Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13601

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
C-09-467922-HA ZA 14-707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietigde besluiten. Afvalstoffen. Bestuurlijk rechtsoordeel dat Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State als besluit in de zin van de Awb heeft aangemerkt. Reikwijdte bindende kracht van uitspraak bestuursrechter. Onrechtmatige overheidsdaad. Gemaakte keuzes voor eigen rekening en risico? Beperking van de aansprakelijkheid. Verplichting tot schadebeperking. Eigen schuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/131

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/467922 / HA ZA 14-707

Vonnis van 25 november 2015

in de zaak van

1 de rechtspersoon naar buitenlands recht STENA WECO A/S,

gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht SKULD (GJENSIDIG),

gevestigd te Oslo, Noorwegen,

eiseressen,

advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILEU),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.H.P. Brans te Den Haag.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk Stena Weco en Skuld en gezamenlijk Stena Weco c.s. genoemd worden. Gedaagde zal de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 juni 2014, met 38 producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met 15 producties,

  • -

    het tussenvonnis van 8 oktober 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2015, met de daarin genoemde akte houdende overlegging producties, tevens houdende akte ter voorbereiding op de comparitie van partijen van de Staat, met 2 producties, de akte houdende producties aan de zijde van Stena Weco c.s., met 7 producties, en de brief van mr. Waasbergen voornoemd van 20 februari 2015, met 1 productie,

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

Bij brieven van 18 en 27 maart 2015 hebben mr. Van Waasbergen, respectievelijk en mr. Brans voornoemd gereageerd op de tekst van het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2015. Deze brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht en behoren daarmee tevens tot de stukken van het geding. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van de gemaakte opmerkingen.

2 De feiten

Tijdbevrachtingsovereenkomst en levering bunkerolie

2.1.

Stena Weco is een onderneming die schepen exploiteert voor het vervoer van ladingen in opdracht van haar klanten. De “ [het schip] ” (hierna ook: het schip) is een vrachtschip dat eigendom is van [A] (hierna: [A] ). Op 23 december 2011 is Stena Weco een tijdbevrachtingsovereenkomst aangegaan met [A] .

2.2.

Stena Weco heeft met het oog op een voorgenomen reis naar Chili een partij 825.292 MT bunkerolie, High Sulphur Fuel Oil (hierna: HSFO) genoemd, gekocht, die op 14 november 2012 geleverd is. Deze HSFO was bedoeld om (de verbrandingsmotor van) het schip (gedurende de reis) mee voort te stuwen.

2.3.

Cockett Marine Oil (Asia) (hierna: Cockett) heeft Stena Weco op 19 november 2012 een verkoopfactuur gestuurd ten bedrage van United States Dollars (hierna: USD) 777.662,94, waarvan een bedrag van USD 480.319,94 voor de geleverde HSFO deel uitmaakt.


Testen bunkerolie

2.4.

De partij HSFO aan boord van de “ [het schip] ” is, zoals te doen gebruikelijk, getest. Blijkens het testrapport van 16 november 2012 van Lintec Testing Services Limited (hierna: het rapport van Lintec), dat aan [A] gestuurd is, heeft Lintec “the presence of Styrene and DCPD”, te weten Styreen en Dyclopentadieen (hierna: DCPD), gedetecteerd en in dit verband onder meer opgemerkt: “They are probably present in the fuel in the form of a waste product that has been put into the fuel chain so that expensive disposal costs are not incurred. This is in breach of ISO08217 which states in section 5.1.(…)”. Lintec heeft de voorlaatste zin (met “in the form of a waste product”) nadien - blijkens een brief van 27 november 2012 van Lintec aan de advocaat van Cockett - uit het rapport geschrapt.

2.5.

Een aanvullende analyse van Saybolt International B.V. (hierna: Saybolt), gedateerd 21 november 2012, heeft uitgewezen dat de partij HSFO een gehalte van 1115 mg/kg aan DCPD en een gehalte van 163 mg/kg aan styreen bevatte.

Correspondentie tussen [A] en Stena Weco

2.6.

[A] heeft Stena Weco naar aanleiding van het rapport van Lintec bij e-mail van 20 november 2012, 21.08 uur, meegedeeld dat de HSFO van boord moest worden gehaald. Bij e-mail van 21 november 2012, 17.56 uur, heeft Stena Weco hiermee ingestemd: “We appreciate vessel being able to utilize the LS fuel supplied in Rotterdam on the 14th Nov. With regards to the HS-fuel in light of the good relationship and cooperation between our companies, we agree to debunker the product at Charterers time and cost. Still waiting for supplier to advise de-bunkering details. Reverting asap.”

Correspondentie tussen Cockett en Stena Weco

2.7.

Stena Weco en Cockett hebben overlegd en via de e-mail gecorrespondeerd over de teruglevering van de partij HSFO aan Cockett. Stena Weco heeft Cockett bij e-mail van 20 november 2012, 21.08 uur, bericht dat de partij HSFO ongeschikt was voor de beoogde transatlantische vaart met dit schip en dat deze uit het schip moest worden verwijderd. Stena Weco heeft Cockett ook aansprakelijk gehouden, kort gezegd voor de kosten die zouden kunnen voortvloeien uit de geleverde “the inferior fuel”.

2.8.

Bij e-mail van 21 november 2012, 10.53 uur, heeft Cockett aan Stena Weco een aantal vragen gesteld “if we agree to de-bunker [het schip] (…)”, waaronder de vraag: “3). Can Customer Vessel assist with the removal IE: … Pump the product off and what rate would you expect to be able to achieve and how long for the operation from start to finish?”. Daarop is intern bij Stena Weco, om 11.00 uur, een bericht gestuurd: “Some good news. Cockett will de-bunker the ship!” In antwoord op vraag 3). heeft Stena Weco onder meer aan Cockett bericht: “(…) VESSEL F.O. TRAN. P/P CAN BE USED FOR DEBUNKERING. EXPECTED RATE OF TRANSFER 20Cu. m PER HOUR.REQD TIME 65-70 HRS.”

2.9.

Bij e-mail van 22 november 2012 heeft Stena Weco Cockett op de hoogte gestelde van het tijdschema van de “ [het schip] ”, “currently loading Amsterdam” met een verwachte vertrekdatum en -tijd op 23 november “PM” en aankomstdatum op 9 december in Cristobal en vervolgens op 17 december in Quintero.

2.10.

