Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13986

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 20164
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerste beroep artikel 6 Vw 2000. Gegrond. Stelling van eiser dat vanwege 1F-onderzoek en aanvullend gehoor nu al vaststaat dat termijn van grensprocedure niet wordt gehaald onvoldoende weerlegd door verweerder. Daarom strijd met art. 3.109b, eerste en derde lid, van het Vb 2000, nu niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat asielaanvraag binnen de daarvoor geldende termijn in de grensprocedure kan worden afgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/20164


V-nr: [V-nummer eiser]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1987, van Venezolaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. S. Sewnath),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. B.H. Wezeman).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2015 is het besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld voor de duur van de behandeling van eisers asielaanvraag in de grensprocedure op grond van artikel 3, eerste lid, in samenhang met artikel 3, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 toegepast.

Bij beroepschrift van 16 november 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en tegen de uitgestelde toegangsweigering.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 24 november 2015. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting was ook aanwezig R.C. Pronk, tolk in de Spaanse taal.

Overwegingen

1.1.

Eiser voert aan dat geen kenbare belangenafweging is gemaakt ten aanzien van de oplegging van het lichtere middel, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 5 juni 2014, Mahdi (ECLI:EU:C:2014:1320). Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2015 blijkt niet dat aan eiser is verteld dat hij zijn zienswijze kon geven op de vrijheidsontnemende maatregel of dat hij in de gelegenheid is gesteld om bijzondere, individuele omstandigheden aan te voeren die maken dat een lichter middel dan vrijheidsontnemende maatregel had moeten worden opgelegd. Dit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, waardoor de bestreden maatregel van meet af aan onrechtmatig is.

1.2.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (zie het arrest Mahdi van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320) volgt dat de betrokken derdelander de motivering moet kunnen kennen voor het ten aanzien van hem geldende besluit en dat de verplichting tot mededeling van voornoemde motivering vereist is, zowel om de betrokken derdelander de mogelijkheid te bieden zijn rechten zo goed mogelijk te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden, als om de rechter ten volle in staat te stellen om de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling uit te oefenen. In haar uitspraak van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat verweerder in het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitdrukkelijk moet motiveren waarom niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2003) bepaald dat de motiveringsplicht, voortvloeiende uit het arrest Mahdi, tevens van toepassing is op de vreemdeling aan wie, na het uiten van een asielwens, krachtens artikel 6 van de Vw 2000 een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

1.3.

In het proces-verbaal van bevindingen is onder het kopje ‘Maatregel’ het volgende vermeld:

‘… In het kader van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6 van de Vreemdelingenwet is aan betrokkene het volgende gevraagd:

Ik ben voornemens aan u een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Zijn er omstandigheden die maken dat dit volgens u niet mogelijk is?

Nee, er zijn geen omstandigheden waarom ik niet ingesloten zou kunnen worden.

Zijn er bijzondere medische omstandigheden waarmee rekening gehouden moet worden?

Nee, ik ben gezond.’

Verder is in het bestreden besluit onder het kopje ‘Toepassing lichter middel’ het volgende vermeld:

‘In het kader van de oplegging van deze maatregel is afgewogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Vastgesteld wordt dat de oplegging van de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast zonder dat dit grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven. Niet is van bijzondere, individuele omstandigheden gebleken die aanleiding zouden zijn om van oplegging van de maatregel af te zien en daarmee het grensbewakingsbelang prijs te geven.

Op de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is, zijn er door de vreemdeling geen feiten of omstandigheden aangevoerd.’

1.4.

De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande blijkt dat concrete vragen aan eiser zijn gesteld die hem in de gelegenheid hebben gesteld om eventuele bijzondere feiten en omstandigheden aan te voeren met betrekking tot zijn persoonlijke belangen en omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat in zijn geval niet met toepassing van een lichter middel kon worden volstaan. Weliswaar blijkt niet dat hem is verteld dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om zijn zienswijze te geven, maar dat hij daartoe feitelijk in de gelegenheid is gesteld, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de vraagstelling. Daar komt bij dat eiser niet heeft bestreden dat de in het proces-verbaal weergegeven vragen aan hem zijn gesteld en dat hij de weergegeven antwoorden daadwerkelijk heeft gegeven. Verweerder heeft daarom kunnen volstaan met de motivering zoals gegeven in het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

2.1.

Eiser voert aan dat nu reeds vaststaat dat verweerder de termijn van vier weken waarbinnen de asielaanvraag binnen de grensprocedure dient te worden afgedaan zal overschrijden. Verweerder heeft immers in zijn brief van 15 november 2015 meegedeeld dat eiser na het eerste en nader gehoor van 13 en 15 november 2015 aanvullend dient te worden gehoord. Eiser stelt dat dat aanvullende gehoor nog niet heeft plaatsgevonden, maar dat de uiterste datum daarvoor 23 november 2015 was, omdat de advocaat daarna nog twee weken de tijd heeft om een zienswijze in te dienen. Overschrijding van de termijn leidt er toe dat eiser van rechtswege toegang krijgt tot Nederland op grond van artikel 3, zevende lid, van de Vw 2000.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, hoewel de gemachtigde niet bekend is met de termijn voor het horen en het indienen van de zienswijze, niet nu al kan worden vastgesteld dat de termijn van de grensprocedure niet zal worden gehaald.

2.3.

De rechtbank constateert dat verweerder in zijn brief van 23 november 2015 heeft laten weten dat onderzocht wordt of op eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Door verweerder is niet weersproken dat het aanvullende gehoor nog niet heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ter zitting onvoldoende de stelling van eiser weerlegd dat door die beslissing niet binnen de termijn van de grensprocedure kan worden beschikt op eisers asielaanvraag. Evenmin heeft verweerder inzichtelijk gemaakt hoe in deze specifieke zaak redelijkerwijs voorstelbaar is dat wel binnen de daarvoor geldende termijn van de grensprocedure een beslissing op de asielaanvraag komt. De bestreden maatregel is daarom naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 3.109b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, nu gelet op het onderzoek van verweerder of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, niet meer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat op de aanvraag kan worden besloten met toepassing van artikel 30, 30a of 30b van de Vw 2000 binnen de daarvoor geldende termijn. De beroepsgrond slaagt.

3.
Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 16 november 2015, de dag na die waarop is besloten om eiser aanvullend te horen, in strijd is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevelen. Nu het beroep reeds om bovenstaande reden gegrond zal worden verklaard, behoeft hetgeen voor het overige is aangevoerd geen bespreking.

4. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiser ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 720,--.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat verweerder de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 720,-- (zegge: zevenhonderdtwintig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-- (zegge: negenhonderdtachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EvM

Coll:

D: C

VK

Tegen de uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.