Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13521

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
C-09-500044-KG ZA 15-1755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf in afwachting van beslissing op gratieverzoek. Detentieongeschiktheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/500044 / KG ZA 15-1755

Vonnis in kort geding van 19 november 2015

in de zaak van

[eiser],

thans wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.G.J. Knoops te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van de Staat van 18 november 2015, met producties;

- de op 18 november 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 19 november 2015 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij - onherroepelijke - uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 16 mei 2012 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Vanaf 3 september 2014 ondergaat [eiser] de tenuitvoerlegging van die straf in de penitentiaire inrichting te [plaats] (hierna 'de PI').

2.2.

[eiser] kampt met verschillende medische problemen, waaronder hypertensie (hoge bloeddruk), aneurysma aorta ascendens (verwijding van de aorta), lever- en longproblematiek, apneu en een vorm van obesitas.

2.3.

[eiser] heeft op 30 juli 2015 aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om strafonderbreking verzocht wegens medische redenen. Dit verzoek is op diezelfde dag nog afgewezen, omdat in detentie afdoende medische zorg kan worden geboden.

2.4.

Op 31 juli 2015 heeft [eiser] een beroepschrift ingediend bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna 'RSJ') tegen die afwijzende beslissing van de staatssecretaris.

2.5.

Na een tussenbeslissing van 10 augustus 2015 heeft de beroepscommissie van de RSJ op 14 augustus 2015 het beroep van [eiser] ongegrond verklaard, omdat niet is gebleken dat [eiser] detentieongeschikt is. Daarbij is de beroepscommissie ervan uitgegaan dat de PI op korte termijn een second opinion zal aanvragen.

2.6.

Nadat de bloeddruk van [eiser] (wederom) was gestegen heeft de PI op 21 augustus 2015 besloten aan [eiser] een strafonderbreking toe te staan. Na twee verlengingen eindigt deze op 19 november 2015 om 16.00 uur.

2.7.

Tijdens de strafonderbreking heeft dr. [A], cardioloog-thoracaal chirurg (hierna '[A]'), de onder 2.5 bedoelde second opinion uitgevoerd. Voor zover hier van belang houdt diens, naar aanleiding daarvan opgestelde, verslag het volgende in:

"Conclusie:

In 8 maanden tijd toegenomen dilatatie van de aorta ascendens van 6 mm.

Gezien de geringe dilatatie nu 43 mm geen indicatie tot chirurgisch ingrijpen. De richtlijnen voor chirurgische interventie bepalen dat pas bij een dilatatie vanaf 5.5 cm (voorzieningenrechter: kennelijk wordt bedoeld 55 mm) ingrijpen gerechtvaardigd is.

De toename van dilatatie in een periode van 8 maanden noopt echter tot strikte bloeddruk regulatie dit opdat verder verwijding afgeremd wordt, liefst helemaal gestopt wordt. Om dit proces te controleren adviseer ik een CT-scan totale aorta te herhalen over 12 maanden."

2.8.

[eiser] heeft op 18 november 2015 een gratieverzoek ingediend, met het verzoek om zijn resterende straf kwijt te schelden.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [eiser], zakelijk weergegeven:

primair

- met onmiddellijke ingang de tenuitvoerlegging van de resterende gevangenisstraf op te schorten, hangende de beslissing op het gratieverzoek;

subsidiair

- een zodanige tijdelijke voorziening te treffen die meebrengt dat [eiser] op 19 november 2015 niet behoeft terug te keren naar de PI, totdat op het gratieverzoek is beslist;

meer subsidiair

- een zodanige tijdelijke voorziening te treffen die meebrengt dat [eiser] op 19 november 2015 niet behoeft terug te keren naar de PI, totdat in een bodemprocedure is beslist over diens detentieongeschiktheid;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Zoals in een eerder kort geding al aangevoerd, is de PI, dan wel een andere penitentiaire voorziening, niet de geschikte omgeving voor de behandeling van de medische problemen waarmee [eiser] te maken heeft. In dat verband is allereerst van belang dat in detentie niet de noodzakelijke zorg kan worden verleend. Bovendien zorgt de detentie voor een (extra) verhoging van de bloeddruk van [eiser], wat de verwijding van de aorta kan doen toenemen, met alle schadelijke - en zelfs fatale - gevolgen voor [eiser] van dien. De behandelend specialisten van [eiser], onder wie internist dr. [B] (hierna '[B]'), achten hem om die reden niet detentiegeschikt. De detentieongeschiktheid volgt ook uit de door [A] uitgevoerde second opinion, alsmede uit het gegeven dat de medische toestand van [eiser] is verbeterd nadat hem op 21 augustus 2015 een strafonderbreking is toegestaan. Desondanks dient [eiser] zich op 19 november 2015 om 16.00 uur te melden bij het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg in [plaats 2] (hierna 'JCvSZ'), teneinde zijn detentie voort te zetten. Daarmee handelt de Staat onrechtmatig. Het door [eiser] ingediende gratieverzoek zal waarschijnlijk worden toegewezen. Op grond van een en ander mag [eiser] - in afwachting van de uitkomst van de gratie-, dan wel een bodemprocedure - niet worden blootgesteld aan welke vorm van detentie dan ook.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van de Staat, door hem - ondanks zijn detentieongeschiktheid - weer in detentie te willen nemen. Gelet hierop en nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] een andere weg kan bewandelen om het door hem beoogde doel te verwezenlijken, is de civiele rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - ter zake bevoegd.