Cockett heeft bij email-bericht aan Stena Weco van 22 november 2012, 13.00 uur, aansprakelijkheid ontkend en op verschillende gronden aangevoerd dat de HFSO binnen de vereiste specificaties bleef. Verder heeft Cockett laten weten: “Notwithstanding the above, I understand that you are in discussion with our Copenhagen office as to how potentially we may be able to assist. However I would again make this clear that this would be a gesture of good will only, on a strict without prejudice basis and in the full knowledge that Associated Bunker oil Contractors ABC or the Cockett Group in general would not be responsible for any costs incurred/delays etc., either direct or indirect or subsequent to any such operation.”

2.11.

Bij e-mailbericht van 22 november 2012, 18.02 uur, heeft Stena Weco aan Cockett bericht: “ [y] . Go ahead as discussed. You debunker an replenish. We take the time loss. Send calling pls. Thanks. [x] .”

2.12.

Op 22 november 2012, 19.01 uur, heeft Stena Weco intern bevestigd met Cockett in cc als adressant “Reftelcon [y] / [x] today we agreed to having the fuel removed and replenished by Cockett Marine Oil. Loss of time for Stena Weco’s account.

However this matter is now taken to another level to say, as just got a telephone call from [A] that the police/authorities have just boarded the vessel and she will not be allowed to sail until this off-spec bunkers with styrene content has been discarged, and apparently it will have to be discharged into a waste barge. (…)

Given the above the agreements made have to subject to authorities decision.”

2.13.

Bij e-mail van 23 november, 17.13 uur, heeft Stena Weco aan Cockett bericht: “We refer to previous discussions about the bunkers we received from you in Rotterdam for your chartered [het schip] ; these bunkers are contaminated with the additives of styrene and DCPC which is not in conformity with ISO Standard 8217. We therefore request you herewith to take the contaminated bunkers without any delay off the vessel in question and replenish the vessel with the same amount of bunkers to be in strict compliance with ISO Standard 8217 for Marine Residuals Fuels and Marine Distillate Fuels; all of the before mentioned to be done in your own name and for your own costs. (…)”

2.14.

Bij e-mail van 23 november 2012, 18.26 uur, heeft Cockett aan Stena Weco bericht:“Good afternoon, thanks for your email to which we respond without prejudice, in what we refute your suggestion that the fuel is outside of specification and dispute your suggestions below for the following reasons: . The fuel is NOT ‘contaminated’, neither are ‘additives’ present. Styrene and DCPD in small quantities are often present in blended fuels as a result of some cutter stocks used. These cutter stocks are derived from refining process and are wholly made up of hydrocarbons (I draw your attention to the wording within the ISO 8217:2005 € section 5.1 specification).

. There is no presence of polymers within the fuel, evidenced by the remarks within the Lintec report. We therefore remain confident that the fuel concerned meets the required specification and is perfectly good to consume, and maintain our stance accordingly.

Notwithstanding these facts, we remain at your disposal, without prejudice, to provide whatever support and assistance we are able to help you resolve this matter. In this respect you should maintain a dialogue with the manager of our Copenhagen office.”

2.15.

Bij e-mail van 29 november 2012, 14.31 uur, heeft Cockett Stena Weco laten weten: “We refer to the outstanding issue of the bunkers of [het schip] . We understand you have hired a barge to offload the bunkers and that you have permission to do so from the authorities. Without prejudice to all our rights and gestures of goodwill we are prepared to contribute 50% of the barging costs and try, jointly with yourselves, to find a solution for this problem at the earliest possible opportunity. We will, again on a without prejudice basis, provide all necessary support and guidance. We trust that this will be of assistance. We look forward to hearing from you soon.”

2.16.

Bij e-mail van 30 november 2012, 11.38 uur, heeft Cockett aan haar advocaat laten weten: “Lukoil/Litasco have in principle to take the product back into their storage tanks in Rotterdam provide that: Mr […] submits written permission that the alleged offspec product may be transported to Rotterdam AND That the product may be reconditioned in their shore tank. The actual reconditioning will be done by blending this parcel with a much larger parcel of heavy fueloil stored by them. As there are no standards on the presence of styrene. DCPD in heavy fueloils, we may hope that we resolve the obvious Dilemma both for Mr. […] and our customers. The customers could present this proposal to the authorities through their lawyers and make sure that we do not implicate Lukoil in any way. The Financial consequences between the customer and Lukoil must be negotiated between them but it is felt that at This point we should go for the practical removal of the product at First opportunity. The longer we wait, the more Serious the matter will grow. May I suggest we ge tour skates on as soon as possible?”

2.17.

Bij e-mail van 14 januari 2013, 19.34 uur, heeft Cockett Stena Weco laten weten: “(…) We understand that there is a possibility that the ILT will permit the release of the Fuel Oil from its current storage facility. Without prejudice to all our rights and in particular, to our contention that the Fuel Oil is and has always been on-specification, we conform als follows:
1. Subject to points 2 and 3 below, we, as the Sellers of the product to the “Buyer”and acting as the Buyer’s agent for these purposes, agree to take redelivery of the Fuel Oil.
2. Our agreement to take redelivery as the Buyers agents is conditional upon the ILT no longer classifying the Fuel Oil as “waste”, enabling Sellers, as agents for the Buyers, to resell this product.
3. Our agreement to take redelivery is on the basis that we are receiving back Fuel oil which is materially the samen product as delevired to the Buyers on 14th November 2012, being in compliance with ISO8217 and showing no evidence of degradation.
For the avoidance of doubt, Sellers as agents will directly and/through the physical supplieres, seek to resell the Fuel Oil to minimise and mitigate losses for all Parties.”

Onderzoek van de ILT en correspondentie tussen de ILT en Stena Weco

2.18.

Op 22 en 23 november 2012 heeft aan boord van de “ [het schip] ” een onderzoek plaatsgevonden door de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (hierna ILT). Bij e-mail van 22 november 2012, 12.28 uur, heeft de ILT bij monde van haar Inspecteur aan diverse adressanten, waaronder het e-maildres van het schip bericht: “As agreed I will send you this mail, wherin stated that the Fuel Oil that was loaded to one of your ships namely [het schip], is polluted with chemicals as styren and DCPD. As the Chief Engineer could not sail with this Fuel Oil it has to be debunkerd. Under Dutch Law and European Law this Fuel became toxic waste. That means the fuel oil can only be de-bunkererd to a waste collector. Also the ship cannot sail out without a permit under European law which is the European Law Regulation. To get this permit you have to contact Agentschapnl. The average time to get this permit is 6(six)weeks.

