in de telefoongesprekken op 27 juni 2013 aangaf dat hij naar een broeder zou gaan die op dat moment nog wel contact zou hebben met de zich in het grensgebied tussen Turkije en Syrië bevindende Betrokkene 4. Tijdens het daaropvolgende gesprek, waarin hij zegt dat hij deze broeder net heeft gesproken, straalde de telefoon van Soufiane Z. een telefoonmast aan in de Schilderswijk in Den Haag.792 Dit betekent dat, zeker in combinatie met de verklaring van Getuige 1 en de hiervoor aangenomen informatiepositie van de organisatie, naast de organisatie in Syrië ook Haagse broeders, onder wie in ieder geval Soufiane Z., wetenschap hadden van en betrokken waren bij het uitreizen van Betrokkene 4. Daarmee kan ook worden gezegd dat er binnen de organisatie afstemming heeft plaatsgevonden en plannen zijn beraamd om het uitreizen naar Syrië te faciliteren. De organisatie heeft dan ook oogmerk gehad uitreizigers daartoe te faciliteren.

Betrokkene 5

18.141 De rechtbank ziet voor het voorgaande ook nog ondersteuning in het uitreizen van Betrokkene 5 op 5 oktober 2013, zoals in Hoofdstuk 17 beschreven, nu hij op 8 september 2013 aanwezig was bij het Hondiusincident en zich dus als Haagse broeder binnen de invloedsfeer van de organisatie bevond. Ook had hij op 15 en 17 september 2013 telefonisch contact met Oussama C. .793 Bij het uitreizen van Betrokkene 5 heeft Soufiane Z. vanuit Nederland wederom een coördinerende rol vervuld, waarbij hij het ophalen van Betrokkene 5 bij de grens met onder meer Hatim R. heeft afgestemd. Ook Anis Z. was hier wederom bij betrokken.

Goederenlijst

18.142 Naast zijn betrokkenheid bij het ophalen van strijders aan de grens heeft Hatim R., zoals in Hoofdstuk 17 is beschreven, op 1 juli 2014 “een lijst voor de broeders die InshaAllah van plan zijn om naar Syrië te gaan en wat handig is om mee te nemen” op Facebook gepost. In deze lijst worden goederen genoemd die van pas komen tijdens de “ribat” en het “slagveld”. De rechtbank is van oordeel dat Hatim R. hiermee inlichtingen heeft verschaft ter bevordering van de deelname aan de gewapende jihadstrijd. Op deze post wordt onder meer gereageerd door Azzedine C. 794 en Rudolph H. . Rudolph H. gaf onder meer aan dat hij de AK-47 (de rechtbank begrijpt: Kalasjnikov) miste.795 Uit het dossier kan worden afgeleid dat in ieder geval de later afgereisde Betrokkene 1 op het moment van het posten van deze goederenlijst met het Facebookaccount van Hatim R. was bevriend.796

Conclusie met betrekking tot het oogmerk uit overige bevorderings- en/of voorbereidingsmiddelen

18.143 De rechtbank is van oordeel dat in de organisatie afstemming heeft plaatsgevonden over het faciliteren van Syriëgangers bij het uitreizen. Niet alleen hebben Azzedine C. en Soufiane Z. elkaar bij hun mislukte poging daartoe gefaciliteerd, maar ook hebben zij hun contacten met het Syrische deel van de organisatie aangewend om Haagse broeders bij de grens op te laten halen. Uit het planmatige en bewust heimelijke karakter van deze lijn Den Haag-Syrië leidt de rechtbank af dat de organisatie het oogmerk heeft gehad om deelname aan de gewapende jihadstrijd te bevorderen door daartoe anderen gelegenheid en inlichtingen te verschaffen.

Conclusie met betrekking tot het oogmerk tot de organisatie

18.144 De rechtbank heeft onder 18.129 geconcludeerd dat het oogmerk van de “gewone” criminele organisatie (mede) gericht was op

A) opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië;

B) verspreiden van geschriften die daartoe opruien;

E) werven voor deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en

H) financieren van deze strijd.

18.145 Hieraan kan worden toegevoegd dat de organisatie ook het oogmerk had op het plegen van de terroristische misdrijven als omschreven in onderdeel D van de tenlastelegging met betrekking tot 140a Sr. Dit betreft de bevordering en/of voorbereiding van de terroristische misdrijven moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk.

18.146 Kort gezegd kan uit al deze oogmerken worden geconcludeerd dat het doel van de organisatie was om broeders (uit hun omgeving) af te laten reizen naar Syrië om aldaar deel te nemen aan de gewapende strijd. Daartoe zijn deze broeders niet alleen opgeruid en geworven, maar ook gefaciliteerd door het verschaffen van geld en goederen, inlichtingen en gelegenheid. Nu de deelname aan de gewapende strijd in Syrië terroristische misdrijven inhoudt heeft zij ook een terroristisch doel voor ogen gehad.

18.147 Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de hierboven beschreven organisatie mede het oogmerk had op de andere in de tenlastelegging genoemde misdrijven. Naar de rechtbank begrijpt vloeit dit in de visie van het Openbaar Ministerie voort uit de hiervoor bewezenverklaarde oogmerken. De rechtbank herhaalt dat onder oogmerk wordt verstaan het naaste doel. Wat het Openbaar Ministerie in de kern voorstaat, is dit op te rekken tot uit het naaste doel voortvloeiende verder verwijderde doelen. De rechtbank kan het Openbaar Ministerie hierin daarom niet volgen. Uit de afzonderlijke en gezamenlijke gedragingen van de verdachten, zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld, kan niet worden afgeleid dat het naaste doel van de organisatie mede op deze andere misdrijven gericht is geweest.797

Opvattingen van de verdachten

18.148 Als afsluitende opmerking over het oogmerk van de organisatie nog dit. De rechtbank heeft uit de gedragingen van de verdachten in het kader van de organisatie en het gezamenlijk handelen vanuit de organisatie de naaste doelen van de organisatie afgeleid. Voor de overtuiging dat de organisatie de hiervoor genoemde oogmerken heeft gehad, neemt de rechtbank echter wel mee dat deze naadloos passen in de gezamenlijke opvattingen van (de vaste kern van) deze organisatie, zoals in Hoofdstuk 10 omschreven. Deze opvattingen zijn niet alleen een bindmiddel geweest binnen de organisatie, maar vooral ook een inspiratiebron voor het handelen van de verdachten.

Deelneming aan de criminele (terroristische) organisatie, het juridisch kader

18.149 Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk.798

18.150 Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.799 Voorbeelden daarvan zijn het verlenen van geldelijke bijdragen of andere stoffelijk steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie.800

18.151 Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Enig vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete misdrijven is niet vereist.801

Wat zijn de deelnemingshandelingen?

18.152 In al het voorgaande zijn de volgende deelnemingshandelingen beschreven:

  • -

    i) het faciliteren van een of meer bijeenkomsten (onder meer Adres en/of Hondius) waar werd opgeruid tot en/of werd geworven voor de gewapende jihadstrijd in Syrie;

  • -

    ii) het als spreker optreden of anderszins vervullen van een actieve, leidende en/of bepalende rol op bijeenkomsten (onder meer Hondius en/of Frankies) waar werd opgeruid tot en/of geworven werd voor de gewapende jihadstrijd in Syrië;

  • -

    iii) het mondeling verspreiden binnen of buiten de groep van de binnen de groep gedeelde opvattingen over de gewapende jihadstrijd in Syrië, waaronder is begrepen het werven daarvoor en het oproepen tot het martelaarschap;

  • -

    iv) het beheren van website en/of kanalen op sociale media waarop opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal werden geplaatst;

  • -

    v) het binnen of buiten de organisatie verspreiden en/of aanbevelen van (kanalen met) opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal;

  • -

    vi) het becommentariëren en/of aanleveren van informatie en/of bewerken en/of doen van suggesties voor de productie van opruiende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal en/of het verlenen van medewerking daaraan;

  • -

    vii) het vragen en/of geven van toestemming voor het plaatsen en/of het gebruik van opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal;

  • -

    viii) het fysiek tonen van opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal;

  • -

    ix) het inzamelen van geldelijke steun, in de vorm van geld en goederen, ten behoeve van (de deelnemers aan) de gewapende jihadstrijd in Syrië;

  • -

    x) het vervoeren en/of verdelen en/of vragen van geldelijke steun, in de vorm van geld en goederen, ten behoeve van (de deelnemers aan) de gewapende jihadstrijd in Syrië;

  • -

    xi) het verschaffen van inlichtingen en/of gelegenheid, in de vorm van simkaarten, contactgegevens, telefoonnummers en instructies, ter bevordering van (het in het strijdgebied brengen en/of het aansluiten van deelnemers bij) de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Deelnemingshandelingen per verdachte

18.153 Uit het voorgaande volgt tevens dat de verdachten de volgende deelnemingshandelingen hebben gepleegd:

 Azzedine C. : (i), (ii), (iii), (iv), (v), (vi), (ix), (x) en (xi), ziende op de oogmerken: opruiing, het verspreiden van opruiende geschriften, het werven voor de gewapende strijd, het financieren van terrorisme en het voorbereiden en/of bevorderen van de gewapende strijd;

 Rudolph H. : (i), (ii), (iv), (v), (vi) en (vii), ziende op de oogmerken: opruiing, het verspreiden van opruiende geschriften, het werven voor de gewapende strijd en het voorbereiden en/of bevorderen van de gewapende strijd bevorderen van de gewapende strijd;

 Oussama C. : (ii), (iii), (vi), (vii), (viii), ziende op de oogmerken opruiing, het verspreiden van opruiende geschriften, het werven voor de gewapende strijd en het voorbereiden en/of bevorderen van de gewapende strijd;

 Hatim R.: (iv), (v), (xi), ziende op de oogmerken opruiing, het verspreiden van opruiende geschriften en het voorbereiden en/of bevorderen van de gewapende strijd;

 Hicham el O.: (x) en (xi), ziende op de oogmerken: het financieren van terrorisme en het voorbereiden en/of bevorderen van de gewapende strijd;

 Anis Z.: (vi), (x) en (xi), ziende op de oogmerken: opruiing, het verspreiden van opruiende geschriften, het financieren van terrorisme en het voorbereiden en/of bevorderen van de gewapende strijd.

18.154 In het voorgaande ligt tevens besloten dat dat verdachten, van wie deelnemingshandelingen zijn vastgesteld, in zijn algemeenheid wisten dat zij hiermee bijdroegen aan een organisatie die tot doel had om op te ruien tot, te werven voor de gewapende jihadstrijd in Syrië en de deelnemers daaraan te faciliteren. Zij hebben immers afzonderlijk en gezamenlijk misdrijven daartoe gepleegd en hebben met betrekking tot de per verdachte genoemde deelnemingshandelingen met elkaar overlegd en hun handelen op elkaar afgestemd. Dit betekent ook dat zij (globaal) van elkaars gedragingen op de hoogte waren. Daarnaast betroffen hun gedragingen telkens dermate actief handelen dat het doel hiervan, naar uiterlijke verschijningsvorm, daarin besloten lag. Deze verdachten moeten zich ervan bewust zijn geweest dat zij hiermee het doel hadden om terroristische misdrijven te plegen. Deze handelingen hebben ook telkens de verwezenlijking van het oogmerk (opruien, werven of faciliteren) van de organisatie dichterbij gebracht. Zij hebben de realisatie van de doelen van de organisatie immers (mede) mogelijk gemaakt, versterkt en gefaciliteerd.

18.155 De rechtbank merkt op dat zij voor Jordi de J. geen deelnemingshandeling heeft kunnen vaststellen, nu hij ten tijde van zijn uitreis naar Syrië en zijn verblijf in Syrië nog niet behoorde tot het samenwerkingsverband. Toen hij vanaf eind 2013 wel daartoe behoorde, heeft hij geen actieve handelingen verricht die het oogmerk van de organisatie hebben ondersteund: het enkele aanwezig zijn tijdens de gesprekken bij Frankies is daarvoor onvoldoende. Jordi de J. heeft verder alleen deelgenomen aan volstrekt legale activiteiten zoals het doen van da’wah, die de criminele doelen van de organisatie niet hebben gediend. Dit levert vanzelfsprekend dan ook geen deelneming aan de organisatie op.

