Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13398

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 10832
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:3022, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres exploiteert een uitzendbureau dat arbeidskrachten, veelal van Poolse afkomst, ter beschikking stelt aan ondernemingen in (onder meer) de voedingsindustrie. In 2011 en 2012 zijn enkele tientallen werknemers van eiseres geselecteerd voor het volgen van de BBL-opleiding Assistent medewerker voedingsindustrie met Nederlands als Tweede Taal, welke opleiding werd verzorgd SVO Opleidingen te Houten. Eiseres heeft de afdrachtvermindering onderwijs toegepast voor haar werknemers. Verweerder stelt dat eiseres daar geen recht op had en heeft haar een naheffingsaanslag opgelegd. Volgens de rechtbank heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat de werknemers stonden ingeschreven voor deze opleiding en dat zij aanwezig zijn geweest bij lessen Nederlands en maar heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de werknemers voor ten minste 60% van de studieduur de beroepspraktijkvorming hebben gevolgd die hoort bij de beroepsbegeleidende leerweg van de opleiding. Omdat taallessen behoren tot educatie en niet tot beroepsonderwijs in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs, is niet voldaan aan de wettelijke eis dat de BBL voor minimaal 60% uit een praktijkdeel moet bestaan. Eiseres heeft dus geen recht op de afdrachtvermindering en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Beroep voor wat betreft de afdrachtvermindering ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2713
FutD 2015-3096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 14/10832, SGR 14/10833 en SGR 14/10835

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2015 in de zaken tussen

[X] BV, gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: A. Rehorst),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 24 april 2013 aan eiseres de navolgende naheffingsaanslagen loonheffingen (met heffings- dan wel belastingrente) en verzuimboetes opgelegd:

  • -

    een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 ten bedrage van € 28.762, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 2.876. Voorts is € 985 heffingsrente in rekening gebracht (SGR 14/10832);

  • -

    een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 ten bedrage van € 43.432, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 434. Voorts is € 459 belastingrente in rekening gebracht (SGR 14/10833);

  • -

    een boetebeschikking over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 waarbij een verzuimboete van € 3.909 is opgelegd (SGR 14/10835).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen alsmede de beschikkingen heffings- en belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B], [persoon C] en [persoon D].

Namens eiseres is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Ter zitting is tevens behandeld het beroep van [Y] BV met zaaknummer SGR 14/10830.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een uitzendbureau dat arbeidskrachten ter beschikking stelt aan ondernemingen in (onder meer) de voedingsindustrie. In de jaren 2011 en 2012 waren bij eiseres gemiddeld ongeveer 200 tot 250 werknemers in dienst.

2. In 2011 en 2012 zijn enkele tientallen werknemers van eiseres, voornamelijk werknemers van Poolse afkomst, geselecteerd voor het volgen van de BBL-opleiding Assistent medewerker voedingsindustrie met Nederlands als Tweede Taal (de opleiding). De opleiding werd verzorgd onder verantwoordelijkheid van en in samenwerking met de onderwijsinstelling [instelling A] ([instelling A]) te [vestigingsplaats].

3. Op 15 februari 2011 heeft eiseres met [instelling A] een overeenkomst (de overeenkomst) gesloten. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Uitgangssituatie

Een toenemend aantal medewerkers in de voedingsindustrie is van niet-Nederlandse afkomst. Hun beheersing van de Nederlandse taal is vaak onvoldoende en kan voor ongewenste situaties op de werkvloer zorgen. De opleiding Assistent medewerker voedingsindustrie, met daarin NT-2 (BBL niveau 1) van [instelling A] kan dan uitkomst bieden. NT-2 heeft als doel het taalniveau van de deelnemers te verhogen, hen Nederlandse vakwoorden te leren en hen sociaal sterker te maken. Uniek daarbij is dat [instelling A] uitgaat van de wensen en uitgangspunten van het bedrijf en het taalniveau van de deelnemers.

De uitgangspunten van het bedrijf worden besproken in een intakegesprek en het niveau van de deelnemers wordt vastgesteld door middel van een intaketoets.

Het komende jaar wil [Y] investeren in het opleidingsniveau van haar medewerkers om zo de kwaliteit ook voor de toekomst te kunnen waarborgen. Communicatie in de Nederlandse taal is hierbij een belangrijk speerpunt. [Y] wil samen met [instelling A] als opleidingspartner de komende periode een of meerdere groepen medewerkers deze opleiding aanbieden.