In short this means that
1. The fuel is not suitable for the purpose it was meant for, namely the propulsion of the ship
2. The ship has to dispose off. (…)”

2.19.

In een brief van 23 november 2012 van de Inspecteur aan de reder, de bevrachter en “to whom it may concern” is vermeld, zakelijk weergegeven, dat de ILT een melding heeft ontvangen dat de partij “stookolie” aan boord van het schip niet voldeed aan de kwaliteitsnormen en dat het schip zich ervan wilde ontdoen door middel van debunkeren. Blijkens deze brief is de Inspecteur op grond van de hem beschikbare informatie tot de conclusie gekomen dat de off-spec partij stookolie aan boord van het schip een afvalstof is en dat die niet aan boord van het schip is ontstaan. Stena Weco is gewezen op toepasselijke wet- en regelgeving en is meegedeeld dat het niet naleven van bepaalde voorschriften van Verordening (EG) 1013/2006 (EVOA) op grond van de Wet milieubeheer door de Wet Economische Delicten beschouwd wordt als een economisch delict. De Inspecteur heeft “gelet op de aard en de hoeveelheid van de gevaarlijke afvalstoffen die zich aan boord van het schip bevinden en het belang van de bescherming van de gezondheid van mens en milieu,” gevraagd “wanneer en aan wie u deze off-spec partij stookolie, die niet bruikbaar is voor gebruik aan boord van het schip, wenst af te geven”.

2.20.

Bij brief van 29 november 2012 heeft de advocaat van Stena Weco de ILT en Openbaar Ministerie (OM) geïnformeerd over het plan van aanpak met betrekking tot de partij HSFO. Daarbij heeft zij meegedeeld dat de partij volgens haar niet “off spec” is, een zeer grote waarde vertegenwoordigt en dat voorkomen moet worden dat de partij moet worden vernietigd. Om die reden en om overleg te kunnen voeren met de ILT is een tijdelijke oplossing voorgesteld, waarbij de partij wordt opgeslagen en gesepareerd.

2.21.

Bij e-mail van 29 november 2012, 16.56 uur, heeft de ILT de advocaat van Stena Weco bericht dat de zending mag worden gelost, zoals omschreven in de bijlagen. De ILT heeft Stena Weco erop geattendeerd dat de ILT de zending aanmerkt als een afvalstof en dat bij handelingen met betrekking tot deze zending afvalstoffen voldaan moet worden aan de afvalstoffenregelgeving. Het bericht vermeldt in dat verband: “De voorziene opslag van afvalstoffen in een landtank dient dan ook te gaan plaats vinden bij een inrichting, die beschikt over de juiste (afval)vergunningen.”


Belading “ [het schip] ”, debunkering bunkerolie; opslag en transport naar Zweden

2.22.

Blijkens informatie van de kapitein van de “ [het schip] ” is de belading van het schip voor de reis naar Chili voltooid op 24 november 2012, 04.50 uur, en is het schip vervolgens voor anker gaan liggen.

2.23.

Het debunkeren van de partij HSFO heeft plaatsgevonden van 29 november 2012, 20.42 uur, tot 1 december 2012, 05.20 uur. De partij is afgegeven aan een afvalinzamelaar te IJmuiden, Marpol Services B.V.

2.24.

De “ [het schip] ” is op 1 december 2012, 17.30 uur, uit Amsterdam richting Chili vertrokken.

2.25.

Op 20 december 2012 is de partij HSFO door Marpol Services B.V. gelost en opgeslagen bij het bedrijf OVA te Amsterdam, dat beschikt over een vergunning voor de opslag van afvalstoffen.

2.26.

De partij HSFO is getransporteerd naar Zweden, nadat Stena Weco een vergunning voor de export van afvalstoffen is verleend op grond van Verordening (EG) 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA).

2.27.

Stena Recycling AB, een zusterbedrijf van Stena Weco, heeft de partij HSFO op 30 mei 2013 gekocht van Stena Weco. Het kalkproductiebedrijf Kalkproduction A/B in Zweden heeft de partij vernietigd. Stena Weco heeft Stena Recycling B.V. een verkoopfactuur, gedateerd 10 juni 2013, gestuurd ten bedrage van SEK (Zweedse Kronen) 1.244.169 (volgens partijen USD 188.540,13).

Het procedurele vervolg na debunkering

2.28.

Bij brief van 20 december 2012 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (hierna: de staatssecretaris) Stena Weco bericht dat de ILT geen aanleiding ziet haar afvalstandpunt inzake de geleverde partij HSFO aan het schip te herzien en dat dit betekent dat de “partij brandstofrestanten, die aan Marpol Services B.V, is afgegeven, als afvalstof dient te worden verwerkt.”

2.29.

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft de staatssecretaris Stena Weco niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de brieven van 23 november en 20 december 2012. Stena Weco is in beroep gekomen.

2.30.

Hangende de beroepsprocedure heeft Stena Weco de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzitter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 18 april 2013 het besluit van de staatssecretaris van 15 januari 2013 geschorst en het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige afgewezen. De voorzitter van de Afdeling heeft ten aanzien van de gestelde niet-ontvankelijkheid van Stena Weco in haar bezwaar onder meer overwogen: “3.2 (…) In uitzonderingssituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van een rechtsgevolg, als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de betrokken rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. 3.3 Ter zitting heeft de staatssecretaris erkend dat het in dit geval, anders dan in de uitspraken waarnaar hij heeft verwezen in het bestreden besluit, niet mogelijk is via de in de Verordening geregelde kennisgevingsprocedure om een besluit te verzoeken waarin de vraag wordt beantwoord of de stookolie een afvalstof is, nu overbrenging van de olie naar een ander land thans niet aan de orde is. Voorts heeft de staatssecretaris ter zitting te kennen gegeven dat hem geen andere wijze bekend is waarop om een dergelijk besluit kan worden verzocht. De enige mogelijkheid is, zo heeft de staatssecretaris erkend, dat Stena Weco een handhavingsbesluit uitlokt. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter zijn de financiële risico’s voor Stena Weco die samenhangen met het uitlokken van een handhavingsbesluit dermate groot, dat het voor haar onevenredig bezwarend is om het geschil over de vraag of de betrokken partij stookolie wel of niet een afvalstof is, via het uitlokken van een handhavingsbesluit aan de orde te stellen. Onder die omstandigheden, zijn de brieven van 23 november en 20 december naar het voorlopig oordeel besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.”

2.31.

