Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13904

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
C/09/494258 / KG ZA 15/1217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan Rwanda verboden. Het recht op rechtsbijstand in genocidezaken is in de praktijk onvoldoende verzekerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/494258 / KG ZA 15/1217

Vonnis in kort geding van 27 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

thans gedetineerd te [verblijfplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.A. Collet te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brief van de zijde van eiser van 25 oktober 2015 met producties en de ter zitting overgelegde “Productie 25”;

- de brieven van de zijde van de Staat van 20 oktober 2015, 21 oktober 2015, 23 oktober 2015 en 27 oktober 2015 met producties;

- de door beide partijen bij de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In de periode van 6 april tot 18 juli 1994 hebben zich extreme gewelddadigheden in Rwanda voorgedaan, waardoor ongeveer 800.000 Tutsi’s om het leven zijn gebracht. Deze slachtoffers vielen zowel door toedoen van het door Hutu’s gedomineerde leger en milities als door toedoen van de burgerbevolking.

2.2.

In 1997 is het door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 8 november 1994 opgerichte Rwanda Tribunaal in Tanzania begonnen met het berechten van voornamelijk hooggeplaatste verdachten van de genocide. Op verzoek van de Veiligheidsraad is het tribunaal in 2010 begonnen met het geleidelijk terugbrengen van de werkzaamheden. De resttaken van het tribunaal worden overgedragen aan het zogenaamde Mechanism for International Criminal Tribunals (MICT), dat per 1 juli 2012 met zijn werkzaamheden is begonnen.

2.3.

Op 28 juni 2011 heeft het Rwanda Tribunaal de overdracht van de zaak van een genocideverdachte, [A] , aan de nationale rechter in Rwanda toegestaan. [A] heeft het MICT verzocht de overdrachtsbeslissing te herroepen omdat hij geen eerlijk proces zou krijgen. Bij beslissing van 22 oktober 2015 heeft het MICT dat verzoek afgewezen.

2.4.

Eiser komt oorspronkelijk uit Rwanda en woont tegenwoordig in Nederland. Op 22 november 2012 hebben de Rwandese autoriteiten Nederland gevraagd om de uitlevering van eiser met het oog op zijn vervolging voor genocidefeiten, oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en lidmaatschap van een criminele organisatie met als doel schade toe te brengen aan personen of hun eigendommen, alle gepleegd in Rwanda in de periode van 7 april 1994 tot 14 juli 1994.

2.5.

De uitleveringskamer van deze rechtbank heeft de uitlevering bij uitspraak van 11 juli 2014 ontoelaatbaar verklaard voor zover het gaat om de strafvervolging voor lidmaatschap van een criminele organisatie met als doel schade toe te brengen aan personen of hun eigendommen en de uitlevering voor het overige toelaatbaar verklaard. Op dezelfde datum heeft de uitleveringskamer van deze rechtbank de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) geadviseerd onder bepaalde voorwaarden (het inwinnen van aanvullende inlichtingen en bedingen van garanties) aan het verzoek tot uitlevering gevolg te geven. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser tegen de beslissing van de uitleveringskamer op 16 december 2014 verworpen.

2.6.

De minister heeft de uitlevering van eiser bij beschikking van 3 juni 2015 conform de uitspraak van de rechtbank deels geweigerd en voor het overige de uitlevering toegestaan. In die beschikking staat onder meer vermeld:

“4.6. De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon per brief van 2 januari 2015 de zorgen over het ontbreken van bijstand door een (buitenlandse) advocaat naar voren gebracht. In haar advies van 11 juli 2014 heeft de rechtbank de Minister geadviseerd te informeren of de opgeëiste persoon zich desgewenst zou kunnen laten bijstaan door een buitenlandse advocaat en te informeren naar de mogelijkheden om dergelijke bijstand vergoed te krijgen.

Op basis van artikel 13 van de Transfer Law, die is gevoegd in het uitleveringsverzoek, heeft een verdachte recht op een door hem gekozen advocaat. De Rwandese autoriteiten hebben in de zaak [F] bij brief van 18 november 2014 bovendien gegarandeerd dat een uitgeleverde persoon zich laat bijstaan door een buitenlandse advocaat en dat de kosten hiervoor voor vergoeding door de Rwandese overheid in aanmerking kunnen komen. De Nederlandse ambassadeur in Rwanda heeft in een brief van 13 maart 2015 in dezelfde zaak bevestigd dat het betrokkene vrij staat zich te laten bijstaan door een (buitenlandse) advocaat. Deze kosten worden tot een bepaald vastgesteld bedrag door de Rwandese overheid gedragen indien de verdachte over onvoldoende middelen beschikt. Derhalve wordt het verweer op dit punt verworpen.