18.156 Voor Moussa L. geldt ook dat het enkele aanwezig zijn tijdens bijeenkomsten, waar werd opgeruid of geworven, zonder daarbij een actieve rol te spelen, het criminele doel van de organisatie niet dichterbij heeft kunnen brengen. Dit moet voorts gelden voor de door hem gepleegde opruiing, nu bij zijn plegen daarvan geen enkele link met de organisatie valt te leggen. Zo heeft de rechtbank niet vast kunnen stellen dat hij berichten van deelnemers aan de organisatie heeft verspreid. Ook voor hem moet gelden dat de overige activiteiten van de organisatie waarbij Moussa L. actief betrokken was, legaal waren en ook verder niet het doel van de organisatie dichterbij hebben kunnen brengen.

Conclusie met betrekking tot de criminele (terroristische) organisatie

18.157 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat Azzedine C. , Rudolph H., Oussama C. , Hatim R., Hicham el O. en Anis Z. hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft het plegen van zowel “gewone” misdrijven (opruiing tot terroristische misdrijven en verspreiding geschriften die daartoe opruien, het werven voor de gewapende jihadstrijd in Syrië en de financiering daarvan) als terroristische misdrijven (het bevorderen en/of voorbereiden van die gewapende jihadstrijd door (zich en) anderen daartoe te bewegen en inlichtingen, gelegenheid en middelen te verschaffen).

19 Overige feiten Azzedine C.
09/765004-15, feit 1: haat zaaien en/of belediging802

19.1

Aan Azzedine C. wordt – kort gezegd – verweten dat hij bij gelegenheid van twee demonstraties heeft aangezet tot haat en discriminatie van en geweld tegen de Joodse bevolking (artikel 137d, eerste lid, Sr) en dat hij de Joodse bevolking heeft beledigd (artikel 137c, eerste lid, Sr).

Demonstratie 4 juli 2014

19.2

Op 4 juli 2014 vond er een demonstratie plaats op het Hobbemaplein in Den Haag. Deze demonstratie was bij de gemeente Den Haag aangemeld door Azzedine C. . In de aanmelding heeft Azzedine C. te kennen gegeven dat tijdens de demonstratie zou worden opgekomen voor ‘islamitische gedetineerden’. Beelden van deze demonstratie zijn uitgezonden in de media.803 Tijdens de demonstratie is door – onder meer – Azzedine C. het volgende geroepen (in een microfoon): ‘Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud’. Dit betekent zoveel als: ‘Khaybar Khaybar, wee oh Joden, het leger van Mohamed zal terugkeren’. De woorden van Azzedine C. werden, na door hem te zijn uitgesproken, door meerdere demonstranten herhaald.804

19.3

In een telefoongesprek dat kort voorafgaand aan genoemde demonstratie door Azzedine C. met Betrokkene 56 werd gevoerd, zegt Azzedine C. op de vraag van Betrokkene 56 of er vlaggen moeten worden meegenomen of niet, het volgende: ‘ja ja, je moet alles meenemen’.805

19.4

Op beelden van de demonstratie is een tawheedvlag zichtbaar.806

19.5

In de beelden die van de demonstratie in de media zijn uitgezonden, hebben drie personen aanleiding gezien om aangifte te doen van bedreiging en/of discriminatie van de Joodse bevolkingsgroep. Volgens één van de aangevers is tijdens de demonstratie ook het volgende geroepen: ‘Joden, herinneren jullie van er in Kaiba gebeurd is en het leger van Mohammed komt er aan’. Een andere aangever heeft verklaard dat er ook is geroepen; ‘Al Mauta Lil Yahud’ hetgeen zoveel betekent als ‘dood aan de Joden’.807
Demonstratie 24 juli 2014

19.6

Op 24 juli 2014 vond er op de Hoefkade in Den Haag een demonstratie plaats. Ook deze demonstratie was bij de gemeente Den Haag aangemeld door Azzedine C. . Tijdens de demonstratie zou, volgens Azzedine C. bij die aanmelding, worden opgekomen voor ‘de Palestijnse zaak’. Tijdens deze demonstratie, waarvan beelden zijn uitgezonden in de media,808 is – onder meer – (al dan niet meerdere keren) het volgende geroepen:

 ‘ ‘Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud’;

 ‘ ‘Sakhan Sakhan, ya yahud, jaishu Mohammed sa ya’ud hetgeen zoveel betekent als ‘de hel/vernietigend/verpletterend, wee oh Joden, Mohammad’s leger zal terugkeren’;

 ‘ ‘Almawt almawt almawtu liljahud’ hetgeen zoveel betekent als ‘de dood de dood de dood aan de joden’;

 ‘ ‘Al mawt lil jahoed’ hetgeen zoveel betekent als ‘dood aan de joden’;

 ‘ ‘Zaggim zaggim ja jahoed, djaish-e-Muhamad sajaoed’ hetgeen zoveel betekent als ‘stink-stinkjoden, het leger van Mohammed zal terugkeren’;

 ‘ ‘(…) moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile joden te geven’;

 ‘ ‘Wij blijven spreken totdat Shaam gezuiverd wordt van deze Joden’;

 ‘ ‘Dood aan de Zionist. Vuile Joden. Dood aan de Zionist’;

 ‘ ‘Israël, go to hell’.809

19.7

Eén van de personen die tijdens de demonstratie ‘Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud’ riep, was Azzedine C. . Hij gebruikte daarbij een microfoon. Hij deed deze uitspraak meerdere keren en de groep om hem heen herhaalde deze uitspraak.810 De uitspraak ‘(…) moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile joden te geven’ is ook door Azzedine C. gedaan.811

19.8

Enkele demonstranten hielden tijdens de demonstratie vlaggen vast. Het betrof zowel tawheedvlaggen als zegelvlaggen.812

19.9

Uitzending van de beelden van deze demonstratie heeft geleid tot aangiftes van acht personen die te kennen hebben gegeven dat zich door de uitingen die tijdens de demonstratie zijn gedaan, bedreigd of beledigd te voelen of te hebben gevoeld dan wel die menen dat er tijdens die demonstratie is aangezet tot haat en geweld tegen en discriminatie van Joden. Twee van deze aangevers hebben verklaard dat één van de sprekers tijdens de demonstratie het volgende heeft gezegd: ‘Er komt een dag dat ik zeg, er zit een Jood achter je, vermoord hem’. Volgens één van deze aangevers is door de menigte ook geroepen: ‘Dood aan de Joden en dood aan Israël’.813

19.10

Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. Wel bestaat discussie over de vraag of (ook) bewezen kan worden dat, zoals door twee van de aangevers is verklaard, tijdens de demonstratie van 24 juli 2014 (herhaaldelijk) de Hitlergroet is gebracht.


Medeplegen?
19.11 Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de uitspraken ‘Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud’ en ‘(…) moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile joden te geven’ (rechtstreeks) aan Azzedine C. worden toegeschreven. De overige tijdens de demonstraties gedane uitspraken zijn niet van Azzedine C. afkomstig.

19.12

De rechtbank zal allereerst beoordelen, nu dit een twistpunt is tussen de officieren van justitie en de verdediging, of Azzedine C. als medepleger kan worden aangemerkt van de uitingen die niet door hemzelf zijn gedaan. Daarbij is van belang dat voor medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking met een ander of anderen vereist is. Om van een dergelijke samenwerking te kunnen spreken is het niet noodzakelijk dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Hij moet echter wel een bijdrage hebben geleverd aan het delict. Een bewuste en nauwe samenwerking kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid van de verdachte(n) ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. Het enkele zich niet distantiëren kan geen medeplegen opleveren, maar dient in combinatie met een blijkende betrokkenheid te bestaan.814

19.13

In het dossier bevindt zich niets wat duidt op enig overleg of enige afstemming vooraf tussen Azzedine C. en de overige deelnemers aan de demonstraties over hetgeen tijdens die demonstraties gezegd zou gaan worden. Uit het enkele feit dat Azzedine C. beide demonstraties heeft georganiseerd en hij tijdens die demonstraties een zekere voortrekkersrol vervulde, kan dit ook niet worden afgeleid. Het dossier bevat ook onvoldoende aanwijzingen die er op (kunnen) duiden dat Azzedine C. de uitingen die door anderen zijn gedaan, heeft gehoord of heeft moeten horen (bijvoorbeeld vanwege de plaats waar hij zich toen bevond). Dit maakt ook dat niet gezegd kan worden (zoals de officieren van justitie hebben gedaan) dat Azzedine C. had moeten ingrijpen en/of zich nadien van de gedane uitlatingen had moeten distantiëren. Als het gaat om de demonstratie van 24 juli 2014, is voorts van belang dat ook enkele van de aanwezige agenten hebben aangegeven niet altijd goed te hebben kunnen verstaan wat er gezegd werd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat tussen Azzedine C. en de overige deelnemers aan de demonstraties die ook leuzen hebben geroepen een zodanig bewuste en nauwe samenwerking bestond dat van medeplegen kan worden gesproken. In zoverre moet dan ook vrijspraak van het tenlastegelegde volgen. Gelet hierop kan onbesproken blijven of kan worden bewezen dat tijdens de demonstratie van 24 juli 2014 (meermalen) de Hitlergroet is gebracht.

19.14

Wat hiervoor is overwogen over de tijdens de demonstraties door anderen dan Azzedine C. gedane uitingen, geldt ook voor de tijdens de demonstratie van 24 juli 2014 gevoerde vlaggen. Als het gaat om de vlaggen die tijdens de demonstratie van 4 juli 2014 te zien waren, kan naar het oordeel van de rechtbank, niettegenstaande de inhoud van het hierboven weergegeven telefoongesprek, ook geen medeplegen door Azzedine C. worden aangenomen. Uit dit telefoongesprek kan immers niet worden afgeleid dat Betrokkene 56, die vraagt of hij vlaggen moet meenemen, toen al wist welke uitlatingen Azzedine C. tijdens de demonstratie zou gaan doen.

19.15

Het voorgaande neemt niet weg dat kan worden aangenomen dat Azzedine C. , die tijdens beide demonstraties immers een voortrekkersrol vervulde, met de door hem gedane uitingen een ‘trigger’ heeft gevormd voor andere deelnemers daaraan om ook leuzen te gaan roepen. Dit is een omstandigheid die de rechtbank hierna (bij de strafmaat) nog zal meewegen.

Juridisch kader
19.16 In het eerste lid van artikel 137d Sr is het volgende bepaald:

Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

19.17

De tekst van artikel 137c, eerste lid, Sr, luidt als volgt:

Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

19.18

Het, onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een veroordeling ter zake van artikel 137d Sr onderscheidenlijk 137c Sr in de weg indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.

19.19

Waar het de artikelen 137d Sr en artikel 137c Sr betreft, begint de strafbaarheid waar kritiek ontaardt in het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld of het aantasten van de eer en goede naam van groepen mensen wegens het enkele feit dat de leden daarvan (voor zover in deze zaak van belang) van een ras zijn of de godsdienst belijden, waartegen de kritiek gericht is.