Bij brief van 23 april 2013 heeft de advocaat van Stena Weco de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt in verband met gemaakte en te maken kosten ter voorkoming van een “total loss”schade, waaronder de aanzienlijke opslagkosten en de minderopbrengst van de partij HSFO bij overdracht aan een derde, Kalkproduction A/B. Op 25 april 2013 hebben de advocaat en de ILT telefonisch overleg gevoerd, welk gesprek de ILT bij e-mail van 1 mei 2013 heeft bevestigd. De ILT heeft met betrekking tot de beperking van de schade vermeld: “dat de ILT noch aan u noch aan uw cliënt Stena Weco opdracht heeft gegeven tot opslag. De ILT verhindert niet dat de olie wordt afgegeven. De ILT heeft wel meerdere keren aangegeven dat zij de bunkerolie beoordeelt als een afvalstof en dat handelingen met deze bunkerolie volgens het afvalstoffenrecht dienen te geschieden. Mocht Stena Weco anders handelen dan kan de ILT indien zij hiertoe bevoegd is, bijvoorbeeld bij overbrenging naar het buitenland zonder kennisgeving, handhavend optreden. Het is aan Stena Weco om zelf te beoordelen hoe zij omgaat met de ontstane schade en de beperking hiervan.”

2.32.

Bij besluit van 24 mei 2013 heeft de staatssecretaris Stena Weco alsnog ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.33.

De beroepsprocedure bij de Afdeling is aangehouden in afwachting van het door het Hof van Justitie te wijzen arrest op het verzoek van de rechtbank om een prejudiciële beslissing in de gevoegde zaken C-241/12 en C-242/12. Bij uitspraak van 2 april 2014 heeft de Afdeling het beroep van Stena Weco tegen de besluiten van de staatsecretaris van 15 januari en 24 mei 2013 gegrond verklaard en de desbetreffende besluiten vernietigd. Zij heeft de besluiten van 23 november en 20 december 2012 herroepen en bepaald dat de uitspraak van de Afdeling in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. De staatssecretaris heeft volgens de Afdeling het door Stena Weco gemaakte bezwaar bij besluit van 15 januari 2013 ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. Voorts slaagt volgens de Afdeling het betoog van Stena Weco dat de partij HSFO ten onrechte als afvalstof is aangemerkt. De Afdeling verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2013 in de eerder genoemde zaken betreffende de uitleg van het begrip “afvalstof” in richtlijn 2006/12/EG: “Uit het arrest (….) volgt dat een koper van een stof of voorwerp welke niet voldoet aan de overeengekomen specificaties en die deze stof of dit voorwerp aan de leverancier retourneert met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst, niet kan worden beschouwd als een persoon die voornemens is de betrokken stof of het betrokken voorwerp te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, zodat de koper zich door deze handeling niet van de stof of het voorwerp ontdoet in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2006/12/EG.” De Afdeling overweegt voorts dat er geen aanleiding is om bij de uitleg van dit begrip onder richtlijn 2008/98/EG, die eerstgenoemde richtlijn heeft vervangen, andere maatstaven aan te leggen dan bij de uitleg van het begrip onder richtlijn 2006/12/EG en dan: “Stena Weco was voornemens de aan boord van het schip gebrachte HSFO aan leverancier Cockett te retourneren tegen terugbetaling van de aankoopprijs, vanwege de daarin voorkomende gehaltes DCPD en styreen die de HSFO ongeschikt maakte als brandstof voor het schip. Uit het arrest volgt dat Stena Weco daarmee niet kon worden geacht voornemens te zijn zich van de HSFO te ontdoen in de zin van artikel 3, aanhef en onder 1 van richtlijn 2008/98/EG. De staatssecretaris heeft de HSFO aan boord van het schip dan ook ten onrechte aangemerkt als afvalstof in de zin van richtlijn 2008/98/EG. Hierbij is niet relevant of de HSFO, in de toestand waarin deze zich bevond aan boord van het schip, al dan niet in overeenstemming was met ISO 8271 en geschikt was om zonder bewerking terug op de markt te brengen. Het betoog slaagt.”

2.34.

Stena Weco c.s. hebben de Staat bij brief van 2 april 2014, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 april 2014 van de Afdeling, aansprakelijk gesteld voor de schade die zij, met Skuld als de rechtspersoon die krachtens subrogatie gedeeltelijk in de rechten van Stena Weco is getreden, hebben geleden als gevolg van het feit dat teruglevering van de partij HSFO door Stena Weco aan Cockett verhinderd is. De Staat heeft aansprakelijkheid ontkend.

3 Het geschil

3.1.

Stena Weco c.s. vorderen - samengevat - voor recht te verklaren dat de Staat met de besluiten van 23 november 2012, 15 januari en 24 mei 2013 onrechtmatig heeft gehandeld jegens Stena Weco c.s., de Staat te veroordelen aan primair Stena Weco, subsidiair Skuld, meer subsidiair aan Stena Weco c.s. te betalen aan schadevergoeding een bedrag van € 569.910,21 + USD 501.272,28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de valutadatum waarop de individuele schadeposten ten laste van het vermogen van Weco c.s. zijn gekomen en de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.000 in verband met het opstellen van de dagvaarding, althans een hoger bedrag dan die conform het liquidatietarief voor rechtbanken en hoven, en voor het overige hem te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Stena Weco c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag onrechtmatig handelen van de Staat. Zij beroepen zich op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014. Zij stellen dat gelet op de uitspraak van de Afdeling de ILT Stena Weco ten onrechte verhinderd heeft de partij HSFO zie zij voornemens was te vervoeren aan haar leverancier Cockett terug te leveren en dat zij daardoor schade hebben geleden.

3.3.

De Staat voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat hij geen toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd. Aan de orde zijn bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het beginsel van de bindende kracht van de uitspraak van de Afdeling. De Staat voert verder aan dat Stena Weco geen schade heeft geleden als gevolg van het handelen van de ILT en de staatssecretaris en beroept zich op eigen schuld van Stena Weco. Stena Weco bestrijdt ten slotte de hoogte van gestelde schade.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is of de Staat verplicht is tot vergoeding van de schade die Stena Weco c.s. stellen te hebben geleden als gevolg van de vernietiging van de besluiten van 15 januari en 24 mei 2013 en de herroeping van de besluiten van 23 november en 20 december 2012 door de Afdeling bij uitspraak van 2 april 2014.

Toerekenbaar onrechtmatig handelen van de Staat

4.2.

