Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13587

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
09/797052-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, heeft op de Provincialeweg N207, op 22 maart 2014 een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto van het merk Mercedes Benz, een personenauto van het merk Ford, een personenauto van het merk Mazda en een vrachtwagen betrokken zijn geweest. De bestuurder van de Mazda, is ten gevolge van het verkeersongeval overleden.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, de bestuurders van de Ford, zich - door het begaan van verkeersfouten en het gebruik van de rijvaardigheid verminderende stoffen - zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend kan worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797052-15

Datum uitspraak: 26 november 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 augustus 2015 (pro forma) en ter terechtzitting van 12 november 2015 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Provincialeweg N207, zijnde een weg welke bestond uit twee rijbanen, met een rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Leimuiden en een rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Alphen aan den Rijn, welke rijbanen werden gescheiden door een (dubbele) doorgetrokken streep, waarbij hij, verdachte reed op de rijbaan in de richting van Leimuiden, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij niet meer in het bezit was van een geldig rijbewijs en/of

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij (een) stof(fen), te weten cocaine en/of benzodiazepinen (temazepam en/of oxazepam), had gebruikt welke de rijvaardigheid kon(den) beinvloeden en/of (vervolgens)

- hij heeft aldaar over enige afstand slingerend gereden en/of (vervolgens)

- hij heeft de aldaar gelegen (dubbele) doorgetrokken streep meermalen, althans eenmaal overschreden, waarbij hij (gedeeltelijk) op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en/of (vervolgens) is hij tegen een op die rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer rijdend motorrijtuig (Mazda) gebotst ten gevolge waarvan dat motorrijtuig op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer (in de richting van Leimuiden) terecht is gekomen en (vervolgens) aldaar in botsing is gekomen met een aldaar

rijdend motorrijtuig (vrachtauto van het merk Scania),

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Provincialeweg N207, als volgt heeft gehandeld:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij niet meer in het bezit was van een geldig rijbewijs en/of

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij (een) stof(fen), te weten cocaine en/of benzodiazepinen (temazepam en/of oxazepam), had gebruikt welke de rijvaardigheid kon beinvloeden en/of (vervolgens)

- hij heeft aldaar over enige afstand slingerend gereden en/of (vervolgens)

- hij heeft de aldaar gelegen (dubbele) doorgetrokken streep meermalen, althans eenmaal overschreden, waarbij hij (gedeeltelijk) op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en/of (vervolgens) is hij tegen een op die rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer rijdend motorrijtuig (Mazda) gebotst ten gevolge waarvan dat motorrijtuig op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer (in de richting van Leimuiden) terecht is gekomen en (vervolgens) aldaar in botsing is gekomen met een aldaar rijdend motorrijtuig (vrachtauto van het merk Scania), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne en/of benzodiazepinen: temazepam en oxazepam, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3.

hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Provincialeweg N207, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

4.

hij op of omstreeks 05 april 2014 te Aarlanderveen, gemeente Alphen aan den Rijn, als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten Benzodiazepinen: diazepam en/of desmethyldiazepam, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

5.

hij op of omstreeks 5 april 2014 te Aarlanderveen, gemeente Alphen aan den Rijn, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Nieuwkoopseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

In Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, heeft op de Provincialeweg N207, op 22 maart 2014 een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto van het merk Mazda (hierna: de Mazda), een personenauto van het merk Mercedes Benz (hierna: de Mercedes Benz), een personenauto van het merk Ford (hierna: de Ford) en een vrachtwagen van het merk Scania betrokken zijn geweest.2 De bestuurder van de Mazda, te weten [slachtoffer]3, is ten gevolge van het verkeersongeval overleden.4

Uit onderzoek dat is verricht naar de toedracht van het verkeersongeval, is het volgende gebleken. De Ford reed op de Provincialeweg N207, op de rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Leimuiden. Achter de Ford reed de vrachtwagen van het merk Scania. De Mazda en de Mercedes Benz reden op dat moment in de tegengestelde rijrichting van de Ford, te weten op de rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Alphen aan den Rijn. Ten gevolge van een onbekend gebleven oorzaak is de Ford op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht gekomen en heeft de zich tussen beide rijbanen bevindende dubbele doorgetrokken streep overschreden. Op de rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Alphen aan de Rijn, is de Ford in een nagenoeg frontale aanrijding terecht gekomen met eerdergenoemde Mazda. De Ford is met de linker voorzijde in aanraking gekomen met de linker voorzijde van de Mazda. Vervolgens is de Ford, op de rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Alphen aan den Rijn, in botsing gekomen met een Mercedes Benz. De Mazda is ná de botsing met de Ford terecht gekomen op de rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Leimuiden. Vervolgens is de vrachtwagen van het merk Scania op voornoemde rijbaan, tegen de rechterflank van de Mazda aangereden. De Mazda heeft een draai gemaakt van bijna 180 graden en is uiteindelijk gedeeltelijk in de sloot, die zich bevindt naast de rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Leimuiden, tot stilstand gekomen.5