Overeenkomst [Y] en [instelling A]

De overeenkomst heeft een projectperiode van 2 februari 2011 t/m 31 juli 2011 en maakt het mogelijk om conform de volgende afspraken in deze overeenkomst meerdere groepen te starten.(…)

Naam opleiding:

Beroeps Begeleidende Leerweg, Assistent medewerker voedingsindustrie met Nederlands als Tweede Taal, MBO niveau 1, crebocode 93760

De opleiding leidt op voor het MBO 1 diploma: Assistent medewerker versindustrie.

De opleiding wordt uitgevoerd door [instelling A].

(…)

Duur:

In het programma van de opleiding komen zowel beroepscompetenties als taalverwerving aan de orde. In het eerste jaar van de opleiding ligt de nadruk op taalverwerving, als voorwaarde om de beroepscompetenties te kunnen leren. Het rooster van de opleiding wordt in overleg tussen opdrachtgever en [instelling A] vastgesteld. De doelstelling is om alle deelnemers met het diploma assistent voedingsindustrie’ (niveau 1) uit te laten stromen.

(…)

Inhoud:

Als er taalverwerving heeft plaatsgevonden worden de deelnemers voor aanvang van de opleiding getoetst op hun Nederlandse taalvaardigheid. Op basis van deze uitkomsten wordt het niveau en het tempo van de opleiding bepaald.

Doelstelling van de opleiding:

• Vorderingen in luistervaardigheid:

o verbetering van de kennis van vaktaal;

o verbetering van het begrip van instructies;

o verbetering van het begrip van alledaagse gesprekken;

o vergroting van de receptieve woordenschat t.a.v. formele

zaken die betrekking hebben op het werk.

• Vorderingen in spreekvaardigheid:

o bereidheid om nieuwe dingen te zeggen en te vragen;

o verfijning van de manier van verduidelijking vragen;

o verbetering van de manier van storingen melden.

• Vorderingen in leesvaardigheid;

o bereidheid om teksten in het bedrijf serieus te bekijken;

o instructies beoordelen op moeilijkheidsgraad;

o vragen kunnen stellen over geschreven instructies.

• Vorderingen in schrijfvaardigheid;

o meer gemak bij het invullen van formulieren, in het bijzonder

werkbriefjes.

• Toepassen van de taal tijdens de BPV (beroepspraktijkvorming);

o Taalportfolio eindniveau A2;

o Diverse assesments.

• Proeve van bekwaamheid;

o Beoordeling van taalportfolio;

o Examinator beoordeeld [sic] of is voldaan aan de gestelde eisen van deze opleiding;

• Bij goed gevolg: Diplomering mbo 1 assistent voedingsindustrie.

Voorwaarden voor deelname aan een BBL opleiding op maat:

o (…)

o De deelnemers hebben een voor de uitvoering van de beroepspraktijkvorming relevante arbeidsovereenkomst van ten minste 24 uur per week.

o Uw bedrijf moet een door [instelling A] erkend leerbedrijf zijn.

o Er moet een door [instelling A] erkende praktijkopleider zijn.
(…)”

4. Uit de gedingstukken blijkt dat met 36 werknemers van eiseres een “Beroepspraktijkvormingsovereenkomst [instelling A]-opleidingen” (BPO) is gesloten welke, behalve door de werknemer, steeds is ondertekend door een vertegenwoordiger van [instelling A] en, namens het leerbedrijf, door een vertegenwoordiger van eiseres. In alle overeenkomsten is opgenomen dat de BBL-opleiding Assistent voedingsindustrie (crebocode 93760) zal worden gevolgd en dat de omvang van de beroepspraktijkvorming 40 uur bedraagt. Voor zover de overeenkomsten zijn gesloten in 2011 vermelden zij eiseres als leerbedrijf; overeenkomsten gesloten in 2012 vermelden andere bedrijven als leerbedrijf.

5. Eiseres heeft in haar loonaangiften over 2011 en 2012 op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (WVA) de afdrachtvermindering onderwijs toegepast voor haar werknemers. Voor het jaar 2011 bedraagt de door haar toegepaste afdrachtvermindering € 28.762 en voor het jaar 2012
€ 43.432.

