Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/19490
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Libië, einduitspraak, algemene veiligheidssituatie in Libië, ex nunc toetsend, artikel 8 EVRM, inmenging, familie- of gezinsleven, privéleven, aanvullend besluit, fair balance, feitelijke invulling, samenwoning, Basisregistratie Personen, more than normal emotional ties, belangen van het kind, 15c-situatie, toetsingskader, uitzonderlijke situatie, Libya Body Count, doorklikken, ambtsbericht inzake Libië, België, Noorwegen, Zweden, gemeenschappelijk Europees asielbeleid, identiek normenkader, juridische duiding, feitelijke situatie, subsidiaire bescherming, EASO, Tripoli, wijdverbreid geweld, juridische kwalificatie, burgerslachtoffers, relevant geografisch gebied, gemeenschappelijke normen, afbakening

Uit het aanvullend besluit leidt de rechtbank af dat verweerder blijft bij zijn standpunt ter zitting dat de strijdende partijen oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten. De vraag of het gebruik van die methoden bij de strijdende wijdverbreid is, heeft verweerder in het aanvullend besluit niet met zoveel woorden beantwoord. Nu verweerder geen onderscheid maakt tussen de verschillende milities, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord.

Volgens verweerder zijn de gebruikte methoden niet van belang, omdat het geweld niet als wijdverbreid is te beschouwen. Verweerder heeft echter de vraag wat in dit verband het relevante geografische gebied is, ook niet expliciet beantwoord terwijl de beantwoording van die vraag van belang is voor de beoordeling van de wijdverbreidheid of plaatselijkheid van het geweld. Anders dan eiser in zijn reactie veronderstelt heeft de rechtbank in de tussenuitspraak niet zelf reeds bepaald wat als relevant gebied heeft te gelden. In het aanvullend besluit concludeert verweerder dat er, nu het geweld voornamelijk plaatsvindt in Tripoli en Benghazi, geen sprake is van wijdverbreid geweld. Daaruit leidt de rechtbank af dat verweerder in ieder geval niet een stad als relevant gebied beschouwt, maar veeleer een regio of zelfs het hele land. Deze afbakening is door verweerder niet nader toegelicht, zodat niet duidelijk is of en zo ja, welke afweging aan die afbakening ten grondslag ligt. In zoverre is het bestreden besluit ook na aanvulling onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank merkt daarbij op dat de door verweerder (klaarblijkelijk) gehanteerde afbakening op voorhand niet onjuist hoeft te zijn, maar dat de afbakening van het relevante geografische gebied in het concrete geval afhankelijk is van de situatie ter plaatse. Wanneer burgers feitelijk geen mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen van de ene naar de andere wijk, stad of regio, is dat immers van invloed op de vraag of een burger bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het aanvullend besluit niet de aantallen gewonden en ontheemden heeft betrokken, hoewel dat ook volgens verweerders eigen beleid een relevant element vormt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Voor zover verweerder die informatie niet heeft of ontoereikend acht, had het dan ook op zijn weg gelegen dat aan het besluit ten grondslag te leggen. Ten aanzien van de aantallen doden heeft verweerder in het aanvullend besluit wel opgemerkt dat uit het algemeen ambtsbericht en andere bronnen geen betrouwbaar beeld naar voren komt, omdat de schattingen uit verschillende bronnen van elkaar afwijken en de aantallen burgerslachtoffers niet te onderscheiden is van het totaal aantal. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat schattingen onderling verschillen geen afdoende reden is om de geschatte aantallen doden, al dan niet uitgaande van de laagste, gemiddelde of meest betrouwbare schatting, niet bij de beoordeling te betrekken. Verder overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de tussenuitspraak, dat informatie over burgerslachtoffers in relatie tot het totaal aantal wel beschikbaar is. Zoals overwogen houdt Libya Body Count (na doorklikken) in de overzichten immers niet alleen informatie over de aantallen doden gevonden worden, maar ook over de incidenten waarbij die doden zijn gevallen en of dat burgerslachtoffers betreft. Kortom, ook op dit punt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het geconstateerde gebrek onvoldoende hersteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000, geldigheid: 2015-11-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/21 met annotatie van dr. M. den Heijer

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/19490

Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2015 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedag] 1982, van Libische nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Verweerder heeft daarnaast besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 juncto artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Voorts heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 Vw 2000.

