Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14242

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
AWB 15/15103
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een jongeman uit Burkina Faso op goede gronden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het oude amv-beleid (alleenstaande minderjarige vreemdelingen) geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/15103

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1996,

burger van Burkina Faso,

V-nummer [nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hanje).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Daarnaast is aan eiser niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van

23 februari 2015, Awb 14/5225, is het beroep tegen het besluit van 4 februari 2014 gegrond verklaard en het besluit van 4 februari 2014 vernietigd.

Bij besluit van 15 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

Daarnaast is aan eiser niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Ten slotte is aan eiser geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting en gelet op voornoemde uitspraak van 23 februari 2015 is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder op goede gronden heeft geweigerd eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen zoals dat gold tot 1 juni 2013 (hierna: het oude amv-beleid) en op grond van artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 te verlenen.

2. Voor zover thans van belang heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat de ongeloofwaardigheid van het overlijden van de ouders van eiser, de relatie van zijn moeder met [naam] en het gestelde dat hij bij zijn oom is gaan wonen in rechte onaantastbaar is geworden, omdat in voornoemde uitspraak van 23 februari 2015 het volgende is overwogen: “De rechtbank stelt vast dat er geen inhoudelijke gronden zijn gericht tegen de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij zich neerlegt bij het niet verlenen van de vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, dan wel b, van de Vw.”

Daarbij tekent verweerder aan, dat met het besluit van verweerder van 12 december 2014, nummer WBV 2014/36, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000)

en werkinstructie 2014/10 geen beleidswijziging is beoogd, zodat er geen nieuw beoordelingskader is, maar een nieuwe wijze van motiveren van de asielbeschikking.

Voorts is volgens verweerder conform voornoemde uitspraak van 23 februari 2015 getoetst aan het oude amv-beleid, hetgeen op zorgvuldige wijze is gedaan. Daarbij is het standpunt ingenomen dat voor eiser sprake is van adequate opvang in de zin van zijn ouders of zijn oom. Eiser verzwijgt zaken omtrent zijn familie, waardoor hij bovendien een onderzoek naar opvangmogelijkheden frustreert. Dat niet wordt getwijfeld aan de identiteit en herkomst van eiser maakt dit niet anders. Dat eiser navraag zou hebben gedaan leidt niet tot een ander standpunt, nu dit de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen niet wegneemt, de e-mail van eisers gemachtigde aan de ambassade van Burkina Faso is gebaseerd op de ongeloofwaardig geachte verklaringen van eiser over zijn ouders en niet bekend is wat het antwoord van de ambassade van Burkina Faso is. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, zoals dat gold tot 1 juni 2013, in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.

Verder komt volgens verweerder pas bij uitzetting aan de orde of er daadwerkelijk opvang is, waardoor het beroep op de uitspraak van het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties van 22 juli 2011 in zaak nr. CCPR/C/102/D/1564/2007, X.H.L. tegen Nederland (JV 2012/38) niet slaagt.

Ook is voldoende rekening gehouden met de belangen van eiser als minderjarige. Er is geen sprake van bijzondere feiten of omstandigheden die tot een andere afweging van de belangen zou kunnen leiden.

Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb 2000.

Eiser wordt geen uitstel van vertrek verleend.

3. Op grond van het bepaalde in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, in werking getreden op

20 juli 2015, omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de ongeloofwaardigheid van de relevante onderwerpen van het asielrelaas in rechte onaantastbaar is geworden. Voor de vraag of de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser in rechte is komen vast te staan is doorslaggevend of de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht hieromtrent uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een rechtsoordeel heeft gegeven. Eiser heeft gemotiveerd betoogd dat dit niet het geval is.

De rechtbank stelt aan de hand van het verweerschrift en hetgeen ter zitting is besproken vast dat verweerder het standpunt, zoals verwoord in het bestreden besluit, niet langer handhaaft. Daarmee is gegeven dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank zal vervolgens bezien of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De gemachtigde van verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren dan wel bij gegrondverklaring van het beroep de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, nu niet langer wordt volgehouden dat de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas onaantastbaar in rechte vaststaat, maar dat dit gebrek is geheeld door in het verweerschrift van 30 september 2015 te verwijzen naar de motivering van het eerdere besluit van 4 februari 2014 en de aanvulling die hierop is gegeven in het verweerschrift. Eiser heeft hier tegenin gebracht dat dit niet voldoet aan de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling volgens werkinstructie 2014/10, alsmede dat verweerder was gehouden hem opnieuw te horen.