19.20

Specifiek ten aanzien van artikel 137d Sr geldt verder het volgende. ‘Aanzetten’ is het iemand (trachten te) bewegen in een bepaalde (mentale) richting te gaan. Het omvat mede iemand aansporen tot laakbaar gedrag en ook kan men denken aan opstoken of ophitsen815. Er is sprake van ‘aanzetten tot haat’ indien uitlatingen een intrinsiek conflictueuze tweedeling schetsen waarvan geweld en discriminatie van een groep mensen een redelijkerwijs te verwachten gevolg kan zijn.816 De term ‘discriminatie’ is gedefinieerd in artikel 90quater Sr: ‘Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast’. ‘Gewelddadig optreden’ omvat vele soorten gedragingen die – indien daadwerkelijk gepleegd – delicten van uiteenlopende aard kunnen opleveren.817

19.21

Of een scherp getoonzet debat overgaat in het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld hangt sterk af van de context waarin de uitlating wordt gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het maatschappelijk debat.818

19.22

Als het gaat om artikel 137c Sr is het toetsingskader als volgt. Beoordeeld moet worden of de betreffende uitlating:

 op zichzelf beledigend is voor een groep mensen wegens één van de in artikel 137c Sr genoemde kenmerken (waarbij niet alleen naar de letterlijke bewoordingen moet worden gekeken, maar ook naar de samenhang met de rest van de uiting) en zo ja,

 of de context waarin de uitlating is gedaan het beledigend karakter wegneemt en, indien dit het geval is,

 of de uitlating niettemin onnodig grievend is.819

19.23

Wat hiervoor over de context van het maatschappelijk debat is gezegd, geldt ook hier.820

De uitlatingen van Azzedine C.

19.24

De rechtbank zal allereerst de uitspraak ‘Khaybar Khaybar, wee oh Joden, het leger van Mohamed zal terugkeren’ aan een beoordeling onderwerpen.

19.25

Deze uitspraak verwijst naar een gebeurtenis in het leven van de profeet Mohammed in het jaar 628 na Christus. In dat jaar werd Khaybar, een joods stadje gelegen in de buurt van Medina, door het leger van de profeet aangevallen. Vele inwoners van Khaybar werden hierbij gedood.821

19.26

Met het doen van de uitspraak ‘Khaybar Khaybar, wee oh Joden, het leger van Mohamed zal terugkeren’ worden Joden herinnerd aan de gebeurtenissen in Khaybar, waarbij door het leger van de profeet Mohammed geweld werd gebruikt. Hen wordt voorts een herhaling van deze gebeurtenissen in het vooruitzicht gesteld. In de uitspraak ligt ook een aansporing besloten voor anderen om (georganiseerd) geweld tegen Joden te begaan. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het aanvullend rapport van deskundige Peters.822

19.27

De context waarin de uitspraak is gedaan draagt naar het oordeel van de rechtbank voorts bij aan voorgaande conclusie. Zo zijn er allereerst de uitlatingen die tijdens de demonstratie door anderen zijn gedaan; deze roepen, vrijwel zonder uitzondering, op om Joden te doden. Ook Azzedine C. heeft zich niet beperkt tot het doen van de uitspraak die thans aan de orde is; hij heeft immers ook de woorden ‘vuile joden’ gebezigd. Van belang zijn voorts de tijdens de demonstraties gebruikte vlaggen. Deze stonden in de tijd waarin de demonstraties plaatsvonden symbool voor IS. De leider van IS had in Syrië het kalifaat uitgeroepen, een samenleving waarin geen plaats is voor mensen die een ander geloof aanhangen dan het islamitische geloof. Ook de wijze waarop de uitspraak is gedaan, namelijk meerdere keren en met behulp van een microfoon, is van belang alsmede de omstandigheid dat de uitspraak door andere deelnemers aan de demonstraties werd overgenomen door deze ook te roepen.

19.28

Door de verdediging is aangevoerd, en ook Azzedine C. zelf heeft dit naar voren gebracht, dat de gewraakte uitlating moet worden bezien tegen de achtergrond van het teken waarin de demonstraties stonden, namelijk die van het conflict in Gaza in juli en augustus 2014, waarbij vele Palestijnen het leven hebben verloren. Aldus bezien, wordt het eventueel strafwaardig karakter aan de uitlating ontnomen, aldus de verdediging en Azzedine C. . Op dit punt overweegt de rechtbank als volgt.

19.29

De demonstratie van 4 juli 2014 had het conflict in Gaza niet als thema; er werd opgekomen voor (het lot van) islamitische gedetineerden. Het betoog faalt reeds hierom, als het gaat om die demonstratie. Wat de demonstratie van 24 juli 2014 betreft, geldt het volgende. In de uitspraak komen de woorden ‘Israël’ of ‘Gaza’ niet voor. Van belang is voorts dat de uitspraak ‘Khaybar, Khaybar Khaybar, wee oh Joden, het leger van Mohamed zal terugkeren’ vaker door Azzedine C. is gedaan, ook buiten het verband van demonstraties die in het teken stonden van de situatie in Israël, namelijk tijdens de demonstratie van 4 juli 2014 en ook tijdens de demonstratie op het Museumplein in Amsterdam op 16 september 2012.823 In dit verband komt ten slotte betekenis toe aan hetgeen hiervoor is overwogen over hetgeen door de andere deelnemers aan de demonstratie is geroepen en over de aldaar gevoerde vlaggen.

19.30

De rechtbank is, gezien het voorgaande, van oordeel dat Azzedine C. met de uitspraak ‘Khaybar, Khaybar, wee oh Joden, het leger van Mohamed zal terugkeren’ heeft aangezet tot haat en geweld tegen Joden. In de uitspraak leest de rechtbank geen oproep om Joden te discrimineren en van het onderdeel van de tenlastelegging dat hierop betrekking heeft, zal Azzedine C. dan ook worden vrijgesproken. De rechtbank is voorts van oordeel dat ook niet worden gezegd dat Azzedine C. met het doen van de uitspraak de eer en/of goede naam van de Joodse bevolking heeft aangetast en hen aldus heeft beledigd. Ook in zoverre zal vrijspraak volgen.

19.31

De door Azzedine C. gebezigde woorden ‘vuile joden’ bergen een evidente belediging in zich; Joden worden hiermee immers als inferieur neergezet. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de uitspraak waarin deze bewoordingen voorkomen (‘(…) moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile joden te geven’)824 ook aanzet tot haat en/of geweld en/of discriminatie tegen/van Joden. Azzedine C. zal daarom van het onderdeel van de tenlastelegging dat hierop betrekking heeft, worden vrijgesproken.

09/765004-15, feit 2: smaadschrift 825

19.32

Op 27 juli 2014 heeft Azzedine C. op één van zijn Twitteraccounts een foto geplaatst van wijkagent, gekleed in politie-uniform. Wijkagent was destijds werkzaam op het bureau Hoefkade van de politie Eenheid Den Haag. Wijkagent houdt op de betreffende foto één zijde van een tawheed-vlag vast. Bij de foto heeft Azzedine C. een bijschrift geplaatst, dat als volgt luidt: ‘De agenten op hoefkade deden hard mee met anti-joden protest, zoals het genoemd werd. Zelfs met ‘ISIS vlag’ wapperen!’. De foto is gemaakt tijdens de hiervoor (in hoofdstuk 18) genoemde demonstratie die plaatsvond op de Hoefkade in Den Haag op 24 juli 2014.826

19.33

Op 31 juli 2014 heeft Wijkagent aangifte gedaan van belediging.827 In haar aangifte vermeldt Wijkagent dat zij zich door het plaatsen van de foto met bijschrift in haar eer en goede naam aangetast voelt. Wijkagent vermeldt in haar aangifte ook dat zij tijdens de demonstratie in discussie geraakte met iemand die een tawheed-vlag om haar schouders wilde leggen en dat zij, in een poging om deze persoon hiervan te weerhouden, de vlag (mogelijk) heeft vastgepakt of weggeduwd.

19.34

Het plaatsen op Twitter van voornoemde foto met bijschrift is aan Azzedine C. tenlastegelegd als smaadschrift.

19.35

Volgens de officieren van justitie kan de gedraging van Azzedine C. als smaadschrift bewezen worden. De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat naar haar oordeel het verspreiden van de foto met bijschrift het algemeen belang en het maatschappelijk debat dient en het bijschrift ‘sarcastisch’ geformuleerd is.

19.36

De rechtbank overweegt als volgt.

19.37

Door opzettelijk iemands eer of goede naam aan te randen door aan hem een bepaald feit ten laste is leggen met het kennelijke doel van ruchtbaarheid, stelt de dader zich bloot aan vervolging voor het plegen van smaad (artikel 261 lid 1 Sr). Wordt er smaad gepleegd door geschriften of afbeeldingen publiek te maken, dan kan er sprake zijn van het qua strafbedreiging zwaardere smaadschrift (artikel 261 lid 2 Sr).

19.38

De termen ‘eer’ en ‘goede naam’ kunnen omschreven worden als de erkenning van iemands morele integriteit. Tenlastelegging van een bepaald feit betekent de beschuldiging van een bepaald feit. Dit feit moet geschikt zijn om iemands integriteit aan te tasten. Het moet ook gaan om een feit dat naar huidig recht te kwalificeren is als misdrijf of als feit dat binnen de rechtsgemeenschap als moreel verwerpelijk wordt beschouwd.828 Het dient ook een ‘bepaald feit’ te zijn; het feit moet een duidelijk te onderkennen, concrete historische gedraging aanwijzen.829 Niet van belang is of de beschuldiging al dan niet ‘waar’ is.830 De dader moet andermans eer of goede naam opzettelijk aanranden; het gaat er hierbij met name om dat de dader wetenschap had van het beledigende karakter van zijn uiting.831 De pleger van smaad moet verder de kennelijke bedoeling hebben de beschuldiging ter kennis van een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden te brengen.832 Heden ten dage kan dit, vanzelfsprekend, ook plaatsvinden via social media. De context waarin de smadelijke uitlating is gedaan, kan het smadelijk karakter wegnemen.833

19.39

Als geschrift in de zin van artikel 261 lid 2 Sr wordt aangemerkt informatie die op duurzame en leesbare wijze is vastgelegd. Ook elektronisch doorgegeven informatie kan een geschrift zijn. Foto’s zijn onder meer als afbeeldingen te beschouwen. Van verspreiden is sprake indien er meerdere exemplaren van het geschrift of de afbeeldingen in meerdere handen terechtkomen.834

19.40

Hiervoor (in hoofdstuk 18) heeft de rechtbank geoordeeld dat Azzedine C. zich tijdens de demonstratie van 24 juli 2014 heeft schuldig gemaakt aan het aanzetten tot haat en geweld jegens de Joodse bevolking door ‘Khaybar Khaybar, wee oh Joden, het leger van Mohamed zal terugkeren’ te roepen en belediging van de Joodse bevolking door zich te bedienen van de woorden ‘vuile joden’. Hierbij heeft de rechtbank – onder meer – de uitingen van andere demonstranten meegewogen alsook het voeren tijdens de demonstratie van tawheed- en zegelvlaggen. In het bijschrift bij de hiervoor genoemde foto beschuldigt Azzedine C. Wijkagent ervan aan deze demonstratie te hebben deelgenomen en zich tijdens die demonstratie aan vergelijkbare feiten (als die hem worden verweten) te hebben schuldig gemaakt. Hiermee valt Azzedine C. , zoals ook kan worden opgemaakt uit de aangifte van Wijkagent, de reputatie aan die een wijkagent in het maatschappelijk verkeer geniet. Uit de aangifte van Wijkagent en uit de foto blijkt ook evident dat een beschuldiging als door Azzedine C. gedaan niet op waarheid berust.835

19.41

Dat Azzedine C. zich bewust was van het beledigende karakter van zijn uiting leidt de rechtbank niet alleen af uit de aard en ernst van de geuite beschuldiging, maar ook uit het gekozen medium en uit één van de reacties die Azzedine C. op Twitter heeft geplaatst naar aanleiding van een bericht van een andere gebruiker van Twitter. Deze gebruiker gaf in dat bericht aan dat het overduidelijk was dat Wijkagent de tawheedvlag probeerde af te pakken, waarop Azzedine C. reageert met de mededeling dat dit, overduidelijk, niet haar bedoeling was (‘deze manwijf wilde er mee op de foto, dwaasje’).836

19.42

Door het bericht op één van zijn Twitteraccounts te plaatsen, heeft Azzedine C. kennelijk ruchtbaarheid aan de door hem geuite beschuldiging gegeven. Het bericht op Twitter kan ook als een geschrift, gecombineerd met een afbeelding, worden aangemerkt en van verspreiden is eveneens sprake. Bij dit alles heeft de rechtbank meegewogen dat op de foto met bijschrift door andere gebruikers van Twitter is gereageerd.