4.7.

De raadsman heeft in zijn brief van 2 januari 2015 gesteld dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zal kunnen krijgen in Rwanda nu hij niet het verweer zou kunnen voeren dat ziet op betwisting van genocide.

De rechtbank heeft in haar advies van 11 juli 2014 dit verweer van de raadsman meegewogen en zich op het standpunt gesteld dat dit risico valt te ondervangen door het aanstellen van een buitenlandse advocaat. Deze zou zich volgens de rechtbank mogelijk vrijer voelen een het huidig regie onwelgevallige verdedigingsstrategie te voeren. De Minister sluit zich hierbij aan. Nu is gebleken dat het inderdaad mogelijk is om een buitenlandse advocaat de verdediging te laten voeren en de Transfer Law immuniteit biedt voor de uitlatingen van raadslieden acht de Minister het risico op schending van 6 EVRM op dit punt voldoende ondervangen. De Minister verwerpt het verweer.

(...)

4.9.

In haar advies heeft de rechtbank geadviseerd het proces in de onderhavige zaak te doen waarnemen en de verkregen rapporten openbaar te maken. In zijn brief van 2 januari 2015 wijst de raadsman eveneens op dit punt.

Het strafproces van de opgeëiste persoon zal door de Nederlandse ambassade in Kigali worden gevolgd, waarbij de opgeëiste persoon zal worden bezocht door de ambassade. Nederland heeft zeer veel betrokkenheid bij de opbouw van het Rwandese rechtssysteem. Het behoort derhalve tot de reguliere werkzaamheden van de Nederlandse ambassade in Kigali om strafrechtelijke processen te volgen. Vanuit deze positie heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken laten weten dat zij het strafproces tegen opgeëiste persoon zullen volgen en de verkregen rapporten openbaar zullen maken.”

2.7.

Mr. M.R. Witteveen (hierna: Witteveen) is oud-officier van justitie en voormalig rechter-commissaris Internationale Misdrijven bij deze rechtbank. Tegenwoordig is Witteveen werkzaam als Adviseur Internationale Misdrijven bij de National Public Prosecution Authority Rwanda. In die hoedanigheid heeft hij twee rapporten geschreven ten behoeve van een uitleveringsprocedure in het Verenigd Koninkrijk. In het laatste (“additional”) rapport, dat dateert van 3 juni 2015, staat onder meer vermeld:

“ 10. I specifically maintain my main expert opinion(...) that, in the genocide transfer cases that I have witnessed, Rwanda has a functioning justice system, capable of investigating, prosecuting and adjudicating cases of genocide, transferred from other jurisdictions, applying international standards and providing fair trial rights for defendants.

(...)

The position of the defence in transfer cases

14. 14. In spite of these positive findings, I have a deep concern on the status and quality of the defence attorneys acting for their clients in the genocide transfer cases. In the cases I witnessed, none of the defence attorneys performed at a level that meets any international standard. In summary: in some cases there is currently no defence, either officially or materially, in other cases the defence attorneys act or acted substandard and even irresponsible.

(...)

The cases

16. 16. My observations and opinions on the defence attorneys, expressed in this report, are based on my observations during trial in the cases of [A] , [B] , [C] , [D] and [E] (...), my personal encouters and discussion with the defence attorneys(...) as well as discussions within the NPPA and with other actors.

17. 17. As noted earlier, I have attended a limited number of trial sessions. However, a legal officer of the Embassy of the Kingdom of the Netherlands has attended almost all of the trial sessions during the period September to December 2014. She was accompanied by a local staff member of the embassy who translated for her and me and typed the translation on his computer. Most, but not all, of these notes have been preserved and I have received them and included them in my analyses fort he purpose of this additional report.

18. 18. Lastly, I have read all reports drafted and submitted by the monitors of the ICTR in the cases of [A] and [B] . They are published on the website of the ICTR and the MICT. I have spoken occasionally to the monitors about their monitor work(...). I have additionally spoken to the monitor(...) of the Office of the Prosecutor, OTP, of the ICTR, who has regularly attended court sessions in the cases against [A] and [B] . The reports of this monitor have not been made public.

(...)

Conclusions

49. (...) 49. (...) I simply want to opine that in the transfer cases there is either no defence, formally or materially, or largely insufficient and/or unqualified defence.

(...)

