Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
AWB 15/19968
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 59a, eerste lid, Vw; Dublinclaimant; vertrekplicht;

In haar uitspraak van 30 juli 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2015:2537) onder meer overwogen dat de Dublinverordening een volledig eigen systeem bevat voor het zelfstandig vertrek of de verwijdering van asielzoekers binnen de Europese Unie. Uit de bepalingen van de Dublinverordening vloeit voort dat de verantwoordelijkheid voor de overdracht primair op de autoriteiten van de verzoekende lidstaat rust. Een asielzoeker wordt, gelet op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Uitvoeringsverordening daarnaast de mogelijkheid geboden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht, waarbij een uiterste datum wordt vastgesteld waarbinnen hij zich in de verantwoordelijke lidstaat moet melden. Dit gebeurt echter slechts op diens initiatief. De in artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, Vw opgenomen algemene verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten is hiermee niet in overeenstemming. Hieruit volgt dat artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, Vw in zoverre onverbindend zijn wegens strijd met artikel 7, eerste lid, Verordening 1560/2003. De Afdeling heeft in haar uitspraak geconcludeerd dat de omstandigheid dat de vreemdeling Nederland niet binnen vier weken uit eigen beweging heeft verlaten en te kennen heeft gegeven niet te zullen vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat, hem niet kon worden tegengeworpen en niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd, nu een verplichting in die zin ten onrechte is aangenomen.

Gelet op deze uitspraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser in het onderhavige geval ten onrechte heeft tegengeworpen de omstandigheid dat hij Nederland niet binnen vier weken uit eigen beweging heeft verlaten en dat hij te kennen heeft gegeven niet te zullen vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat. Deze gronden konden derhalve niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.

De grond, dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, kon in het onderhavige geval evenmin aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Zoals blijkt uit de bij deze grond gegeven toelichting in het besluit heeft verweerder deze grond tegengeworpen omdat het ontbreken van voldoende middelen van bestaan het onwaarschijnlijk maakt dat eiser zijn uitreis zal kunnen bekostigen, zodat hij niet uit eigen beweging zal vertrekken. De door verweerder ter zitting gegeven toelichting, dat deze grond ook ziet op het niet kunnen voorzien in het eigen onderhoud tijdens het verblijf in Nederland, volgt de rechtbank niet, nu deze toelichting niet expliciet in het besluit is opgenomen en evenmin leidt tot de conclusie dat er een significant risico op onderduiken bestaat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 19968

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit, verblijvende in Detentiecentrum Zeist,

eiser,

(gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem),

en

de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. T. Nauta, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 9 november 2015 is aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op 11 november 2015 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, zesde lid, Vw het beroep gegrond.

  2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld. De maatregel ex artikel 59a, eerste lid, Vw wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een significant risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft hier aan ten grondslag gelegd de feiten of omstandigheden dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, dat eiser zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, dat eiser eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven en dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiser zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

  3. Eiser voert allereerst aan dat voor hem een claim is gelegd bij de Italiaanse autoriteiten op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 30 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2537) geoordeeld dat op een vreemdeling als eiser, voor wie een claim is gelegd bij een andere lidstaat en welke claim is gehonoreerd, geen vertrekplicht kan worden gelegd. Dit heeft tot gevolg dat verweerder, in een geval als het onderhavige, niet aan de bewaring ten grondslag kan leggen dat eiser eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven, noch dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Verder kan verweerder eiser niet tegenwerpen dat hij niet beschikt over voldoende middelen. Verweerder heeft in het besluit tot oplegging van de maatregel namelijk aangegeven dat dit het onwaarschijnlijk maakt dat eiser zijn uitreis zal kunnen bekostigen, zodat hij niet uit eigen beweging zal vertrekken.

3.1

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat eiser een besluit heeft gekregen dat hij Nederland dient te verlaten. Dat de verantwoordelijkheid voor overdracht aan de Italiaanse autoriteiten bij verweerder ligt, maakt niet dat op eiser geen vertrekplicht rust.