19.43

Door de verdediging is betoogd dat Azzedine C. met het plaatsen van het bericht het optreden van de politie aan de kaak heeft willen stellen en het plaatsen van het bericht daarom het algemeen belang en het maatschappelijk debat dient. De rechtbank ziet echter niet in, mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen, dat het in deze gaat om een uitlating die in een democratie van publiek belang is. Azzedine C. heeft dit ook niet kunnen uitleggen.

19.44

De rechtbank is verder van oordeel dat de gestelde sarcastische toon niet meebrengt dat van smaad geen sprake (meer) kan zijn. Daarbij is ook van belang dat niet valt in te zien dat het doel van de het bericht het algemeen belang of het maatschappelijk debat diende. Overigens is in de reacties die Azzedine C. heeft geplaatst op berichten van andere gebruikers van Twitter geen sarcasme meer te ontwaren; de rechtbank verwijst in dit verband naar de hierboven (onder 19.41) genoemde reactie en zij merkt voorts op dat Azzedine C. in één van zijn reacties ook heeft gezegd ‘dat hij haar [Wijkagent, toevoeging rechtbank] ook haat’.

19.45

De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat Azzedine C. zich aan smaadschrift heeft schuldig gemaakt.

20 Overige feiten Moussa L.

09/767238-14, feit 3: belediging

20.1

Op 10 augustus 2014 deden Agent 1 en Agent 2, beiden agent van de politie Eenheid Den Haag, aangifte van belediging van een ambtenaar in functie. Zij reden die dag op de Hoefkade in Den Haag. Zij waren in functie als politiefunctionaris, maar in burger gekleed en dus niet als zodanig herkenbaar. Op de Hoefkade zagen zij twee personen lopen die zij ambtshalve herkenden als Moussa Moussa L. en Betrokkene 54. Moussa L. kwam hun kant op en naderde het voertuig tot een meter. Op dat moment stond de hele Hoefkade vol met mensen. Het portierraam van de auto van verbalisanten was geopend. Moussa L. keek de agenten aan en stak zijn middelvinger op. Daarbij schreeuwde hij hard “kankerhonden”.837 Van het incident zijn opnames gemaakt. Deze zijn veiliggesteld. Een afdruk van de opgestoken middelvinger bevindt zich in het dossier.838

20.2

Ter terechtzitting heeft Moussa L. verklaard dat hij inderdaad zijn middelvinger heeft opgestoken en het woord “kankerhonden” heeft geschreeuwd, maar dat hij niet wist dat het twee politieambtenaren waren. De auto reed daar continu en de mannen in de auto maakten foto’s. Omdat hij continu werd achtervolgd raakte hij geïrriteerd. De politie maakte wel vaker foto’s en filmopnamen. Moussa L. heeft verklaard: “Er knapte iets. Het houdt een keer op”. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat Moussa L. wel degelijk het vermoeden had dat het om politieambtenaren ging.

20.3

Een uitlating – jegens een ander in diens tegenwoordigheid mondeling gedaan – moet als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer of goede naam. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte gebezigde woord in het algemeen hedendaags taalgebruik als scheldwoord wordt ervaren en onmiskenbaar ertoe strekte de eer en goede naam van de verbalisanten aan te tasten. Ook het gericht opsteken van de middelvinger kan slechts worden begrepen als een uiting van grote minachting jegens de betreffende verbalisanten en daarmee als een gebaar dat de strekking heeft de verbalisanten tot wie het gebaar was gericht in hun eer en goede naam aan te tasten. Voorts blijkt dat de betreffende verbalisanten zich daadwerkelijk in hun eer en goede naam aangetast voelden. De rechtbank acht daarmee het ten laste gelegde bewezen.

09/827053-15, feit 2: bedreiging subsidiair belediging

20.4

Op 4 januari 2015 plaatste Moussa L. een bericht met de volgende tekst “zij heeft vaak voor mijn deur gestaan katalahummuAllah”. Het bericht bevat tevens een foto waarop aangeefster Wijkagent duidelijk herkenbaar in uniform te zien is.839De uitdrukking “katalahummuAllah” is afkomstig uit de Koran en betekent zo veel als “Allah zal hen bestrijden en vervloeken”.840 Uit het gebruik van het woord blijkt een grote vijandschap tegenover degene tot wie het is gericht.841 Moussa L. heeft naast dit bericht in dezelfde periode nog een bericht gepost met de tekst “Politie is bezig met treiteren volgen en boetes uit schrijven aan broeders katalahumuAllah”842 en nog een bericht waarin hij een agent afbeeldt met de tekst “Er is geen vrees voor de onderdrukkers”.843 Uit deze berichten spreekt afkeer van de politie en zelfs haat. De islamitische context van de uitdrukking is een oproep aan Allah om degene tot wie het is gericht te bestrijden. Een dergelijke oproep kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gezien dan als de uitdrukkelijke wens van Moussa L. om dat resultaat te bereiken. Dat resultaat kan slechts gestalte krijgen indien een of meer mensen trachten de gewenste uitkomst te bewerkstelligen en daarmee aan de wil van Allah gevolg te geven.

20.5

Aangeefster Wijkagent is wijkagent in de Schilderswijk in Den Haag, waar Moussa L. woont. Zij voelde zich door deze tweet daadwerkelijk bedreigd.844 Moussa L. heeft verklaard dat hij dat bericht heeft gepost. Hij was gewoon boos. Hij had niet de intentie Wijkagent te bedreigen, vroeger zou hij kankerhond hebben gezegd, nu zegt hij katalahumuAlaaH. 845

20.6

Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een indirecte bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, door Moussa L. aan het adres van aangeefster. Moussa L. heeft zich door het plaatsen van het bericht op zijn openbare Twitter account willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreiging terecht zou komen bij aangeefster. Daarbij is niet relevant dat geen sprake is van een door Moussa L. zelf te plegen misdrijf.846 Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de tweet van Moussa L. van dien aard was en onder zodanige omstandigheden gedaan dat bij aangeefster redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook gepleegd zou worden.

21 Het bewezenverklaarde, de strafbaarheid daarvan en de strafbaarheid van de

verdachten

21.1

De bewezenverklaringen per verdachte maken als bijlagen B 1 t/m 9 onderdeel uit van dit vonnis. De bewezenverklaringen komen kort gezegd op het volgende neer:

Ten aanzien van Imane B.(09/842489-14)

 Verspreiding van een tot een terroristisch misdrijf opruiend geschrift en afbeelding middels het plaatsen van een bericht op een Twitter-account.

Ten aanzien van Oussama C. (09/767038-14 en 09/767313-14)

 Het werven voor de gewapende jihadstrijd van een persoon;

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven middels het geven van lezingen en het plaatsen van berichten op social media en het maken van films en geluidsfragmenten en het plaatsen daarvan op websites, waaronder het kanaal Nusrah bil-Jihaad op Youtube en op andere social media, en

 Verspreiding van deze opruiende lezingen, berichten, films;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Azzedine C. (09/767174-13 en 09/765004-15)

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en filmpjes op Twitter en Facebook, en

 Verspreiding van deze opruiende berichten en films;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

 Aanzetten tot haat en/of gewelddadig optreden tegen mensen van Joodse komaf, vanwege hun ras en/of godsdienst, en

 Belediging van mensen van Joodse komaf, vanwege hun ras en/of godsdienst;

 Smaadschrift jegens een ambtenaar.

Ten aanzien van Rudolph H. (09/767146-14)

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven middels beheren van www.dewarereligie.nl, en het plaatsen van lezingen daarop en het beheren van en uitzenden op Radio Ghurabaa van lezingen en het plaatsen van berichten en filmpjes op Twitter, en

 Verspreiding van deze en andere opruiende berichten en films;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Jordi de J. (09/767256-14)

 Voorbereiding van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië.

Ten aanzien van Moussa L. (09767238-14 en 09/827053-15)

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten op Facebook, en

 Verspreiding van deze opruiende berichten;

 Belediging van twee politieambtenaren;

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven en tot geweld tegen het openbaar gezag middels het plaatsen van berichten en afbeeldingen op Twitter, en

 Verspreiding van deze opruiende berichten;

 Bedreiging van een politieambtenaar.

Ten aanzien van Hicham el O. (09/767237-14)

 Samenspanning tot, en

 Voorbereiding dan wel bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en doodslag met een terroristisch oogmerk en het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk, en

 Voorbereiding van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Hatim R. (09/765002-15)

 Voorbereiding en bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en doodslag met terroristisch oogmerk en het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk, en

 Voorbereiding van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;

 Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en foto’s op Facebook en Twitter, en

 Verspreiding van deze opruiende berichten en foto’s;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van Anis Z. (09/767077-14)

 Samenspanning tot, en

 Voorbereiding en bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en doodslag met een terroristisch oogmerk en het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk, en/of

 Voorbereiding van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, en

 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ontslag van alle rechtsvervolging

21.2

Zoals in Hoofdstuk 17 overwogen moeten Hicham el O., Hatim R. en Anis Z. voor hun gedragingen, die niet zien op training en wel telkens met betrekking tot 134a Sr zijn ten laste gelegd, worden ontslagen van alle rechtsvervolging, voor zover zij daar nog niet van waren vrijgesproken.

Conclusie

21.3

Het bewezenverklaarde is verder volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

21.4

Het bewezenverklaarde levert de in de beslissingen genoemde strafbare feiten op.

21.5

De verdachten zijn eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hun strafbaarheid uitsluiten.

22 De strafoplegging

Algemene overwegingen

22.1

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachten, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

22.2

Hierbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

22.3

Zoals hiervoor in dit vonnis kort is beschreven, heeft het regime van president Assad op uiterst gewelddadige wijze geprobeerd vreedzame protesten de kop in te drukken. Verzet tegen dit dictatoriale regime ontmoette dan ook in Nederland in brede kring sympathie.

22.4

Dat geldt niet voor het deelnemen aan jihadistische terroristische strijdgroepen. Het doel wat hen voor ogen staat is naast het verjagen van het regime Assad ook het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden – christenen, joden, sjiieten, alawieten en ook niet fundamentalistische soennieten – op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling, deportatie, verminking en verkrachting van krijgsgevangenen en burgers. Veel van de hierboven beschreven misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Daarmee zijn het ontegenzeggelijk terroristische misdrijven.

22.5

In de Haagse Schilderswijk is in de periode van 2012 tot medio 2014 een organisatie actief geweest die zich (naast een aantal legale activiteiten) heeft bezig gehouden met het opruien en werven van jonge mensen voor het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en het faciliteren van de jongeren die met dat doel naar Syrië wilden afreizen. De organisatie heeft op grote schaal bijgedragen aan een klimaat waarin jongeren zich geroepen voelden te vertrekken naar Syrië om aldaar deel te nemen aan de strijd. Daarbij is dankbaar gebruik gemaakt van de invloed van social media op de huidige generatie. Met een bombardement aan berichten vol propaganda, verheerlijking van de gewapende strijd en het martelaarschap, indirecte en soms zelfs directe oproepen werden de geesten rijp gemaakt voor de radicale opvatting dat het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië een individuele verplichting is voor elke moslim. Een aanzienlijk deel van de groep uitreizigers betrof kwetsbare, beïnvloedbare jongeren, die psychisch minder weerbaar waren en daarmee vatbaar voor de radicale denkbeelden van de ronselaars. Het opruien gebeurde professioneel en georganiseerd, waarbij goed werd opgelet om bij de legale activiteiten binnen of op de grenzen van de wet te opereren.