Allereerst geldt dat de rechtbank gebonden is aan het oordeel van de Afdeling over de onrechtmatigheid van de besluiten van de staatsecretaris van 15 januari en 24 mei 2013. Gelet op de inhoudelijke overwegingen van de Afdeling die ten grondslag liggen aan de vernietiging van de besluiten van 15 januari en 24 mei 2013, op grond waarvan de Afdeling tevens tot herroeping van de besluiten van 23 november en 20 december 2012 is gekomen, staat vast dat de ILT en de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de partij HSFO als afvalstof in de zin van 2008/98/EG diende te worden aangemerkt en dat Steno Weco voornemens was zich hiervan te ontdoen. De besluiten van 23 november en 20 december 2012 en van 15 januari en 24 mei 2013 (hierna gezamenlijk: de besluiten) hadden, met andere woorden, niet genomen mogen worden.

4.3.

Het gevolg van de vernietiging en de herroeping van de besluiten is dat de onrechtmatigheid van die besluiten en derhalve het onrechtmatig handelen van de betrokken overheidslichamen civielrechtelijk vaststaat. Daarmee is in beginsel bovendien de toerekening van dit onrechtmatige handelen aan die overheidslichamen gegeven. Zelfs wanneer de ILT en de staatsecretaris geen enkel verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad in beginsel - in de terminologie van artikel 6:162 BW - voor hun rekening komt. Niet uitgesloten is dat onder bijzondere omstandigheden hierop een uitzondering moet worden gemaakt, ook dan wanneer het niet gaat om een vernietiging wegens strijd met de wet.

4.4.

De rechtbank verwerpt het verweer van de Staat dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in deze zaak voordoen. Het is juist, zoals de Staat aanvoert, dat de brieven van 23 november en 20 december 2012 een bestuurlijk rechtsoordeel behelzen en dat zij aldus geen rechtsgevolg in het leven roepen en geen rechtshandeling inhouden. Dit laat onverlet dat de voorzitter van de Afdeling die brieven in 3.3 van zijn uitspraak heeft aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb omdat zich in dit geval een uitzonderingssituatie voordeed. Dit, kort gezegd omdat het uitlokken van een handhavingsbesluit de enige mogelijkheid voor Stena Weco zou zijn geweest om het geschil over de vraag of de betrokken partij HSFO wel of niet een afvalstof is bij de bestuursrechter aan de orde te stellen en de voorzitter van de Afdeling dit onevenredig bezwarend heeft geacht. De Afdeling heeft blijkens haar uitspraak van 2 april 2014 het oordeel van de voorzitter van de Afdeling onderschreven. De omstandigheid dat volgens de voorzitter van de Afdeling en de Afdeling in dezen sprake is van een uitzonderingssituatie waarin een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit is aangemerkt, noopt niet tot de conclusie dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die meebrengt dat het onrechtmatig handelen de ILT en de staatssecretaris niet kan worden toegerekend. De kwalificatie van de voorzitter van de Afdeling en de Afdeling van de brieven van 23 november en 20 december 2012 als besluiten en de herroeping van die besluiten bij uitspraak van 2 april 2014 staan hieraan in de weg.

4.5.

De Staat voert voorts aan dat de casuspositie die voorlag bij het Hof van Justitie en die heeft geleid tot het arrest van 12 december 2013 in de gevoegde zaken C-241/12 en C-242/12 (Shell Nederland) wezenlijk anders is dan die in de onderhavige zaak. De Afdeling heeft echter voormeld arrest van het Hof van Justitie en de daarin gegeven uitleg aan richtlijn 2006/12/EG van belang geacht voor haar beoordeling of de staatssecretaris (en de ILT) zich tegenover Stena Weco terecht op het standpunt heeft (hebben) gesteld dat Stena Weco zich heeft willen ontdoen van een afvalstof in de zin van richtlijn 2008/98/EG. Ook in dit opzicht is derhalve geen sprake van bijzondere omstandigheden die nopen tot een uitzondering op het beginsel dat het onrechtmatig handelen van de staatssecretaris (en de ILT) hem (hen) kan worden toegerekend.

4.6.

Voor zover het betoog van de Staat mede inhoudt dat ervan moet worden uitgegaan dat de Afdeling, gelet op het genoemde arrest van het Hof van Justitie, is uitgegaan van een rechtsopvatting die ten tijde van het nemen van de besluiten door de staatssecretaris onvoorzienbaar was en waarmee hij geen rekening behoefde te houden, merkt de rechtbank op dat die omstandigheid evenmin een uitzondering op de toerekenbaarheid van de onrechtmatige daad aan de ILT en de staatssecretaris rechtvaardigt. De rechtbank verwijst naar HR 26 september 1986, NJ 1987/253 m.nt. M. Scheltema (Hoffmann-La Roche), waarin geoordeeld is dat die enkele omstandigheid er immers niet aan in de weg staat dat de gevolgen van een zodanige uitspraak voor rekening van het overheidslichaam komen en derhalve niet afdoet aan de in beginsel gegeven schuld van de ILT en de staatsecretaris.

4.7.

Ten slotte gaat het beroep van de Staat op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 december 2012 in de zaak van de Staat tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eska Graphic Board B.V., NJF 2015/31 niet op. In dit geval is de door Stena Weco c.s. gestelde schade, anders dan in het geval van Eska Graphic Board B.V., gebaseerd op de stelling dat de Staat verplicht is tot vergoeding van de schade die is ontstaan door de besluiten die de Afdeling vernietigd en herroepen heeft. De grondslag van de vordering van Stena Weco c.s. stoelt niet op beweerdelijk onrechtmatig (strafrechtelijk) optreden van de Staat, los van de besluiten die de Afdeling vernietigd heeft. Voor zover de Staat bedoelt dat de schade die Stena Weco c.s. stellen te hebben geleden het gevolg is van op zichzelf staand feitelijk handelen van de ILT, bestaande uit het aan boord verrichtte onderzoek van de ILT, mist die stelling feitelijke grondslag; dit onderzoek heeft immers geleid tot het rechtsoordeel van de ILT en de staatsecretaris dat de partij HSFO als een afvalstof in de zin van richtlijn 2008/98/EG moest worden aangemerkt waarvan Stena Weco zich wilde ontdoen, vervat in de brieven van 23 november en 20 december 2012, die, naar vaststaat, besluiten in de zin van de Awb zijn.

4.8.

De conclusie is dat de Staat met het nemen van de besluiten onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen hem kan worden toegerekend. Anders dan de Staat heeft bepleit, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of het onderzoek van de ILT op 22 en 23 november 2013 gerechtvaardigd is geweest en of de partij HSFO vanuit scheepsveiligheids- en milieuhygiënisch oogpunt op redelijke gronden aangemerkt is als afvalstof.