3.2

In haar uitspraak van 30 juli 2015 heeft de Afdeling, onder meer, overwogen dat de Dublinverordening een volledig eigen systeem bevat voor het zelfstandig vertrek of de verwijdering van asielzoekers binnen de Europese Unie. De verordening heeft als doel de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of staatloze bij een van die lidstaten is ingediend. Indien een dergelijk verzoek wordt ingediend in een andere dan de verantwoordelijke lidstaat, hoeft deze dat verzoek niet inhoudelijk te behandelen en kan de asielzoeker worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Uit de bepalingen van de Dublinverordening vloeit voort dat de verantwoordelijkheid voor de overdracht primair op de autoriteiten van de verzoekende lidstaat rust. Een asielzoeker wordt gelet op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Uitvoeringsverordening) daarnaast de mogelijkheid geboden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht, waarbij een uiterste datum wordt vastgesteld waarbinnen hij zich in de verantwoordelijke lidstaat moet melden. Dit gebeurt echter slechts op diens initiatief. De in artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, Vw opgenomen algemene verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten is hiermee niet in overeenstemming. Hieruit volgt dat artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, Vw in zoverre onverbindend zijn wegens strijd met artikel 7, eerste lid, Verordening 1560/2003. De Afdeling heeft in haar uitspraak geconcludeerd dat de omstandigheid dat de vreemdeling Nederland niet binnen vier weken uit eigen beweging heeft verlaten en te kennen heeft gegeven niet te zullen vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat, hem niet kon worden tegengeworpen en niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd, nu een verplichting in die zin ten onrechte is aangenomen.

3.3

Gelet op deze uitspraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser in het onderhavige geval ten onrechte heeft tegengeworpen de omstandigheid dat hij Nederland niet binnen vier weken uit eigen beweging heeft verlaten en dat hij te kennen heeft gegeven niet te zullen vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat. Deze gronden konden derhalve niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.

3.4

De grond, dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, kon in het onderhavige geval evenmin aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Hiertoe is redengevend dat, zoals blijkt uit de bij deze grond gegeven toelichting in het besluit tot oplegging van de maatregel, verweerder deze grond heeft tegengeworpen omdat het ontbreken van voldoende middelen van bestaan het onwaarschijnlijk maakt dat eiser zijn uitreis zal kunnen bekostigen, zodat hij niet uit eigen beweging zal vertrekken. De door verweerder ter zitting gegeven toelichting, dat deze grond ook ziet op het niet kunnen voorzien in het eigen onderhoud tijdens het verblijf in Nederland, volgt de rechtbank niet, nu deze toelichting niet expliciet in het besluit is opgenomen en evenmin leidt tot de conclusie dat er een significant risico op onderduiken bestaat.

4. Eiser voert verder aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd in het besluit aan welke verplichtingen van Hoofdstuk 4 eiser zich niet heeft gehouden, noch waarom dit leidt tot de conclusie dat een significant risico op onderduiken bestaat en dat verweerder evenmin heeft gemotiveerd waarom het feit dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft maakt dat een significant risico op onderduiken bestaat.

4.1

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat de motivering niet in het besluit is opgenomen, maar dat verweerder deze gronden ter zitting nader mag toelichten. Daarnaast stelt verweerders gemachtigde dat eiser zich niet heeft gehouden aan de in Hoofdstuk 4 neergelegde verplichtingen als het in bezit hebben van de juiste documenten, het melden van illegaal verblijf in Nederland en het zich periodiek melden. Daarnaast geldt dat, omdat eiser niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen en hij geen plek heeft aangegeven waar hij feitelijk zou verblijven, hij daarmee niet kan worden bereikt door verweerder indien dit nodig zou zijn.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat met de door verweerders gemachtigde ter zitting gegeven toelichting voldoende is gemotiveerd dat en waarom uit deze twee gronden volgt dat ten aanzien van eiser een significant risico op onderduiken bestaat, zodat de beroepsgrond geen doel treft.