Dat de Ford eerst tegen de Mazda is aangereden en daarna tegen te de Mercedes blijkt uit onderzoek ter plaatse, waarbij wieldopresten van de Ford en het logo van de Ford welke op het wegdek zijn aangetroffen, alsook uit de analyse van de soort schade die bij de Mercedes Benz is geconstateerd.6

Bij controle is gebleken dat de bestuurder van de Ford, verdachte, op 22 maart 2014 niet in het bezit was van een geldig rijbewijs.7 In het op 22 maart 2014 van verdachte afgenomen bloed8, zijn de volgende stoffen aangetroffen: cocaïne en benzodiazepinen (temazepam en oxazepam).9

Gelet op de inhoud van de tenlastelegging dient de rechtbank de vragen te beantwoorden of zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich op 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994), terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de WVW 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet (feit 1 primair) ofwel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de WVW 1994 (feit 1 subsidiair) en/of dat hij zich op 22 maart 2014 en/of 5 april 2014 schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een voertuig onder invloed van een de rijvaardigheid verminderende stof en/of het besturen van een personenauto met een ongeldig verklaard rijbewijs (feiten 2, 3, 4 en 5).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 primair, is de officier van justitie van mening dat alle gedachtestreepjes bewezen kunnen worden verklaard, evenals dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat hij op 22 maart 2014 in een toestand verkeerde als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de WVW 1994.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de meest recente jurisprudentie van de Hoge Raad inzake artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, het rijgedrag van verdachte niet als roekeloos kan worden aangemerkt. De raadsman heeft verder bepleit dat verdachte naar zijn mening slechts één verkeersfout heeft gemaakt, te weten dat hij op 22 maart 2014 op de Provincialeweg N207 over enige afstand slingerend heeft gereden. Dit is, naar de mening van de raadsman, onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit te kunnen komen en derhalve dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Volgens de raadsman kunnen de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Ten aanzien van de onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten

Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 november 2015 verklaard dat hij wist dat hij op 22 maart 2014 geen auto mocht besturen omdat hij op dat moment niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Ook heeft hij verklaard dat hij in de avond c.q. nacht voor het verkeersongeval cocaïne had gebruikt en tevens medicatie, te weten: temazepam en oxazepam10. Ook heeft verdachte bij deze gelegenheid verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij op 22 maart 2014 op de Provincialeweg op de rijbaan richting Leimuiden met zijn auto heeft gereden en dat hij aldaar op enig moment “een slingertje heeft gemaakt”. Verder heeft hij verklaard dat het mogelijk is dat hij vervolgens in de zich direct rechts naast voornoemde rijbaan bevindende berm terecht is gekomen, dat hij daarna aan zijn stuur heeft gedraaid om weer terug op de rijbaan terecht te kunnen komen en dat hij tijdens het uitvoeren van deze manoeuvre per ongeluk terecht is gekomen op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. De rechtbank acht dit scenario volstrekt onaannemelijk en gaat hieraan voorbij, nu dit scenario geen steun vindt in de bewijsmiddelen. De rechtbank wijst in dit verband in het bijzonder op de verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] hebben afgelegd over het verkeersgedrag van verdachte. Deze verklaringen zijn volledig in tegenspraak met het door verdachte naar voren gebrachte scenario.

Getuige [getuige 1] heeft, toen hij op 22 maart 2014 op de rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting Alphen aan de Rijn reed, het volgende waargenomen. Een Ford - die reed op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer - was aan het slingeren. Deze Ford reed met beide voorwielen over de doorgetrokken streep tussen de rijbanen en reed daarna weer terug naar de rijbaan waar deze zich oorspronkelijk had bevonden. De Ford reed vervolgens wederom over de doorgetrokken streep, kwam terecht op de rijbaan bestemd voor het verkeer in richting van Alphen aan den Rijn en botste op deze rijbaan frontaal tegen de voor [getuige 1] rijdende personenauto van het merk Mercedes.11