5.1.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat blijkens de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 9 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1203 en ECLI:NL:RVS:2015:1201) de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling geen wijziging van beleid is maar een andere wijze van motiveren van het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder inhoudt.

De rechtbank is het met eiser eens dat verweerder, gelet op de datum van het voornemen van

22 april 2015 en het bestreden besluit van 15 juli 2015, gehouden was een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten. De rechtbank zal daarom bezien of de motivering van het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder voldoet aan de vereisten die werkinstructie 2014/10 daaraan stelt.

Gelet op de omstandigheid dat niet in geschil is dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000, zal de geloofwaardigheidsbeoordeling worden bezien in het licht van de toetsing aan het oude amv-beleid.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het eerdere voornemen van 24 december 2013, waaruit de overwegingen zijn ingelast in het eerdere besluit van 4 februari 2014, de relevante elementen heeft benoemd: het overlijden van eisers ouders, de relatie van zijn moeder met [naam] en het verblijf bij zijn oom. De rechtbank is van oordeel dat uit het eerdere voornemen, het eerdere bestreden besluit van 4 februari 2014 en het verweerschrift valt af te leiden dat verweerder de geloofwaardigheid per relevant element heeft beoordeeld en dat verweerder de conclusie heeft getrokken dat alle voornoemde relevante elementen als ongeloofwaardig worden aangemerkt, zodat er geen verdere toets van deze elementen plaatsvindt. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de motivering van het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder zoals neergelegd in het eerdere besluit van 4 februari 2014 in samenhang met het verweerschrift voldoet aan de vereisten die werkinstructie 2014/10 daaraan stelt.

5.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de relevante elementen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, omdat eiser vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over het overlijden van zijn ouders, over zijn oom en over de relatie die zijn moeder zou hebben gehad met [naam] . Op dit laatste punt heeft eiser volgens verweerder ook tegenstrijdig verklaard. Eiser heeft betoogd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de relevante elementen van het asielrelaas van eiser als ongeloofwaardig kunnen worden bestempeld. Daartoe heeft hij aangevoerd dat gedetailleerde verklaringen redelijkerwijs niet van hem verwacht kunnen worden gelet op (een gebrek aan kennis vanwege) zijn leeftijd en zijn culturele achtergrond.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer gedetailleerd kon verklaren. Daartoe heeft verweerder op goede gronden in aanmerking genomen dat eiser naar eigen zeggen als enig kind met zijn moeder samenwoonde tot aan haar overlijden op zijn veertiende levensjaar, dat zijn moeder alleen voor hem zorgde en dat hij tot na het overlijden van zijn moeder onderwijs heeft gevolgd. Onder die omstandigheden heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer informatie kon verschaffen over de doodsoorzaak van zijn vader en de ziekte en het overlijden van zijn moeder. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers verklaring dat hij [naam] niet mocht onvoldoende verklaring biedt voor de omstandigheid dat hij ook over [naam] vrijwel niets heeft kunnen vertellen. Dat de verklaring voor het niet meer informatie kunnen verschaffen gelegen zou zijn in eisers culturele achtergrond is niet onderbouwd en evenmin overtuigend. Ook het enkele feit dat eiser destijds veertien jaar was heeft verweerder terecht niet als afdoende verklaring beschouwd. Verweerder heeft bovengenoemde relevante elementen dan ook terecht als ongeloofwaardig aangemerkt en afgezien van een verdere toets ten aanzien van deze elementen.

5.5.

Het betoog van eiser dat hij opnieuw gehoord had moeten worden slaagt niet. Dat werkinstructie 2014/10 inmiddels van toepassing is geworden en dat het eerdere besluit is vernietigd verplicht verweerder niet om opnieuw te horen en maakt evenmin dat verweerder op basis van de beschikbare gegevens niet tot een juiste beoordeling van de geloofwaardigheid kon komen.

6. Eiser heeft voorts betwist dat er voor hem adequate opvang is in Burkina Faso bij zijn ouders dan wel zijn oom. Hij heeft daartoe betoogd dat de overweging van verweerder dat zijn oom enerzijds geldt als adequate opvang en anderzijds dat eisers verklaringen omtrent zijn oom als ongeloofwaardig worden beschouwd, niet kan worden gevolgd. Verweerder had aanleiding moeten zien na te gaan of er een familielid aanwezig is in Burkina Faso, aldus eiser.

Hij betwist dat pas bij daadwerkelijke uitzetting getoetst hoeft te worden of sprake is van opvang voor de minderjarige vreemdeling in het land van herkomst.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bestaan van adequate opvang als volgt.

6.1.