Eiser heeft tegen dit besluit op 22 augustus 2014 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het beroep is behandeld op de zitting van 21 mei 2015, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Op 21 juli 2015 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. Verweerder is daarbij in de gelegenheid gesteld geconstateerde gebreken in het besluit te herstellen. Verweerder heeft medegedeeld van deze mogelijkheid gebruik te willen maken en op 27 augustus 2015, ontvangen op 1 september 2015, een aanvullend besluit genomen.

Eiser heeft op dit aanvullend besluit gereageerd op 28 september 2015.

In de tussenuitspraak is aan partijen medegedeeld dat in beginsel zonder nadere zitting uitspraak zou worden gedaan. Geen van partijen heeft nadien aangegeven prijs te stellen op een nadere behandeling ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 19 oktober 2015 gesloten.

Overwegingen

  1. De rechtbank verwijst voor een uiteenzetting van de feiten naar de tussenuitspraak van 21 juli 2015 (ECLI:NL:RVS::NL:RBDHA:2015:8479), hierna: de tussenuitspraak.

  2. Uit de tussenuitspraak volgt, kort samengevat, dat het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ongegrond is en dat verweerder geen aanleiding heeft moeten zien om eiser vanwege zijn individuele asielrelaas alsnog in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verder volgt uit de tussenuitspraak dat, ex tunc toetsend, geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder een verblijfsvergunning asiel had behoren te verlenen vanwege de algemene veiligheidssituatie in Libië. De rechtbank ziet geen aanleiding op deze punten thans anders te oordelen en blijft bij de overwegingen daarover in de tussenuitspraak van 21 juli 2015.

  3. Tegen de (ambtshalve) weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 juncto artikel 3.6a van het Vb 2000 zijn geen beroepsgronden gericht.

  4. In rechtsoverweging 51 van de tussenuitspraak is overwogen dat “niet (gemotiveerd) is bestreden dat ten tijde van het bestreden besluit, zoals door verweerder is vastgesteld, eiser onder medische behandeling is en dat in dit geval en op dat moment sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.” Deze overweging is een verschrijving, nu in het bestreden besluit juist uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 is geweigerd, uit het dossier niet blijkt van een medische behandeling, dat dit in het bestreden besluit ook is vastgesteld en daartegen ook geen beroepsgronden zijn gericht.

  5. In de tussenuitspraak is voorts geconstateerd dat in het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd waarom de algemene veiligheidssituatie in Libië, ex nunc toetsend, voor verweerder geen aanleiding vormt om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen geslaagd beroep op artikel 8 EVRM kan doen. Ook bij de overwegingen die tot dit (tussen)oordeel hebben geleid blijft de rechtbank.

  6. In het aanvullend besluit van 27 augustus 2015 heeft verweerder getracht de gebreken te herstellen. De rechtbank zal in het navolgende beide punten bespreken en daarbij het door eiser aangevoerde, voor zover relevant, betrekken.
    Artikel 8 EVRM

  7. In het aanvullend besluit heeft verweerder zich met betrekking tot artikel 8 EVRM onder verwijzing naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), op het standpunt gesteld dat het besluit wel een inmenging vormt in het familie- of gezinsleven van eiser, maar dat deze gegeven de omstandigheden gerechtvaardigd is. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de ingetrokken verblijfsvergunning een vergunning voor bepaalde tijd betrof waarvan eiser geen verlenging heeft gevraagd en dat eiser ook niet om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft verzocht. Eiser stelt verder wel een gezinsband te onderhouden met zijn gestelde partner, maar van samenwoning is niet gebleken, aldus verweerder. Dat eiser een intensieve relatie onderhoudt met zijn partner acht verweerder dan ook niet aannemelijk. Verder heeft verweerder bij zijn afweging in aanmerking genomen dat eiser niet zou voldoen aan de vereisten voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden, bijvoorbeeld ten aanzien van de toepasselijke inkomensnormen. Nu niet wordt uitgegaan van een gezamenlijke huishouding acht verweerder het ook niet aannemelijk dat tussen eiser en het kind van zijn partner een band bestaat die verder gaat dan ‘more than normal emotional ties’. Het gestelde gezinsleven noopt aldus niet tot verblijfsaanvaarding, aldus verweerder.