[getuige 2] , bestuurder van de vrachtwagen van het merk Scania, heeft op 22 maart 2014 waargenomen dat een personenauto van het merk Ford, welke voor hem reed, slingerde, over de doorgetrokken streep reed, op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht kwam en vervolgens aldaar tegen een aantal auto’s aanreed, waaronder een Mercedes.12

Anders dan de raadsman is de rechtbank, gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , van oordeel dat verdachte meer dan één verkeersfout heeft begaan, te weten dat hij op de Provincialeweg N207 over enige afstand slingerend heeft gereden met zijn personenauto en dat hij meermalen met zijn personenauto de zich tussen de twee rijbanen bevindende dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden en eerst gedeeltelijk en later geheel op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden.

De rechtbank is, wederom anders dan de raadsman, van oordeel dat niet alleen voornoemde verkeersfouten meewegen bij beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar dat daarbij ook van belang is of verdachte, toen hij op 22 maart 2014 optrad als bestuurder van een personenauto, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de WVW 1994, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van alcohol en/of bepaalde andere stoffen de rijvaardigheid negatief kunnen beïnvloeden.

De rechtbank overweegt dat door een medewerker van het NFI, te weten dr. [medewerker] , na het verkeersongeval onderzoek is verricht naar het bloed van verdachte en dat uit dit onderzoek het volgende naar voren is gekomen. In het bloed van verdachte zijn stoffen aangetroffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, te weten cocaïne en benzodiazepinen (in de vorm van temazepam en oxazepam). Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig was beïnvloed door de stoffen cocaïne en temazepam. Cocaïne was in een werkzame concentratie in het bloed aangetroffen en temazepam in een hoge concentratie.13 Uit de conclusies van voornoemd onderzoek, leidt de rechtbank af dat verdachte, toen hij op 22 maart 2014 als bestuurder van een personenauto optrad, onder zodanige invloed van stoffen verkeerde dat hij op dat moment niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

De vraag is of verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van eerdergenoemde stoffen - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid dusdanig konden verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

De rechtbank beschouwt het als feit van algemene bekendheid dat het gebruik van de stof cocaïne de rijvaardigheid kan verminderen en merkt daarbij nog op dat uit voornoemd rapport van het NFI volgt dat het gebruik van cocaïne de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden, met name omdat daardoor zelfoverschatting optreedt, waardoor de neiging om risico’s te nemen en de kans om betrokken te raken bij een aanrijding toenemen.14

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte niet wist dat cocaïne een nadelig effect op de rijvaardigheid kan hebben.

Omtrent de andere stoffen die in het bloed van verdachte zijn aangetoond, overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting van 12 november 2015 heeft verklaard dat hij temazepam (en oxazepam) gebruikt om te ontspannen en dat hij de avond voor het ongeval nog twee tabletten temazepam had geslikt om te kunnen slapen, maar dat hij niet wist dat het gebruik van deze medicatie de rijvaardigheid nadelig kon beïnvloeden.

De rechtbank beschouwt het als feit van algemene bekendheid dat medicatie die bedoeld is om de gebruiker daardoor te laten ontspannen, een kalmerende en slaapverwekkende werking kan hebben en derhalve een negatief effect kan hebben op de rijvaardigheid. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met deze bijwerkingen bekend moest zijn geweest - zelfs als hij nooit kennis heeft genomen van de inhoud van de bijsluiter van deze medicatie of hierover is geïnformeerd door zijn huisarts of apotheker - aangezien hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij gedurende bijna een jaar een paar keer per week deze medicatie gebruikte.15 Het effect van deze medicijnen moet hem derhalve bekend zijn geweest. Dit effect was ook de reden dat verdachte deze medicijnen nam, namelijk om te kunnen slapen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten weten dat het gebruik van temazepam de rijvaardigheid kon verminderen.

Bovendien heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij wist dat je deze pillen niet moet innemen als je gaat rijden.16 Aan de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij niet (precies) wist hoe lang de medicijnen werkzaam waren, hecht de rechtbank gelet hierop geen betekenis. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door enige tijd na het gebruiken van deze medicijnen in de auto te stappen de kans voor lief genomen dat deze medicijnen nog in een dusdanige concentratie in zijn bloed aanwezig waren, dat dit de rijvaardigheid zodanig kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

De rechtbank komt, op basis van het bovenstaande, tot de conclusie dat verdachte op 22 maart 2014 als bestuurder van een personenauto heeft gereden in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994, terwijl hij op dat moment niet meer in het bezit was van een geldig rijbewijs.

Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte, als verkeersdeelnemer, te weten bestuurder van een auto, op 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, zich - door het begaan van verkeersfouten en het gebruik van

de rijvaardigheid verminderende stoffen - zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.

De vraag die de rechtbank thans nog dient te beantwoorden is hoe het verkeersgedrag van verdachte juridisch kan worden gekwalificeerd.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van roekeloos rijgedrag. Daartoe is vereist dat er sprake is van bewustheid van het risico op ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren en de rechtbank is van oordeel dat daarvan niet uit de bewijsmiddelen is gebleken.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat het gedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend kan worden beschouwd, gelet op de ernst van de door verdachte begane verkeersfouten en de omstandigheid dat hij onder invloed van maar liefst twee, de rijvaardigheid verminderende, stoffen als bestuurder van een personenauto is opgetreden, waardoor hij niet tot behoorlijk besturen van een auto in staat moest worden geacht.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich op 22 maart 2014 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de WVW 1994 (feit 1 primair), overtreding van artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994 (feit 2) en het besturen van een personenauto zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs (feit 3).

3.4.2

Ten aanzien van de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] volgt dat deze verbalisant heeft waargenomen dat verdachte op 5 april 2014 omstreeks 8:55 uur in Aarlanderveen (gemeente Alphen aan den Rijn17) als bestuurder van een personenauto optrad en dat hij van de Dienst Informatie van de politie heeft vernomen dat het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard door het CBR.18 Ongeveer een uur na voornoemd voorval, is bij verdachte bloed afgenomen.19 In het bloed van verdachte zijn twee stoffen aangetoond die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, te weten Benzodiazepinen (in het bijzonder: diazepam en desmethyldiazepam).20 Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek wordt door een onderzoeker van het NFI geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk negatief beïnvloed was door de stof diazepam.21 Verdachte heeft toegegeven dat hij op 5 april 2014 als bestuurder van een personenauto heeft opgetreden en dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.22 Verdachte heeft verklaard dat hij in de avond van 3 april 2014 medicijnen had gebruikt en dat hij weet dat hij deze medicijnen niet moet gebruiken “als je gaat rijden, want je wordt er duf van”.23

De rechtbank komt, op basis van het bovenstaande, tot de conclusie dat verdachte op 5 april 2014 als bestuurder van een personenauto heeft gereden in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994, terwijl hij op dat moment niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich op 5 april 2014 nogmaals schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 4) en aan het besturen van een personenauto zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs (feit 5).

Met betrekking tot de wetenschap van het de rijvaardigheid verminderende effect van de medicijnen die verdachte heeft gebruikt, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover eerder heeft overwogen in paragraaf 3.4.1.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de Provincialeweg N207, zijnde een weg welke bestond uit twee rijbanen, met een rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Leimuiden en een rijbaan bestemd voor het verkeer in de richting van Alphen aan den Rijn, welke rijbanen werden gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep, waarbij hij, verdachte rijdende op de rijbaan in de richting van Leimuiden, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij niet meer in het bezit was van een geldig rijbewijs en

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij stoffen, te weten cocaïne en benzodiazepinen (temazepam en oxazepam), had gebruikt welke de rijvaardigheid konden beïnvloeden en vervolgens

- hij heeft aldaar over enige afstand slingerend gereden en vervolgens

- hij heeft de aldaar gelegen dubbele doorgetrokken streep meermalen overschreden, waarbij hij (gedeeltelijk) op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en is hij tegen een op die rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer rijdend motorrijtuig (Mazda) gebotst ten gevolge waarvan dat motorrijtuig op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer in de richting van Leimuiden terecht is gekomen en vervolgens aldaar in botsing is gekomen met een aldaar rijdend motorrijtuig (vrachtauto van het merk Scania),

waardoor [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van stoffen, te weten cocaïne en benzodiazepinen: temazepam, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

3.

hij op 22 maart 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Provincialeweg N207, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;

4.

hij op 05 april 2014 te Aarlanderveen, gemeente Alphen aan den Rijn, als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten Benzodiazepinen: diazepam, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

5.

hij op 5 april 2014 te Aarlanderveen, gemeente Alphen aan den Rijn, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Nieuwkoopseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feiten 1 primair en 2:

de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feiten 3 en 5:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat verdachte zich binnen 3 werkdagen na het vonnis moet melden bij de bureaudienst van GGZ Reclassering Palier en hierna zich dient te blijven melden bij GGZ Reclassering Palier gedurende de door de rechtbank te bepalen periode, zo frequent als GGZ Reclassering Palier dit gedurende deze periode nodig acht;

