Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13838

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
15/19271
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Sudan, beleidswijziging (brief Staatssecretaris 29 oktober 2015), risicogroepen, (vermeend) aanhanger oppositiepartij.

De rechtbank overweegt dat verweerder de deelname van eiser aan de demonstratie in 2013 en wat daaruit voortvloeide geloofwaardig heeft geacht. Dat betekent ook dat geloofwaardig is dat eiser in 2013 is beschuldigd van lidmaatschap van een oppositiepartij. Daarmee staat vast dat eiser op enig moment is aangemerkt als (vermeend) aanhanger van een oppositiegroep. De brief van 29 oktober 2015 geeft niet aan wanneer iemand als (vermeend) aanhanger moet worden aangemerkt en geeft in ieder geval niet aan dat personen die in het verleden als (vermeend) aanhanger zijn aangemerkt niet tot de risicogroep kunnen worden gerekend. De rechtbank wijst er verder op dat de beleidswijziging van verweerder is ingegeven door een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2015 dat handelt over de periode oktober 2013 tot en met juni 2015. In de brief van 29 oktober 2015 wijst verweerder op de continue veranderende en diffuse situatie met betrekking tot de conflicten in Soedan, als gevolg waarvan de huidige groepen die zijn aangemerkt als risico- en/of kwetsbare minderheidsgroep niet zonder meer volstaan. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat verweerder meent dat voor bepaalde groepen de situatie gedurende de verslagperiode is verslechterd. Verweerder heeft zich dan ook niet, althans niet zonder nadere motivering, op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat eiser in 2013 is vrijgelaten en na 2013 geen problemen heeft ondervonden maakt dat hij niet kan worden gerekend tot een groep, die een groter risico loopt op vervolging en een onmenselijke behandeling bij terugkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/19271

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser][eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Soedanese nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.J. Hofstra).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als ongegrond afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder eiser de gevraagde verblijfsvergunning heeft kunnen weigeren. Partijen zijn daarbij met name verdeeld over de vraag of de (gevolgen van de) deelname aan een demonstratie in 2015 geloofwaardig zijn.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen bevat:

  • -

    Eiser is afkomstig uit Soba Shark, behoort tot de Maghribi-stam en heeft de Soedanese nationaliteit;

  • -

    Eiser is in september 2013 naar aanleiding van deelname aan een demonstratie tegen het regime opgepakt gedetineerd en tijdens de detentie mishandeld en gemarteld;

  • -

    Eiser is in april 2015 naar aanleiding van deelname aan een demonstratie in zijn woonplaats door de veiligheidsdienst opgepakt, gedetineerd en mishandeld en gemarteld. Na een maand is eiser, nadat hij een verklaring had ondertekend, vrijgelaten. In juni 2015 heeft eiser Soedan verlaten.

3. Verweerder heeft de eerste twee elementen geloofwaardig geacht maar het laatste niet. Verweerder heeft dat element niet geloofwaardig geacht vanwege bevreemdende, onlogische en daarom niet-volgbare gedragingen van eiser. Die gedragingen zijn dat eiser zich, gezien ook zijn ervaringen met de demonstratie in 2013, heeft aangesloten bij een demonstratie en op een opvallende plek is gaan staan terwijl hij niet geïnteresseerd is in politiek. Dat hij toevallig op die plek terecht is gekomen is niet afdoende, hij had ook een andere keuze kunnen maken. Verder valt eisers bezoek aan een club na afloop van de demonstratie niet te rijmen met de ernst en het levensgevaar dat eiser stelt tijdens de demonstratie te hebben ervaren. Tot slot is het niet logisch dat eiser, toen hij in de club werd aangesproken door een onbekende, op diens verzoek zomaar met die persoon mee naar buiten is gegaan. Eiser stelt vanaf de demonstratie door een auto te zijn gevolgd, wist dat er veiligheidsmensen in burger rondliepen en had negatieve ervaringen gehad in 2013, zodat meer oplettendheid verwacht mocht worden.