22.6

In genoemde periode zijn tientallen Haagse jongeren afgereisd. Deze jongeren zijn grotendeels terecht gekomen bij de terroristische organisaties ISIS en Jabhat al-Nusra. Verschillende van hen zijn inmiddels in de gewapende strijd omgekomen, hetgeen tot onmetelijk leed heeft geleid bij de nabestaanden. Een en ander leidde tot onrust in de Schilderswijk en grote ongerustheid bij ouders van moslimjongeren. Veel ouders vroegen zich vertwijfeld af of hun kind de volgende zou zijn die ging afreizen.

22.7

De rechtbank merkt hier nogmaals op dat de burgers in Syrië een gerechtvaardigd verzet voerden tegen het abjecte regime van Assad. Hun revolutie is echter gekaapt door groeperingen die met hun extremistische opvattingen de burgerbevolking hebben geterroriseerd, door andersdenkenden te verjagen of te vermoorden. Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Zoals hiervoor overwogen is het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië een terroristisch misdrijf. Het afreizen naar Syrië met dat doel moet daarom ontmoedigd worden.

Overwegingen per verdachte

Imane B.

22.8

Van Imane B. is niet gebleken dat zij heeft deelgenomen aan deze Haagse ronselorganisatie. Van de door haar verspreide berichten is er slechts één die als opruiend moet worden beschouwd.

22.9

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Oussama C.

22.10

Oussama C. had grote invloed op de ontwikkeling van radicale opvattingen bij jongeren. Hij stond ondanks zijn jeugdige leeftijd in hoog aanzien binnen de moslimgemeenschap door het succes van zijn – op jongeren gerichte – preken. Met die preken trachtte hij jongeren te bewegen zich te houden aan een orthodoxe opvatting van de islam, hetgeen uiteraard niet verboden is. Daarnaast heeft hij echter binnen de ronselorganisatie lezingen verspreid waarin door een verband te leggen tussen islamitische overlevering en Koranteksten en de actuele situatie in Syrië, jongeren werden opgeroepen aan de gewapende jihadstrijd deel te nemen. Ook heeft hij binnen dat verband de psychisch kwetsbare Getuige 1 daadwerkelijk geronseld voor de gewapende strijd. Ten slotte heeft hij een grote stroom opruiende berichten verspreid via zijn persoonlijke Facebookpagina en zeer kwalijke, opruiende video’s verspreid via het Youtube kanaal Nusrah bil-Jihaad.

22.11

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Oussama C. heeft zijn voorlopige hechtenis doorgebracht op de terroristenafdeling, welke een zwaar regime kent. De rechtbank zal daar bij de strafoplegging – zij het in beperkte mate – rekening mee houden.

22.12

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het advies d.d. 21 augustus 2015 van Reclassering Nederland, waarin - kort gezegd - een uitgebreid reclasseringstoezicht wordt geadviseerd, alsmede toepassing van het volwassenenstrafrecht.

22.13

Oussama C. had ten tijde van het begaan van een groot deel van de strafbare feiten de leeftijd van achttien jaren nog niet bereikt. Gelet op de ernst van de begane feiten, zijn persoonlijkheid en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 77b Sr het volwassenenstrafrecht toepassen.

22.14

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de jeugdige leeftijd van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen en daar bijzondere voorwaarden aan verbinden, teneinde verdachte ervan te doordringen dat hij herhaling dient te voorkomen.

Azzedine C.

22.15

Azzedine C. was samen met Soufiane Z. de drijvende kracht achter de Haagse ronselorganisatie. Gedreven door religieus fanatisme had hij een toonaangevende rol, hij was de initiator en de aanjager. Azzedine C. heeft misbruik gemaakt van zijn democratische grondrechten door onder het mom van vrije meningsuiting giftige berichten en opruiende video’s te verspreiden, tijdens demonstraties haat zaaiende leuzen te roepen en de reputatie van een wijkagent te bezoedelen. Daarnaast was hij actief bij het faciliteren van de uitreizigers.

22.16

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Azzedine C. heeft zijn voorlopige hechtenis doorgebracht op de terroristenafdeling, welke een zwaar regime kent. De rechtbank zal daar bij de strafoplegging – zij het in beperkte mate – rekening mee houden.

22.17

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

Rudolph H.

22.18

Rudolph H. had in de organisatie een grote rol bij het verspreiden van eenzijdige en propagandistische berichtgeving via De Ware Religie en Radio Ghurabaa. Dit waren evenwel op zich geen verboden activiteiten. Niettemin heeft hij via deze websites wel degelijk enkele opruiende lezingen verspreid. Verder had hij een actieve en faciliterende rol bij bijeenkomsten waar werd opgeruid en/of geworven voor de gewapende jihadstrijd in Syrië. Ook via Twitter heeft hij opruiende berichten en het opruiende filmpje Oh oh Aleppo verspreid en aldus bijgedragen aan een klimaat waarin jongeren zich geroepen voelden af te reizen naar Syrië.

22.19

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Rudolph H. heeft zijn voorlopige hechtenis doorgebracht op de terroristenafdeling, welke een zwaar regime kent. De rechtbank zal daar bij de strafoplegging – zij het in beperkte mate – rekening mee houden.

22.20

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen en daar bijzondere voorwaarden aan verbinden, teneinde verdachte ervan te doordringen dat hij herhaling dient te voorkomen.

Jordi de J.

22.21

Jordi de J. behoorde niet tot de ronselorganisatie, maar is wel afgereisd naar Syrië om zich daar te vestigen en deel te nemen aan de gewapende strijd. Hij kwam er al snel achter dat de benodigde gevechtstrainingen aan hem niet waren besteed en wist na korte tijd terug te keren. Na zijn terugkeer heeft hij informatie verstrekt aan de AIVD. De rechtbank zal dit meewegen in de op te leggen straf.

22.22

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

22.23

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies d.d. 10 april 2015 van Reclassering Nederland, waarin – kort gezegd – een uitgebreid reclasseringstoezicht wordt geadviseerd.

22.24

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 8 september 2015, een rapport psychologisch onderzoek d.d. 9 september 2015 en een rapport milieuonderzoek d.d. 9 september 2015. De psychiater adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank neemt dit advies over. Het grootste risico op herhaling bij verdachte ligt in zijn grote beïnvloedbaarheid, zijn sterke behoefte aan houvast en duidelijkheid met duidelijke leefregels, en zijn gebrekkige maatschappelijke inbedding, alsmede de neiging obsessies te ontwikkelen. Daarom wordt een ambulante behandeling geadviseerd door een coach met kennis van autisme spectrum stoornis problematiek.

22.25

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen, teneinde verdachte ervan te doordringen dat hij herhaling dient te voorkomen.

Moussa L.

22.26

Moussa L. behoorde tot de “outer circle” van de ronselorganisatie. Hij heeft echter geen handelingen verricht die de rechtbank beschouwt als deelneming aan die organisatie. Moussa L. heeft wel een aantal Facebook en Twitter berichten verstuurd die opruiend waren. Daarnaast heeft hij twee politieambtenaren beledigd en een wijkagent uit de Schilderswijk ernstig bedreigd. Deze bedreiging heeft grote impact gehad op het politiekorps in de Schilderswijk en in het bijzonder op de betreffende wijkagent, zoals blijkt uit de door haar overgelegde slachtofferverklaring. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

22.27

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies d.d. 11 september 2015 van Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd bij bewezenverklaring een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

22.28

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport triple onderzoek (psychiater, psycholoog en forensisch milieuonderzoeker) d.d. 17 september 2015 waarin de haalbaarheid van toezicht en begeleiding somber wordt ingeschat en daarom niet geadviseerd.

22.29

Ten slotte, uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

22.30

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen, teneinde verdachte ervan te doordringen dat hij herhaling dient te voorkomen.

Hicham el O.

22.31

Hicham el O. is afgereisd naar Syrië en heeft zich daar aangesloten bij een jihadistische strijdgroep. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. De strafoplegging dient ertoe verdachte zich ervan bewust te maken dat zijn handelen strafbaar en strafwaardig is. Van de strafoplegging dient in deze zaak ook een niet mis te verstaan signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn dit te doen. Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank echter ook meewegen dat onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens of dreiging daarmee verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd heeft gepleegd.

22.32

Daarnaast heeft Hicham el O. binnen de ronselorganisatie een substantiële rol gespeeld bij het faciliteren van Haagse jongeren die zijn afgereisd naar Syrië.

22.33

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies d.d. 25 augustus 2015 van Reclassering Nederland, waarin – kort gezegd – een uitgebreid reclasseringstoezicht wordt geadviseerd.

22.34

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport triple onderzoek (psychiater, psycholoog en forensisch milieuonderzoeker) d.d. 11 september 2015 waaruit blijkt dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Verdachte maakte op de onderzoekers een weloverwogen indruk en noemde meerdere argumenten om zijn beslissing te onderbouwen. De rapporteurs hebben geen aanwijzingen dat zijn weigering te verklaren is vanuit eventuele psychopathologie.

22.35

Ten slotte, uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

22.36

De rechtbank is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal daarom een hogere straf opleggen dan geëist.

Hatim R.

22.37

Hatim R. is afgereisd naar Syrië en heeft zich daar aangesloten bij een jihadistische strijdgroep. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. De strafoplegging dient ertoe verdachte zich ervan bewust te maken dat zijn handelen strafbaar en strafwaardig is. Van de strafoplegging dient in deze zaak ook een niet mis te verstaan signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn dit te doen. Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank echter ook meewegen dat onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens of dreiging daarmee verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd heeft gepleegd.

22.38

Hatim R. heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het verspreiden van opruiende berichten en afbeeldingen, waarbij hij indirect ook heeft opgeroepen tot het plegen van aanslagen in Nederland. Aldus heeft verdachte getracht mensen aan te zetten tot het begaan van terroristische misdrijven. Hij gebruikt nog altijd zijn status als jihadstrijder om anderen te motiveren zijn voorbeeld te volgen. De rechtbank rekent ook dit verdachte zeer aan.

22.39

Daarnaast heeft Hatim R. binnen de ronselorganisatie een substantiële rol gespeeld bij het faciliteren van Haagse jongeren die zijn afgereisd naar Syrië.

22.40

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

22.41

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

Anis Z.

22.42

Anis Z. is afgereisd naar Syrië en heeft zich daar aangesloten bij een jihadistische strijdgroep. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. De strafoplegging dient ertoe verdachte zich ervan bewust te maken dat zijn handelen strafbaar en strafwaardig is. Van de strafoplegging dient in deze zaak ook een niet mis te verstaan signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn dit te doen. Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank echter ook meewegen dat onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens of dreiging daarmee verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd heeft gepleegd.

22.43

Daarnaast heeft Anis Z. binnen de ronselorganisatie een substantiële rol gespeeld bij het faciliteren van Haagse jongeren die zijn afgereisd naar Syrië.

22.44

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

22.45

De rechtbank is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal daarom een hogere straf opleggen dan geëist.

Strafoplegging

Imane B.

22.46

De rechtbank veroordeelt Imane B.tot een gevangenisstraf van zeven dagen, met aftrek van de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht.

Oussama C.

22.47

De rechtbank veroordeelt Oussama C. tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank verbindt hieraan de bijzondere voorwaarden dat Oussama C. geen contact zal hebben met de medeverdachten in deze zaak en dat hij zich dient te onthouden van het plaatsen van berichten van welke aard dan ook op internet en social media. De rechtbank vindt in de houding van verdachte zoals gebleken ter terechtzitting geen aanknopingspunten voor een reclasseringstoezicht zoals geadviseerd.

22.48

De schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte is met dit vonnis geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat het recidiveRisicovan verdachte in de afgelopen periode in voldoende mate is ingedamd door de opgelegde schorsingsvoorwaarden. De rechtbank handhaaft derhalve het bevel voorlopige hechtenis en schorst verdachte opnieuw onder voorwaarden.

Azzedine C.

22.49

De rechtbank veroordeelt Azzedine C. tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Rudolph H.

22.50

De rechtbank veroordeelt Rudolph H. tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank verbindt hieraan de bijzondere voorwaarden dat Rudolph H. geen contact zal hebben met de medeverdachten in deze zaak en hij dient zich te onthouden van het plaatsen van berichten van welke aard dan ook op internet en social media.