Volgens het oude amv-beleid, destijds neergelegd in paragraaf B14 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), gelden volgens paragraaf B14/2.2. van de Vc 2000 voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv de volgende bijzondere cumulatieve voorwaarden:

– de vreemdeling is minderjarig;

– de vreemdeling is alleenstaand;

– de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 Vw;

– de vreemdeling kan zich naar het oordeel van de Minister niet zelfstandig handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan; en

– voor de vreemdeling ontbreekt naar het oordeel van de Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

Volgens paragraaf B14/2.2.4 is, indien aan de hand van B14/2.2.3 wordt geconstateerd dat de Amv opvang behoeft, van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.

Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.

Voor zover van belang wordt het bestaan van adequate opvang in ieder geval aangenomen, indien in het betreffende land een familielid tot in de vierde graad aanwezig is.

Verwacht wordt dat de betrokkene vertrekt naar het land van herkomst of naar een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op de ongeloofwaardigheid van het overlijden van eisers ouders en het verblijf bij zijn oom in het licht van vorenstaand beleid op het standpunt kunnen stellen dat er voor eiser sprake is van adequate opvang in Burkina Faso in de zin van zijn ouders of zijn oom. Daarbij tekent de rechtbank nog aan, dat het bestaan van de oom door verweerder niet ongeloofwaardig is geacht, zodat de rechtbank eiser niet volgt in zijn stelling dat sprake is van een tegenstrijdigheid op dit punt. Voorts heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:804) naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij niet is gehouden nader onderzoek te doen naar de opvangmogelijkheden in Burkina Faso.

Dat eerst bij uitzetting de daadwerkelijke beschikbaarheid van de opvang getoetst hoeft te worden volgt inderdaad uit diverse uitspraken van de Afdeling, door verweerder genoemd in het bestreden besluit.

6.3.

Nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van adequate opvang voor eiser in Burkina Faso, voldoet eiser niet aan de in het beleid opgenomen voorwaarde dat adequate opvang voor hem ontbreekt.

6.4.

Eiser heeft zich voorts beroepen op de belangen van het kind en betoogd dat verweerder hiermee in zijn geval onvoldoende rekening heeft gehouden, althans dat dit onvoldoende kenbaar is gebeurd.

6.5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, conform voornoemde uitspraak van 23 februari 2015, een beoordeling heeft verricht aan de hand van het oude amv-beleid als ware eiser minderjarig. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eisers beroepsgrond niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716 en 23 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6235), artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat verweerder zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van eiser. Daartoe overweegt de rechtbank dat de belangen van het kind zijn verwerkt in het amv-beleid en dat uit de door verweerder verrichte toets aan dit beleid, die bovendien de rechterlijke toets doorstaat, blijkt dat met die belangen rekening is gehouden (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV4237))

6.6.

Verweerder heeft eiser gelet op het voorgaande op goede gronden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het oude amv-beleid geweigerd.

De rechtbank laat gelet daarop verder onbesproken of eiser al dan niet het onderzoek naar adequate opvang heeft gefrustreerd.

7. Eiser heeft zich ten slotte beroepen op het recht op privéleven, zoals beschermd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij heeft betoogd dat verweerder in het bestreden besluit de ‘exceptional circumstances-toets’ onjuist heeft ingevuld en een onjuist beoordelingskader heeft toegepast. Verweerder heeft ook teveel gewicht toegekend aan het feit dat eiser nog maar tweeënhalf jaar in Nederland heeft verbleven, en verweerder had meer belangen bij de afweging moeten betrekken, zoals dat hij geen banden meer heeft met Burkina Faso, aldus eiser. Dat verweerder eerst in het verweerschrift een toets in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verricht is onzorgvuldig, aldus eiser.

Eiser heeft voorts diverse stukken ter ondersteuning van zijn beroep op het recht op privéleven overgelegd, waaruit onder meer zijn inzet op school en bij zijn voetbalclub blijkt, alsmede handtekeningenlijsten van eisers school met als aanhef ‘ [eiser] moet blijven!!!’.

7.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de inhoud van de zienswijze van 18 mei 2015 niet hoeven opmaken dat de genoemde omstandigheden naar voren zijn gebracht in het kader van artikel 8 van het EVRM. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat de aangevoerde omstandigheden in de zienswijze op geen enkele wijze zijn onderbouwd. Dit is eerst in de beroepsfase gebeurd. In het verweerschrift heeft verweerder voorts een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt, waarbij alle aangevoerde belangen zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het vorenstaande ook op goede gronden geweigerd eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 te verlenen.

7. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op een bedrag van € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 490,--).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 15 juli 2015;

  • -

    laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 980,--, te betalen aan de gemachtigde van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Markwat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.