Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13446

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
AWB 14/22398
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verblijfsvergunning regulier aangevraagd voor verblijf bij meerderjarige zoon (referent) in Nederland. Vaststaat dat eiser een maandelijkse AOW-uitkering vanuit Nederland ontvangt. Eiser komt niet ten laste van referent en valt niet onder het begrip gezinslid als bedoeld in artikel 7 van Besluit 1/80. Eiser kan geen rechten ontlenen aan Besluit 1/80 en kan dus geen beroep doen op artikel 13 van Besluit 1/80. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en referent sprake is van more than normal emotional ties, zodat deze familierelatie niet valt onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. Eiser komt derhalve niet aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/22398

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1940] , van Turkse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 16 december 2013 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij kind, [A] (referent), afgewezen.

Bij besluit van 24 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is referent ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van 1966 tot en met 1986 woonachtig geweest in Nederland in het bezit van een vestigingsvergunning. Op 9 december 1986 is hij teruggekeerd naar Turkije. Op [2013] is zijn echtgenote ( [B] ) overleden. Nadien is eiser met een geldig visum voor kort verblijf Nederland ingereisd, geldig tot 12 januari 2014. In verband met de slechte gezondheidstoestand van eiser was het voor hem niet mogelijk om tijdig terug te keren naar Turkije, derhalve bestond voor hem aanleiding op 16 december 2013 onderhavige aanvraag in te dienen.

2. Bij brief van 21 maart 2014 heeft gemachtigde van eiser bericht dat eiser op 28 februari 2014 is teruggekeerd naar Turkije, vanwege zijn zwakke gezondheidssituatie, om de behandeling van zijn aanvraag in Turkije af te wachten.

3. Bij besluit van 2 april 2014 heeft verweerder beslist op eisers aanvraag van 16 december 2014 en zich op het standpunt gesteld dat, nu eiser vrijwillig is teruggekeerd naar Turkije, de vrijstellingsgrond van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet meer aan de orde is. Het belang om deze vrijstellingsgrond te toetsen is derhalve komen te ontvallen. Het mvv-vereiste is niet in strijd met de standstill-bepaling zoals neergelegd in artikel 13 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (Besluit 1/80), omdat het verblijfsdoel van eiser niet ziet op het verblijfsdoel arbeid als zelfstandige. Tegen dit besluit heeft bezwaar ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Vóór 1 oktober 2012 kon referent, die Turkse werknemer is als bedoeld in artikel 6 van Besluit 1/80, de overkomst van zijn vader bewerkstelligen door het indienen van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eiser via de referentenprocedure onder de beperking verruimde gezinshereniging, meer specifiek het ouderenbeleid. Bij deze aanvraag werd voorts niet vereist dat de vreemdeling ‘ten laste komt’ van de referent. Omdat dit beleid is afgeschaft, is het voor eiser niet meer mogelijk om naar Nederland te komen via zijn zoon door een mvv-aanvraag onder de beperking verruimde gezinshereniging in te dienen.

5. Op grond van artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voordat toegekomen wordt aan de vraag of de afschaffing van het ouderenbeleid beschouwd moet worden als een aanscherping van de toelatingsvoorwaarden voor gezinsleden van Turkse werknemers, bezien dient te worden of eiser valt onder het unierechtelijke begrip gezinslid als bedoeld in artikel 7 van Besluit 1/80.

7. Artikel 7, eerste alinea, van Besluit 1/80 bevat geen definitie van het begrip ‘gezinslid’ van de werknemer. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), bijvoorbeeld in zijn arrest van 29 maart 2012 (C-7/10 en C-9-19, www.curia.europa.eu) zoekt de rechtbank voor de invulling van dit begrip aansluiting bij artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2004/38 (Verblijfsrichtlijn). Volgens artikel 2, tweede lid, en onder d, van de Verblijfsrichtlijn moet onder ‘familieleden’ onder meer worden begrepen de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b van datzelfde lid, die te hunnen laste zijn.

8. In het arrest Jia van het HvJEU van 9 januari 2007 (C-1/05) (ECLI:EU:C:2007:1) is bepaald dat voor een antwoord op de vraag of een familielid ten laste komt van de burger van de Unie dient te worden beoordeeld in hoeverre het familielid materiaal wordt gesteund en in hoeverre de materiële ondersteuning nodig is voor het familielid om in zijn of haar basisbehoeften te kunnen voorzien in de lidstaat van oorsprong of herkomst op het moment dat hij of zij verzoekt om hereniging met die Unieburger.

9. Vaststaat dat eiser een maandelijkse AOW-uitkering vanuit Nederland ontvangt. Er is geen grond om aan te nemen dat eiser met deze uitkering niet in zijn basisbehoeften in Turkije kan voorzien en voor zijn basisbehoeften afhankelijk is van en ten laste komt van referent. Dat de familie in Nederland hem extra financiële middelen toestuurt maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat de AOW-uitkering niet toereikend is om in Turkije in de basisbehoeften te kunnen voorzien. Evenmin is gebleken dat eiser sociaal beschouwd ten laste komt van referent. Daartoe heeft verweerder van belang mogen achten dat een zoon, [C] , en een dochter, [D] , van eiser in Turkije woonachtig zijn. Niet is aangetoond dat voor eiser geen hulp of ondersteuning in Turkije beschikbaar is.

10. Nu eiser niet valt onder het begrip gezinslid als bedoeld in artikel 7 van Besluit 1/80, kan hij geen rechten ontlenen aan Besluit 1/80 en kan hij evenmin een beroep doen op artikel 13 van Besluit 1/80. Aan hetgeen eiser voorts in dit verband heeft aangevoerd, komt de rechtbank derhalve niet toe, aangezien deze beroepsgronden zien op de toepasbaarheid van artikel 13 van Besluit 1/80.

11. De rechtbank overweegt dat verweerder zich derhalve op het standpunt heeft mogen stellen dat, nu eiser geen rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80, eiser in het bezit dient te zijn van een geldige mvv, tenzij één of meer vrijstellingsgronden voor het mvv-vereiste van toepassing zijn. In dit kader heeft eiser een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM.

12. Eiser heeft aangevoerd dat hij meer dan twintig jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, hij op geen enkele wijze een onredelijke belasting vormt voor de Nederlandse economie dan wel samenleving, hij in Turkije geen kinderen heeft die bereid zijn om hem te verzorgen en een kwetsbare gezondheid heeft. Voor het behoud van de psychische stabiliteit in zijn gezondheidssituatie is hij aangewezen op referent. Het ontzeggen van verblijf in Nederland treft hem onevenredig hard.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van “more than normal emotional ties” tussen eiser en referent. Eiser heeft weliswaar vanaf 1966 tot 1986 rechtmatig in Nederland verbleven, maar hij is op 9 december 1986 definitief teruggekeerd naar Turkije. Er is geen sprake van een verzorgende relatie tussen referene en eiser. Dat zij de wens hebben om een zodanige relatie te gaan onderhouden, zeker na het overlijden van eisers echtgenote in 2013, betekent niet dat er sprake is van “more than normal emotional ties” tussen eiser en zijn in Nederland woonachtige kinderen.

14. Nu verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen hem en referent sprake is van “more than normal emotional ties”, is van een familierelatie die onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM valt, geen sprake.

15. Evenmin is gebleken dat het stellen van het mvv-vereiste getuigt van een onevenredige hardheid.

16. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, en leden mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. H. Gorter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.