8. Voor zover artikel 8 EVRM strekt tot bescherming van het privéleven van eiser heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de inmenging daarin gerechtvaardigd is. Ook op dit punt neemt verweerder in aanmerking dat eiser slechts een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft gehad die inmiddels is verlopen. De omstandigheden dat eiser zes jaar in Nederland heeft verbleven, sociale verbanden is aangegaan en cursussen volgt, beschouwt verweerder niet zo zwaarwegend dat van eiser niet gevergd kan worden dat hij elders een nieuw privéleven opbouwt. In dat verband verwijst verweerder ook naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2081).

9. Eiser heeft in zijn reactie op het aanvullend besluit hiertegen aangevoerd, kort gezegd, dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De vraag is niet of eiser gezinsleven is aangegaan, maar of de inbreuk daarop gerechtvaardigd is. Verweerder trekt dat gezinsleven ten onrechte in twijfel op grond van de overweging dat de samenwoning niet uit de Basisregistratie Personen blijkt, terwijl uit vaste rechtspraak volgt dat niet de adresregistratie maar de feitelijke invulling bepalend is. Ter onderbouwing van die feitelijke invulling heeft eiser een e-mail van zijn partner en foto’s in het geding gebracht, aldus eiser, waar verweerder klaarblijkelijk geen acht op heeft geslagen.
Ook ten aanzien van de band met de zoon van eisers partner heeft verweerder een onjuiste beoordeling toegepast door niet uit te gaan van het bestaande gezinsleven en de maatstaf van ‘more than normal emotional ties’ toe te passen. Het kind van eisers partner is nog minderjarig, zodat dat criterium hier niet van toepassing is. Het belang van het kind van eisers partner dient voorop te staan en dat is gebaat bij eisers aanwezigheid, aldus eiser. Voor zover verweerder dan toch twijfelde aan het gezinsleven, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser daarover te horen. Door dat na te laten is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.

10. Ten aanzien van eisers privéleven voert eiser aan dat verweerder ten onrechte van belang acht dat eiser geen werk heeft en dat verweerder verder ten onrechte onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken dat eiser met zes jaar al lang in Nederland verblijft, dat hij zijn banden gedurende het rechtmatig verblijf heeft geïntensiveerd en dat hij in Nederland is geïntegreerd door middel van taalcursussen. Verweerder acht deze aspecten slechts niet bijzonder of onvoldoende zwaarwegend, terwijl dit volgens het EHRM juist punten zijn die cruciaal zijn voor de vraag of sprake is van privéleven dat onder artikel 8 EVRM bescherming behoeft. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012 (nr. 47017/09, www.echr.coe.int).

10. De rechtbank overweegt aangaande artikel 8 EVRM als volgt.

10. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, behalve voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 23 maart 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2163), wordt inmenging als bedoeld in voormelde verdragsbepaling in het algemeen aangenomen indien een verblijfstitel wordt ontnomen die de desbetreffende vreemdeling feitelijk tot uitoefening van zijn familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde.

10. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3021) overweegt de rechtbank dat uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2013 in zaak nr. 201111613/1/V3, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl) volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en referente enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechter dient te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en referente bij de uitoefening van het gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

10. Het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning vormt, na de eerdere verblijfsaanvaarding door verweerder, een inmenging in het gezins- c.q. privéleven van eiser.