6. Op 3 april 2013 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 9 april 2013. Verweerder heeft daarin geconcludeerd dat niet volledig aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs is voldaan. Daarom zijn aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslagen en verzuimboetes opgelegd.


Geschil

7. In geschil is of eiseres recht heeft op toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs.

8. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich - zo begrijpt de rechtbank - primair op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is een onderwijskundige toets aan te leggen. Subsidiair voert eiseres aan dat zij aan alle voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs heeft voldaan. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft eiseres intern onderzoek ingesteld naar de omvang van de in aanmerking genomen afdrachtvermindering hetgeen heeft geleid tot het aanbrengen van enkele correcties. Eiseres heeft de afdrachtvermindering voor 2011 nader bepaald op € 23.932 en voor 2012 op
€ 31.436. De naheffingsaanslagen zijn in zoverre dan ook niet in geschil. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de naheffingsaanslagen tot € 4.830 voor 2011 en € 11.996 voor 2012, zijnde het verschil tussen de in aanmerking genomen afdrachtvermindering onderwijs en de nader bepaalde afdrachtvermindering onderwijs, alsmede vernietiging van de rente- en boetebeschikkingen.

9. Verweerder weerspreekt dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs en verwijst daartoe naar het controlerapport waarin is geconcludeerd dat geen volledige crebo-opleiding is gevolgd, dat de opleiding nagenoeg geheel was gericht op het Nederlands als tweede taal en dat niet aannemelijk is gemaakt dat beroepspraktijkvorming heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de boetebeschikkingen heeft verweerder ter zitting verklaard deze niet langer te handhaven. Gelet hierop concludeert verweerder in zoverre tot gegrondverklaring van de beroepen en tot ongegrondverklaring van de beroepen voor het overige.

Beoordeling van het geschil

10. De rechtbank is ten aanzien van het primaire standpunt van eiseres van oordeel dat verweerder bevoegd is om te toetsen of is voldaan aan de eisen voor toepassing van de afdrachtvermindering. Het andersluidende standpunt van eiseres vindt geen steun in de WVA.

11. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiseres neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WVA is de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing met betrekking tot de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) bedoelde beroepsopleiding. Volgens artikel 1.1.1, onderdeel j, van de WEB is beroepspraktijkvorming het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de WEB. Volgens artikel 7.2.8, eerste lid, van de WEB maakt van elke beroepsopleiding onderricht in de praktijk van het beroep deel uit. Een van de in artikel 7.2.2, eerste lid, van de WEB genoemde beroepsopleidingen is de assistentenopleiding. Volgens het tweede lid van dat artikel bestaat deze opleiding onder meer uit een beroepsbegeleidende leerweg die een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur omvat.

12. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat - nu verweerder gemotiveerd het standpunt inneemt dat eiseres niet aan de voorwaarden voor de afdrachtvermindering voldoet - eiseres aannemelijk dient te maken dat de door de werknemers gevolgde opleidingen voldoen aan de wettelijke bepalingen waardoor eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering. Eiseres heeft daartoe onder meer de BPO’s van de werknemers die aan de opleiding hebben deelgenomen, studiemateriaal van een onbekende deelnemer, het praktijkleerboek van haar werknemer Zsolt Endre alsmede diens ontwikkelmeter, assessments en certificaten overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee echter niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang.