Final conclusions

61. 61. I make all these notions and put them together in this context, not to assert that establishing the truth in Rwanda genocide cases is not possible. In fact, based on my years of experience in criminal cases of mass atrocities in Africa and elsewhere, including Rwanda genocide cases, I am certain and convinced that the facts can be established but only under the condition of high quality and professional investigations, applying internationally accepted standards. Part of this professionalism and these standards is the necessity to have defence attorneys who possess the knowledge, experience and the resources to conduct investigations for the defence, including the capabilities to conduct investigations abroad.

62. 62. Based on my observations in the last year in Rwanda, I have profound doubts whether the Rwandan defence attorneys, currently assigned to the transfer cases, can do that. It is a fact that, so far, only one defence attorney has presented some local witnesses to the court. None of the defence attorneys has conducted any investigation abroad and it is highly doubtful if any of them has both the knowledge, experience or is in the position to conduct such an investigation. What the consequences for the outcomes of the cases are, is stil to be assessed. Until today only in the case against [C] the High Court has given its verdict(...).

63. 63. It is for all these reasons that I recommend the jurisdictions that extradite or transfer defendants to Rwanda for trial, to provide the defendant with a defence attorney who has proven to be capable of what I have described here. When this defence attorney is then coupled to a Rwandan defence attorney, funded by the Minister of Justice in Rwanda and provided funds for conducting investigations, which is on offer by that same Minister, it seems to me that it ensures the necessary and adequate defence capabilities for the defendant that meet the required standard and guarantees not only a procedural fair trial but also a fairness to the trial.”

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

primair: de Staat te verbieden eiser over te leveren aan Rwanda;

subsidiair:

  • -

    dat aan eiser een gekwalificeerde (buitenlandse) advocaat ter beschikking zal worden gesteld op kosten van de Staat, die toegang krijgt tot alle noodzakelijk geachte bewijsmiddelen en getuigen;

  • -

    dat de op te roepen getuigen een effectieve, niet door Rwanda beïnvloedbare getuigenbescherming aangeboden kan worden;

  • -

    dat de kosten van rechtsbescherming niet anders gelimiteerd worden dan zoals gebruikelijk in het Nederlandse stelsel van toegevoegde rechtsbijstand;

  • -

    dat indien obstructie wordt gepleegd in de rechtsbescherming of indien vrijspraak volgt, eiser wederom door Nederland zal worden toegelaten;

  • -

    dat Nederland zich medeaansprakelijk stelt voor de door eiser als gevolg van de procedure geleden schade indien hij niet wordt veroordeeld.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Het bewijsmateriaal waarvoor eiser wordt vervolgd is onbetrouwbaar. Eiser wordt om politieke redenen gezocht en er is een geheel valse beschuldiging gefabriceerd. De Staat gaat niet afdoende objectief om met alle kritiek op Rwanda, maar is nauw betrokken (geweest) bij de opbouw van het rechtssysteem in Rwanda en heeft belang bij het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers. De (politieke) situatie in Rwanda is niet erg rooskleurig en in het algemeen moet terughoudend worden omgegaan met het uitleveren van personen aan Rwanda. De uitlevering van eiser aan Rwanda zal flagrante een schending opleveren van artikel 6 EVRM. Er is geen adequate rechtshulp, er zijn onvoldoende geld en middelen voor rechtsbijstand, er zijn geen onafhankelijke rechters, de toegang tot het bewijs wordt beperkt, getuigen worden onder druk gezet en het vonnis staat al vast. Rwanda heeft onvoldoende garanties gegeven om deze bezwaren weg te nemen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

toetsingskader

4.1.

Vooropgesteld wordt dat in deze (civiele) procedure de rechtmatigheid van het besluit van de minister tot inwilliging van het uitleveringsverzoek wordt beoordeeld. Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister, zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens deze taakverdeling worden beoordeeld door de minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. Die taakverdeling betekent dat de opgeëiste persoon die bij de minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich echter op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan de minister aan dat beroep voorbij gaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680). De hiervoor bedoelde andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal heeft het gerechtshof Den Haag nader genuanceerd, in die zin dat het moet gaan om nadien voorgevallen nieuwe feiten en/of omstandigheden (ECLI:NL:GHDHA:2014:3750).

4.2.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot uitlevering van eiser aan Rwanda over te gaan. In het kader van de door eiser beweerde schending van een bepaling van het EVRM heeft als maatstaf te gelden of er een reëel risico van een dergelijke schending aanwezig is.

betrouwbaarheid bewijsmateriaal, objectiviteit Staat

4.3.