Gestelde schadeposten

4.9.

De schade die Stena Weco c.s. stellen te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige besluiten bestaat uit:
- vertragingsschade (de reis naar Chili van de “ [het schip] ” heeft vertraging opgelopen);
- extra kosten in verband met het debunkeren van de partij HSFO;

- waardevermindering van de partij HSFO (het verschil in de aan- en verkoopprijs van de partij HSFO doordat Stena Weco niet aan Cockett heeft kunnen terugleveren);

- kosten in verband met de tijdelijke opslag en het transport van de partij HSFO, gelabeld als afvalstof;

- kosten in verband met survey, coördinatie;

- kosten van juridische bijstand en reiskosten (interne kosten).

Causaal verband (conditio sine qua non)

4.10.

Bij de beantwoording van de vraag of causaal (conditio sine qua non-)verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en de door Stena Weco c.s. gestelde schade moet worden vergeleken de situatie waarin Stena Weco c.s. zich thans bevinden en de situatie waarin zij zich zouden hebben bevonden indien de Staat niet onrechtmatig zou hebben gehandeld, derhalve wanneer de besluiten niet zouden zijn genomen. Met betrekking tot het bewijs dat de besluiten een noodzakelijke voorwaarde zijn geweest voor het ontstaan van de schade kan geen absolute zekerheid geëist worden. Een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de schade niet respectievelijk ook zou zijn ingetreden zonder de desbetreffende gebeurtenis, is voldoende.

4.11.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de partij HSFO, ongeacht de besluiten, niet gebruikt zou zijn om de motor van de “ [het schip] ” gedurende de reis naar Chili voort te stuwen. Blijkens de correspondentie tussen de verschillende betrokken partijen - de rechtbank verwijst naar de e-mailwisseling op 20 en 21 november 2012 tussen [A] en Stena Weco - stond [A] , de eigenaar van het schip, er op dat de partij HSFO gezien haar kwaliteit van boord van het schip werd gehaald. Niet is voorts gesteld of gebleken dat de aanvullende analyse van Saybolt en aanpassing van het rapport van Lintec het standpunt van [A] heeft doen veranderen, terwijl Stena Weco zich tegenover [A] akkoord heeft verklaard met het debunkeren van het product voor haar rekening (“at Charterers time and cost”). Indien de besluiten niet zouden zijn genomen, was de partij HSFO, zoals ook nu het geval is geweest, dus conform de afspraak met [A] van boord gehaald en had Stena Weco niet met die partij HSFO naar Chili kunnen varen.

4.12.

Dit betekent niet, anders dan de Staat heeft betoogd, dat het voor de vestiging van aansprakelijkheid van de Staat vereiste causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade die Stena Weco stelt te hebben geleden, ontbreekt. Indien de besluiten niet zouden zijn genomen, zou de partij HSFO ook van boord gehaald zijn, maar dan zou zij niet als afvalstof zijn aangemerkt. In dat geval zou er eerder gedebunkerd zijn en had de “ [het schip] ” eerder kunnen vertrekken naar Chili. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang.

4.13.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat Stena Weco en Cockett op 22 november 2012 zijn overeengekomen dat de partij HSFO door Cockett zou worden teruggenomen en zou worden vervangen (zie e-mail van Stena Weco van 22 november 2012, 18.02: “you debunker en replenish. We take the time loss”, in vervolg op eerdere e-mails, en herhaald in de mail van die datum, 19.01 uur). Niet kan als vaststaand worden aangenomen dat de partij HSFO zou worden teruggenomen tegen betaling van de aankoopprijs van USD 480.319,94, aangezien in de overgelegde correspondentie ter zake niets is vermeld. Dit neemt niet weg dat de partij zou zijn teruggenomen en vervangen door Cockett. Hoogstens zou Stena Weco het verschil in prijs tussen de oorspronkelijk geleverde partij en de nieuw te leveren partij HSFO hebben moeten voldoen.

4.14.

Iets anders is ook dat Cockett aanvankelijk niet, en later deels, bereid was de kosten en opgelopen vertraging in verband met een operatie tot terugname en vervanging voor haar rekening te nemen en dat zij zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat de geleverde partij HSFO voldeed aan de vereiste specificaties (zie in verband met de kosten en vertraging de e-mail van Cockett van 22 november 2012, 13.00 uur, “in the full knowledge that Associated Bunker Oil Contractors ABC or the Cockett Group in general would not be responsible for any costs incurred/delays etc., either direct or indirect or subsequent to any such operation”, en de e-mail van 29 november 2012, 14.31 uur, waaruit blijkt dat zij toen bereid was de helft van de “barging costs” (de kosten van de duwbak waarin de partij HSFO zou worden overgebracht) voor haar rekening te nemen: “without prejudice to all our rights and gestures of goodwill we are prepared to contribute 50% of the barging costs”) en zie in verband met de discussie of de partij aan de vereiste specificaties voldeed onder meer de e-mails van 22 november 2012, 13.00 uur, 23 november 2012, 18.26 uur). Een en ander staat, anders dan de Staat meent, los van de afspraak tot terugname en vervanging van de partij HSFO door Cockett.

4.15.

Na het onderzoek van de ILT op 22 november 2012 was voor Stena Weco en Cockett duidelijk (zie ook de e-mail van Stena Weco van 22 november, 19.01 uur) dat de ILT van mening was dat de partij HSFO een afvalstof was en dat voor debunkering aan de daarvoor geldende regelgeving moest worden voldaan. Zij hebben derhalve vanaf dat moment niet zonder meer uitvoering kunnen geven aan de gemaakte afspraken. Stena Weco en Cockett hebben vervolgens, naar ook blijkt uit de e-mail van Cockett van 30 november 2012, 11.38 uur, aan haar advocaat, geprobeerd om een praktische oplossing te vinden, waaronder de mogelijkheid van bewerking van de partij HSFO in de reservoirs van Lukoil/Litasko.

4.16.

Gegeven de overeenstemming over het terugnemen en de vervanging van de partij HSFO, de omstandigheid dat, niettegenstaande de geplande datum van vertrek op 23 november 2012, niet eerder vertrokken had kunnen worden dan nadat het schip beladen was (24 november 04.50 uur, zie hiervoor in 2.24), een verwachte debunkertijd van tussen de 65-70 uur (zie de e-mail van 21 november 2012 van Stena Weco aan Cocket) en een (achteraf bezien) feitelijke debunkertijd van ruim 33 uur (zie de informatie van de kapitein, hiervoor in 2.22 genoemd), acht de rechtbank met een redelijke mate van waarschijnlijkheid aannemelijk dat zonder het onderzoek van de ILT en de daarop volgende besluiten de “ [het schip] ” eerder gedebunkerd en vertrokken zou zijn dan nu het geval is geweest.

