Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1337

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
AWB 15/1014
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden:

Mensenhandel, Sociale groep, Geloofwaardig relaas, Geen schending artikel 3 EVRM of Vluchtelingenverdrag bij terugkeer, Traumatabeleid, Geen verblijfsvergunning regulier ‘overige klemmende redenen van humanitaire aard’, B8/3 bedenktijd, Parallelle toets artikel 64 Vw 2000, Medische klachten, Traumatisering, Suïciderisico, ten onrechte geen medisch advies gevraagd.

Samenvatting:

“Vrouwen in Albanië die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel” vallen aan te merken als een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3.37, eerste lid, onder d, onder 2°, van het VV 2000. Verweerder heeft verzoekster echter terecht niet op basis van haar vrees bij terugkeer of het traumatabeleid in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Daarnaast heeft verweerder geen reden hoeven zien verzoekster in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘overige klemmende redenen van humanitaire aard’.

Mede bezien in het licht van het geloofwaardig geachte asielrelaas van verzoekster ziet de voorzieningenrechter echter in haar patiëntdossier en haar eigen verklaringen enige aanknopingspunten dat zij getraumatiseerd is of anderszins lijdt aan (ernstige) psychische klachten. Bij gebrek aan medische expertise is de voorzieningenrechter niet in staat de zwaarte en strekking van deze klachten op waarde te schatten. Dit geldt evenzeer voor verweerder. Door in dit geval zonder enig medisch advies te concluderen dat voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 geen grond is, heeft verweerder het bestreden besluit voorbereid en genomen zonder de vereiste zorgvuldigheid. Reden om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende duidelijk gemotiveerd dat onderdeel B8/3 van de Vc 2000 niet op verzoekster van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 1014

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Daarnaast heeft verweerder verzoekster niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in verbinding met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Ten slotte heeft verweerder verzoekster geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig X. Balaj.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.
Verzoekster is geboren op [geboortedatum verzoekster] en heeft de Albanese nationaliteit. Zij heeft op 8 januari 2015 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), ingediend. Aan haar aanvraag heeft verzoekster het volgende relaas – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd. Verzoekster is op 10 januari 2014 vanuit Albanië naar Athene gegaan, om daar werk te zoeken. Rond maart 2013 is zij in café [naam café] benaderd door de Albanees [naam persoon]. Hij bood haar werk aan als schoonmaakster. Verzoekster accepteerde dit aanbod en ging met [naam persoon] mee naar zijn woning. Daar aangekomen, werd zij gedongen in de prostitutie te werken. Verzoekster werd bedreigd en moest haar familie en echtgenoot bellen om te zeggen dat ze een nieuwe man had gevonden en dat ze niet naar haar op zoek moesten gaan. Tot 24 december 2013 heeft verzoekster vervolgens in deze woning gezeten en moest zij zich prostitueren. Op 24 december 2013 kon zij vluchten. Hierna is ze met hulp van haar echtgenoot teruggekeerd naar Albanië. Haar familie verstootte haar echter vanwege haar werk in de prostitutie. Verzoekster heeft vervolgens nog enige tijd met haar echtgenoot in Tirana gewoond. Op 13 of 14 augustus 2014 zag verzoekster [naam persoon] lopen in Tirana. Verzoekster is toen bang geworden dat hij naar haar op zoek was en heeft op 16 september 2014 Albanië verlaten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Hoewel verweerder het asielrelaas van verzoekster geloofwaardig acht, komt zij op basis hiervan volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Allereerst stelt verweerder zich op het standpunt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verzoekster in Albanië wordt gezocht door degenen die haar tot prostitutie hebben gedwongen, dan wel door de autoriteiten of derden. Voorts is verweerder van mening dat vrouwen, dan wel vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel, als zodanig niet vallen aan te merkten als een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verzoekster heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel in Albanië zonder meer als vluchteling zijn aan te merken dan wel een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Niet is gebleken dat verzoekster te vrezen heeft voor discriminatie die een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor verzoekster onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.
Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege het zijn van een slachtoffer van mensenhandel, zoals bedoeld in onderdeel B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Evenmin wordt in hetgeen verzoekster heeft meegemaakt aanleiding gezien haar een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van ‘overige bijzondere individuele omstandigheden’ (humanitaire redenen).
Ten slotte heeft verweerder geen aanleiding gezien verzoekster uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Vw 2000. Verzoekster heeft het gestelde suïciderisico niet onderbouwd. De verwijzing naar het Medifirst-rapport en het overgelegde patiëntendossier, waarin melding wordt gemaakt van de opmerking van verzoekster dat zij liever dood gaat dan terug naar haar land van herkomst, acht verweerder hiervoor onvoldoende. Voor het vragen van een advies aan Bureau Medische Advisering (BMA) ziet verweerder ook geen aanleiding.

