Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:14078

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
AWB 15/19368 & 15/19463
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedverzoek om voorlopige voorzieningen

In navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:139) overweegt de voorzieningenrechter dat in geval van een overdracht op grond van de Dublinverordening bij toepassing van artikel 64 Vw slechts aan de orde is of verzoekster, gelet op haar gezondheidstoestand, kan reizen en zo ja, onder welke omstandigheden en niet of behandeling in het land waarnaar wordt overgedragen mogelijk is. Immers verweerder mag, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, bij overdracht van verzoekster en haar zoon aan Polen ervan uitgaan dat de medische voorzieningen aldaar tot haar beschikking staan en dat, gelet op de behandelmogelijkheden in Polen, van een medische noodsituatie op korte termijn geen sprake zal zijn. Niet gebleken is dat verzoekster en haar zoon niet in staat zijn om te reizen. Dat de zoon van verzoekster moet worden geopereerd, maakt nog niet dat hij niet in staat is om te reizen. Niet gebleken is, noch aannemelijk gemaakt dat de behandeling en operatie niet in Polen kan plaatsvinden.

Met betrekking tot de stelling dat bij verzoeksters overdracht aan Polen op zeer korte termijn geen dringend belang bestaat, omdat de overdrachtstermijn voorlopig nog voortduurt, oordeelt de voorzieningenrechter voor zoveel nodig nog als volgt.

Volgens artikel 29, eerste lid van de Dublinverordening vindt de overdracht plaats zodra dat praktisch mogelijk is en uiterlijk zes maanden na de aanvaarding van het verzoek tot overdracht (in dit geval 4 mei 2015), of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, Dublinverordening opschortende werking heeft. In dit geval heeft de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, op grond van de verantwoordelijkheid van Polen voor de behandeling daarvan, plaatsgevonden op 1 juli 2015. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Uit deze gang van zaken volgt dat geen sprake is geweest van opschortende werking in de zin van art. 29, eerste lid, in samenhang met art. 27, derde lid van de Dublinverordening.

De termijn van zes maanden voor de overdracht is daarom gaan lopen op 4 mei 2015 en deze eindigt op 4 november 2015, zoals verweerder heeft betoogd. Ook de overige door verzoekster genoemde feitelijke omstandigheden leiden niet ertoe aan te nemen dat sprake is geweest van opschortende werking in de zin van de Dublinverordening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/19368 en AWB 15/19463

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 november 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] , van Oekraïense nationaliteit,

verzoekster,

(gemachtigde: mr. C.H. van den Berg, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. F.M. Ticheler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter op 16 oktober 2015 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 15/18639). Bij uitspraak van 28 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Op 30 oktober 2015 heeft verzoekster opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen – het huidige verzoek - (AWB 15/19368). Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot verweerder op het bezwaar heeft beslist.

Voorts heeft verzoekster op 2 november 2015 bezwaar ingediend tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 15/19463). Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot verweerder een besluit heeft genomen op de aanvraag voor verblijf bij partner en minderjarig kind op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder is op 2 november 2015 verzocht een schriftelijk standpunt in te nemen. Verweerder heeft hieraan voldaan.

Omdat onverwijlde spoed dat vereist, is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden. Verweerder is voornemens verzoekster met haar minderjarige zoon over te dragen aan Polen op 4 november 2015 op grond van Verordening EU nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening).

3. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw afgewezen op de volgende gronden. Conform het beleid van verweerder neergelegd in paragraaf A3/7.1.5 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt artikel 64 Vw niet toegepast wanneer de vreemdeling op grond van de Dublinverordening kan worden overgedragen aan een bij de Dublinverordening aangesloten land. In het geval van verzoekster hebben de Poolse autoriteiten op 4 mei 2015 ingestemd met de overname van verzoekster en haar toen nog ongeboren kind. Gelet op hetgeen is opgenomen in het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 25 augustus 2015, wordt besloten dat artikel 64 Vw niet van toepassing is.

4. Verzoekster voert allereerst aan dat verweerder heeft verzuimd adequaat onderzoek te (laten) verrichten naar de gezondheidssituatie van de zoon van verzoekster. De kinderchirurg heeft op 15 oktober 2015 de minderjarige zoon van verzoekster onderzocht en geconcludeerd dat hij spoedig geopereerd dient te worden. De zoon is inmiddels op een wachtlijst geplaatst. Het is in het belang van het kind dat er adequaat wordt onderzocht of het kind wel kan reizen nu hij spoedig een operatie dient te ondergaan. Nu verweerder dat heeft nagelaten heeft verweerder in strijd gehandeld met de vergewisplicht en artikel 3:2 Awb. Verzoekster stelt ten tweede dat de beslissing tot overdracht dient te worden getoetst aan artikel 5 sub a van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) en artikel 7 van het Handvest grondrechten EU. Ten derde stelt verzoekster dat, gelet op de ingediende aanvragen voor verblijf op grond van artikel 8 EVRM, zij en haar zoon rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8 sub f, Vw. Verzoekster en haar zoon mogen niet worden uitgezet totdat op deze aanvraag is beslist. Verzoekster stelt ten slotte dat verweerder geen spoedeisend belang heeft om verzoekster en haar zoon over te dragen aan Polen omdat de overdrachtstermijn nog niet is verstreken.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster kan worden overgedragen aan Polen. De medische behandeling van haar baby kan in Polen worden gecontinueerd. De medische en overige bijzonderheden zijn doorgegeven aan de Poolse autoriteiten, zodat zij hierop attent zijn. Er is geen concrete informatie voorhanden of naar voren gebracht op basis waarvan in het geval van verzoekster en haar zoon niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verzoekster en zoon zullen voor de vlucht een fit to fly beoordeling ondergaan. Voor wat betreft de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor uitoefening van gezinsleven in Nederland met partner, zal er op 3 november 2015 een afwijzend besluit wordt bekendgemaakt. Er rust geen dwingende positieve verplichting op Nederland om het gezinsleven hier te lande op basis van een verblijfsvergunning toe te staan. Daarbij is van belang dat het de partner van verzoekster vrij staat om eveneens naar Polen te reizen. Verzoekster kan door het indienen van een machtiging tot voorlopig verblijf een aanvraag in Polen beoordeeld krijgen of wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden en, indien dit niet zo is, of Nederland het meest aangewezen land is om het gezinsleven uit te oefenen. Het spoedeisend belang dat verweerder heeft bij de overdracht op 4 november 2015, is dat op die dag de uiterste overdrachtsdatum verstrijkt.