  • -

    dat verdachte wordt verplicht om zich onder behandeling te stellen bij de Forensische Polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling om zijn copingvaardigheden te vergroten met betrekking tot de omgang met tegenslagen en emoties;

en dat verdachte wordt veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De officier van justitie heeft volgens de raadsman bij haar strafeis rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten die van toepassing zijn op overtreding van artikel 6 WVW 1994 en rekening gehouden met de strafverzwarende omstandigheid dat een alcoholpromillage van meer dan 570 μgl is geconstateerd. Verdachte heeft echter niet deelgenomen aan het verkeer onder invloed van alcohol, maar onder invloed van stoffen. De invloed van deze stoffen op de rijvaardigheid is volgens de raadsman niet vergelijkbaar met de invloed die voornoemd alcoholpromillage op iemands rijvaardigheid heeft, mede gelet op de omstandigheid dat slechts een lage concentratie van deze stoffen in het bloed van verdachte is aangetroffen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het voornoemde en derhalve lagere straffen op te leggen aan de verdachte, dan de officier van justitie heeft geëist.

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft de zorg voor een vierjarig kind, dat bijzondere zorg vraagt. De feiten hebben zich afgespeeld tijdens een turbulente fase in het leven van verdachte. Het is van belang om naar de toekomst te kijken en spoedig aan te vangen met het behandelplan dat de reclassering voor verdachte heeft opgesteld. Er is sprake van een situatie als beschreven in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en eendaadse samenloop.

De raadsman heeft voorgesteld om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf, bijkomende straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft op 22 maart 2014 een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft verkeersfouten gemaakt en verkeerde onder invloed van medicijnen. De gevolgen van het gedrag van verdachte zijn zeer ernstig. Een andere weggebruiker, de heer [slachtoffer] is aan de gevolgen van het ongeval overleden. Met het overlijden van het slachtoffer is de nabestaanden zeer groot en onherstelbaar leed toegebracht, hetgeen ook is gebleken uit de slachtofferverklaring die een familielid van het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgedragen. De nabestaanden worden nog elke dag herinnerd aan en geconfronteerd met het gemis van het slachtoffer.

Verdachte heeft zich voorts op 22 maart 2014 en 5 april 2014 schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs en het rijden onder invloed van medicijnen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 oktober 2015, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar tweemaal eerder is veroordeeld wegens een verkeersfeit, te weten eenmaal wegens rijden onder invloed en eenmaal wegens rijden zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Uit voornoemd stuk volgt tevens dat sprake is van een situatie als beschreven in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft ten slotte kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 26 oktober 2014 opgesteld door GGZ Reclassering Palier, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan als bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte zich binnen 3 werkdagen na het vonnis moet melden bij de bureaudienst van GGZ Reclassering Palier en hierna zich dient te blijven melden bij GGZ Reclassering Palier gedurende de door de rechtbank te bepalen periode, zo frequent als GGZ Reclassering Palier dit gedurende deze periode nodig acht, evenals een behandelverplichting, inhoudende dat verdachte zich onder behandeling dient te stellen van de Forensische Polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling, teneinde zijn copingvaardigheden met betrekking tot de omgang met emoties en tegenslagen te vergroten.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onverantwoorde rijgedrag dat verdachte heeft vertoond en het gebruik van de rijvaardigheid verminderende stoffen in het verkeer zwaar bestraft moet worden. De rechtbank is zich er evenwel van bewust dat bestraffing nimmer recht doet aan de ernst van de gevolgen. Zo ook in dit geval. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Voorts zal de rechtbank mede ter bescherming van de verkeersveiligheid aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

Bij bepaling van de duur van de op te leggen straf en bijkomende straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk in gevallen, vergelijkbaar met de onderhavige, worden opgelegd.

De rechtbank zal om die reden een gevangenisstraf van minder lange duur opleggen dan gevorderd door officier van justitie.

Al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking genomen, vormt een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden een passende sanctie. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen opleggen voor de duur van 4 jaar.

De rechtbank zal een deel van voornoemde gevangenisstraf voorwaardelijk aan verdachte opleggen, in de hoop daarmee verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan verkeersdelicten. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden koppelen zoals geadviseerd door de reclassering en overweegt hieromtrent nog in het bijzonder het volgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf, te weten het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op de omstandigheid dat verdachte zich voor dit feit eerder schuldig heeft gemaakt aan een verkeersfeit en zich twee weken na dit feit nogmaals schuldig heeft gemaakt aan twee verkeersfeiten, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De hoogte van de vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 12.108,00.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 12.108,00 subsidiair 95 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij] .

