Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13585

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
AWB 15/16375
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering toegang en oplegging vrijheidsontnemende maatregel artikel 6, eerste en tweede lid, Vw.

De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij onredelijk lang (namelijk meer dan 5 uren) heeft moeten wachten totdat hij aankwam op de plaats waar hij zich moest ophouden. De rechtbank stelt op grond van de door verweerder verstrekte informatie vast dat tussen het moment waarop eiser de vrijheidsontnemende maatregel met plaatsaanduiding JCS is uitgereikt en zijn aankomst op JCS ruim acht uren hebben gelegen, bestaande uit wachttijd en de tijd die het vervoer in beslag heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat een totale tijdsduur van maximaal tien uren als redelijk kan worden aangemerkt. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 december 2004 (kenmerk: 200408762/1, JV 2005/96), die analoog wordt toegepast. Aangezien de maximale tijdsduur in dit geval niet is overschreden, faalt deze grond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 16375 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Albanese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E.P.C van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2015 is eiser de toegang geweigerd op grond van artikel 13 gelezen in samenhang met artikel 5 van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode, hierna: SGC).

Bij besluit van 2 september 2015 is aan eiser op grond van artikel 6, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen het besluit tot toegangsweigering en de maatregel op 4 september 2015 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Op 13 september 2015 is eiser uitgezet naar Albanië en is de vrijheidsontnemende maatregel door verweerder opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2015. Eiser is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Eiser heeft het beroep gericht tegen de toegangsweigering ter zitting ingetrokken.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, zesde lid, Vw het beroep gegrond.

2. Ingevolge artikel 6, tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

3. Eiser voert aan dat hij onredelijk lang heeft moeten wachten op het vervoer van de plaats waar hem de toegang is geweigerd en de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, te weten de grensdoorlaatpost in de ferry Terminal van IJmuiden, naar het JCS waar de vrijheidsontnemende maatregel ten uitvoer is gelegd. Een duur van meer dan vijf uur acht eiser namelijk onredelijk lang.

3.1

De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser op 2 september 2015 om 11.00 uur is aangekomen met de ferry vanaf Newcastle in de terminal te IJmuiden. De toegangsweigering is vervolgens om 13.45 uur aan eiser uitgereikt. Ter zitting is gebleken dat het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel meteen na de toegangsweigering aan eiser is uitgereikt. Uit na de zitting op verzoek van de rechtbank toegestuurde informatie van verweerder is gebleken dat eiser vervolgens op 2 september 2015 samen met andere Albanese vreemdelingen, vanuit IJmuiden is vervoerd naar het JCS, alwaar hij om 22.00 uur aankwam.

3.2

De rechtbank stelt op grond van de door verweerder verstrekte informatie vast dat tussen het moment waarop eiser de vrijheidsontnemende maatregel met plaatsaanduiding JCS is uitgereikt en zijn aankomst op JCS ruim acht uren hebben gelegen, bestaande uit wachttijd en de tijd die het vervoer in beslag heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat een totale tijdsduur van maximaal tien uren als redelijk kan worden aangemerkt. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 december 2004 (kenmerk: 200408762/1, JV 2005/96), die analoog wordt toegepast. Aangezien de maximale tijdsduur in dit geval niet is overschreden, faalt deze grond.

4. Eiser voert aan dat het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel geen kenbare motivering bevat inzake de belangenafweging en de vraag waarom niet met een lichter middel, zoals bijvoorbeeld toepassing van artikel 6, eerste lid, Vw, kon worden volstaan. Eiser stelt dat de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2534) een minder strikt beoordelingskader bevat dan de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012: BW6799) waar verweerder naar heeft verwezen. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2015 dat het grensbewakingsbelang eveneens gewaarborgd kan blijven bij toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw en dat daarom als gevolg van het motiveringsvereiste uit het arrest van het Hof van Justitie inzake Mahdi van 5 juni 2014, C-146/14 (ECLI:EU:C:2014:1320; hierna: het arrest Mahdi) door verweerder moet worden aangegeven waarom niet met de vrijheidsbeperkende maatregel kan worden volstaan. Ten slotte is ook niet gebleken dat verweerder voldoende kennis heeft vergaard door aan eiser voor te houden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, naast de vrijheidsontnemende maatregel tot de mogelijkheden behoorde. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 augustus 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:6739).

4.1

In de uitspraak van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) heeft de Afdeling overwogen dat verweerder, op grond van het arrest Mahdi, in aanvulling op de bewaringsgronden dient te beoordelen of de vreemdeling bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken. In de uitspraak van 27 juli 2015 is overwogen dat uit het oogpunt van zowel rechtsgelijkheid als eenvoud en overzichtelijkheid van het recht geoordeeld moet worden dat het uit het arrest Mahdi voortvloeiende motiveringsvereiste evenzeer van toepassing is in het geval van een vreemdeling die geen asielwens heeft geuit en aan wie een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, zodat de staatssecretaris in de vrijheidsontnemende maatregel kenbaar had moeten motiveren waarom niet met toepassing van een lichter middel kon worden volstaan. In de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012 is in rechtsoverweging 2.8.2 e.v. overwogen dat de lounge, gelet op de mogelijkheid om van hieruit de grensbewaking te omzeilen en de grens alsnog te overschrijden, uit oogpunt van grensbewaking en het voorkomen van illegale grensoverschrijding, ongeschikt is voor het langdurig gedwongen oponthoud van groepen vreemdelingen en dat verweerder voorts bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel dient te toetsen of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan in het geval van de vreemdeling niettemin van vrijheidsontneming had moeten worden afgezien. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat deze uitspraak uit 2012 met betrekking tot de afweging of een lichter middel dan vrijheidsontneming in een concreet geval aangewezen is, een strikter beoordelingskader bevat dan de uitspraak van 27 juli 2015, niet. Voorts volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling naar aanleiding van het arrest Mahdi enkel dat verweerder in de vrijheidsontnemende maatregel kenbaar moet motiveren waarom niet met toepassing van een lichter middel kon worden volstaan. Welk lichter middel verweerder bij zijn afweging dient te betrekken, is echter door de Afdeling niet genoemd. Deze uitspraak biedt daarom geen steun voor eisers standpunt dat het grensbewakingsbelang eveneens gewaarborgd kan blijven bij toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw en dat daarom als gevolg van het motiveringsvereiste uit het arrest Mahdi door verweerder moet worden aangegeven waarom niet met de vrijheidsbeperkende maatregel kan worden volstaan. Ten slotte volgt de rechtbank ook niet eisers stelling dat verweerder gehouden was aan eiser voor te houden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, naast de vrijheidsontnemende maatregel tot de mogelijkheden behoorde. Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 augustus 2015 in verband hiermee treft geen doel, aangezien de rechtbank in die zaak slechts heeft geoordeeld dat verweerder de vreemdeling uitsluitend had gehoord omtrent de toegangsweigering en verzuimd had eiser te vragen of er bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot persoonlijke belangen aanwezig waren die de maatregel onevenredig zouden kunnen maken. Om die reden is de maatregel in die zaak als onrechtmatig aangemerkt.

4.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder, voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, eiser in de gelegenheid heeft gesteld om aan te geven of er in zijn geval sprake was van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven om van oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel af te zien en daarmee het grensbewakingsbelang prijs te geven. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken. Eiser heeft in dit verband immers enkel aangevoerd dat hij geen bezwaar heeft tegen een inbewaringstelling. Op grond van (al) het voorgaande faalt de grond.

5. Het beroep is ongegrond.

6. De rechtbank zal het verzoek om het toekennen van schadevergoeding daarom afwijzen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).