Verweerder concludeert tot afwijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het verzoek van verzoekster om verweerder te verbieden haar uit te zetten tot verweerder een besluit heeft genomen op de aanvraag op grond van artikel 8 EVRM, het belang is komen te ontvallen. Immers verweerder heeft meegedeeld dat vandaag, 3 november 2015, zal worden beslist op deze aanvraag. Voorts staat vast dat verweerder niet voornemens is om verzoekster vandaag over te dragen aan Polen. De voorzieningenrechter zal dit verzoek met zaaknummer AWB 15/19463 daarom afwijzen.

7. Met betrekking tot het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 15/19368 stelt de voorzieningenrechter voorop dat in de asielprocedure is komen vast te staan dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekster. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 30 juni 2015 (AWB 15/9773 en AWB 15/9769) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 augustus 2015 (zaaknummer 201505385/1/V3). In navolging van de ABRvS (uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:139) overweegt de voorzieningenrechter dat in geval van een overdracht op grond van de Dublinverordening bij toepassing van artikel 64 Vw slechts aan de orde is of verzoekster, gelet op haar gezondheidstoestand, kan reizen en zo ja, onder welke omstandigheden en niet of behandeling in het land waarnaar wordt overgedragen mogelijk is. Immers, verweerder mag, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, bij overdracht van verzoekster en haar zoon aan Polen ervan uitgaan dat de medische voorzieningen aldaar tot haar beschikking staan en dat, gelet op de behandelmogelijkheden in Polen, van een medische noodsituatie op korte termijn geen sprake zal zijn. Verzoekster heeft niet met concrete informatie aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt voor haar niet opgaat. Niet gebleken is dat verzoekster en haar zoon niet in staat zijn om te reizen. Dat de zoon van verzoekster moet worden geopereerd, maakt niet nog dat hij niet in staat is om te reizen. Niet gebleken is, noch is aannemelijk gemaakt, dat de behandeling en operatie niet in Polen kan plaatsvinden.

7.1

De stelling van verzoekster dat verweerder heeft verzuimd adequaat onderzoek te (laten) verrichten naar de gezondheidssituatie van de zoon van verzoekster, is alleen relevant in verband met de mogelijkheid tot reizen. Zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat verzoekster en haar zoon niet in staat zijn om te reizen.

7.2

Met betrekking tot het beroep op artikel 8 EVRM is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet kan slagen. Immers bij de beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw is verweerder niet gehouden te toetsen aan artikel 8 EVRM. De rechtbank verwijst naar de uitspraak ABRvS van 31 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2860). Artikel 64 Vw verplicht verweerder er immers louter toe de uitzetting wegens medische beletselen achterwege te laten.

7.3

De stelling van verzoekster dat de beslissing tot overdracht dient te worden getoetst aan artikel 5 sub a van de Terugkeerrichtlijn en artikel 7 van het Handvest grondrechten EU kan niet slagen, reeds omdat de Terugkeerrichtlijn niet op verzoekster van toepassing is. Voor het beroep op art 7 van het Handvest geldt hetzelfde als hiervoor met betrekking tot het beroep op art. 8 EVRM is overwogen.

7.4

Met betrekking tot de stelling van verzoekster dat bij verzoeksters overdracht aan Polen op zeer korte termijn geen dringend belang bestaat, omdat de overdrachtstermijn voorlopig nog voortduurt, oordeelt de voorzieningenrechter voor zoveel nodig nog als volgt.

Volgens artikel 29, eerste lid van de Dublinverordening vindt de overdracht plaats zodra dat praktisch mogelijk is en uiterlijk zes maanden na de aanvaarding van het verzoek tot overdracht (in dit geval 4 mei 2015), of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, Dublinverordening opschortende werking heeft. In dit geval heeft de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, op grond van de verantwoordelijkheid van Polen voor de behandeling daarvan, plaatsgevonden op 1 juli 2015. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Uit deze gang van zaken volgt dat geen sprake is geweest van opschortende werking in de zin van art. 29, eerste lid, in samenhang met art. 27, derde lid van de Dublinverordening.

De termijn van zes maanden voor de overdracht is daarom gaan lopen op 4 mei 2015 en deze eindigt op 4 november 2015, zoals verweerder heeft betoogd. Ook de overige door verzoekster genoemde feitelijke omstandigheden leiden niet ertoe aan te nemen dat sprake is geweest van opschortende werking in de zin van de Dublinverordening.

8. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 15/19463 zal afwijzen.

9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.