4.17.

Tegelijkertijd moet met eenzelfde mate van waarschijnlijkheid aannemelijk worden geacht dat zonder de besluiten eveneens enige, zij het minder, vertraging zou zijn opgelopen. Gelet op de datum waarop overeenstemming bereikt is (22 november 2012, begin van de avond), de minimale duur van de debunkering (naar gebleken is ruim 33 uur, zie hiervoor 2.25) en de voorbereidende maatregelen die ter zake hadden moeten worden genomen, ook als de partij niet als afvalstof zou zijn aangemerkt, verwerpt de rechtbank de stelling van Stena Weco c.s. dat de “ [het schip] ” zonder de besluiten direct na de belading (24 november 2012, 04.50 uur) had kunnen vertrekken en geen vertraging zou hebben opgelopen.

4.18.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat indien de besluiten niet zouden zijn genomen, de partij HSFO niet als afvalstof had hoeven te worden gedebunkerd en niet tijdelijk opgeslagen had hoeven te liggen bij Marpol Services B.V. te IJmuiden, noch bij OVA te Amsterdam. Evenmin was alsdan sprake geweest van transport van de partij HSFO naar Zweden en verkoop door Stena Weco met het oog op vernietiging en had Stena Weco geen, althans minder kosten hoeven maken in verband met survey, juridische bijstand en coördinatie. Ook in dit opzicht is voldaan aan het voor de vestiging van aansprakelijkheid vereiste causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en de door Stena Weco gestelde schade.

4.19.

De conclusie is derhalve dat de Staat in beginsel aansprakelijk is voor de schade die Stena Weco als gevolg van de besluiten stelt te hebben geleden.

Beperking omvang van de aansprakelijkheid

4.20.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid, niet alle schade die Stena Weco stelt te hebben geleden aan de Staat als gevolg van de onrechtmatige besluiten kan worden toegerekend.

4.21.

Stena Weco heeft uit bedrijfseconomische overwegingen de partij HSFO tijdelijk opgeslagen en getracht afspraken te maken met derden om de partij HSFO te doen afnemen, en heeft uiteindelijk na verkrijging van de daartoe benodigde EVOA-vergunning de partij HSFO doen afvoeren naar Zweden en ter vernietiging verkocht. De besluiten verplichtten Stena Weco niet tot het maken van deze keuzes. Uit het e-mailbericht van de ILT van 29 december 2012, waarin vermeld is dat de “voorziene opslag van afvalstoffen in een landtank” plaats dient te gaan vinden bij een inrichting die beschikt over de juiste (afval)vergunningen, blijkt ook niet meer dan dat volgens de ILT aan de geldende regelgeving voor afvalstoffen moest worden voldaan; dit geldt ook voor het e-mailbericht van de ILT van 1 mei 2013. Niets had eraan in de weg gestaan wanneer Stena Weco, mede ter beperking van haar schade, eerder zou zijn overgegaan tot vernietiging van de partij HSFO dan zij uiteindelijk heeft gedaan; eveneens is het haar keuze geweest om de partij te doen exporteren naar Zweden. Zij had de partij evengoed hier te lande kunnen doen afgeven aan een afvalverzamelaar. De besluiten zijn in zoverre wel mede de oorzaak (in de zin van conditio sine qua non) van de schade, maar de schade is het rechtstreekse gevolg van de keuzes (de disposities) van Stena Weco.

4.22.

De keuzevrijheid van Stena Weco brengt echter niet mee dat de schade die Stena Weco c.s. stellen te hebben geleden in het geheel niet in aanmerking komt voor vergoeding. De rechtbank verwerpt dit verweer van de Staat. Met Stena Weco c.s. is de rechtbank van oordeel dat de Staat niet kan verlangen dat Stena Weco, zoals zij stellen, “voetstoots” na het besluit van de ILT van 23 november 2012 afstand zou hebben gedaan van de partij HSFO met een waarde van USD 480.319,94 en kosten in verband met vernietiging zou hebben gemaakt. Dit alleen al omdat de staatssecretaris in bezwaar had kunnen terugkomen op zijn besluiten. De ILT heeft ervoor gekozen geen besluit te nemen op grond waarvan Stena Weco gedwongen zou zijn de partij HSFO naar een afvalinzamelaar hier te lande te doen brengen en te doen vernietigen; dit zo zijnde kan de Staat Stena Weco niet, achteraf, na gebleken onrechtmatigheid van de wel genomen besluiten, verwijten dat zij niet direct tot vernietiging is overgegaan ter beperking van haar schade.

4.23.

Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat Stena Weco c.s. de gevolgen van de keuzes van Stena Weco in redelijkheid niet op de Staat kunnen afwentelen voor zover de kosten die Stena Weco heeft gemaakt in verband met de opslag en het transport van de partij HSFO, en voor survey en coördinatie de waarde van de partij HSFO voor Stena Weco (de aankoopprijs, voor zover komt vast te staan dat die is voldaan) overstijgen. Zij stellen immers dat de desbetreffende kosten zijn gemaakt met als doel vernietiging van de partij HSFO te voorkomen en deze voor een zo hoog mogelijke prijs aan een derde te verkopen. Voor zover de genoemde kostenposten een bedrag van USD 480.319,94 overstijgen, komen die kosten niet in aanmerking voor vergoeding. Zou dit wel het geval zijn, dan zou Stena Weco immers een vergoeding ontvangen voor het welbewust langer in opslag houden van de partij HSFO dan de partij bij verkoop had kunnen opbrengen. In zoverre stuit de vordering van Stena Weco af op artikel 6:98 BW.

Eigen schuld

4.24.