4. Verzoekster is het oneens met het bestreden besluit. De gronden die zij aan haar verzoek en beroep ten grondslag heeft gelegd, zullen hierna worden besproken.

5. De vrees van verzoekster voor wat haar bij terugkeer naar Albanië te wachten staat, valt te verdelen in enerzijds de vrees voor represailles van [naam persoon] en zijn handlangers en anderzijds de vrees voor een behandeling in strijd met het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM vanwege haar status als “slachtoffer van mensenhandel”. Over dit laatste heeft verzoekster betoogd dat zij behoort tot de sociale groep “vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel”. Dit is volgens verzoekster een vervolgingsgrond zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De voorzieningenrechter zal deze redenen voor vrees bij terugkeer achtereenvolgens bespreken.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een reëel risico dat verzoekster bij terugkeer naar haar land van herkomst opnieuw in aanraking zal komen met [naam persoon] en de zijnen en dat zij om die reden een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zal ondergaan. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de problemen van verzoekster met [naam persoon] zich volledig in Griekenland hebben afgespeeld. De dossierstukken, waaronder de verklaringen van verzoekster, geven geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de groepering van [naam persoon] ook in Albanië actief is en ook niet dat zij in Albanië naar verzoekster op zoek zijn. De omstandigheid dat verzoekster [naam persoon] in Tirana heeft gezien, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Hieruit blijkt immers niet dat hij (met kwade bedoelingen) op zoek is naar verzoekster. Ook de stelling van verzoekster dat zij als verstoten vrouw is aangewezen op een leven in de grote stad, waardoor de kans dat zij [naam persoon] weer tegenkomt groot is, leidt niet tot een ander oordeel. Albanië is een land met verschillende grotere steden. Zelfs als verzoekster (zoals zij stelt) gedwongen zou zijn in Tirana te leven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die stad (met bijna 450.000 inwoners) niet zo klein is dat het risico reëel is dat verzoekster opnieuw in aanraking komt met [naam persoon] of anderen die bij de gedwongen prostitutie betrokken waren.

7. Nu er geen sprake is van een reëel risico op problemen van de kant van [naam persoon] komt de voorzieningenrechter niet toe aan de vraag of verzoekster bij de Albanese autoriteiten bescherming zal kunnen krijgen tegen dergelijke problemen.

8. Over de vrees van verzoekster voor problemen van de kant van haar familie, de autoriteiten of de maatschappij (in de vorm van discriminatie), vanwege haar status als slachtoffer van mensenhandel en gedwongen prostitutie, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In dit verband is allereerst van belang of ‘vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel in Albanië’ aangemerkt kunnen worden als een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

9. Ingevolge artikel 3.37, eerste lid, onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), wordt een groep geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:

1°. leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en

2°. de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;
Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd, wordt er terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit.

