Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13583

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 13499
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Noord-Korea – vestigingsalternatief Zuid-Korea terecht tegengeworpen – termijn nareis onvoldoende gemotiveerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/13499

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 november 2015 in de zaak tussen

[volgnummer] ,

geboren op [geboortedatum] , van Noord-Koreaanse nationaliteit, eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] , van Noord-Koreaanse nationaliteit, eiseres 2,

(gemachtigde mr. F.M. Holwerda),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseressen van 18 november 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 6 mei 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseressen ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres 2 is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig de heer [naam] , alsmede mevrouw S. Sihn, tolk in de Koreaanse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Asielrelaas

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiseres heeft op 25 juni 2007 Noord-Korea voor het eerst verlaten en is naar China gegaan. In China is eiseres op 26 juli 2007 opgepakt en op 20 oktober 2007 teruggestuurd naar Noord-Korea. Bij terugkeer in Noord-Korea is eiseres veroordeeld tot twee jaar werkkamp. Tijdens haar periode van detentie is eiseres mishandeld. Op 10 november 2007 is eiseres vrijgelaten, maar had zij een dagelijkse meldplicht. Na haar vrijlating heeft eiseres problemen ondervonden van de buurman, een functionaris van de Musan geheime staatspolitie. Hij viel eiseres en haar dochter lastig en hield hen in de gaten. Voorts heeft eiseres van het hoofd van de volkswijk vernomen dat er een plan zou zijn dat ze verbannen zou worden uit Musan. Daarom is eiseres in januari 2009 weer naar China gevlucht. Op 16 juli 2013 heeft eiseres China vervolgens verlaten.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt ambtshalve dat nu het bestreden besluit dateert van voor 20 juli 2015 het recht zoals dit gold voor de inwerkingtreding van
de wijziging van de Vw 2000 van toepassing is. Echter, aangezien de sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden na 19 juli 2015 omvat de toetsing van de rechtbank al wel het in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte van internationale bescherming.

2.1

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2

Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling.

2.3

Op grond van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000 vindt de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a dan wel b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 plaats op individuele basis en houdt onder meer rekening met de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvragen van eiseressen afgewezen. Verweerder acht het asielrelaas geloofwaardig, maar werpt eiseressen op grond van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder e, van het VV 2000 een beschermingsalternatief in Zuid-Korea tegen. Voorts komen eiseressen niet in aanmerking voor een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, omdat de gestelde partner van eiseres, de heer [naam] , niet binnen de nareistermijn van drie maanden een aanvraag heeft ingediend en de gestelde relatie niet is aangetoond.

4. De rechtbank stelt vast dat niet langer in geschil is dat eiseres de Zuid-Koreaanse nationaliteit bezit, zodat louter nog in geschil is of Zuid-Korea voor haar een derde veilig land is en dit haar als vestigingsalternatief mag worden tegengeworpen.

5.1

Eiseres voert aan dat van haar niet kan worden verlangd dat zij bescherming in Zuid-Korea inroept, omdat haar nog in Noord-Korea verblijvende familieleden dan ernstige problemen zullen ondervinden. Eiseres verwijst hierbij onder meer naar de brief van de heer R. Beuker, hoogleraar Koreastudies aan de Universiteit van Leiden, van 6 juli 2015, alsmede naar de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 november 2013 (kenmerk DCM/MA-2013/257). Uit deze brieven volgt dat niet alleen nog in Noord-Korea verblijvende familieleden van vreemdelingen behorende tot de Noord-Koreaanse elite problemen zullen ondervinden, maar dat ook familieleden van gewone burgers een risico lopen. Gelet hierop faalt het standpunt van verweerder dat er geen aanwijzingen zijn dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte zullen raken van de vestiging van eiseres in Zuid-Korea en kan aan eiseres geen vestigingsalternatief in Zuid-Korea worden tegengeworpen.

