Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14208

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
C/09/471279 / FA RK 14-6083
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

scheiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 14-6083 (echtscheiding) en FA RK 15-2889 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/471279 (echtscheiding) en C/09/486941 (verdeling)

Datum beschikking: 3 september 2015

Scheiding

Beschikking op het op 8 augustus 2014 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. S. Swint te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. van Olffen te [geboorteplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het aanvullend verzoekschrift;

  • -

    het faxbericht d.d. 20 november 2014 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een kopie van het exploot van betekening van het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    het bericht d.d. 25 februari 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het formulier verdelen en verrekenen, bij de rechtbank binnengekomen d.d. 3 april 2015 van de zijde van de man;

- het formulier verdelen en verrekenen, bij de rechtbank binnengekomen d.d. 3 april 2015 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 15 juli 2015, met bijlage van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 16 juli 2015, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het bericht d.d. 17 juli 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 17 juli 2015, met bijlagen, van de zijde van de man.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Op 28 juli 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het bericht d.d. 18 augustus 2015 van de zijde van de vrouw, met als bijlage de huwelijksakte van partijen.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen, conform het voorstel van de vrouw;

- vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 1.874,-- bruto per maand;

- vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 2.062,-- bruto per maand;

- vaststelling dat de echtelijke woning te [adres] verkocht dient te worden;

- vaststelling dat de huwelijksvoorwaarden afgewikkeld dienen te worden conform het voorstel van de vrouw,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer tegen het verzochte, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man thans nog zelfstandig verzocht om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen, conform het voorstel van de man;

- vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 140,-- per maand per kind, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

- bepaling dat de verdeling van de beperkte inboedel zal dienen te geschieden conform het voorstel van de man, waarbij de vrouw veroordeeld wordt om aan de man een bedrag van € 43.248,81 te voldoen binnen veertien dagen na de in deze zaak te geven beschikking, te verhogen met de wettelijke rente indien zij na genoemde termijn niet of niet tijdig tot voldoening van het bedrag overgaat.

De vrouw voert verweer tegen het verzochte, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] .

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

  • -

    [de minderjarige 1] (hierna ook: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , die voor haar geboorte is erkend door de man,

  • -

    [de minderjarige 2] (hierna ook [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

  • -

    [de minderjarige 3] (hierna ook: [de minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 4] (hierna ook: [de minderjarige 4] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding.

- Deze rechtbank heeft op 7 november 2014 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende:

­ dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarigen bij zich te hebben:

­ de ene week vanaf donderdagmiddag 17.30 uur tot en met zondagavond 19.30 uur;

­ de andere week van woensdagmiddag 12.00 uur tot en met donderdagavond 19.30 uur;

­ dat de som welke de man met ingang van 7 november 2014 voorlopig zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen is bepaald op € 256,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Beoordeling

Echtscheiding

Ouderschapsplan

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).

Het is de rechtbank gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting voldoende gebleken dat het op dit moment niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Nu de rechtbank het in belang van de minderjarigen acht dat de behandeling van de verzoeken wordt voortgezet, zal de rechtbank partijen derhalve ontvangen in het over en weer gedane verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan.

Inhoudelijke beoordeling

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Zorgregeling

Partijen zijn ter terechtzitting tot overeenstemming gekomen met betrekking tot de zorgregeling.

Zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]

Partijen hebben ten aanzien van de minderjarigen [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] afgesproken dat de zorgregeling die is vastgesteld in de voorlopige voorzieningenprocedure gecontinueerd kan worden. Met betrekking tot de vakanties zijn partijen overeengekomen dat deze in onderling overleg bij helfte zullen worden gedeeld. Nu het belang van de minderjarigen zich hiertegen niet verzet en het verzoek op de wet is gegrond zal de rechtbank de overeengekomen zorgregeling vaststellen.

Zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

Ten aanzien van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben partijen ter zitting afgesproken dat zij er naar streven om een vergelijkbare zorgregeling – zoals die wordt vastgesteld voor de andere twee kinderen van partijen – uit te voeren. Partijen zijn het erover eens dat zij hierbij het contact tussen de man en de minderjarigen niet willen forceren en de minderjarigen daarom niet zullen dwingen tot contact met de man in de vorm van een vastomlijnde zorgregeling.