4. Eiser heeft aangevoerd dat niet valt in te zien waarom zijn eerdere aanhouding reden zou zijn niet meer deel te nemen aan demonstraties. Eerdere deelname aan demonstraties wijst juist op een politieke motivatie die sterk genoeg is om weer aan een demonstratie deel te nemen. Verder betekent deelname aan een demonstratie per definitie zichtbaarheid en uitgaande van de keuze om aan die demonstratie deel te nemen kan de demonstrant op meerdere plaatsen in de demonstratie terechtkomen. Voorts heeft de demonstratie bij eiser de nodige opwinding veroorzaakt. Die gemoedstoestand gaf meer aanleiding tot afleiding in de club dan tot thuiszitten. Eiser heeft weliswaar vermoed dat hij werd gevolgd maar dat leidde niet tot een aanhouding, waardoor eiser dacht dat hij veilig uit de demonstratie had kunnen ontkomen. Hij heeft er geen rekening mee gehouden dat hij later aangehouden zou kunnen worden. En zo hij daar al rekening mee zou hebben gehouden zou er in de club geen mogelijkheid zijn geweest om aan de onbekende te ontkomen.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat de term ‘politieke interesse’ voor meerderlei uitleg vatbaar is. Verweerder stelt terecht dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij niet in politiek geïnteresseerd is. Maar tijdens dat gehoor verklaart eiser eveneens dat hij in 2013 deel heeft genomen aan de demonstratie omdat hij iets wilde veranderen, dat hij met het volk gedemonstreerd heeft omdat hij van het regime af wilde en dat dat te vergelijken was met andere landen, zoals Egypte. Verder verklaart eiser ten aanzien van de deelname aan de demonstratie in 2015 dat hij iets wilde veranderen in Soedan, dat het leven in Soedan moeilijk is en dat je ten tijde van verkiezingen wordt gedwongen voor de huidige regering te stemmen en dat eiser dat niet wilde. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de motivatie van eiser om deel te nemen aan de demonstraties niet gebracht zou kunnen worden onder het begrip ‘politieke interesse’.

Ten aanzien van de positie die eiser in de demonstratie had heeft hij in het nader gehoor verklaard dat hij naast het spandoek was gepositioneerd waarop ‘vertrek’ stond maar dat hij het spandoek niet vasthield. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich niet op een of andere wijze van de andere demonstranten heeft onderscheiden. Dat eiser zich op een risicovolle wijze heeft geprofileerd, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank dan ook niet. Met eiser is de rechtbank verder van oordeel dat deelname aan de demonstratie per definitie meebrengt dat de demonstranten zichtbaar zijn voor de autoriteiten. Een andere positie in de demonstratie zou zijn zichtbaarheid niet substantieel verkleinen. Waarom onder die omstandigheden van eiser verwacht zou mogen worden dat hij zich low-profile opstelt vermag de rechtbank dan ook niet in te zien.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gang van zaken tijdens de demonstratie bevreemdend en niet logisch is.

4.2

Ten aanzien van het bezoek aan de club overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet logisch zou zijn om na de demonstratie naar een club te gaan. Het enkele verwijzen naar de gevaarlijke en ernstige situatie tijdens de demonstratie is daarvoor onvoldoende, nu het van persoon tot persoon zal verschillen hoe met een dergelijke situatie wordt omgegaan. Eisers stelling dat de demonstratie de nodige opwinding en een hoog adrenalinegehalte had veroorzaakt en dat hij er daarom voor heeft gekozen om naar een club te gaan in plaats van naar huis, is niet onnavolgbaar. Dat eiser daar pas in beroep met deze verklaring komt maakt niet dat daaraan voorbij moet worden gegaan.

Eiser heeft met betrekking tot zijn gedrag in de club in de zienswijze reeds aangevoerd dat het wellicht naïef is geweest om met de onbekende mee naar buiten te gaan maar dat er toch geen opties waren die tot een ander resultaat zouden hebben geleid omdat het huis waarin de club zich bevond maar één deur had. In het besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat dit niet kan afdoen aan hetgeen in het voornemen is overwogen maar motiveert niet nader waarom dat daar niet aan kan afdoen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zelfs indien eiser zich wel van de dreiging bewust zou zijn geweest hij zich naar zijn zeggen niet aan de dreiging had kunnen onttrekken omdat het huis slechts één deur had. Dat maakt dat het aannemelijk is dat in de gegeven context de uitkomst feitelijk niet anders zou zijn geweest. Onder die omstandigheden heeft verweerder aan de enkele omstandigheid dat eiser een achteraf bezien onjuiste inschatting van de situatie heeft gemaakt ten onrechte veel gewicht toegekend.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gebeuren in de club bevreemdend en onlogisch is.