De stellingen van eiser over de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal voor de feiten waarvan hij wordt verdacht, kunnen – wat daar ook van zij – niet tot toewijzing van de vorderingen leiden. Het waarderen van bewijsmateriaal behoort niet tot de taak van de voorzieningenrechter. Voor zover eiser stelt dat hij onschuldig is aan de feiten waarvan hij wordt verdacht, geldt dat dit standpunt reeds uitvoerig aan de orde is geweest bij de uitleveringskamer. De uitleveringskamer heeft dat standpunt gemotiveerd verworpen. Eiser heeft zich ten aanzien hiervan, noch bij de minister, noch in deze kort geding-procedure, beroepen op nieuwe feiten, omstandigheden of bewijsmiddelen in de hiervoor onder 4.1. bedoelde zin. Op grond hiervan stond het de minister (en staat het de voorzieningenrechter) vrij om zich voor wat betreft deze kwestie aan te sluiten bij het oordeel van de uitleveringsrechter.

4.4.

Daarnaast wordt voorbijgegaan aan de stelling van eiser dat de Staat (de minister) niet objectief tot het oordeel is gekomen dat de uitlevering van eiser moet worden toegestaan. Wat daar verder ook van zij – die stelling vormt geen zelfstandige grondslag voor toewijzing van de vorderingen. In deze procedure dient immers te worden getoetst of de minister in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

artikel 6 EVRM

4.5.

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hij door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Dat standpunt is in de uitleveringsprocedure door de rechtbank en de Hoge Raad verworpen. De voorzieningenrechter sluit zich aan bij de motivering daartoe van de rechtbank en de Hoge Raad. Eiser heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de algemene politieke situatie in Rwanda een eerlijk proces onmogelijk maakt. De voorzieningenrechter is evenals de rechtbank van oordeel dat de zaken waarop de Transfer Law niet van toepassing is, niet relevant zijn voor de beoordeling van onderhavige zaak. De Transfer Law is immers wel van toepassing op de zaak van eiser en die wet biedt diverse garanties om het recht op een eerlijk proces te waarborgen. Zo is in de Transfer Law de onschuldpresumptie vastgelegd en biedt de Transfer Law eenieder immuniteit voor uitspraken of handelingen in een strafproces waarop die wet van toepassing is. Concrete aanwijzingen dat het onderscheid tussen zaken die wel en zaken die niet onder de Transfer Law vallen in de praktijk niet bestaat, ontbreken. De minister handelt dan ook niet onrechtmatig door de uitlevering van eiser ondanks deze stellingen toe te staan.

4.6.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn vordering thans een beroep gedaan op het rapport van Witteveen van 3 juni 2015, als geciteerd onder 2.7. Witteveen heeft specifiek ten aanzien van genocidezaken onder de Transfer Law geconcludeerd dat de verdediging voor verdachten ontbreekt of volstrekt onvoldoende en/of niet-gekwalificeerd is. Witteveen raadt naar Rwanda uitleverende staten dan ook aan (genocide)verdachten te voorzien van capabele rechtsbijstand om een eerlijk proces te garanderen. De Staat heeft ter zitting verklaard voorbij te gaan aan de conclusies uit dit rapport omdat (i) de bevindingen van Witteveen worden weersproken door de Rwandese autoriteiten en de Rwandese balie, (ii) niet duidelijk wordt welke maatstaven Witteveen aanlegt om tot zijn conclusies te komen en zijn bevindingen lijken te zijn gebaseerd op beperkte waarnemingen en (iii) zijn bevindingen en conclusies in het geheel geen steun vinden in de (latere) uitspraak van het MICT van 22 oktober 2015 in de [A] -zaak. De kritiek van de Rwandese autoriteiten en de Rwandese balie komt deels overeen met de kanttekeningen van de Staat als hiervoor genoemd onder (ii). Witteveen zou vooringenomen zijn, te snel conclusies hebben getrokken en de processen niet in hun geheel hebben gevolgd.

4.7.