22.51

De schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte is met dit vonnis geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat het recidiveRisicovan verdachte in de afgelopen periode in voldoende mate is ingedamd door de opgelegde schorsingsvoorwaarden. De rechtbank handhaaft derhalve het bevel voorlopige hechtenis en schorst verdachte opnieuw onder voorwaarden.

Jordi de J.

22.52

De rechtbank veroordeelt Jordi de J. tot een gevangenisstraf van 155 dagen, gelijk aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank verbindt hieraan de bijzondere voorwaarden dat Jordi de J. geen contact zal hebben met de medeverdachten in deze zaak. Daarnaast zal de rechtbank reclasseringstoezicht opleggen zoals geadviseerd.

22.53

De rechtbank heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Moussa L.

22.54

De rechtbank veroordeelt Moussa L. tot een gevangenisstraf van 43 dagen, gelijk aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank verbindt hieraan de bijzondere voorwaarden dat Moussa L. geen contact zal hebben met de medeverdachten in deze zaak en hij dient zich te onthouden van het plaatsen van berichten van welke aard dan ook op internet en social media.

22.55

De rechtbank heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Hicham el O.

22.56

De rechtbank veroordeelt Hicham el O. tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

22.57

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft bij haar beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis in deze zaak telkens overwogen dat de invrijheidstelling van personen die hebben deelgenomen aan een criminele terroristische organisatie tot maatschappelijke onrust zou leiden, tenzij hun rol in de beweerdelijke organisatie een geringe is geweest en/of sprake is van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden. Nu de rechtbank tot haar eindoordeel is gekomen dat Hicham el O. een substantiële rol heeft gespeeld binnen de organisatie en de gestelde psychische problemen van verdachte niet door onafhankelijke onderzoekers zijn vastgesteld, moet gevreesd worden voor maatschappelijke onrust indien verdachte nog langer op vrije voeten zou blijven. De rechtbank zal daarom Hicham el O. niet opnieuw schorsen. De rechtbank merkt op dat deze beslissing geheel los staat van de beschikking van deze rechtbank van 8 december 2015 waarbij de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven.

Hatim R.

22.58

De rechtbank veroordeelt Hatim R. tot een gevangenisstraf van zes jaren.

Anis Z.

22.59

De rechtbank veroordeelt Anis Z. tot een gevangenisstraf van zes jaren.

23 De inbeslaggenomen voorwerpen

23.1

De officieren van justitie hebben gevorderd dat een aantal voorwerpen op de ter zitting overgelegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) zal worden teruggegeven aan de rechthebbende verdachte. Het gaat om een agenda van Azzedine C. , handgeschreven teksten en een jeugdboek met Arabische tekst van Oussama C. en een iPhone van Jordi de J.. De verdediging heeft zich hierover niet uitgelaten. De rechtbank zal van deze voorwerpen de teruggave aan respectievelijk Azzedine C. , Oussama C. en Jordi de J. gelasten.

23.2

De officieren van justitie hebben tevens gevorderd de overige in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de beslaglijst verbeurd te verklaren. De vordering is door de officier van justitie niet per voorwerp afzonderlijk toegelicht of onderbouwd. De raadslieden hebben zich niet over het beslag uitgelaten.

23.3

De rechtbank heeft bij haar beraadslaging geconstateerd dat het met name betreft:

 computers, laptops en tablet met toebehoren;

 telefoons;

 geschriften en afbeeldingen in digitale vorm, die zijn opgeslagen op harde schijven;

 geschriften in fysieke vorm, zoals onder andere aantekeningen;

 vlaggen met Arabische teksten en/of het “ISIS logo”;

 buttons, hoofdbanden, tas, stickers en dergelijke (al dan niet met Arabische tekst);

 flyers;

 een geldbedrag van 2500,50 euro.

23.4

Wat betreft deze overige op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen gelast de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende verdachte. Niet dan wel onvoldoende is komen vast te staan dat zij vanwege enig direct verband met een bewezenverklaard feit als bedoeld in artikel 33a Sr vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Ook indien zich op de computers, laptops, tablets, telefoons en/of harde schijven geschriften, afbeeldingen en/of films van opruiende aard bevinden, dan staat daarmee nog niet vast dat verdachten deze in voorraad hadden ter verspreiding. Het enkele bezit van zulke geschriften, afbeeldingen en/of films, alsook van de inbeslaggenomen vlaggen, buttons, hoofdbanden, tas en stickers, is niet strafbaar. De flyers betreffen evident geen voorwerpen waarmee enig strafbaar feit kan worden voorbereid of begaan. De rechtbank zal bovendien de teruggave aan Imane B.gelasten van het inbeslaggenomen geld (ten bedrage van 2500,50 euro), nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.

24 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn per verdachte gegrond op de artikelen:

Ten aanzien van Imane B.

- 83, 83 a en 132 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Oussama C.

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 57, 77b, 83, 83a, 131, 132, 140, 140a en 205 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Azzedine C.

- 57, 83, 83 a, 131, 132, 137c, 137d, 140, 140a, 261 en 267 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Rudolph H.

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 57, 83, 83a, 131, 132, 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Jordi de J.

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 83, 83a en 134a van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Moussa L.

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 57, 83, 83a, 131, 132, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Hicham el O.

- 57, 83, 83 a, 96, 134a, 140, 140a, 157, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Hatim R.

- 57, 83, 83 a, 96, 131, 132, 140, 140a, 157, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van Anis Z.

- 57, 83, 83 a, 96, 134a, 140, 140a, 157, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

25. De beslissing -

Imane B.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 eerste cumulatief/alternatief en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

een geschrift en afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl zij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (ÉÉN) WEEK;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: € 2500,50.  

25. De beslissing -

Oussama C.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij de dagvaarding met parketnummer 09/767038-14 onder 1 en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief en de bij de dagvaarding met parketnummer 09/767313-14 onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/767038-14:

ten aanzien van feit 1:

zonder toestemming van de Koning iemand werven voor de gewapende strijd, terwijl de gewapende strijd waarvoor wordt geworven het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt;

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

in het openbaar mondeling en bij geschrift en afbeelding tot enig strafbaar feit opruien, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

een geschrift en afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/767313-14:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 1 (ÉÉN) JAAR, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met de (mede)verdachten in deze zaak: Imane B., Azzedine C., Rudolph H., Jordi de J., Moussa L., Hicham el O., Hatim R. en Anis Z.; - dat verdachte zich zal onthouden van uitingen en/of publicaties in het publieke domein, waaronder op het internet en (sociale) media, en/of het verlenen van medewerking daaraan;

schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte onder voorwaarden (apart geminuteerd);

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: Papieren met handgeschreven teksten; jeugd boek, Arabische tekst; zwarte vlag met ISIS logo; Flyer straat dawah; Buttons met tekst/logo ISIS tawheed; hoofdbanden zwart; Canvas tas; Strijkemblemen zwart met Arabische tekst; sticker met Arabische tekst; laptop Acer Aspire, [Productcode], inclusief cd-rom examentraining; Samsung telefoon, [Productcode 1].

  25. De beslissing -

Azzedine C.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij de dagvaarding met parketnummer 09/767174-13 onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij de dagvaarding met parketnummer 09/767174-13 onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief en onder 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief en de bij de dagvaarding met parketnummer 09/7675004-15 onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/767174-13:

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

in het openbaar mondeling en bij geschrift en afbeelding tot enig strafbaar feit opruien, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

een geschrift en afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 eerste cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 3 tweede cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/7675004-15:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

in het openbaar mondeling aanzetten tot haat tegen mensen of gewelddadig optreden tegen persoon wegens hun ras en godsdienst

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en godsdienst

ten aanzien van feit 2:

smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: Agenda; Blauw schrift; papieren van een lezing; grote zwarte vlag met Arabische tekst; kleine zwarte vlag met Arabische tekst in het zwart; laptop, oplader, muis, kabel netspanning, [Productcode 2] , [Productcode 3] Laptop, merk Sony, type Vaio, [Productcode 4], [Productcode 5]. 

25. De beslissing -

Rudolph H.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

in het openbaar mondeling en bij geschrift en afbeelding tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

een geschrift en afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 1 (ÉÉN) JAAR, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met de (mede)verdachten in deze zaak: Imane B., Oussama C., Azzedine C., Jordi de J., Moussa L., Hicham el O., Hatim R. en Anis Z.;

- dat verdachte zich zal onthouden van uitingen en/of publicaties in het publieke domein, waaronder op het internet en (sociale) media, en/of het verlenen van medewerking daaraan;

wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte onder voorwaarden (apart geminuteerd);

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: doos met stickers (zwart met Arabische tekst; volgnr. 1: computer, Dell, [Productcode 6]; volgnr. 2: Western Digital, portable harddisc incl usb kabel; volgnr 3: Seagate Barracuda, interne harddisc 80 gigabyte; volgnr. 4: Computer, Asus g55vw, met voeding; Vlag, zwart met witte tekst; Vlag, wit met zwarte tekst.  

25. De beslissing –

Jordi de J.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijk zich inlichtingen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 335 (DRIEHONDERDVIJFENDERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 180 (DAGEN), niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met de (mede)verdachten in deze zaak: Imane B., Oussama C., Azzedine C., Rudolph H., Moussa L., Hicham el O., Hatim R. en Anis Z.;

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, adres: Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt (meewerken aan de intakeprocedure en het daaruit voortvloeiende behandelplan) bij de Forensische Polikliniek van Palier, adres: J. Westerdijkplein 40 te Den Haag, of een soortgelijke, ambulante forensische instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: Telefoon, Apple 4 [Productcode 7]; Computer, Acer Aspire 5736z, laptop zonder oplader en snoer; 2 flyers mbt project dawah.  

25. De beslissing -

Moussa L.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/767238-14 onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/767238-14 onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 3 en de bij de dagvaarding met parketnummer 09/827053-15 onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/767238-14:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

in het openbaar bij geschrift en afbeelding tot enig strafbaar feit opruien, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

een geschrift en afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 09/827053-15:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

in het openbaar bij geschrift en afbeelding tot enig strafbaar feit en tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

een geschrift en afbeelding waarin tot enig strafbaar feit en tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 103 (HONDERDENDRIE) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de teenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met de (mede)verdachten in deze zaak: Imane B., Oussama C., Azzedine C., Rudolph H., Jordi de J., Hicham el O., Hatim R. en Anis Z.; - dat verdachte zich zal onthouden van uitingen en/of publicaties in het publieke domein, waaronder op het internet en (sociale) media, en/of het verlenen van medewerking daaraan;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten: tablet, Samsung sm-T210.  

25. De beslissing –

Hicham el O.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

samenspanning tot: - moord, te begaan met een terroristisch oogmerk; - doodslag, gepleegd met terroristisch oogmerk en - opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

met het oogmerk om - moord, te begaan met een terroristisch oogmerk; - doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk; - opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk; voor te bereiden en te bevorderen: - gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen - voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf

ten aanzien van feit 1 derde cumulatief/alternatief:

opzettelijk zich gelegenheid, middelen en/of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 derde cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit (voor zover dat ziet op andere gedragingen dan het deelnemen aan een trainingskamp);

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.  

25. De beslissing -

Hatim R.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 tweede en derde cumulatief/alternatief, 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

met het oogmerk om - moord, te begaan met een terroristisch oogmerk; - doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk; - opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk; voor te bereiden en te bevorderen: - gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen - voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf

ten aanzien van feit 1 derde cumulatief/alternatief:

opzettelijk zich gelegenheid, middelen en/of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 3 eerste cumulatief/alternatief:

in het openbaar mondeling en bij geschrift en afbeelding tot enig strafbaar feit opruien, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 tweede cumulatief/alternatief:

een geschrift en afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 derde cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit;

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN.