Verder hebben partijen afgesproken dat zij ervoor zullen zorgdragen dat er tussen de man en de minderjarigen gesprekken zullen plaatsvinden, onder begeleiding van de schoolpsycholoog, met als doel de onderlinge band te versterken en toe te werken naar bovengenoemde zorgregeling.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank beslissen als na te melden.

Kinderalimentatie

Behoefte van de minderjarigen

Partijen zijn het erover eens dat voor de behoefte van de minderjarigen kan worden aangesloten bij de behoefte zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure is berekend. De behoefte bedraagt derhalve € 1.596,-- per maand voor de vier minderjarigen tezamen.

Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de behoefte thans € 1.609,-- per maand voor de vier minderjarigen tezamen.

De rechtbank zal, conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen, het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt (inclusief de alleenstaande-ouderkop) in mindering brengen op de hiervoor genoemde behoefte.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw aanspraak maakt op het maximale bedrag aan kindgebonden budget per maand. Uitgaande van een minimaal inkomen aan de zijde van de vrouw van (hooguit) € 1.275,- per maand berekent de rechtbank het kindgebonden budget waar de vrouw in 2015 aanspraak op kan maken op € 468,-- per maand.

Na aftrek van het berekende kindgebonden budget bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarigen € 1.141,-- per maand (€ 1.609,-- minus € 468,--) voor de vier minderjarigen tezamen, oftewel € 285,-- per maand per kind.

Nu de gevraagde kinderbijdrage de hiervoor vastgestelde behoefte van de minderjarigen te boven gaat, hanteert de rechtbank laatstbedoeld bedrag als uitgangspunt voor de behoefte van de minderjarigen.

Ingangsdatum

De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op 1 september 2015, gelet op de datum van de onderhavige beschikking, nu door de vrouw geen ingangsdatum is verzocht en partijen met ingang van die datum in redelijkheid rekening kunnen houden met de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Nu de rechtbank deze ingangsdatum zal bepalen, maakt de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van partijen gebruik van de alimentatierichtlijnen en tarieven uit 2015, tweede helft.

Draagkracht

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. De rechtbank volgt in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht.

De rechtbank zal daartoe eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen berekenen, waarbij de rechtbank de uitgangspunten hanteert zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de voormelde Expertgroep. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het hebben van een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 (eigenwoningforfait en aftrek van hypotheekrente) en/of met de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen. Ook wordt geen rekening gehouden met de fiscale gevolgen van de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Het bedrag aan draagkracht wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.525,---) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

- Draagkracht van de vrouw

Tussen partijen staat vast dat de vrouw thans een lager inkomen heeft dan € 1.275,-- netto per maand. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van een minimumdraagkracht van € 50,-- per maand voor de vier minderjarigen tezamen.

- Draagkracht van de man

De rechtbank volgt de stelling van de vrouw en zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een gemiddeld inkomen. De rechtbank ziet in de schommelingen in het inkomen van de man aanleiding om uit te gaan van het gemiddelde inkomen loondienst en winst uit onderneming van de man over 2013 en 2014.

- loon uit loondienst

De rechtbank houdt rekening met een bruto inkomen van € 25.042,-- per jaar (gemiddelde van € 24.069,-- en € 26.014,--) en zoals ontvangen van de Gemeente [plaats] en een bruto inkomen van € 7.002,-- per jaar (gemiddelde van € 8.878,-- en € 5.126,--) zoals ontvangen van het [werkgever] , conform de IB-aangifte 2013 en de IB-aangifte 2014 en de jaaropgaven.

- winst uit onderneming

Verder houdt de rechtbank conform voormelde aangiften 2013 en 2014 rekening met een winst uit onderneming van € 5.340,-- per jaar (gemiddelde van € 2.348,-- en € 8.331,--) en een MKB-winstvrijstelling ad € 748,-- per jaar.

