Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13437

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4795
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering van bijstand. Hoewel de Participatiewet van toepassing is, vormt de Wwb het toetsingskader ivm de periode van herziening en terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/64

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4795

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.C. Kaiser),

en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 1 mei 2013 herzien en de over de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 september 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.746,03 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 23 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, de periode van herziening en terugvordering gewijzigd in 1 juni 2013 tot en met 24 oktober 2013 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand vastgesteld op € 2.598,74 bruto.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en de tolk, [tolk].

Verweerder heeft zich – met bericht van verhindering – niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Eiseres heeft over de periodes van 1 februari 2013 tot 1 mei 2013 en van 1 juni 2013 tot en met 24 oktober 2013 bijstand van verweerder ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van de beëindiging van de uitkering is naar voren gekomen dat aan eiseres een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van haar zoon is betaald door de vader van haar zoon over de maanden juni tot en met oktober 2013.

2. Bij het primaire besluit, zoals aangevuld bij het bestreden besluit, heeft verweerder de bijstand van eiseres over de periode van 1 juni 2013 tot en met 24 oktober 2013 herzien, in die zin dat de alimentatie alsnog als inkomsten is aangemerkt, en de kosten van bijstand over deze periode van eiseres teruggevorderd.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie niet inhoudelijk is ingegaan op de argumenten van eiseres. Verweerder had dit advies niet aan haar besluit ten grondslag mogen leggen, mede gelet op het feit dat hij zelf niet vertegenwoordigd was ter hoorzitting en het advies niet op deugdelijkheid heeft gecontroleerd. Verder meent eiseres dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Zij heeft de door haar ontvangen onderhoudsbijdrage nooit verzwegen. Eiseres was zich er ook niet van bewust dat zij deze alimentatie op de periodieke inkomstenverklaringen diende op te geven, mede omdat zij deze onderhoudsbijdrage niet als inkomsten zag en deze ook niet als alimentatie voor haar zelf beschouwde.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Met ingang van 1 januari 2015 zijn - voor zover thans van belang - de Participatiewet en de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden en is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot de Participatiewet. In artikel 78z, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college op grond van de Wwb genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet. In het vierde lid is bepaald dat op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Participatiewet is ingediend tegen een door het college op grond van de Wwb genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van de Wwb. Het bezwaarschrift is echter ingediend na 1 januari 2015, zodat op grond van dit artikel op het beroep zou moeten worden beslist met toepassing van de Participatiewet. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX9529, en 16 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:999, wordt overwogen dat het hier gaat om de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit tot herziening en terugvordering op grond van de Wwb. Dat betekent dat de Wwb het toetsingskader vormt in dit beroep, zodat op het beroep met toepassing van die wet zal worden beslist.

4.2

De bezwaarschriftencommissie heeft in het door verweerder overgenomen advies volstaan met een verslag van de hoorzitting. Hieruit blijkt dat het gemeentelijk standpunt van verweerder besproken is. In het advies staat vervolgens dat het gemeentelijk standpunt wordt gevolgd. Hoewel verweerder niet ter hoorzitting aanwezig was, mag worden verondersteld dat hij bekend was met het eigen gemeentelijk standpunt. De rechtbank ziet dan ook niet in dat hij het advies van de commissie nader had moeten controleren. Verweerder heeft vervolgens ook het gemeentelijk standpunt aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het gemeentelijke standpunt en daarmee het bestreden besluit voldoende duidelijk is over de grondslag van de herziening en terugvordering. Het bestreden besluit is aldus deugdelijk gemotiveerd.

4.3

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder op de hoogte was van de door de vader van haar zoon (hierna: de onderhoudsplichtige) betaalde financiële bijdrage. Met ingang van 1 mei 2013 is de bijstandsuitkering van eiseres beëindigd, waardoor de onderhoudsplichtige de bijdrage voor zijn zoon direct aan eiseres is gaan betalen. Met ingang van 1 juni 2013 is de uitkering opnieuw toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres in strijd met haar inlichtingenplicht heeft gehandeld door op dat moment niet aan verweerder te melden dat zij een financiële bijdrage voor haar zoon ontving. De rechtbank acht daarbij niet aannemelijk dat zij niet wist dat zij deze moest opgeven, nu op de inkomstenverklaringen duidelijk is vermeld dat alimentatie moet worden opgegeven. Dat eiseres heeft gedacht dat het hier slechts voor haar betaalde alimentatie betrof en zij de achterzijde van het formulier niet heeft bekeken, komt voor haar risico. Dat het voorts geen juridisch vastgestelde alimentatie betrof, maakt niet dat eiseres kon veronderstellen dat zij deze niet hoefde op te geven als alimentatie. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit de stukken naar voren komt dat eiseres de bijdrage ook zelf aanduidt als ‘kindalimentatie’. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze alimentatie-inkomsten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Het had dan ook op de weg van eiseres gelegen om van de inkomsten uit eigen beweging mededeling te doen aan verweerder. Dat eiseres haar bankafschriften heeft overgelegd in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand voor orthodontie, maakt niet dat verweerder hiermee expliciet op de hoogte was van de aan eiseres betaalde financiële bijdrage voor haar zoon. Het verzoek om schuldhulpverlening wordt door een andere afdeling afgehandeld, zodat verweerder in dat kader geen inzicht had in de financiële gegevens van eiseres. De rechtbank acht het onder die omstandigheden niet aannemelijk dat eiseres, zoals zij heeft gesteld, in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat verweerder op de hoogte was van het feit dat de alimentatie direct aan haar werd uitbetaald.

4.4

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres de voor haar uit artikel 17, eerste lid, van de Wwb voortvloeiende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Die schending heeft tot gevolg gehad dat aan eiseres tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Verweerder was dan ook (tot 1 juli 2013) bevoegd en (vanaf 1 juli 2013) gehouden over de datum hier in geding tot herziening van het recht op bijstand over te gaan, waarbij de rechtbank van oordeel is, voor zover het de periode tot 1 juli 2013 betreft, dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en voor zover het de periode daarna betreft, dat verweerder terecht tot intrekking is overgegaan.

4.5

Verder heeft verweerder de teveel aan eiseres betaalde uitkering terecht teruggevorderd. Van dringende redenen op grond waarvan verweerder daarvan had moeten afzien, is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft de hoogte van de financiële bijdrage of de periode van terugvordering ook niet betwist.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W.W. Koppe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen es weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.