25. De beslissing –

Anis Z.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief en 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

samenspanning tot: - moord, te begaan met een terroristisch oogmerk; - doodslag, gepleegd met terroristisch oogmerk en - opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

met het oogmerk om - moord, te begaan met een terroristisch oogmerk; - doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk; - opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten is, te begaan met een terroristisch oogmerk; voor te bereiden en te bevorderen: - gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen - voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf

ten aanzien van feit 1 derde cumulatief/alternatief:

opzettelijk zich gelegenheid, middelen en/of inlichtingen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven

ten aanzien van feit 2 eerste cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

ten aanzien van feit 2 tweede cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 derde cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit (voor zover dat ziet op andere gedragingen dan het deelnemen aan een trainingskamp);

veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Elkerbout, voorzitter, mrs. J.A. van Steen en J.E. Bierling, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. J.M. Woertman en A.D. van Zeeland, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2015.

bijlage A:

Tenlastelegging Iman Imane B.

Bijlage A1. 09/842489-14

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 27 augustus 2014 te Den Haag en/of elders in Nederland, met een of meer anderen, meermalen,

in het openbaar, mondeling en/of middels geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristische misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

middels

A.het (mede) beheren van de Facebook-pagina Shaam al Ghareeba, althans het (intensief) sturen op de inhoud van deze Facebook-pagina, waarop een groot aantal, althans meerdere afbeeldingen en/of films en/of teksten en/of links naar (een) andere website(s) zijn geplaatst waarmee het (gewelddadig) Jihadisme en/of de gewapende Jihadstrijd in verschillende delen van de wereld (waaronder Syrië) en/of aanslagen in deze gewapende Jihadstrijd en/of de strijders in deze strijd en/of de martelaarsdood en/of geweldgebruik en/of wapengebruik en/of de terroristische organisaties IS en/of Jabath al-Nusra en/of aan IS en/of Jabath al-Nusra gerelateerde organisaties worden gepromoot en/of verheerlijkt en/of tot deelname aan deze gewapende strijd wordt opgeroepen en/of het tezamen en in vereniging, althans alleen plaatsen van die afbeeldingen en/of films en/of teksten en/of links naar andere websites op de Facebook-pagina Shaam al Ghareeba (zie ZD Malaga 20-128) en/of

B.het (mede) beheren van het Twitter-account @AzzamAbdollah, door het voeren van de naam van dit Twitter-account Azzam Abdollah (Malaga 132) en/of het tezamen en in vereniging, althans alleen, plaatsen van een groot aantal, althans meerdere berichten en/of afbeeldingen en/of films en/of links naar andere websites op dit Twitter-account, terwijl die berichten/afbeeldingen/films/links propaganda bevatte voor en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewelddadige Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al Nusra en/of promotie van andere (social media) websites waarop de gewapende Jihadstrijd en/of deelname aan die strijd en/of het martelaarschap en/of terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabath al-Nusra gepropageerd en/of verheerlijkt worden (zie ZD Malaga 129-173 & 387- 415), waaronder: - p. 135 Malaga: "#ISIS voert martelaarsoperatie uit op Asad legerbasis in Homs."en/of "samenvatting audioboodschap #ISIS woordvoerder Abu Muhamed Adnaani."en/of "Nieuwe #JN video martelaarsaanslag op Asad checkpoint. Volg aankomende tweets voor uiteenzetting."en/of "Opeens heb je het ... je toekomst ligt in het paradijs. Van MU-zikant naar MU-jahid!" en/of "#ISIS soldaten onderweg. "wees geduldig 0 Jeruzalem, wij zijn onderweg!" en/of (daarbij) een afbeelding van jeeps bemand met gewapende mannen met bivakmutsen" en/of - p. 145 Malaga: "RT @AbeMoussa: Een aantal NL-talige kanalen die je als bewuste Moslim MOET volgen: @DeWareReligie @MoslimslD @ShaamNieuws @AbuSuhayb_DWR. " en/of - p. 146 Malaga: "RT @ShaamNieuws: Vooraanstaande leider Abu Maria Oahtani van #JN belooft iedereen die een #lSIS Mujahid dood een #Samsung #Galaxy." en/of - p. 149 Malaga: "RT @AbeMoussa: Nederland heeft vele Mujahidien geschonken aan de Jihad in Shaam, ook veel broeders zijn vertrokken voor" en/of - p. 150 Malaga: "RT @ShaamNieuws: Nieuwe #JN video martelaarsaanslag op Asad checkpoint. Volg aankomende Tweets voor uiteenzetting" en/of - p. 151 Malaga: "RT @ShaamNieuws: Nieuwe foto van Nederlandse #Mujahidien in #Syrië" en/of - p. 152 Malaga: "@AbeMoussa @rattyempyror @BedouinMali @MinbarTawheed May Allah protect ISIS & JN especially from the evil spread fingers and tongues" en/of - p. 157 Malaga: "RT @AbeMoussa: #ISIS is zo goed als terug op al haar plaatsen waar vandaan ze verraden, belaagd en verjaagt was" en/of - p. 159 Malaga: "RT @AbeMoussa: "Wat ons met agressie is afgenomen, komt slechts terug met agressie!" Woordvoerder #ISIS Abu Muhammed al-Adnaanie" en/of - p. 160 Malaga: "RT @AbeMoussa: #ISIS soldaten onderweg. "Wees geduldig 0 Jeruzalem, wij zijn onderweg!" " en/of "RT @AbeMoussa: Kids zijn blij met schooltas van de Mujahidien van #ISIS. Oude foto maar blijft prachtig" (met toegevoegde internetlink) en/of - p. 161 Malaga: "RT @AbeMoussa: Een nieuws video van onze broeders van #ISIS. In deze video hoor je een broeder uit het land van de Haramayn" en/of - p. 164 Malaga: "RT @DeWareReligie: Mujahidien heroveren legerkamp Aleppo - #DeWareReligie - #DWR" en/of - p. 391 Malaga: Twee afbeeldingen op Twitter Abu Abdullah#Baqiya|(@AzzamAbdollah), gerelateerd aan een gewapende strijd, althans gewapende/gewelddadig handelen (te weten de bovenste foto en/of de foto waarop een menselijk hoofd staat afgebeeld) en/of - p. 395 Malaga: "We never ever comprised when we were weak does the world think that we will comprise now that we're strong? IS #Khalifa #lslamicState"

en/of

C. het tezamen en in vereniging, althans alleen, plaatsen van berichten binnen de (besloten) Facebook-pagina Werkgroep Shaam en/of het (mede) beheren van de (besloten) Facebook-pagina Werkgroep Shaam, waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS en/of Jabhat al Nusra werd gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader (Caramel 1163-1207, 1208-1229 en 1485-1512)

en/of

D. het tezamen en in vereniging, althans alleen plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen op de Facebook-pagina('s) van Azzedine C. (zijnde verdachtes partner) en/of het (mede)beheren van de Facebook-pagina('s) van die Azzedine C. , op welke Facebook-pagina('s) (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS en/of Jabhat al Nusra werd gevoerd door/althans het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader, te weten:

Facebook-berichten van of gedeeld door "ab0moussa" en/of "Abou Moussa" en/of "Shaam al-Ghareeba (II)" en/of "Bakr Hadeetha", althans verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens kort gezegd): - in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 met daarop propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewelddadige Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al Nusra en/of roept op tot geweld tegen Nederlandse strijdgroepen in het buitenland (Caramel 563 e.v. en 645) en/of - in de periode van 2 december 2013 tot en met 28 april 2014 met daarop propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewelddadige Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al Nusra (Caramel 1244 e.v.) en/of - 18 mei 2014 betreffende een oproep te kijken naar en/of het delen van( de link een Youtube)(een) film van IS met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS (Caramel 587 e.v. en 647) en/of - 24 juni 2014 betreffende een oproep om gedetineerden te bevrijden en/of fysiek klaar te staan (Caramel 1242) en/of - op 18 augustus 2014 betreffende #IS en de berichtgeving rondom de Japanse journalist, waarmee de handelwijze van IS wordt verheerlijkt en/of goed gepraat (Caramel 1349) en/of - op 19 augustus 2014 het delen van de link naar de film met betrekking tot de onthoofding van journalist Steven Sotloff door IS (Caramel 1350), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS wordt gekweekt (Caramel 1350) en/of - op 20 augustus 2014 betreffende "dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed", waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS wordt gevoerd (Caramel 1351) (Malaga 424),

waarin telkens (onder meer) wordt opgeroepen tot het afreizen naar Syrië en/of het deelnemen aan de gewelddadige/gewapende Jihadstrijd en/of waarin deze strijd en/of en/of strijders van deze strijd en/of de martelaarsdood en/of een of meer terroristische groepering(en)/organisatie(s) word(t)(en) verheerlijkt, terwijl het deelnemen aan die strijd het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) inhoudt;

EN/OF

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 27 augustus 2014 te Den Haag en/of elders in Nederland, met een of meer anderen, meermalen,

een geschrift(en) en/of afbeelding(en) waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristische misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

(lid 1) heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen en/of om te verspreiden en/of openlijk tentoon te stellen of aan te slaan, in voorraad heeft gehad, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,

(lid 2) en/of dit soort geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden ten gehore heeft gebracht,

immers heeft verdachte

A. het Facebook-pagina Shaam al Ghareeba (mede) beheerd, althans (intensief) gestuurd op de inhoud van deze Facebook-pagina, waarop een groot aantal, althans meerdere afbeeldingen en/of films en/of teksten en/of links naar (een) andere website(s) zijn geplaatst waarmee het gewelddadig Jihadisme en/of de gewapende Jihadstrijd in verschillende delen van de wereld (waaronder Syrië) en/of aanslagen in deze gewapende Jihadstrijd en/of de strijders in deze strijd en/of de martelaarsdood en/of geweldgebruik en/of wapengebruik en/of de terroristische organisaties IS en/of Jabath al-Nusra en/of aan IS en/of Jabath al-Nusra gerelateerde organisaties worden gepromoot en/of verheerlijkt en/of tot deelname aan deze gewapende strijd wordt opgeroepen en/of tezamen en in vereniging, althans alleen, die afbeeldingen en/of films en/of teksten en/of links naar andere websites op de Facebook-pagina Shaam al Ghareeba geplaatst (zie ZD Malaga 20-128) en/of