10. Bij de vraag of die inmenging in eisers gezinsleven in de voorliggende situatie gerechtvaardigd is, is in de eerste plaats van belang welke feitelijke invulling door eiser aan zijn gezinsleven wordt gegeven. De rechtbank acht het uitgangspunt van verweerder dat, om van een hier relevante feitelijke invulling aan het gezinsleven te kunnen spreken, doorgaans sprake moet zijn van samenwoning niet onredelijk. In dat verband heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser niet staat ingeschreven op het adres van zijn partner. Daarmee is op voorhand niet aannemelijk dat van samenwonen sprake is. De vraag is vervolgens of wat eiser heeft aangevoerd voldoende is om te veronderstellen dat eiser, in weerwil van de registratie in de Basisregistratie Personen, toch feitelijk invulling geeft aan zijn gestelde gezinsleven met zijn partner en haar kind. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen door eiser is aangevoerd daarvoor niet voldoende. Weliswaar heeft hij foto’s en een e-mail overgelegd, maar uit die stukken kan niet blijken dat eiser samenwoont met zijn partner en haar kind. Andere stukken waaruit dat wel zou kunnen worden afgeleid, zoals bijvoorbeeld bewijsstukken van gezamenlijke huishoudelijke uitgaven, ontbreken. Gelet hierop heeft verweerder niet aannemelijk kunnen achten dat eiser feitelijk invulling geeft aan het gezinsleven. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ook geen reden moeten zien om eiser hierover nader te horen. Eiser heeft immers naar aanleiding van het uitgebrachte voornemen de gelegenheid gehad om zijn zienswijze, al dan niet met de nodige bewijsstukken, naar voren te brengen.

10. Verweerder heeft bij zijn belangenafweging naast het ontbreken van samenwoning in aanmerking kunnen nemen dat eisers ingetrokken verblijfsvergunning een vergunning voor bepaalde tijd was en dat eiser niet voldoet of binnen afzienbare termijn zal voldoen aan de voorwaarden voor een reguliere verblijfsvergunning. De rechtbank is verder niet gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden die verweerder niet of onvoldoende heeft meegewogen. Gelet daarop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de inmenging in het gezinsleven van eiser gerechtvaardigd is.

10. Ten aanzien van de (gezins-)band tussen eiser en het kind van zijn partner volgt de rechtbank niet eisers stelling dat het criterium ‘more than normal emotional ties’ niet van toepassing is. Dat criterium zou toepassing missen in de omgekeerde situatie als hier aan de orde, als eiser de minderjarige was. Nu niet aannemelijk is geworden dat eiser samenwoont met zijn partner en haar kind, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en het kind van zijn partner. In de belangen van het kind heeft verweerder daarom ook geen reden hoeven zien om eiser een verblijfsvergunning te verlenen.

10. Met betrekking tot eisers privéleven verder, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij zijn afweging terecht heeft betrokken dat eiser geen werk heeft, omdat dat een indicatie is van de ontwikkeling van eiser in de samenleving en het aantal en de intensiteit van de door hem aangegane sociale banden met de Nederlandse maatschappij. Uit het aanvullend besluit volgt verder dat verweerder de door eiser genoemde factoren wel degelijk in zijn afweging heeft betrokken, maar anders heeft gewogen dan eiser voorstaat. Daargelaten de vraag of verweerders gestelde uitgangspunt, dat sprake moet zijn van het gebruikelijke overstijgende banden met Nederland om tot schending van het recht op privéleven te concluderen, is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige situatie verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning een gerechtvaardigde inmenging vormt op eisers privéleven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de periode van verblijf in Nederland met zes jaar niet zodanig lang is te noemen dat eiser geacht moet worden zeer sterke banden met Nederland te hebben ontwikkeld. Anderzijds is eiser niet zo lang weg uit zijn land van herkomst dat hij zich daar niet staande zal kunnen houden of een sociaal netwerk zal kunnen opbouwen.

10. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van artikel 8 EVRM is hersteld.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn

10. De rechtbank roept in herinnering dat ter beoordeling voorligt of de veiligheidssituatie in Libië, of een deel daarvan, zodanig ernstig is verslechterd, dat thans sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (de Definitierichtlijn), zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 (hierna: een 15c-situatie). Verweerder heeft het toetsingskader of sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie neergelegd in paragraaf C2/3.3 Vc 2000. Bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:

  • -

    de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

  • -

    de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

  • -

    de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

  • -

    de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

22. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom conform verweerders beleid geen sprake is van een zogeheten 15c-situatie. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verweerder bij zijn beoordeling naast aantallen doden, niet tevens gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking heeft betrokken, terwijl dat met gebruikmaking van (bijvoorbeeld) de Libya Body Count (na doorklikken: http://www.libyabodycount.org/table) wel kan worden afgeleid. Verder is geconstateerd dat verweerder de door de strijdende partijen gehanteerde methoden bij de besluitvorming niet kenbaar heeft betrokken, al heeft verweerder ter zitting erkend dat de door de aard van het conflict ontstane situatie, waarin veelal ongetrainde personen zware wapens hanteren, van invloed kan zijn op het risico op burgerslachtoffers. Voorts heeft verweerder, ook desgevraagd, geen inzicht kunnen bieden in de concrete betekenis van de term “wijdverbreid” in de zin van het toegepaste beleid, noch in de vaststelling van het geografisch relevante gebied.

22. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij, uitgaande van hetzelfde ambtsbericht als België, Noorwegen en Zweden en een – ingevolge het gemeenschappelijk Europees asielbeleid – identiek normenkader, tot een andere juridische duiding van de feitelijke situatie in Libië is gekomen.

22. Verweerder stelt in het aanvullend besluit met betrekking tot het gezamenlijk opgestelde ambtsbericht inzake Libië van 19 december 2014 dat de omstandigheid dat informatievergaring en verslaglegging tot het uitvaardigen van een gezamenlijk ambtsbericht heeft geleid, niet betekent dat de betrokken lidstaten gehouden zijn om aan de in het ambtsbericht neergelegde informatie dezelfde conclusies te verbinden. Verweerder wijst daarbij op artikel 3 van de Definitierichtlijn, op grond waarvan de lidstaten gunstiger normen mogen aannemen dan de minimumnormen waaraan de lidstaten ingevolge de Definitierichtlijn gebonden zijn. Verweerder acht zich in zo’n geval niet gehouden dergelijke gunstiger normen te volgen. Dat Zweden wel voor delen van Libië een 15c‑situatie aanneemt betekent dan ook niet dat Nederland dat ook moet doen. Verder wijst verweerder erop dat Noorwegen slechts een besluit- en vertrekmoratorium heeft ingesteld en dat niet is gebleken dat Noorwegen aan mensen uit Libië subsidiaire bescherming verleent. Ook de EASO en het EHRM hebben niet geconcludeerd dat in Libië sprake is van een 15c‑situatie, aldus verweerder.

22. Bij het oordeel dat ten aanzien van Libië niet uitgegaan hoeft te worden van een 15c‑situatie, betrekt verweerder verder dat er geen onderscheid valt te maken tussen burgerdoden en het totaal aantal slachtoffers. Verder verwijst verweerder naar zijn brief aan de Tweede Kamer van 16 januari 2015 (kenmerk: 598399) waarin hij opmerkt dat grote delen van Libië gevrijwaard waren van de gevechten, dat in kleinere steden en plaatsen het dagelijks leven redelijk normaal verloopt, en dat de grote steden Tripoli en Benghazi te maken hebben met een wisselende mate van geweld. Dat oorlogsmethoden worden gebruikt waarbij de kans op burgerslachtoffers reëel is, doet daaraan niet af. Nu de strijd zich beperkt tot een strijd tussen de milities en zich met name en in wisselende mate afspeelt in Tripoli en Benghazi, is geen sprake van wijdverbreid geweld in Libië, aldus verweerder, hetgeen ook blijkt uit het feit dat vanaf de kustgebieden van Libië grote aantallen migranten vertrekken naar Europa. Bij dat oordeel verwijst verweerder verder naar de uitspraken van de Afdeling van 10 augustus 2015 met zaaknummers 201502406/1/V3 en 201501584/1/V3.