5.2

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat uit de onder 3.1 genoemde brieven niet volgt dat is uitgesloten dat nog in Noord-Korea verblijvende familieleden van gewone burgers ook een risico lopen op problemen met de Noord-Koreaanse autoriteiten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 4 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1849) in rechtsoverweging 2.5 echter reeds geoordeeld dat uit de overgelegde stukken (onder meer de brief van 6 november 2013) weliswaar kan worden opgemaakt dat in Zuid-Korea Noord-Koreaanse spionnen actief zijn, maar dat daaruit niet kan worden opgemaakt, mede gelet op het aantal inwoners van Zuid-Korea, dat het gaat om aantallen die op zichzelf duiden op een reëel risico op ontdekking van iedere uit Noord-Korea afkomstige vreemdeling die zich in Zuid-Korea vestigt. De aandacht van Noord-Koreaanse spionnen is in het bijzonder gericht op de categorie hooggeplaatste, dan wel voor het Noord-Koreaanse regime waardevolle personen, waardoor voor die categorie het risico op ontdekking reëel en voorzienbaar wordt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij tot die categorie van personen behoort. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de brief van de heer Beuker geen afbreuk kan doen aan hetgeen de Afdeling in de uitspraak van 4 juni 2015 heeft overwogen ten aanzien van het risico op ontdekking. Het risico op ontdekking van vestiging van eiseressen in Zuid-Korea is derhalve niet dusdanig dat aan hen geen vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder een vestigingsalternatief in Zuid-Korea aan eiseressen heeft kunnen tegenwerpen. De beroepsgrond slaagt niet.

6.1

Eiseres voert voorts aan dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom thans wel een vestigingsalternatief wordt tegengeworpen bij verder ongewijzigde omstandigheden, terwijl dit vóór 1 januari 2013 niet gebeurde, maar gelet op het Vluchtelingenverdrag, de Definitierichtlijn en de nationale regelgeving wel mogelijk was.

6.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder op pagina drie van het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op het hiervoor weergegeven standpunt van eiseres zoals is verwoord in de zienswijze van 14 mei 2014. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiseressen op goede gronden heeft afgewezen.

8.1

Eiseres voert tenslotte aan dat zij in de zienswijze van 14 mei 2014 uitvoerig gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij, ondanks dat haar partner niet binnen de nareistermijn om gezinshereniging heeft verzocht, toch in aanmerking komt voor een afgeleide asielstatus. Verweerder gaat in het bestreden besluit volledig ongemotiveerd voorbij aan dit deel van de zienswijze. Ter zitting heeft eiseres verwezen naar een brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 22 april 2013 (Kamerstukken II 2012/13, 33 293,

nr. 21) waarin staat dat bij het indienen van een aanvraag tot verlening van een afgeleide asielvergunning na het verstrijken van de nareistermijn altijd een individuele beoordeling plaatsvindt waarbij aandacht wordt besteed aan de reden voor de termijnoverschrijding. In het geval van eiseres is niet gekeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar is en heeft geen belangenafweging plaatsgevonden. Het bestreden besluit is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd en er heeft geen zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden.

8.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit wel is gereageerd op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht in het kader van de afgeleide asielstatus. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat het indienen van een nareisaanvraag binnen de termijn van drie maanden een harde eis is en dat dit ook is gelegen in de ratio van het nareisbeleid. Als een nareisaanvraag niet binnen de termijn is ingediend, staat altijd de weg open van het indienen van een reguliere verblijfsaanvraag in het kader van gezinshereniging, aldus verweerder.

8.3

In de onder 5.1 genoemde brief van verweerder is het volgende opgenomen:

“In de praktijk komt het niet vaak voor dat een nareisaanvraag te laat wordt ingediend. Bovendien neemt de IND de aanvraag alsnog in behandeling als de termijnoverschrijding in het individuele geval verschoonbaar wordt geacht. In nagenoeg alle gevallen waarin de aanvraag te laat wordt ingediend, blijkt er overigens sprake te zijn van onachtzaamheid van de asielvergunninghouder. In die gevallen waarin de nareisaanvraag te laat is gedaan en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, is gezinshereniging nog steeds mogelijk door het indienen van een reguliere aanvraag voor gezinshereniging. Indien er niet aan de reguliere voorwaarden wordt voldaan, vindt een toets aan artikel 8 EVRM plaats.”

8.4

De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit niet volgt dat verweerder heeft beoordeeld of in het geval van eiseres sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het indienen van een aanvraag tot verlening van een afgeleide asielstatus. Verweerder heeft in het bestreden besluit de nareistermijn van drie maanden gehanteerd als een fatale termijn, terwijl uit de brief van verweerder van 22 april 2013 volgt dat indien sprake is van een termijnoverschrijding wordt bekeken of sprake is van een verschoonbare reden daarvoor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek naar de reden van de termijnoverschrijding, terwijl eiseres dit wel uitvoerig naar voren heeft gebracht in haar zienswijze. Aan het bestreden besluit kleeft derhalve tevens een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

9. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aanvraag tot verlening van een afgeleide asielstatus. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseressen een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aanvraag tot verlening van een afgeleide asielstatus;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 980,-- (zegge: negenhonderdtachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.