- huurinkomsten

Daarnaast ontvangt de man huurinkomsten uit verhuur van de onroerende zaken gelegen aan de [adres] , [adres] , [adres] en [adres] , allen te [plaats] . De man heeft gesteld dat de jaarlijkse huurinkomsten € 91.320,-- bedragen, te verminderen met een bedrag aan kosten ad € 80.396,70 per jaar. De werkelijke huurinkomsten bedragen derhalve afgerond € 10.924,-- per jaar, aldus de man. Nu de vrouw deze bedragen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft betwist, neemt de rechtbank een bedrag van € 10.924,-- per jaar in aanmerking als inkomen uit Sparen en Beleggen (Box III inkomen).

Verder is conform de voormelde aangifte ten aanzien van het Box III inkomen rekening gehouden met € 782.850,-- als waarde voor de onroerende zaken voornoemd, een bedrag ad € 5.051,-- als bank- en spaartegoeden in Nederland en een bedrag ad € 704.795 aan schulden.

Derhalve is de rendementsgrondslag € 86.106,--. Ook is rekening gehouden met het heffingsvrij vermogen van € 21.330,-- en een drempel voor de aftrekbare schulden ad € 3.000,--.

- NBI en draagkracht

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een bedrag van € 223,-- per jaar als inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) en met de voor de man geldende heffingskortingen, te weten de algemene heffingskorting van € 1.813,-- per jaar en de arbeidskorting van € 2.220,-- per jaar.

Gelet op het voorgaande, berekent de rechtbank het NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.087,-- per maand.

Conform voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man in beginsel op € 900,-- per maand.

- schulden

Ten aanzien van de lasten van de man overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen staat vast dat er een aanzienlijke schuldenlast bestaat, ten behoeve waarvan de man in ieder geval € 1.000,-- per maand aflost. Daarnaast staat tussen partijen vast dat de man iedere maand de gehele hypotheeklast voor zijn rekening neemt. De man heeft onbetwist gesteld dat deze last € 857,-- per maand bedraagt, te vermeerderen met het forfait overige eigenaarslasten.

Hoewel vaststaat dat de man thans geen woonlasten heeft voor zijn huidige woning en zijn huidige partner deze lasten vooralsnog voldoet, heeft de man onbetwist gesteld dat hij verplicht is om zijn deel in de woonlasten op een later moment alsnog te voldoen aan zijn huidige partner.

Gelet op het voorgaande en nu de rechtbank het aannemelijk en redelijk acht dat de man de helft van de huidige woonlasten aan zijn huidige partner betaalt, houdt de rechtbank rekening met bovenstaande maandelijkse lasten en is zij van oordeel dat de man geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De rechtbank komt derhalve niet toe aan berekening van mogelijke zorgkorting.

Nu de man ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft aangeboden een bedrag van € 158,- per kind per maand te voldoen, zal de rechtbank dit bedrag vaststellen, ongeacht of zijn draagkracht dit naar het oordeel van de rechtbank toelaat.

Partneralimentatie

Nu de man in beginsel geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te voldoen, kan hij evenmin in staat worden geacht om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Afwikkeling huwelijksvoorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschap

Partijen hebben de volgende bestanddelen opgevoerd:

  1. echtelijke woning te [adres] ;

  2. de aan de echtelijke woning verbonden en bij partijen bekende hypothecaire geldlening;

  3. de levensverzekering bij ASR met nummer [nummer] ;

  4. de onroerende zaak te [adres] ;

en de aan die zaak gekoppelde hypothecaire geldlening bij de ING Bank met nummer [nummer] ;

5. de onroerende zaak te [adres] ;

en de aan die zaak gekoppelde hypothecaire geldlening bij de ING Bank met nummer [nummer] ;

6. de onroerende zaak te [adres] ;

en de aan die zaak gekoppelde hypothecaire geldlening bij de ING Bank met nummer [nummer] ;

7. de onroerende zaak te [adres] ;

en de aan die zaak gekoppelde hypothecaire geldleningen bij de ABN AMRO Bank met nummers [nummer] en [nummer]

8. de saldi van de bankrekeningen:

a. ABN AMRO Bank [nummer] , ten name van de man;

b. ING BANK [nummer] ten name van de man;

c. ABN AMRO Bank [nummer] (deels zakelijk flexibel krediet) ten name van de man;

d. ABN AMRO Bank [nummer] zijnde een zakelijke rekening;

9. een belastingaanslag in het kader van de zorgverzekering met nummer [nummer] ;

10. de eenmanszaak [naam] ;

11. diverse eenvoudige gemeenschappen;

Inleiding

Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding. Tussen partijen staat vast dat jaarlijkse verrekening van overgespaarde inkomsten nimmer heeft plaatsgevonden.