4.2.

Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij in afwachting van de beslissing op zijn gratieverzoek niet mag worden gedetineerd, wordt het volgende vooropgesteld. Vaststaat dat een situatie zoals vermeld in artikel 558a van het Wetboek van Strafvordering ('Sv'), waarin is bepaald in welke gevallen een gratieverzoek de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht opschort, zich hier niet voordoet. Niettemin kan de Staat op grond van artikel 559a lid 2 Sv bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt of blijft opgeschort, ofwel dat zij wordt of blijft geschorst, zolang op het gratieverzoek niet is beslist. Het vaste beleid dienaangaande is neergelegd in de "Beleidsregels betreffende drie specifieke onderdelen van het gratie-instrument" van 1 februari 2011 (Stcrt. 2011, 1213). Blijkens vaste jurisprudentie kunnen deze regels als rechtmatig worden aangemerkt. In die beleidsregels is - onder meer - vastgelegd dat van de bevoegdheid ex artikel 559a lid 2 Sv slechts bij hoge uitzondering gebruik zal worden gemaakt, waarbij als criterium zal gelden dat gratieverzoeken voor opschortende dan wel schorsende werking van de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel waarop het verzoek betrekking heeft in aanmerking komen indien op grond van door de verzoeker aangevoerde informatie aannemelijk is geworden dat het hoogstwaarschijnlijk is dat zijn gratieverzoek zal worden ingewilligd. Voor zover hier van belang wordt - blijkens de beleidsregels - in dat kader in het bijzonder gedacht aan de situatie/omstandigheid dat de indiener van het gratieverzoek een levensbedreigende ziekte of aandoening heeft. Voorts geldt als uitgangspunt dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen ten uitvoer mag maar ook moet worden gelegd. Bij het bepalen van de wijze en het moment waarop een straf ten uitvoer zal worden gelegd, komt de Staat een grote mate van beleidsvrijheid toe. In kort geding kunnen beslissingen op grond van artikel 559a lid 2 Sv derhalve slechts marginaal worden getoetst.

4.3.

Nog maar enkele maanden geleden is de bodemrechter (het RSJ) - rekening houdend met de visie van [B] - ervan uitgegaan dat [eiser] detentiegeschikt is. Op grond van de door [A] uitgevoerde second opinion kan niet worden aangenomen dat daar nu anders tegenaan moet worden gekeken. Integendeel, [A] adviseert (slechts) een strikte bloeddrukregulatie en een herhaling van de CT-scan van de totale aorta over twaalf maanden. Dit wijst niet op detentieongeschiktheid van [eiser] en nog minder op een mogelijk lijden aan een (acute) levensbedreigende ziekte of aandoening. Daar komt bij dat de Staat gemotiveerd heeft gesteld dat de monitoring van de bloeddruk van [eiser] en de behandeling ervan optimaal verzekerd zijn door de plaatsing in het JCvSZ, alsmede dat van daaruit snel kan worden geanticipeerd op eventuele veranderingen in diens medische toestand, waaronder begrepen het op ieder willekeurig moment kunnen maken van een CT-scan van de aorta. Bovendien heeft de Staat aangevoerd dat het functioneren van [eiser] in het JCvSZ gedurende een periode van drie à vier maanden zal worden aangezien, waarna zal worden beoordeeld of [eiser] kan worden teruggeplaatst in de PI dan wel elders kan worden gedetineerd. Aan de bezwaren van [eiser] tegen (plaatsing in) het JCvSZ wordt voorbijgegaan, nu deze - afgezet tegen de stellingen van de Staat - niet voldoende zijn onderbouwd.

4.4.

Op grond van het voorgaande is niet aannemelijk dat het gratieverzoek van [eiser] hoogstwaarschijnlijk zal worden toegewezen, noch dat [eiser] in een - nog aanhangig te maken - bodemprocedure detentieongeschikt zal worden verklaard.

4.5.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.6.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.

jvl