5. Eiser heeft verder aangevoerd dat er geen grondslag is voor het oordeel dat hij niet op de juiste wijze Nederland is ingereisd. Er is juist reden om aan te nemen dat eiser wel op de voorgeschreven wijze is ingereisd, nu aangenomen moet worden dat hij in het bezit was van een Schengenvisum en dat hij daadwerkelijk met dat visum het Schengengebied is ingereisd, hetgeen reden heeft gevormd om een claim te leggen bij de Italiaanse autoriteiten. Verder stelt eiser dat enig bewijs voor de feitelijke juistheid van deze grond ontbreekt in het dossier.

5.1

Hierin volgt de rechtbank eiser niet. Zelfs indien er van moet worden uitgegaan dat eiser bij zijn inreis in het Schengengebied in het bezit is geweest van een geldig visum, heeft verweerder mogen aannemen dat eiser bij zijn inreis in Nederland niet langer beschikte over een voor die inreis geldig visum. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser, gelet op de datum van zijn aanmelding in Nederland, te weten 23 maart 2015, ruim na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn visum Nederland is ingereisd. Eiser heeft weliswaar ter zitting gesteld dat uit de datum van melding niet volgt dat hij kort daarvoor Nederland is ingereisd, maar hij heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt wanneer hij Nederland is ingereisd, noch dat hij op dat moment in het bezit was van een, ook voor Nederland, geldig visum. Verweerder heeft de grond dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd dan ook ten grondslag kunnen leggen aan het besluit.

5.2

De rechtbank constateert dat eiser niet heeft bestreden dat hij zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Verweerder heeft derhalve ook deze grond aan het besluit ten grondslag kunnen leggen.

5.3

Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er een significant risico op onderduiken is.

6. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder enig onderzoek heeft verricht naar de vraag of in het geval van eiser kon worden volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft bij dit onderzoek en de daaropvolgende belangenafweging echter niet kenbaar betrokken het feit dat eiser heeft aangegeven dat hij onder medische behandeling staat. Reeds hierom heeft verweerder een onjuiste belangenafweging gemaakt.

6.1

Verweerders gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat omtrent hetgeen eiser over zijn medische omstandigheden heeft aangevoerd, niets is vermeld in het bestreden besluit. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde gesteld dat de medische omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om te concluderen dat kon worden volstaan met een lichter middel. Hierbij is van belang dat er medische voorzieningen zijn in de detentiecentra.

6.2

In haar uitspraak van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2002) heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat verweerder reeds in de vrijheidsontnemende maatregel kenbaar moet motiveren waarom niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan. Nu verweerder bij deze belangenafweging niet kenbaar de gezondheidstoestand van eiser heeft betrokken, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat niet met de toepassing van een lichter middel kon worden volstaan in het geval van eiser. De eerst ter zitting gegeven toelichting van verweerder kan dit gebrek niet opheffen. De beroepsgrond treft doel.

7. De rechtbank zal het beroep met toepassing van artikel 94, zesde lid, Vw gegrond verklaren en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevelen. De rechtbank kan geen gevolg geven aan het tijdens de zitting gedane verzoek van verweerder om eerst na enkele dagen over te gaan tot het doen van uitspraak, dan wel over te gaan tot het opheffen van de maatregel, om verweerder zo in de gelegenheid te stellen eiser over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten.

7.1

De toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel is, gelet op hetgeen onder 6.2 is overwogen, van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank zal aan eiser daarom met toepassing van artikel 106 Vw een schadevergoeding toekennen. Voor het verblijf van de vreemdeling in het detentiecentrum wordt een schadevergoeding van € 80,- per dag toegekend. De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden. De rechtbank begroot de schadevergoeding van de vreemdeling daarom op € 1.200,- (15 dagen in het detentiecentrum). De griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, betaalt op grond van artikel 93 Wetboek van Strafvordering het bedrag van de vergoeding uit.

8 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van heden;

- draagt verweerder op € 1.200,- als schadevergoeding aan eiser te betalen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, en op 24 november 2015 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoedingen draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 1.200,- uit te betalen.

Gedaan op 24 november 2015, door mr. N.O.P. Roché, rechter.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.