22. Eiser heeft in zijn reactie op het aanvullend besluit – voor zover hier van belang – uiteengezet dat naar zijn mening verweerder met dit aanvullend besluit de door de rechtbank geconstateerde gebreken niet heeft hersteld en dat het besluit dus nog altijd onvoldoende is gemotiveerd. Met betrekking tot het gezamenlijk ambtsbericht volgt eiser verweerder wel in zijn stelling dat verweerder niet gehouden is om de conclusies van andere lidstaten te volgen, maar eiser stelt dat volstrekt onduidelijk blijft waarom verweerder de veiligheidssituatie in Libië anders kwalificeert dan België, Zweden en Noorwegen, waarbij eiser erop wijst dat verweerder geen inzicht verschaft in de wijze waarop verweerder het beleid in de andere lidstaten heeft betrokken bij zijn beoordeling. Het beleid van België blijft zelfs geheel onbesproken.

22. Voorts stelt eiser dat verweerder in het aanvullend besluit ten onrechte het standpunt inneemt dat er geen betrouwbaar beeld van de aantallen slachtoffers is te geven. Daarbij merkt eiser op dat dezelfde bronnen in België, Zweden en Noorwegen kennelijk wel hebben geleid tot een andere juridische kwalificatie dan die Nederland heeft gegeven, dat er bij schattingen bijna altijd sprake zal zijn van afwijkingen en dat blijkens de site van Libya Body Count wel degelijk inzicht kan worden gekregen in de aantallen burgerslachtoffers.

22. Eiser betoogt verder dat verweerder bij de vraag of zich een 15c-situatie voordoet kennelijk niet uitgaat van Tripoli als relevant geografisch gebied, maar van heel Libië of grote delen daarvan. Hiermee heeft verweerder miskend dat enkel de situatie in (delen van) Tripoli van belang is, aldus eiser. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van oorlogsmethoden waarbij de kans op burgerslachtoffers reëel aanwezig is, niet aan het oordeel van verweerder kan afdoen. Dat is immers een factor die van belang is bij de beoordeling van de vraag of zich een 15c-situatie voordoet.

22. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

22. Het asielrecht in de Europese Unie wordt geleidelijk geharmoniseerd, met de implementatie van verschillende richtlijnen op dit gebied (vgl. de reeds genoemde Definitierichtlijn, de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn). Het doel van die harmonisatie is om binnen Europa te komen tot gemeenschappelijke normen. Zo is een gemeenschappelijk asielbeleid, dat een gemeenschappelijk Europees asielstelsel omvat, bij de vaststelling van de Procedurerichtlijn benoemd als één van de wezenlijke aspecten van de doelstelling van de Europese Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand te brengen. De Definitierichtlijn heeft verder onder meer tot doel om te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen bij het identificeren van personen die werkelijk bescherming behoeven en ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.

22. De rechtbank is van oordeel dat een nadere motivering is vereist in de voorliggende situatie, waarin de toepasselijke normen geharmoniseerd zijn en er een gezamenlijk ambtsbericht is uitgebracht, maar de andere betrokken lidstaten een andere juridische kwalificatie aan de feiten in dat ambtsbericht geven. Een dergelijke andere kwalificatie kan worden veroorzaakt door toepassing van gunstiger normen door de andere lidstaten, óf door te strikte toepassing door verweerder. Een draagkrachtige motivering van het bestreden besluit vergt naar het oordeel van de rechtbank daarom ofwel een motivering waaruit volgt dat andere lidstaten gunstiger normen hanteren, ofwel een motivering waaruit volgt dat verweerder zelf niet een te strikte norm heeft toegepast.

22. Verweerder stelt terecht dat hij een eigen beoordelingsruimte heeft om de toepasselijke normen uit de Definitierichtlijn te interpreteren en dat de lidstaten die betrokken waren bij het gezamenlijk ambtsbericht (Nederland, België, Zweden en Noorwegen) niet gehouden zijn om aan de informatie in dat ambtsbericht dezelfde conclusies te verbinden. Verweerder stelt verder terecht dat het de lidstaten vrij staat om gunstiger normen te hanteren dan de minimumnormen die de Definitierichtlijn voorschrijft. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.