10. Hoewel de voorzieningenrechter verweerder volgt in zijn, in onderdeel C2/3.2 van de Vc 2000 neergelegde, uitgangspunt dat “vrouwen” geen sociale groep zijn, omdat zij als groep te divers van samenstelling zijn, valt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet vol te houden voor de groep “vrouwen in Albanië die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt deze groep onder het bovengenoemde artikel 3.37, eerste lid, onder d, onder 2°, van het VV 2000. Uit het door verzoekster overgelegde Algemeen ambtsbericht inzake Albanië van mei 2007 blijkt voldoende duidelijk dat de door verzoekster genoemde groep in Albanië als afwijkend wordt beschouwd. In dit ambtsbericht staat onder meer dat verhandelde vrouwen door hun omgeving en de maatschappij, met inbegrip van rechtshandhavende organen, niet als slachtoffer worden beschouwd, dat terugkerende slachtoffers zich zeer vaak geconfronteerd zien met stigmatisering en verstoting door de plaatselijke omgeving, familie en vrienden, dat, in het minst erge geval, het opbouwen van een normaal sociaal leven niet mogelijk is, dat deze groep personen tot de meest kwetsbare groepen binnen de Albanese maatschappij behoort, dat re-integratie zeer moeilijk is en dat het voorkomt dat slachtoffers van mensenhandel – met inbegrip van personen die een re-integratieprogramma hebben gevolgd – voor de tweede of soms derde keer worden verhandeld. Het standpunt van verweerder dat uit het rapport van het US Department of State ‘Trafficking in Persons Report 2014’ (TIP-rapport 2014), blijkt dat de situatie voor slachtoffers van mensenhandel is verbeterd, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. In het TIP-rapport 2014 wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende uitgebreid en expliciet ingegaan op de positie van vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel in de Albanese maatschappij om hiermee het Algemeen ambtsbericht te weerleggen. Het enkele argument van verweerder dat het Algemeen ambtsbericht verouderd is, acht de voorzieningenrechter evenmin afdoende om tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft immers geen bronnen overgelegd waaruit blijkt dat er in dit opzicht thans sprake is van een andere (verbeterde) situatie in Albanië. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3873), waarin de Afdeling waarde hechtte aan het Algemeen ambtsbericht van mei 2007 en (mede) op grond daarvan oordeelde dat verweerders standpunt dat desbetreffende vreemdelingen ten onrechte geen bescherming aan de autoriteiten hadden gevraagd zonder nadere motivering geen stand kon houden.

11. Hoewel vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel in Albanië als sociale groep kunnen worden gezien en verzoekster tot die groep behoort, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat verzoekster om die reden zwaarwegende problemen zal ervaren van de kant van de Albanese autoriteiten of haar familieleden. Verweerder heeft in dit verband terecht van belang geacht dat uit het TIP‑rapport 2014 blijkt dat de Albanese autoriteiten voortgang hebben geboekt bij het opsporen, aanklagen en veroordelen van mensenhandelaren en dat de strafwetgeving strenger is geworden ten aanzien van plegers van mensenhandel. Door nieuwe wetgeving zijn slachtoffers van mensenhandel thans uitgesloten van bestraffing voor misdrijven, gepleegd terwijl de mensenhandel gaande was of waarvan de mensenhandel de oorzaak was. Er werd in het rapport ook geen melding gemaakt van het gevangenzetten of anderszins straffen van dergelijke slachtoffers. Voorts is weliswaar gebleken dat verzoekster door haar familie is verstoten en is niet te verwachten dat zij bij terugkeer hulp van haar familie zal krijgen, maar zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er van haar familie een daadwerkelijke dreiging uitgaat. Zodoende is er in dit verband geen sprake van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

12. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de discriminatie die slachtoffers van mensenhandel of gedwongen prostitutie in Albanië, dan wel in Tirana, ervaren niet dusdanig ernstig is dat gesproken kan worden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie en het door verweerder gehanteerde beleid is hiervoor vereist dat er sprake is van dusdanige discriminatie dat de vreemdeling dermate wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Hoewel uit de door verzoekster overgelegde documenten kan worden opgemaakt dat slachtoffers van mensenhandel en vermeende prostituees een ernstig achtergestelde positie hebben in de Albanese samenleving, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat discriminatie die deze groep personen ondervindt van een dusdanig ernstig niveau is als hierboven bedoeld. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat uit het reeds aangehaalde Algemeen ambtsbericht volgt dat of iemand bij terugkeer discriminatie zal ondervinden in grote mate afhankelijk is van de omstandigheid of deze persoon bekend staat als slachtoffer van mensenhandel. In dit geval is niet gebleken dat verzoekster in Albanië dan wel in Tirana in het algemeen bekend staat als slachtoffer van mensenhandel. Uit de verklaringen van verzoekster blijkt dat dit alleen bekend is bij haar directe familie. Verder betrekt de voorzieningenrechter bij haar oordeel dat verzoekster zich na haar terugkeer naar Albanië van januari tot september 2014 staande heeft kunnen houden. Zij heeft bijvoorbeeld gedurende deze periode gewerkt. De uitleg van verzoekster dat zij wel moest werken, omdat met het salaris van haar echtgenoot enkel de kale huur kon worden betaald en dat zij zich ‘low profile’ gedroeg, doet er niet aan af dat het voor haar kennelijk mogelijk was om werk te vinden en om (zo goed en kwaad als het ging) in de maatschappij te functioneren. Voorts acht de voorzieningenrechter in dit verband van belang dat uit het reeds eerder aangehaalde Algemeen ambtsbericht blijkt dat opvang mogelijk is (onder meer) bij opvangtehuizen van non-gouvernementele organisaties. Uit het recentere TIP-rapport 2014 blijkt dat deze opvangmogelijkheden bij NGO’s nog steeds bestaan en dat deze naast opvang ook psychologische zorg, juridische bijstand, medische zorg en integratie-trajecten aanbieden. Niet valt in te zien dat verzoekster niet in een van deze opvangtehuizen terecht zou kunnen en dat re-integratie onmogelijk is.

13. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder verzoekster terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000, op basis van haar vrees bij terugkeer.

14. Over het betoog van verzoekster dat zij op grond van hetgeen zij heeft meegemaakt in aanmerking dient te komen voor het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vervatte traumatabeleid, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

15. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster niet voor bovengenoemde vergunning in aanmerking komt, nu volgens het beleid, neergelegd in onderdeel C2/3.3 van de Vc 2000, een voorwaarde voor verlening van de vergunning is dat de traumatische gebeurtenissen in het land van herkomst hebben plaatsgevonden. Aan deze voorwaarde is in dit geval niet voldaan. Het betoog van verzoekster dat het traumatabeleid bedoeld is om de confrontatie van slachtoffers met de daders te voorkomen, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, hierboven is reeds overwogen dat er geen reëel risico bestaat dat verzoekster bij terugkeer wederom met [naam persoon] in aanraking zal komen.

16. Over het betoog van verzoekster dat aan haar een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘overige klemmende redenen van humanitaire aard’, verleend had moeten worden en, naar de voorzieningenrechter begrijpt, het beroep in dit verband op artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

17. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op bovengenoemde grond. In dit verband heeft verweerder van belang kunnen achten dat de situatie van Afghaanse verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen, waarmee verzoekster een vergelijking trekt, heel anders is dan de positie van verzoekster bij terugkeer naar Albanië. Verweerder heeft bij zijn overweging kunnen betrekken dat er geen sprake is van de situatie waarbij iedere vrouw die het slachtoffer is geworden van mensenhandel in Albanië problemen ondervindt en dat niet is gebleken dat verzoekster als slachtoffer van mensenhandel bekend staat. Op grond hiervan en mede gelet op de vrijheid die verweerder in deze afweging toekomt, heeft verweerder het beroep op artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 kunnen afwijzen.

18. Verzoekster heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het BMA om advies te vragen. Er is duidelijk sprake van traumatisering en een suïciderisico. Verzoekster heeft verklaard in Albanië een zelfmoordpoging te hebben gedaan. De gemachtigde van verzoekster heeft verschillende keren tevergeefs op hulp en behandeling voor verzoekster aangedrongen. Deze omstandigheden bij elkaar genomen, hadden voor verweerder reden moeten zijn de gezondheidstoestand van verzoekster zorgvuldiger te onderzoeken, zo vindt zij.

19. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat uit de door verzoekster overgelegde documenten blijkt dat de meldingen van suïcidegevaar voornamelijk voortkomen uit haar eigen verklaringen. Dit geldt ook voor de verklaring dat verzoekster in Albanië een poging heeft gedaan zich van het leven te beroven. Anderzijds heeft verweerder deze verklaringen van verzoekster niet bestreden. Verder wordt in het patiëntdossier van het Gezondheidscentrum asielzoekers (GCA) melding gemaakt van psychische klachten en een getraumatiseerde vrouw. Hierin wordt bovendien aangegeven dat er “na de POL” – waaruit de voorzieningenrechter begrijpt: na de afwikkeling van de AA-procedure – verdere hulp zal worden geboden. Kennelijk worden de klachten van verzoekster als dermate ernstig ingeschat dat verdere hulp of behandeling noodzakelijk is. Desondanks maakt verweerder de (opmerkelijke) keuze die hulp niet te bieden gedurende de AA‑procedure. Los van de persoonlijke gevolgen van die keuze voor verzoekster, bestaat daardoor het risico dat in de voorliggende procedure al snel wordt geconcludeerd dat zij niet behandeld wordt en er dus voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 (of nader onderzoek daarnaar) geen reden is.

20. Mede bezien in het licht van het geloofwaardig geachte asielrelaas van verzoekster ziet de voorzieningenrechter in het eerder genoemde patiëntdossier en de eigen verklaringen van verzoekster enige aanknopingspunten dat verzoekster getraumatiseerd is of anderszins lijdt aan (ernstige) psychische klachten. Bij gebrek aan medische expertise is de voorzieningenrechter niet in staat de zwaarte en strekking van deze klachten op waarde te schatten. Dit geldt evenzeer voor verweerder. Door in dit geval zonder enig medisch advies te concluderen dat voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 geen grond is, heeft verweerder het bestreden besluit voorbereid en genomen zonder de vereiste zorgvuldigheid. Het mag wel zo zijn dat het hier gaat om een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel en dat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, het zwaartepunt dan ligt bij de beantwoording van de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor een dergelijke verblijfsvergunning, maar dit ontslaat verweerder niet van de plicht zorgvuldig na te gaan of er reden is om ambtshalve artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen.

21. Gelet hierop wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Verweerder heeft de gelegenheid om in afwachting van de behandeling van de bodemprocedure zijn besluit op het hiervoor besproken onderdeel zorgvuldiger en deugdelijker te onderbouwen.

22. Tot slot zal de voorzieningenrechter nog ingaan op het betoog van verzoekster dat haar op grond van het bepaalde in onderdeel B8/3 van de Vc 2000 bedenktijd geboden had moeten worden. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een lezing van onderdeel B8/3 van de Vc 2000 met zich brengt dat de daarin vermelde criteria met betrekking tot voor welke vreemdelingen bedenktijd open staat, niet op de situatie van verzoekster van toepassing zijn. De voorzieningenrechter vindt deze motivering onvoldoende duidelijk. Niet in geschil dat is immers dat verzoekster het slachtoffer is geworden van mensenhandel. Het beleid vermeldt hierover (als tweede criterium) dat bedenktijd openstaat voor vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel. Het lijkt erop dat dit op verzoekster van toepassing is. Verweerder heeft de gelegenheid om in afwachting van de behandeling van de bodemzaak het bestreden besluit op dit punt nader te motiveren.

23. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, dient verweerder de proceskostenvergoeding te betalen aan de rechtsbijstandverlener van verzoekster.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot vier weken na de uitspraak in de bodemzaak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan de rechtsbijstandverlener van verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.

w.g. A.J.M. van Diem,

griffier

w.g. C.M. Nollen,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 6 februari 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.