Artikel 1:141 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak is niet afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en deze zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW wordt, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerst lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

Tevens staat vast dat sprake is van een aantal eenvoudige gemeenschappen die verdeeld dienen te worden.

Peildatum

Ter terechtzitting is gebleken dat partijen het eens zijn over de peildatum ter bepaling van de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen en omvang en de waardering van de eenvoudige gemeenschappen, te weten 27 augustus 2014.

Eenvoudige gemeenschap van woning

Tussen partijen staat vast dat er tussen hen een eenvoudige gemeenschap bestaat die de echtelijke woning aan de [adres] omvat, met de aan de echtelijke woning verbonden en de bij partijen bekende hypothecaire geldlening bij de ABN Amro Bank en de levensverzekering bij ASR met nummer [nummer] .

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning zal worden verkocht en dat de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening zal worden afgelost met de verkoopopbrengst. Ook zijn partijen overeengekomen dat de voornoemde levensverzekering zal worden afgekocht en het ontvangen bedrag strekt tot aflossing van de hypothecaire geldlening. Partijen zijn verder overeengekomen dat Remax als verkopend makelaar zal worden ingeschakeld. Voorts zijn partijen overeengekomen dat, indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen ten aanzien van de verkoop- of de laatprijs, voornoemde makelaar deze prijzen bindend zal vaststellen tussen partijen.

De rechtbank zal aldus beslissen, waarbij de rechtbank zal bepalen dat de overwaarde dan wel het tekort (zijnde de verkoopopbrengst en de waarde/opbrengst van de aan de hypothecaire geldlening verbonden levensverzekering, te verminderen met de aflossing van de hypothecaire geldlening en de met de verkoop samenhangende kosten) aan ieder van partijen bij helfte toekomt, dan wel door beide partijen bij helfte dient te worden gedragen.

Eenvoudige gemeenschap van onder meer inboedel

Het is de rechtbank gebleken dat er inboedel is, een motor, een mountainbike, een vouwwagen, kampeerspullen, een computer en paard(en) met tuig. Gesteld noch gebleken is dat deze spullen aan één van partijen toebehoren, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het bovenstaande van partijen tezamen is en sprake is van eenvoudige gemeenschappen die moet worden verdeeld.

Partijen hebben ter terechtzitting afgesproken dat de inboedel en de kampeerspullen in onderling overleg zullen worden verdeeld. De rechtbank zal daaromtrent dan ook geen beslissing nemen.

Verder zijn partijen overeengekomen dat de motor, de mountainbike en de computer aan de man kunnen worden toebedeeld, zonder nadere verrekening.

Partijen hebben afgesproken dat de vouwwagen en paard(en) met tuig aan de vrouw kunnen worden toebedeeld, zonder nadere verrekening.

De rechtbank zal beslissen als na te melden.

Te verrekenen vermogen

Ten aanzien van alle overige vermogensbestanddelen zoals hierboven genoemd, dient te worden beoordeeld of, op grond van de huwelijkse voorwaarden, een van partijen een vordering verkrijgt op de andere partij.

De rechtbank is van oordeel dat de man onderbouwd heeft gesteld dat er schulden zijn ter hoogte van een bedrag van € 101.897,62, onder meer bestaande uit drie bankrekeningen ten name van de man, zoals hierboven genoemd. Deze stelling is niet nader (gemotiveerd) betwist door de vrouw, zodat dit vaststaat.

