Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14090

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
C/09/478401 KG ZA 14/1448
Rechtsgebieden
Civiel recht
Mensenrechten
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verbod op uitlevering aan Turkije in kort geding afgewezen. Risico op schending van mensenrechten (EVRM) in Turkije niet aannemelijk gemaakt. Dreiging vanuit de Turkse Hezbollah evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/478401 KG ZA 14/1448

Vonnis in kort geding van 9 december 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in het [naam HvB] te [verblijfplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.J. van der Woude te Amsterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie, Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘De Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 december 2015 tegen de zitting van 8 januari 2015;

- de brief van mr. Van der Woude van 19 december 2014;

- de brief van mr. Van der Woude van 10 juni 2015;

- de brief van mr. Van der Woude van 2 oktober 2015;

- de door [eiser] overgelegde producties, genummerd 1 tot en met 7;

- de door De Staat overgelegde producties, genummerd 1 tot en met 16;

- de op 25 november 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting van 8 januari 2015 is de zaak op verzoek van [eiser] en met instemming van De Staat pro forma aangehouden tot 20 juni 2015 in afwachting van de beslissing op de door [eiser] ingediende asielaanvraag. Vervolgens is de zaak op verzoek van partijen opnieuw pro forma aangehouden tot 20 december 2015, ditmaal in afwachting van de beslissing op het beroep dat [eiser] had ingesteld tegen de afwijzende beslissing op de asielaanvraag. Ten slotte is op verzoek van [eiser] en met inachtneming van de verhinderdata van beide partijen zitting bepaald op 25 november 2015.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is in bezit van de Turkse Nationaliteit en verblijft sinds 2003 zonder verblijfstitel in Nederland.

2.2.

De Turkse autoriteiten hebben op 29 januari 2014 om de uitlevering van [eiser] verzocht in verband met een verdenking van het deelnemen aan een criminele organisatie en het medeplegen van een poging tot invoer van een partij heroïne in Nederland in februari 2012. De Turkse autoriteiten hebben in het uitleveringsverzoek gegarandeerd dat de verdenking geen politiek, militair of financieel karakter heeft.

2.3.

De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 augustus 2014 (hierna: de uitspraak van de rechtbank Amsterdam) de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. In paragraaf 3.3 van deze uitspraak staat vermeld:

“Laatste woord opgeëiste persoon

De rechtbank heeft gehoord dat de opgeëiste persoon bij gelegenheid van het laatste woord heeft verklaard van Koerdische afkomst te zijn, evenals een aantal van de medeverdachten die in de ‘Indictment’ worden genoemd en dien in Turkije zijn aangehouden. De opgeëiste persoon vreest in Turkije te worden beschouwd als een Koerdische terrorist. Hij heeft verklaard dat hij geen vertrouwen stelt in de Turkse rechtsgang en heeft de vrees uitgesproken voor een onterechte veroordeling op politieke gronden vanwege zijn Koerdische achtergrond. De raadsman heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Desondanks ziet de rechtbank in hetgeen de opgeëiste persoon naar voren heeft gebracht aanleiding om bij de Minister van Veiligheid en Justitie aandacht te vragen voor de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, UW nu de opgeëiste persoon kennelijk vreest dat hij zal worden vervolgd, bestraft of op een andere wijze wordt getroffen in verband met zijn gestelde Koerdische identiteit. De beoordeling van deze weigeringsgrond – indien deze buiten de huidige procedure om nader zal worden onderbouwd – is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en raakt niet het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering.”

2.4.

Bij advies van 22 augustus 2014 heeft de rechtbank Amsterdam de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) geadviseerd de uitlevering toe te staan. Hierbij heeft de rechtbank Amsterdam in het bijzonder aandacht gevraagd voor de in paragraaf 3.3 van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam verwoorde vrees van [eiser] dat zijn Koerdische achtergrond een negatieve factor zal zijn bij zijn berechting door een Turkse rechtbank.

2.5.

[eiser] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2014 cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 oktober 2014 [eiser] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet indienen van cassatiemiddelen.

2.6.