13. Zoals hiervoor onder 11 overwogen stelt artikel 14 van de WVA als voorwaarde voor toepassing van de afdrachtvermindering dat de werknemer voor ten minste 60% van de studieduur de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg volgt. Eiseres heeft met de door haar overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat de werknemers voor de opleiding Assistent voedingsindustrie bij [instelling A] zijn ingeschreven, dat zij aanwezig zijn geweest bij lessen Nederlands en dat certificaten zijn verstrekt voor assessments op taalniveau A1 en A2. Dat de werknemers voor ten minste 60% van de studieduur de beroepspraktijkvorming hebben gevolgd die hoort bij de beroepsbegeleidende leerweg van de opleiding Assistent voedingsindustrie, heeft eiseres echter niet aannemelijk gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van de onder 3 vermelde overeenkomst volgt dat de opleiding grotendeels gericht was op de verwerving van Nederlandse taalvaardigheid door de werknemers. Weliswaar vermeldt de overeenkomst dat ook beroepscompetenties onderdeel uitmaken van de opleiding, maar uit de overeenkomst blijkt niet op welke wijze aan dat deel van de opleiding invulling zal worden gegeven. Dat, in afwijking van hetgeen in de overeenkomst is opgenomen, feitelijk wel in voldoende mate beroepspraktijkvorming heeft plaatsgevonden is evenmin aannemelijk geworden. Eiseres heeft weliswaar studiemateriaal overgelegd dat betrekking heeft op de praktijkvorming, maar onduidelijk is gebleven in hoeverre daarmee ook daadwerkelijk door de werknemers is gewerkt. Zo kan niet worden vastgesteld door wie de in dit studiemateriaal opgenomen opdrachten zijn uitgevoerd, ook al niet omdat daarin soms verschillende handschriften voorkomen. Voorts is niet vast te stellen of de opdrachten zijn uitgevoerd bij de ondernemingen waar de werknemers feitelijk werkzaam waren. Vast staat in ieder geval dat bij die ondernemingen geen praktijkbegeleiders waren aangewezen. Ook ter zitting is niet inzichtelijk geworden hoeveel tijd is besteed aan het praktijkdeel van de opleiding. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zitting namens eiseres is verklaard dat geen sprake was van een vast aantal praktijkuren per week; de werknemers werkten de hele week en op de momenten dat daar tijd voor was, vond praktijkbegeleiding plaats. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemers in de praktijk onderricht voor het beroep van Assistent voedingsindustrie hebben gekregen, laat staan dat aannemelijk is geworden dat dit praktijkdeel 60% of meer van de studieduur heeft gevormd.

14. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de constateringen van verweerder in het controlerapport worden bevestigd in het rapport van de Onderwijsinspectie van januari 2013, naar aanleiding van een tussen juli 2012 en november 2012 bij [instelling A] uitgevoerd onderzoek. In het rapport wordt - samengevat - geconcludeerd dat de aangeboden opleiding geen beroepsopleiding is zoals bedoeld in artikel 7.2.2 van de WEB, dat het programma voornamelijk is geënt op de doelstelling de deelnemers een taalbasis te geven en slechts voor een gering deel bestaat uit elementen van de crebo-opleiding en dat er geen diploma-intenties zijn. Verder is in het rapport vermeld dat feitelijk geen sprake was van beroepspraktijkvorming of adequate begeleiding van opdrachten in het kader van de beroepsopleiding op de werkplek. Weliswaar heeft het onderzoek betrekking op het jaar 2012, maar de rechtbank ziet geen reden - mede in het licht van de constateringen van verweerder in het controlerapport - aan te nemen dat de situatie in het jaar 2011 anders was.

15. Eiseres heeft in dit verband meer subsidiair nog het standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslagen dienen te worden verminderd voor zover zij betrekking hebben op de periode tot de publicatie van het rapport van de Onderwijsinspectie, aangezien zij steeds te goeder trouw heeft gehandeld. Eiseres kan dan tot die datum niet worden verweten dat zij onbekend was met (mogelijke) hiaten in de opleiding. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Het is aan eiseres te allen tijde een zodanige administratie te voeren dat daaruit kan worden afgeleid dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de afdrachtvermindering is voldaan. De publicatie van het rapport is daarvoor niet van belang en met de goede trouw van eiseres heeft zulks niets van doen.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering is voldaan zodat de beroepen, voor zover deze zich richten tegen de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen, ongegrond verklaard dienen te worden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen, dienen de beroepen, voor zover deze zich richten tegen de boetebeschikkingen, gegrond verklaard te worden.

Proceskosten

17. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat naast de zaken van eiseres ook de zaak van [Y] BV is behandeld en deze als een met de zaken van eiseres samenhangende zaak kan worden beschouwd, aangezien het dezelfde vennootschap betreft (eiseres heeft slechts een naamswijziging ondergaan) en het inhoudelijk hetzelfde geschil betreft. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.836 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften met een waarde per punt van € 244 en 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken en wegingsfactor 1,5 vanwege 4 of meer samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen, ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen, gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de boetebeschikkingen betreft;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.836;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, voorzitter, en mr. T.A. de Hek en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.