22. De rechtbank begrijpt dat verweerder aldus betoogt dat, voor zover andere lidstaten ten aanzien van (delen van) Libië uitgaan van een 15c-situatie, die lidstaten zulke gunstiger normen toepassen. Verweerder heeft echter nagelaten nader te motiveren waarom dat het geval zou zijn, waarmee dit betoog niet kan overtuigen.

22. De vraag is vervolgens of verweerder wel voldoende heeft gemotiveerd dat verweerder de norm niet te strikt heeft gehanteerd. De rechtbank overweegt daarover, aan de hand van de elementen uit verweerders eigen beleid zoals hierboven genoemd, als volgt.

22. Uit het aanvullend besluit leidt de rechtbank af dat verweerder blijft bij zijn standpunt ter zitting dat de strijdende partijen oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten. De vraag of het gebruik van die methoden bij de strijdende wijdverbreid is, heeft verweerder in het aanvullend besluit niet met zoveel woorden beantwoord. Nu verweerder geen onderscheid maakt tussen de verschillende milities, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord.

22. Volgens verweerder zijn de gebruikte methoden niet van belang, omdat het geweld niet als wijdverbreid is te beschouwen. Verweerder heeft echter de vraag wat in dit verband het relevante geografische gebied is, ook niet expliciet beantwoord terwijl de beantwoording van die vraag van belang is voor de beoordeling van de wijdverbreidheid of plaatselijkheid van het geweld. Anders dan eiser in zijn reactie veronderstelt heeft de rechtbank in de tussenuitspraak niet zelf reeds bepaald wat als relevant gebied heeft te gelden. In het aanvullend besluit concludeert verweerder dat er, nu het geweld voornamelijk plaatsvindt in Tripoli en Benghazi, geen sprake is van wijdverbreid geweld. Daaruit leidt de rechtbank af dat verweerder in ieder geval niet een stad als relevant gebied beschouwt, maar veeleer een regio of zelfs het hele land. Deze afbakening is door verweerder niet nader toegelicht, zodat niet duidelijk is of en zo ja, welke afweging aan die afbakening ten grondslag ligt. In zoverre is het bestreden besluit ook na aanvulling onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank merkt daarbij op dat de door verweerder (klaarblijkelijk) gehanteerde afbakening op voorhand niet onjuist hoeft te zijn, maar dat de afbakening van het relevante geografische gebied in het concrete geval afhankelijk is van de situatie ter plaatse. Wanneer burgers feitelijk geen mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen van de ene naar de andere wijk, stad of regio, is dat immers van invloed op de vraag of een burger bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.

22. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het aanvullend besluit niet de aantallen gewonden en ontheemden heeft betrokken, hoewel dat ook volgens verweerders eigen beleid een relevant element vormt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Voor zover verweerder die informatie niet heeft of ontoereikend acht, had het dan ook op zijn weg gelegen dat aan het besluit ten grondslag te leggen. Ten aanzien van de aantallen doden heeft verweerder in het aanvullend besluit wel opgemerkt dat uit het algemeen ambtsbericht en andere bronnen geen betrouwbaar beeld naar voren komt, omdat de schattingen uit verschillende bronnen van elkaar afwijken en de aantallen burgerslachtoffers niet te onderscheiden is van het totaal aantal. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat schattingen onderling verschillen geen afdoende reden is om de geschatte aantallen doden, al dan niet uitgaande van de laagste, gemiddelde of meest betrouwbare schatting, niet bij de beoordeling te betrekken. Verder overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de tussenuitspraak, dat informatie over burgerslachtoffers in relatie tot het totaal aantal wel beschikbaar is. Zoals overwogen houdt Libya Body Count (na doorklikken) in de overzichten immers niet alleen informatie over de aantallen doden gevonden worden, maar ook over de incidenten waarbij die doden zijn gevallen en of dat burgerslachtoffers betreft. Kortom, ook op dit punt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het geconstateerde gebrek onvoldoende hersteld.

22. Gezien de het voorgaande is het beroep gegrond, zodat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

22. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.837,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de reactie na de bestuurlijke lus, à € 490,00 per punt, wegingsfactor 1,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in eisers proceskosten, begroot op € 1.837,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. drs. S. van Lokven en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.