Bij beschikking van 14 november 2014 heeft de minister beslist de uitlevering van [eiser] aan Turkije toe te staan. Daarbij heeft de minister ten aanzien van de vrees van [eiser] als volgt overwogen:

“Ten aanzien van de door de rechtbank onder 3.2 genoemde vrees dat de Koerdische achtergrond van de opgeëiste persoon een negatieve factor zal zijn bij de berechting door een Turkse rechtbank overweegt de Minister als volgt. Voor zover de vrees van de opeiste persoon moet worden opgevat als een verweer op grond van artikel 10 lid 1 UW volgt de Minister de opgeëiste persoon niet in zijn verweer. De Turkse autoriteiten hebben in het onder 1.2 genoemde uitleveringsverzoek een garantie afgegeven dat de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Turkije vervolgd zal worden niet van politieke, militaire of financiële aard zijn. Overigens is er door de opgeëiste persoon geen nadere onderbouwing ingediend ten aanzien van de onder 3.2. genoemde vrees.”

2.7.

Op 17 december 2014 heeft [eiser] in Nederland een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet. Bij besluit van 10 maart 2015 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris) deze aanvraag afgewezen.

2.8.

Bij uitspraak van 2 september 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het door [eiser] tegen het voormelde besluit van de staatssecretaris ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [eiser] geen hoger beroep ingesteld.

2.9.

Op 9 oktober 2014 heeft [eiser] in Nederland opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet. Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft de staatssecretaris deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

2.10.

Bij uitspraak van 23 november 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het door [eiser] tegen het hiervoor in 2.9. vermelde besluit van de staatssecretaris ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – primair de Staat te verbieden om hem aan Turkije uit te leveren. Subsidiair vordert hij de Staat te verbieden om [eiser] aan Turkije uit te leveren zolang de asielaanvraag niet (bij onherroepelijk besluit) zal zijn afgewezen en van Turkije geen concrete en specifieke garanties zijn gegeven inhoudende dat [eiser] , ook in detentie, zal worden beschermd tegen aanvallen door Hezbollah, dat hij onder geen enkele omstandigheid zal worden gemarteld of mishandeld door of met medeweten van overheidsfunctionarissen, en dat hij een eerlijk proces zal krijgen in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarbij hij rechtsbijstand zal krijgen van een door [eiser] aan te wijzen raadsman. [eiser] vordert meer subsidiair de behandeling van de zaak aan te houden om de (politieke) ontwikkelingen in Turkije af te wachten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat hij vreest dat uitlevering aan Turkije hem zal blootstellen aan een schending van artikel 3 en 6 EVRM. [eiser] stelt in dit verband dat hij i) van Koerdische afkomst is, ii) atheïst is, iii) in de jaren negentig van de vorige eeuw betrokken is geweest bij de oprichting van de organisatie YCK, een jongerenafdeling van de PKK, en daarvan lid is geweest, iv) in 1999 door de Turkse politie is mishandeld en ten slotte v) dat hij in 1999 slachtoffer is geworden van een poging tot moord gepleegd door de Turkse Hezbollah en momenteel nog steeds op de dodenlijst van Hezbollah staat. Volgens [eiser] loopt hij vanwege zijn vroegere betrokkenheid bij de PKK gevaar, omdat de Turkse overheid deze organisatie als terroristisch beschouwt en er alles aan doet om haar leden uit te schakelen. Verder stelt hij dat de Turkse overheid hem niet voldoende kan en wil beschermen tegen Hezbollah, ook niet als hij na uitlevering in een Turkse gevangenis terechtkomt. Ter onderbouwing van het meer subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak verwijst [eiser] naar een recente bomaanslag op een Koerdische vredesdemonstratie, het neerschieten van de Russische straaljager door het Turkse leger op 24 november 2015, de ondersteuning van Turkmenen in Syrië en de steeds fellere bestrijding van de PKK en andere Koerdische bewegingen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de voorgenomen uitlevering onrechtmatig is. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vordering gegeven.

4.2.

Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat (zoals in deze zaak ten aanzien van eiser is gebeurd) die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de minister bij besluit is toegestaan. Uit de in de Uitleveringswet neergelegde taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister vloeit voort dat de opgeëiste persoon desgewenst bij de burgerlijke rechter kan vorderen de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, tegenover de opgeëiste persoon onrechtmatig is.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie heeft de minister, als orgaan van de Staat, een eigen verantwoordelijkheid om al dan niet tot uitlevering te besluiten, ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering – zoals in beginsel aanwezig tegenover Turkije op grond van het Europees Uitleveringsverdrag (EUV) – slechts dan wijkt voor de (ingevolge artikel 1 EVRM) op de Staat rustende verplichting om de rechten van het EVRM te verzekeren, indien blijkt dat de uit te leveren persoon ( [eiser] ) door zijn uitlevering wordt blootgesteld aan het risico van een schending van een aan hem (ingevolge het EVRM) toekomend recht en voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat.