4.3

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat verweerders standpunt dat geen geloof wordt gehecht aan het gebeuren op 5 april 2015 en de nasleep daarvan niet van een deugdelijke motivering is voorzien.

De rechtbank merkt daarbij verder op dat vreemde en onlogische gedragingen een element niet zonder meer ongeloofwaardig maken, verweerder zal dat nader moeten motiveren. Verweerders conclusie dat de niet volgbare en niet logische verklaringen in samenhang worden bezien en leiden tot het oordeel dat geen geloof wordt gehecht aan het gebeuren op 5 april 2015 en de nasleep daarvan, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende. De argumenten die verweerder hanteert om zijn standpunt ter zake de gang van zaken tijdens en na de demonstratie als bevreemdend en niet logisch te onderbouwen zijn immers van geen of beperkt gewicht voor de vraag of het bevreemdend is dat eiser na de demonstratie naar de club is gegaan en evenzeer voor de vraag of het gebeuren in de club bevreemdend en onlogisch is. Ook in zoverre ontbeert het besluit een deugdelijke motivering.

4.4

Het besluit is daarmee genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. Uit een oogpunt van proceseconomie zal de rechtbank ook het overigens door eiser aangevoerde bespreken.

6. Eiser heeft erop gewezen dat sinds het bestreden besluit een beleidswijziging is doorgevoerd die maakt dat eiser, gezien zijn politieke activiteiten in het verleden, die door verweerder geloofwaardig zijn geacht, voor vergunningverlening in aanmerking komt.

6.1

De rechtbank stelt vast dat het betreft de brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 29 oktober 2015 (TK, 2015–2016, 19 637, nr. 2074). In die brief worden personen die (vermeend) aanhanger zijn van een oppositiegroep aangemerkt als risico- en kwetsbare minderheidsgroep.

6.2

Verweerder heeft zich bij brief van 13 november 2015 op het standpunt gesteld dat eiser niet valt onder de groep van aanhangers van een oppositiegroep, nu niet in geschil is dat eiser geen aanhanger is van een politieke groepering en afgezien van deelname aan een demonstratie in 2013 geen politieke handelingen heeft verricht. Verder is eiser bij zijn arrestatie in 2013 niet bevraagd over zijn politieke activiteiten en heeft hij nadien geen problemen ondervonden.

6.3

De rechtbank overweegt dat verweerder de deelname van eiser aan de demonstratie in 2013 en wat daaruit voortvloeide geloofwaardig heeft geacht. Dat betekent ook dat geloofwaardig is dat eiser in 2013 is beschuldigd van lidmaatschap van een oppositiepartij. Daarmee staat vast dat eiser op enig moment is aangemerkt als (vermeend) aanhanger van een oppositiegroep. De brief van 29 oktober 2015 geeft niet aan wanneer iemand als (vermeend) aanhanger moet worden aangemerkt en geeft in ieder geval niet aan dat personen die in het verleden als (vermeend) aanhanger zijn aangemerkt niet tot de risicogroep kunnen worden gerekend. De rechtbank wijst er verder op dat de beleidswijziging van verweerder is ingegeven door een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2015 dat handelt over de periode oktober 2013 tot en met juni 2015. In de brief van 29 oktober 2015 wijst verweerder op de continue veranderende en diffuse situatie met betrekking tot de conflicten in Soedan, als gevolg waarvan de huidige groepen die zijn aangemerkt als risico- en/of kwetsbare minderheidsgroep niet zonder meer volstaan. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat verweerder meent dat voor bepaalde groepen de situatie gedurende de verslagperiode is verslechterd. Verweerder heeft zich dan ook niet, althans niet zonder nadere motivering, op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat eiser in 2013 is vrijgelaten en na 2013 geen problemen heeft ondervonden maakt dat hij niet kan worden gerekend tot een groep, die een groter risico loopt op vervolging en een onmenselijke behandeling bij terugkeer.

7. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 490,--; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 23 oktober 2015:

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. G. Edelenbos, rechter, in aanwezigheid van drs. M.P. de Zwart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.