Voorts staat vast dat er vier panden zijn die op naam van de man staan. Twee panden daarvan zijn voor het huwelijk aangeschaft, te weten [adres] en [adres] , en zij zijn dus niet aangekocht met overgespaard inkomen. Deze panden vallen dan ook buiten het te verrekenen vermogen. Voor zover de vrouw stelt dat er tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen is afgelost op de schuld die samenhangt met deze panden, is deze stelling door de man gemotiveerd betwist en door de vrouw niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om de twee voorhuwelijkse panden bij de verrekening te betrekken.

Vaststaat dat de andere twee panden ten tijde van het huwelijk van partijen zijn aangekocht, te weten [adres] en [adres] te [plaats] . Uit de door de man overgelegde aangifte voor de Inkomstenbelasting 2014 volgt een WOZ-waarde van € 120.700,-- respectievelijk € 194.650,--. De met deze panden samenhangende schulden bedragen conform de voormelde aangifte € 132.175,-- respectievelijk € 234.600,-- (€ 125.000,-- + € 109.600,--). Gelet op voornoemde WOZ-waarden en de schuldenlasten, is er ten aanzien van beide panden sprake van een aanzienlijke onderwaarde. Gelet op deze aanzienlijke onderwaarde acht de rechtbank het niet aannemelijk dat – zoals de vrouw stelt – als de panden zullen worden getaxeerd dit een positief saldo met zich brengt.
In reactie op de stelling van de vrouw heeft de man evenwel dat vanaf 2011 aflossingen zijn gedaan van € 2.000,-- per kwartaal ten behoeve van het pand aan de [adres] . Daarmee kan worden aangenomen dat deze zijn verricht met overgespaard inkomen. Echter, zelfs indien de rechtbank rekening houdt met dergelijke aflossingen, is het – gelet op het voorgaande – niet aannemelijk dat dit leidt tot een positief totaalresultaat.

Voor zover de vrouw heeft beoogd te stellen dat de onderneming van de man nog enige activa bevat, zoals gereedschappen en een bestelbus, die in de verrekening moet worden betrokken, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man dat genoemde goederen nog enige waarde vertegenwoordigen, die – in het licht van voornoemde schuldenlast – nog tot een positief eindtotaal zou kunnen leiden.

Een en ander brengt met zich dat er per peildatum geen positief te verrekenen vermogen is, zodat geen van partijen een vordering op de ander heeft terzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, nu sprake is van schulden ten name van de man, deze schulden derhalve voor zijn rekening zullen blijven.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de vrouw] , en [de man]

gehuwd op [datum huwelijk] te Leiden;

bepaalt dat de minderjarigen:

­ [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

­ [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

bij de man zullen zijn:

­ de ene week vanaf donderdagmiddag 17.30 uur tot en met zondagavond 19.30 uur;

­ de andere week van woensdagmiddag 12.00 uur tot en met donderdagavond 19.30 uur;

­ gedurende de helfte van de vakanties, in onderling overleg te bepalen,

en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarigen:

­ [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

­ [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

bij de man zullen zijn: op momenten in onderling overleg tussen de ouders te bepalen, met inachtneming van de wensen van voornoemde minderjarigen, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, met ingang van 1 september 2015, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 158,-- per kind per maand, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

stelt de verdeling van de goederen die partijen in gemeenschappelijke eigendom hebben –onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand – als volgt vast:

I.

met betrekking tot de echtelijke woning:

  1. bepaalt dat de woning te [adres] , zal worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij de over- dan wel onderwaarde (zijnde de verkoopopbrengst te verminderen met de aflossing van de hypothecaire geldlening en eventuele met de verkoop samenhangende kosten) door partijen bij helfte wordt gedeeld of gedragen;

  2. bepaalt dat de aan de hypothecaire geldlening verbonden levensverzekering

bij ASR met nummer [nummer] wordt afgekocht en de opbrengst daarvan wordt aangewend ter aflossing van de hypothecaire geldlening;

II.

met betrekking tot de overige eenvoudige gemeenschappen:

1. aan de man worden toebedeeld zonder nadere verrekening:

a. de motor

b. de mountainbike

c. de computer;

2. aan de vrouw worden toebedeeld zonder nadere verrekening:

a. paard(en) met tuig;

b. de vouwwagen;

en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. G. Meeder, S.M. van der Schenk en W.G. de Boer, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. L. Mos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2015.