4.4.

Thans dient de vraag beantwoord te worden of de minister, door het verzoek van Turkije om uitlevering van [eiser] te honoreren, onrechtmatig jegens [eiser] handelt. In dat verband moet worden beoordeeld of [eiser] – zoals hij heeft betoogd – in geval van uitlevering aan Turkije het risico loopt te worden blootgesteld aan schending van artikel 3 en 6 EVRM.

4.5.

De door [eiser] gestelde feiten en/of omstandigheden, als weergegeven in 3.2. onder i) tot en met iv), houden verband met zijn afkomst, geloofs- en/of levensovertuiging en in het verleden ontplooide politieke activiteiten in Koerdische kring. Aan de hand van deze feiten en/of omstandigheden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden vastgesteld dat [eiser] enig concreet risico loopt om te worden blootgesteld aan een schending van zijn door het EVRM beschermde rechten. Daartoe is van belang dat reeds in het kader van het uitleveringsverzoek door de Turkse autoriteiten een garantie is afgegeven dat de feiten waarvoor [eiser] in Turkije wordt vervolgd, niet van politieke, militaire of financiële aard zijn. Aldus is onvoldoende aannemelijk dat bedoelde feiten en/of omstandigheden in die Turkse strafrechtelijke procedure enige rol van betekenis zullen spelen. Gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel mag er op worden vertrouwd dat een dergelijke garantie feitelijk ook zal worden nageleefd. Daarnaast betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat ervan uit mag worden gegaan dat [eiser] , in het geval hij onverhoopt toch mocht worden geconfronteerd met een (dreigende) inbreuk op enig op grond van het EVRM aan het toekomend recht, hem daartegen een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ter beschikking staat.

4.6.

De in 3.2. door [eiser] aangehaalde omstandigheid dat in 1999 door de Turkse Hezbollah een niet geslaagde moordaanslag op hem is gepleegd en dat hij om die reden thans nog immer op een dodenlijst staat, kan evenmin leiden tot toewijzing van het thans gevorderde. [eiser] heeft deze stelling eveneens betrokken in de door hem gevoerde asielprocedures. Tot op heden is in dat verband in rechte komen vast te staan dat in 1999 door de Turkse Hezbollah een moordaanslag op [eiser] is gepleegd. Niet is echter komen vast te staan dat [eiser] thans nog op een dodenlijst van de Turkse Hezbollah zou staan. Daartoe is in de asielrechtelijke procedures overwogen dat [eiser] heeft verklaard dat hij na de aanslag in Istanbul is gaan wonen en werken en nadien geen problemen meer heeft ondervonden van de zijde van de Turkse Hezbollah. Verder heeft [eiser] in dat verband verklaard dat hij in 2000 zonder tegenwerking van de Turkse autoriteiten en/of de Turkse Hezbollah zijn militaire dienstplicht kunnen vervullen. Ten slotte is in de asielrechtelijke procedures overwogen dat uit openbare bronnen kenbaar is dat de Turkse autoriteiten Hezbollah in 2000 een zware slag hebben toegebracht en dat de Turkse Hezbollah het gebruik van geweld in 2004 heeft afgezworen. Gelet hierop lag het op de weg van [eiser] om in deze procedure concrete feiten en/of omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat de Turkse Hezbollah, in weerwil van hetgeen hiervoor is overwogen, juist hem nog immer van het leven wenst te beroven. [eiser] heeft in dat verband echter, nog daargelaten de vraag of de Turkse autoriteiten al of niet in staat zijn om ter zake effectieve bescherming te bieden, volstrekt onvoldoende gesteld om in dat verband een concrete dreiging van een schending van enig aan hem toekomend EVRM-recht aan te kunnen nemen.

4.7.

Bij deze stand van zaken is de conclusie dat zowel de primaire, de subsidiaire als de meer subsidiaire vordering van [eiser] dienen te worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van De Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 613,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op

9 december 2015.

MvE