De rechtbank verwerpt het verweer van de Staat dat sprake is van eigen schuld van Stena Weco. Dit verweer, inhoudende dat Stena Weco onnodig positief heeft gereageerd op het verzoek van [A] om de partij HSFO van boord te halen en dat zij Cockett had moeten dwingen de partij HSFO terug te nemen, komt erop neer dat de Staat Stena Weco verwijt dat de ILT de besluiten heeft genomen (zou Stena Weco niet “in the light of the good relationship and cooperation between our companies” hebben bewilligd in de wens van [A] de partij HSFO van boord te halen, dan zou de ILT geen onderzoek hebben verricht, aldus de Staat) en dat zij niet, in weerwil van de genomen besluiten, Cockett tot afname van de partij HSFO heeft gedwongen. Die omstandigheden kunnen Stena Weco c.s. niet worden toegerekend. Het is de eigen taak en verantwoordelijkheid van de ILT om, ongeacht de beweegredenen van de betrokken partijen om over te gaan tot debunkering van een partij HSFO, de hem toekomende bevoegdheden uit te oefenen en besluiten te nemen. Van die partijen kan ook niet worden verwacht dat zij de resultaten van het onderzoek van de ILT en de besluiten zouden hebben genegeerd.


Schadebegroting

4.25.

Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank nog niet definitief beslissen over de hoogte van de schade van Stena Weco die de Staat verplicht is te vergoeden. Ten aanzien van de verschillende gevorderde schadeposten in verband met de begroting van de schade overweegt de rechtbank, mede gelet op het vorenstaande, als volgt.

Vertragingsschade en extra kosten van debunkering

4.26.

Partijen dienen zich, met inachtneming van hetgeen in 4.16 en 4.17 is overwogen, uit te laten over het aantal uren vertraging dat is opgelopen keer de daarmee gemoeide kosten (duur x kosten). Dit betekent dat Stena Weco c.s. de rechtbank (nadere) informatie dienen te verschaffen over de precieze datum en het tijdstip waarop de “ [het schip] ” vertrokken zou zijn na afronding van de belading indien het testrapport van Lintec geen aanwezigheid van Styreen en DCPD in de partij HSFO zou hebben uitgewezen en de duur van de debunkering indien de onrechtmatige besluiten niet zouden zijn genomen en partijen zich ter zake van de hoogte van deze schade post (nader) dienen uit te laten. De Staat heeft de gemaakte extra kosten van debunkering (additional expenses) niet bestreden, zodat deze kostenpost voor toewijzing gereed ligt.


Waardevermindering van de partij HSFO

4.27.

De aankoopprijs verminderd met de verkoopprijs van de partij HSFO komt in beginsel, voor zover de betaling komt vast te staan, in aanmerking voor vergoeding. De Staat heeft bestreden dat de facturen van respectievelijk USD 480.319,94 en USD 188.540,13 zijn betaald, zodat Stena Weco c.s. betalingsbewijzen in het geding dient te brengen. Partijen dienen zich ter zake (nader) uit te laten.

Kosten in verband met de tijdelijke opslag en het transport van de partij HSFO, gelabeld als afvalstof, survey- en coördinatiekosten

4.28.

De betreffende kosten komen in aanmerking voor vergoeding tot maximaal de aankoopprijs van de partij HSFO (voor zover komt vast te staan dat die factuur is betaald) en voor zover voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub a BW. Hetgeen de rechtbank hiervoor in 4.21-4.23 heeft overwogen, impliceert dat Stena Weco de ter zake gemaakte kosten in redelijkheid heeft gemaakt als kosten ter voorkoming of beperking van de schade die als gevolg van de aansprakelijkheid waarop de aansprakelijkheid berust, mochten worden verwacht. De Staat heeft de redelijkheid van de hoogte van de gemaakte opslagkosten bestreden, onder de opmerking dat de gemaakte kosten 4x hoger zijn dan normaal gesproken het geval is bij de opslag van afvalstoffen. De Staat dient de rechtbank ter zake (nadere) informatie te verschaffen en zijn stelling te onderbouwen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich over de hoogte van deze schadepost zich (nader) uit te laten.

Kosten van juridische bijstand en interne kosten

4.29.

Met betrekking tot de gevorderde schade bestaande uit de kosten van juridische bijstand en gemaakte interne kosten stelt de rechtbank vast dat het hier kosten betreft die zijn gemaakt tijdens het bestuursrechtelijk traject (de facturen van [z] dateren van 5 maart, 23 april, 20 juni en 31 december 2013, de gevorderde reiskosten betreffen een reis op 19 december 2012). Ingevolge artikel 8:75 lid 1 Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het (hoger) beroep bij de bestuursrechter. Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor gemaakte kosten van bezwaar of beroep is geen plaats, tenzij de belanghebbende de aanspraak niet redelijkerwijs aan het bestuursorgaan, c.q. de bestuursrechter heeft kunnen voorleggen (o.a. HR 29 november 2013, ECLI:NLHR:2013:1456). Die laatste situatie doet zich niet voor. De kostenpost komt niet in aanmerking voor vergoeding.

Het vervolg
4.30. Partijen worden in de gelegenheid zich ter zake bij akte uit te laten, met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen en beslist. Dit betekent dat partijen zich, gemotiveerd, dat wil zeggen met onderbouwing door middel van schriftelijke bescheiden, moeten uitlaten over:

  • -

    de hoogte van de vertragingsschade (zie hiervoor in 4.26);

  • -

    de hoogte van de schade in verband met de waardevermindering van de partij HSFO (zie hiervoor in 4.27);

  • -

    de hoogte van de kosten in verband met de tijdelijke opslag en het transport van de partij HSFO, gelabeld als afvalstof, survey- en coördinatiekosten (zie hiervoor in 4.28);

4.31.

De Staat zal de zaak verwijzen naar de rol van 20 januari 2016 voor het nemen van een akte aan de zijde van Stena Weco, waarna de Staat de gelegenheid zal worden geboden een antwoordakte in te dienen. De rechtbank zal vervolgens hetzij een comparitie van partijen gelasten, hetzij eindvonnis wijzen.

Subrogatie

4.32.

Stena Weco c.s. hebben aangevoerd dat Stena Weco “primair” als eisende partij en dat Skuld “subsidiair” als eisende partij in dezen procedeert. Zij hebben hun stelling dat Skuld als gesubrogeerde partij in de rechten van Stena Weco is getreden niet onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van een verzekeringspolis of bewijs van uitkering uit hoofde van verzekering. De rechtbank kan er derhalve niet vanuit gaan dat Skuld vorderingsgerechtigd is tegenover de Staat. Voor zover de vordering mede is ingesteld door Skuld, dient zij te worden afgewezen.


Conclusie

4.33.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht vatbaar is voor toewijzing. De rechtbank zal bij eindvonnis aldus beslissen.

4.34.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 20 januari 2016 voor het nemen van een akte aan de zijde van Stena Weco c.s. conform hetgeen hiervoor in 4.30 en daarvoor is overwogen en beslist,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015.1

1 type: 1772