B. het Twitter-account @AzzamAbdollah (mede) beheerd, door het voeren van de naam van dit Twitter-account Azzam Abdollah (Malaga 132) en/of het tezamen en in vereniging, althans alleen, plaatsen van een groot aantal, althans meerdere berichten en/of afbeeldingen en/of films en/of links naar andere websites op dit Twitter-account, terwijl die berichten/afbeeldingen/films/links propaganda bevatte voor en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewelddadige Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al Nusra en/of promotie van andere (social media) websites waarop de gewapende Jihadstrijd en/of deelname aan die strijd en/of het martelaarschap en/of terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabath al-Nusra gepropageerd en/of verheerlijkt worden (zie ZD Malaga 129-173 & 387- 415), waaronder: -p. 135 Malaga: "#ISIS voert martelaarsoperatie uit op Asad legerbasis in Homs."en/of "samenvatting audioboodschap #ISIS woordvoerder Abu Muhamed Adnaani."en/of "Nieuwe #JN video martelaarsaanslag op Asad checkpoint. Volg aankomende tweets voor uiteenzetting."en/of "Opeens heb je het ... je toekomst ligt in het paradijs. Van MU-zikant naar MU-jahid!" en/of "#ISIS soldaten onderweg. "wees geduldig 0 Jeruzalem, wij zijn onderweg!" en/of (daarbij) een afbeelding van jeeps bemand met gewapende mannen met bivakmutsen" en/of - p. 145 Malaga: "RT @AbeMoussa: Een aantal NL-talige kanalen die je als bewuste Moslim MOET volgen: @DeWareReligie @MoslimslD @ShaamNieuws @AbuSuhayb_DWR. " en/of - p. 146 Malaga: "RT @ShaamNieuws: Vooraanstaande leider Abu Maria Oahtani van #JN belooft iedereen die een #lSIS Mujahid dood een #Samsung #Galaxy." en/of - p. 149 Malaga: "RT @AbeMoussa: Nederland heeft vele Mujahidien geschonken aan de Jihad in Shaam, ook veel broeders zijn vertrokken voor" en/of - p. 150 Malaga: "RT @ShaamNieuws: Nieuwe #JN video martelaarsaanslag op Asad checkpoint. Volg aankomende Tweets voor uiteenzetting" en/of - p. 151 Malaga: "RT @ShaamNieuws: Nieuwe foto van Nederlandse #Mujahidien in #Syrië" en/of - p. 152 Malaga: "@AbeMoussa @rattyempyror @BedouinMali @MinbarTawheed May Allah protect ISIS & JN especially from the evil spread fingers and tongues" en/of - p. 157 Malaga: "RT @AbeMoussa: #ISIS is zo goed als terug op al haar plaatsen waar vandaan ze verraden, belaagd en verjaagt was" en/of - p. 159 Malaga: "RT @AbeMoussa: "Wat ons met agressie is afgenomen, komt slechts terug met agressie!" Woordvoerder #ISIS Abu Muhammed al-Adnaanie" en/of - p. 160 Malaga: "RT @AbeMoussa: #ISIS soldaten onderweg. "Wees geduldig 0 Jeruzalem, wij zijn onderweg!" " en/of "RT @AbeMoussa: Kids zijn blij met schooltas van de Mujahidien van #ISIS. Oude foto maar blijft prachtig" (met toegevoegde internetlink) en/of - p. 161 Malaga: "RT @AbeMoussa: Een nieuws video van onze broeders van #ISIS. In deze video hoor je een broeder uit het land van de Haramayn" en/of - p. 164 Malaga: "RT @DeWareReligie: Mujahidien heroveren legerkamp Aleppo - #DeWareReligie - #DWR" en/of - p. 391 Malaga: Twee afbeeldingen op Twitter Abu Abdullah#Baqiya|(@AzzamAbdollah), gerelateerd aan een gewapende strijd, althans gewapende/gewelddadig handelen (te weten de bovenste foto en/of de foto waarop een menselijk hoofd staat afgebeeld) en/of - p. 395 Malaga: "We never ever comprised when we were weak does the world think that we will comprise now that we're strong? IS #Khalifa #lslamicState"

en/of

C. binnen de (besloten) Facebook-pagina Werkgroep Shaam tezamen en in vereniging of alleen, berichten geplaatst en/of de (besloten) Facebookpagina Werkgroep Shaam (mede) beheerd, waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS en/of Jabhat al Nusra werd gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader (Caramel 1163-1207, 1208-1229 en 1485-1512)

en/of

D. op de Facebook-pagina('s) van Azzedine C. (zijnde verdachtes partner) berichten en/of films en/of afbeeldingen geplaatst en/of de Facebook-pagina('s) van Azzedine C. (zijnde verdachtes partner) (mede) beheerd, op welke Facebook-pagina('s) (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS en/of Jabhat al Nusra werd gevoerd door/althans het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader, te weten:

Facebook-berichten van of gedeeld door "ab0moussa" en/of "Abou Moussa" en/of "Shaam al-Ghareeba (II)" en/of "Bakr Hadeetha", althans verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens kort gezegd): - in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 met daarop propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewelddadige Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al Nusra en/of roept op tot geweld tegen Nederlandse strijdgroepen in het buitenland (Caramel 563 e.v. en 645) en/of - in de periode van 2 december 2013 tot en met 28 april 2014 met daarop propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewelddadige Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al Nusra (Caramel 1244 e.v.) en/of - 18 mei 2014 betreffende een oproep te kijken naar en/of het delen van( de link een Youtube)(een) film van IS met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS (Caramel 587 e.v. en 647) en/of - 24 juni 2014 betreffende een oproep om gedetineerden te bevrijden en/of fysiek klaar te staan (Caramel 1242) en/of - op 18 augustus 2014 betreffende #IS en de berichtgeving rondom de Japanse journalist, waarmee de handelwijze van IS wordt verheerlijkt en/of goed gepraat (Caramel 1349) en/of - op 19 augustus 2014 het delen van de link naar de film met betrekking tot de onthoofding van journalist Steven Sotloff door IS (Caramel 1350), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS wordt gekweekt (Caramel 1350) en/of - op 20 augustus 2014 betreffende "dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed", waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewelddadige Jihadstrijd door IS wordt gevoerd (Caramel 1351) (Malaga 424), waarin telkens (onder meer) wordt opgeroepen tot het afreizen naar Syrië en/of het deelnemen aan de gewelddadige/gewapende Jihadstrijd en/of waarin deze strijd en/of en/of strijders van deze strijd en/of de martelaarsdood en/of een of meer terroristische groepering(en)/organisatie(s) word(t)(en) verheerlijkt, terwijl het deelnemen aan die strijd het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) inhoudt; art 131 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië,

met een of meer mededader(s), waaronder - Azzedine C. (geboren [geboortedag] 1983) en/of - Oussama C. (geboren [geboortedag] 1996) en/of - Rudolph M.Ch. H. (geboren [geboortedag] 1989) en/of - Hicham el O. (geboren [geboortedag] 1985) en/of - Moussa L. (geboren [geboortedag] 1974) en/of - Jordi G. de J. (geboren [geboortedag] 1993)

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2) en/of E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie) Artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht

EN/OF

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië,

met een of meer mededader(s), waaronder - Azzedine C. (geboren [geboortedag] 1983) en/of - Oussama C. (geboren [geboortedag] 1996) en/of - Rudolph M.Ch. H. (geboren [geboortedag] 1989) en/of - Hicham el O. (geboren [geboortedag] 1985) en/of - Moussa L. (geboren [geboortedag] 1974) en/of - Jordi G. de J. (geboren [geboortedag] 1993)

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

A. het opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag en/of (een) terroristisch misdrij(f)(ven) dan wel de voorbereiding of vergemakkelijking daartoe (zoals bedoeld in artikel 131 lid van het Wetboek van Strafrecht) en/of B. het verspreiden, openlijk tentoon stellen en/of aanslaan en/of het ter verspreiding in voorraad hebben van opruiende geschriften en/of afbeeldingen, terwijl waartoe wordt opgeruid enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag en/of een terroristisch misdrijf en/of de voorbereiding/vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt (zoals bedoeld in artikel 132 van het Wetboek van Strafrecht) en/of C. het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerven of een ander bijbrengen (zoals bedoeld in artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht) en/of D. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht) en/of E. het werven voor de gewapende strijd, zonder toestemming van de Koning (terwijl die gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van (een) terroristische misdrij(f)(ven) inhoudt) (zoals bedoeld in artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht) en/of F. doodslag (zoals bedoeld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht) en/of G. moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) en/of H. het financieren van terrorisme (zoals bedoeld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht) en/of I. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 jo 55 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) Artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

Tenlastelegging Oussama C.

Bijlage A2. 09/767038-14

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 24 juni 2014 te Den Haag en/of elders in Nederland, zonder toestemming van de Koning(in), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen,

- Getuige 1 (geboren Geboortedatum 1) (Hartig 88; Caramel 196 / 203) en/of - Betrokkene 4 (Geboortedatum 2) (Hartig 85; Caramel 186 / 203) en/of - Betrokkene 5 (Geboortedatum 3) (Hartig 81 en 82) en/of - Betrokkene 6 (Geboortedatum 4) (Hartig 81) en/of - Betrokkene 7 (Geboortedatum 5) (Hartig 81)

heeft geworven voor de gewapende strijd, door

intensief contact onderhouden en/of gesprekken gevoerd met die perso(o)n(en) en/of lezingen aan hen te geven, waarbij hij, verdachte, de strijdbare Islam en/of de gewelddadige Jihadstrijd in Syrië verheerlijkt en/of waarmee hij, verdachte, oproept uit te reizen naar Syrië en/of zich te voegen bij de gewapende Jihadstrijd, waarmee die perso(o)(nen) (geleidelijk aan) worden beïnvloed en/of overreden en/of geestelijk rijp gemaakt om af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan die gewapende strijd,

waarmee wordt aangezet tot deelname aan deze gewapende strijd,

terwijl deze gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) inhoudt; art 205 Wetboek van Strafrech art 205 lid 3 Wetboek van Strafrecht

2. (art. 131 Sr) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 24 juni 2014 te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

in het openbaar, mondeling en/of middels geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristische misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

middels:

A. het geven van (een) lezing(en)/speech(es)/les op (een) voetbalveldje(s) aan de Hondiusstraat, waarbij vlaggen die gerelateerd worden aan de gewelddadige Jihadstrijd werden gevoerd en/of waarbij hij, verdachte, het afreizen naar Syrië en de strijd tegen kuffar (ongelovigen) verheerlijkt en aanmoedigt (Hartig 81, 302-310) en/of op een radiostation, te weten Radio Ghurabaa, d.d. 14 februari 2014, waarin IS en/of Jabhat al Nusra en/of hun leiders en/of de gewelddadige Jihadstrijd worden verheerlijkt en/of waarvoor propaganda wordt gevoerd (Caramel 1392, 2073-2075) en/of

B. het plaatsen en/of delen van een of meer bericht(en) en/of geschrift(en) en/of afbeelding(en) op social media zoals Ask.fm en/of Facebook, te weten:

Facebook-berichten van en/of gedeeld door profiel AbouYazzedak-Maghriebi en/of Abou Yazeed Al Maghriebi en/of AbouDoujana en/of Abou Yazeed II, althans door verdachte in de periode van 2 december 2013 tot en met 15 april 2014, te weten diverse berichten betreffende -vlaggen die gelieerd zijn aan de gewelddadige Jihadstrijd en/of -martelaars in de gewapende Jihadstrijd en/of strijders en/of -verzet tegen het Westen door Al Qaida en/of andere terroristische groeperingen in het kader van de gewelddadige Jihadstrijd (Hartig 351-354, berichten 2-6, 7, 9) en/of -het afreizen naar Syrië ten behoeve van de gewelddadige Jihad en/of verheerlijking en/of goedkeuring van de gewelddadige Jihad (Hartig 356, bericht 1 en 2 en Hartig 741-745 betreffende bericht 1) en/of -verheerlijking en/of goedkeuring en/of oproeping van/tot de gewelddadige Jihadstrijd en/of IS en/of het kalifaat en/of het martelaarschap en/of Jihadstrijders (Hartig 357-375, berichten 1-37) en/of -verheerlijking en/of steunbetuiging en/of trouwzwering en/of wervende van/aan/voor terroristische organisaties zoals IS en/of Jabhat Al Nusra en/of Al Qaida (Hartig 376-389, berichten 1-32) en/of -het beïnvloeden en/of oproepen te bekeren tot een radicaal gewelddadig Jihadistisch gedachtegoed en/of haat en/of geweld tegen ongelovigen(Hartig 395-404, berichten 1-2, 4, 6-8, 10-12 en Hartig 409-415 berichten 8 en 21) en/of

(een) Ask.fm bericht(en) van en/of gedeeld door profiel @AbouYazeed, althans verdachte, waarin wordt verwezen naar gewelddadig Jihadistische inhoud op andere websites (Hartig 428) en/of

(een) Facebook bericht(en) d.d. 14 juni 2014, waarin een vlag, boek en hoofdband kan worden gewonnen die gelieerd is/zijn aan de gewelddadige Jihadstrijd (Hartig 430) en/of

(een) Facebookbericht(en) d.d. 3 september 2013, waarbij werd gezwaaid met een vlag die gelieerd is aan de gewelddadige Jihadstrijd (Hartig 1105-1108) en/of

C. het maken en/of plaatsen en/of delen van diverse films en/of geluidsfragmenten op: - de website www.youtube.com en/of ander(e) social media en/of op de website www.dewarereligie.nl, waarin hij, verdachte, lezingen geeft, te weten "Het Graf" en/of "Jihaad voor Allah" en/of "De