Het rapport van Witteveen dateert van na de uitspraak van de uitleveringsrechter, zodat de uitleveringsrechter daarmee geen rekening heeft kunnen houden. De voorzieningenrechter hecht in tegenstelling tot de Staat grote waarde aan de conclusies van Witteveen. Witteveen is betrokken geweest bij de opbouw van het Rwandese rechtssysteem en heeft in dat opzicht in het geheel geen belang bij het leveren van kritiek op datzelfde systeem. Desondanks komt hij in zijn rapport tot voor een zaak als de onderhavige alarmerende conclusies. Dat de Rwandese overheid en orde van advocaten die conclusies op felle wijze bestrijden, ligt gelet op hun positie en belangen voor de hand. Witteveen is meer dan een jaar bij genocideprocessen in Rwanda aanwezig geweest. Hoewel hij niet alle zittingen in de door hem genoemde zaken heeft bijgewoond, heeft hij een substantieel aantal zittingen bezocht. Daarbij komt dat hij zijn conclusies niet alleen op die waarnemingen heeft gebaseerd, maar ook op onder meer zijn gesprekken met advocaten van de verdediging, op verslagen van een medewerker van de ambassade die bijna alle zittingen in de periode van september tot december 2014 heeft bijgewoond en op monitoring-rapporten van het Rwanda Tribunaal. Het verweer van de Staat dat de conclusies van Witteveen op te beperkte waarnemingen zijn gebaseerd, wordt dan ook verworpen.

4.8.

Zoals de Staat terecht aanvoert, heeft het MICT bij zijn beslissing van 22 oktober 2015 in de zaak [A] geoordeeld dat [A] een eerlijk proces krijgt in Rwanda en meer specifiek dat wordt voldaan aan de eisen die aan adequate rechtsbijstand moeten worden gesteld. Die uitspraak dateert van na de rapportage van Witteveen. Echter, het MICT heeft het rapport van Witteveen niet in de beoordeling betrokken en beschikte daar kennelijk niet over. Het MICT is uitgegaan van de vigerende wetgeving en de door de Rwandese autoriteiten afgegeven garanties. Dat is gelet op het vertrouwensbeginsel niet meer dan terecht. Uitgangspunt is dat een verzoekende staat de vigerende wetgeving en gegeven garanties zal naleven. Dit kan echter anders komen te liggen indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoekende staat de op hem rustende verplichtingen in het onderhavige geval niet naar behoren zal (kunnen) nakomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de rapportage van Witteveen, die is gebaseerd op zijn waarnemingen in de praktijk, te worden aangemerkt als een gegronde reden om aan te nemen dat uitlevering aan Rwanda een flagrante schending van artikel 6 EVRM zal opleveren. Artikel 6 EVRM omvat immers niet enkel het recht op rechtsbijstand, maar ook de mogelijkheid om in de praktijk daadwerkelijk voldoende rechtsbijstand te verkrijgen. Uit de rapportage van Witteveen volgt dat het recht op rechtsbijstand in genocidezaken in de praktijk onvoldoende is verzekerd. Witteveen spreekt weliswaar zelf niet expliciet uit dat uitlevering aan Rwanda zal leiden tot een flagrante schending van de onder artikel 6 EVRM gewaarborgde rechten, en doet enkel een aanbeveling aan de uitleverende staat om te voorzien in capabele rechtsbijstand voor de verdachte, maar die vaststelling is niet relevant. Het gaat er immers om of de rechter in dit concrete geval op grond van de bevindingen van Witteveen van oordeel is dat uitlevering zal leiden tot een flagrante schending van artikel 6 EVRM.

4.9.

De Staat heeft voorts verwezen naar de in deze specifieke zaak afgegeven garanties. Zo is gegarandeerd dat eiser zich laat bijstaan door een buitenlandse advocaat en dat de kosten hiervoor voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Voorts zal monitoring plaatsvinden via de ambassade. Het standpunt van de Staat dat met deze garanties het recht op een eerlijk proces is gegarandeerd, wordt niet gevolgd. Ook in een aantal door Witteveen gevolgde procedures waren deze garanties immers afgegeven. Die omstandigheid heeft niet geleid tot een in deze gevallen andersluidende of genuanceerde conclusie in zijn rapportage, zodat die garanties kennelijk in de praktijk – wat de reden daarvoor ook is – niet de gewenste gevolgen hebben.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire vordering van eiser zal worden toegewezen, in die zin dat uitlevering naar Rwanda wordt verboden tenzij de Staat de door Witteveen in zijn rapport van 3 juni 2015 genoemde bezwaren, zoals weergegeven onder 4.6., op adequate wijze wegneemt.

4.11.

De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt de Staat eiser uit te leveren aan Rwanda, tenzij de Staat de door Witteveen in zijn rapport van 3 juni 2015 genoemde bezwaren, zoals weergegeven onder 4.6., op adequate wijze wegneemt;

5.2.

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiser begroot op € 1.178,84,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 285,-- aan griffierecht en € 77,84 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.

hvd