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost die ziet op het geldbedrag dat vanaf de girorekening ten name van [erven slachtoffer] is overgemaakt naar het LUMC Divisie 2 (€ 1.500,00), niet voor toewijzing vatbaar is, nu het rechtstreekse verband ontbreekt tussen het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval en deze schadepost.

De raadsman heeft verder bepleit dat de benadeelde partij, met betrekking tot de posten die staan vermeld in bijlage 4, niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van een strafgeding oplevert.

De raadsman heeft zich, met betrekking tot het overige deel van de vordering van de benadeelde, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten die staan vermeld in bijlage 4 (specificatie overige kosten Uitvaart [slachtoffer] , totaalbedrag: € 293,92), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de rechtbank onvoldoende handvatten heeft om vast te kunnen stellen of wel of niet sprake is van een rechtstreeks verband tussen dit deel van de vordering en het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op het bedrag ter hoogte van € 1.500,00 dat vanaf de rekening ten name van [erven slachtoffer] is overgemaakt naar het LUMC Divisie 2 (€ 1.500,00), afwijzen, aangezien de rechtbank van oordeel is dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen deze schadepost en het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de overige posten, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht dit deel van de vordering derhalve voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank brengt een bedrag ter hoogte van € 363,00 in mindering op voornoemd bedrag, aangezien dit bedrag aan de erven van [benadeelde partij] is uitgekeerd door de uitvaartverzekering van Ardanta.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.218,64.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 10.218,64, ten behoeve van [benadeelde partij] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf, bijkomende straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 primair en 2:

de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feiten 3 en 5:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich op uiterlijk op 1 december 2015 meldt bij de Reclassering Nederland GGZ Reclassering Palier, adres: Witte Singel 8, 2311 BG te Leiden (telefoonnummer: 088-3578520) en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een de Forensische Polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zijn copingvaardigheden met betrekking tot de omgang met emoties en tegenslagen te vergroten;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Palier tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor

4 (vier) jaren;

vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van € 10.218,64;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het deel dat ziet op de schadeposten die staan vermeld in bijlage 4 van de vordering (specificatie overige kosten Uitvaart [slachtoffer] ), niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering, voor het deel dat ziet op het bedrag ter hoogte van € 1.500,00 dat vanaf de rekening ten name van [erven slachtoffer] is overgemaakt naar het LUMC Divisie 2, af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 10.218,64 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 86 (zesentachtig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. C.F. Mewe, rechter,

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1600-2014072464 Z, van de politie Hollands Midden, district Rijn- en Veenstreek, Team Nieuwkoop-Kaag en Braassem, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 197).

2 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf, p. 9 t/m 12.

3 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf, p. 12 en 13.

4 Proces-verbaal van onnatuurlijke dood, p. 41.

5 Proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse, p. 91 t/m 93, 101 en 102.

6 Proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse, p. 102.

7 Proces-verbaal misdrijf, pagina’s 53 en 54.

8 Bijlage bij het proces-verbaal misdrijf, te weten een “Aanvraag ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed”, p. 55 en 56.

9 Bijlage bij het proces-verbaal misdrijf, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld: ”Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet”, op 10 april 2014 opgesteld door dr. [medewerker] , apotheker, p. 57 t/m 63.

10 Proces-verbaal ter terechtzitting van 12 november 2015, verklaring van verdachte.

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. 22 en 23.

12 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , p. 26 en 27.

13 Bijlage bij het proces-verbaal misdrijf, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld: ”Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet”, op 10 april 2014 opgesteld door dr. [medewerker] , apotheker, p. 57 t/m 63.

14 Bijlage bij het proces-verbaal misdrijf, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld: ”Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet”, op 10 april 2014 opgesteld door dr. [medewerker] , apotheker, p. 61.

15 Proces-verbaal ter terechtzitting van 12 november 2015, verklaring verdachte.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 77.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 73.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

19 Een geschrift, te weten een “Aanvraag ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed”, p. 79 en 80.

20 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld: ”Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet”, opgesteld door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog, p. 87.

21 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, getiteld: ”Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet”, opgesteld door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog, p. 87.

22 Proces-verbaal ter terechtzitting van 12 november 2015, verklaring verdachte.

23 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 77.