Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13364

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
09/817236-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 20 januari 2015 hebben twee jongens de eigenaar van pizzeria “Lier” in De Lier, gemeente Westland, in de pizzeria vastgehouden, onder bedreiging van een mes gezegd “maak de kassa open” en vervolgens geld uit de kassa, te weten € 130,-, weggenomen.

De zaak draait in essentie om de vraag of de verdachte deze overval op (de eigenaar van) de pizzeria heeft uitgelokt (primair) danwel dat sprake is geweest van het medeplegen van deze overval door de verdachte (subsidiair).

De rechtbank acht, gelet op de aannemelijke en betrouwbare verklaringen van de genoemde twee jongens, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare uitlokking van deze overval. Het plan om de overval te plegen, vindt zijn oorsprong bij de verdachte. Hij heeft de jongens naar De Lier geleid, hen op de (locatie van de) pizzeria gewezen en gezegd dat zij deze moesten overvallen. Hij heeft de jongens gezegd een mes en extra t-shirt mee te nemen om het gezicht mee af te dekken, hij heeft ze geïnformeerd dat er geen camera’s zouden zijn en voorts geïnstrueerd hoe zij het geld en telefoons afhandig moesten maken. Toen de jongens aangaven deze overval niet te willen plegen, is de verdachte boos geworden en heeft hij in ieder geval één van de jongens bedreigd. Uiteindelijk heeft de overval plaatsgevonden. De twee jongens zijn beide strafbaar gebleken voor de gepleegde overval en bij vonnis van 23 november 2015 hiervoor veroordeeld. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat aan alle volgens de wet gestelde vereisten voor een strafbare uitlokking is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/817236-15

Datum uitspraak: 23 november 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1998,

en wonende te [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 november 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. de Jong en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 20 januari 2015 te De Lier, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen geld (130 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of de [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het vastpakken bij het lichaam en/of de armen en/of (vervolgens) vasthouden van die [benadeelde 1] en/of

- het tonen van een mes en/of genoemd mes houden tegen en/of bij de keel van die [benadeelde 1] en/of

-(vervolgens) die [benadeelde 1] de woorden toevoegen: "maak de kassa open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 17 januari 2015 tot en met 20 januari 2015 te De Lier, gemeente Westland, en/of Delft, althans in Nederland, in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door misbruik van gezag en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door:

- ( meermalen) tegen die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] (op dwingende wijze) te zeggen dat zij die pizzeria moesten overvallen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat bij die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] sprake was van verstandelijke beperkingen en/of

- aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] mede te delen op welk tijdstip zij naar Delft moesten komen en/of welke spullen zij mee moesten nemen naar Delft en/of

- ( vervolgens) samen vanuit Delft met de bus met die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] naar ( [benadeelde 2] De Lier te gaan en/of

- tegen die [medeverdachte 2] te zeggen dat die [medeverdachte 2] in elkaar geslagen zou worden, indien die [medeverdachte 2] zou weigeren die pizzeria te overvallen en/of

- tegen die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] te zeggen welke spullen zij uit die pizzeria moesten meenemen;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2015 te De Lier, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (130 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of de [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het vastpakken bij het lichaam en/of de armen en/of (vervolgens) vasthouden van die [benadeelde 1] en/of

- het tonen van een mes en/of genoemd mes houden tegen en/of bij de keel van die [benadeelde 1] en/of

-(vervolgens) die [benadeelde 1] de woorden toevoegen: "maak de kassa open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 20 januari 2015 hebben [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) [benadeelde 1] , eigenaar van [benadeelde 2] in De Lier, gemeente Westland, in de pizzeria vastgehouden, onder bedreiging van een mes gezegd “maak de kassa open” en vervolgens geld uit de kassa, te weten € 130,-, weggenomen.

De zaak draait in essentie om de vraag of de verdachte deze overval op (de eigenaar van) de pizzeria heeft uitgelokt (primair) danwel dat sprake is geweest van het medeplegen van deze overval door de verdachte (subsidiair).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte van de primair ten laste gelegde uitlokking en het subsidiair ten laste gelegde medeplegen dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reeds eerder met elkaar hebben gesproken over de te plegen overval en samen dit plan hebben opgevat. De verdachte kende [medeverdachte 2] tot de dag van de overval niet. Reeds hierom kan hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet hebben uitgelokt. Toen het de verdachte duidelijk werd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de overval wilden plegen, is hij meteen weggerend. De verdachte heeft dan ook geen enkel aandeel bij de overval gehad, noch als uitlokker, noch als medepleger. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben waarschijnlijk wroeging gekregen nadat ze de overval hadden gepleegd en lijken nu met hun verklaringen de schuld in de schoenen van de verdachte te willen schuiven. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] acht de raadsman dan ook onbetrouwbaar, nu zij op meerdere punten onderling verschillen. Deze verklaringen dienen dan ook uitgesloten te worden van het bewijs. Dientengevolge ontbreekt het wettige bewijs voor zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde, ten gevolge waarvan de verdachte eveneens integraal vrijgesproken dient te worden.

3.4.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als onbetrouwbaar aan te merken en om die reden van het bewijs uit te sluiten. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Op dinsdag 20 januari 2015 omstreeks 14:59 uur is bij de politie de melding binnengekomen dat [benadeelde 2] zojuist overvallen zou zijn. Kort daarna, te weten om 15:18 uur, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen aangetroffen bij een bushokje op ongeveer 500 meter afstand van de pizzeria en zijn zij beide aangehouden, waarna zij naar het politiebureau zijn overgebracht. Vervolgens zijn de verdachten afzonderlijk van elkaar gehoord. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens gedetailleerd verklaard over hetgeen zich kort daarvoor zou hebben afgespeeld, waarbij zij beiden een bekennende verklaring hebben afgelegd. Meerdere details in de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] komen hierbij overeen. Niet alleen een groot deel van de verklaringen over hetgeen zich in de pizzeria heeft voorgedaan komt tot in detail overeen, maar ook details over hetgeen zich in de aanloop naar het feit heeft afgespeeld welke niet direct relevant lijken te zijn voor het feit zelf. Zo heeft [medeverdachte 1] onder meer verklaard dat ze op weg naar de pizzeria zwart hebben gereden waarbij hij en [medeverdachte 2] in het midden van de bus zijn ingestapt en de verdachte en een vierde jongen voorin, dat ze vervolgens in een steegje zijn gaan staan en [medeverdachte 2] een trui over zijn hoofd heeft gedaan waarbij [medeverdachte 1] hem heeft geholpen en dat, nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wilden afzien van de overval, de verdachte boos zou zijn geworden en gezegd zou hebben dat zij het gewoon moesten doen (blz. 278 dossier). [medeverdachte 2] heeft eveneens over deze details verklaard. Zo heeft hij aangegeven dat hij en [medeverdachte 1] achterin zijn ingestapt zodat zij niet hoefden te betalen (blz. 289 dossier), dat hij in een steegje een t-shirt om zijn hoofd moest doen en dat hij hierbij is geholpen (blz. 289 dossier) en dat de verdachte zou hebben gezegd dat als hij het niet zou willen, dat hij hem zou verwonden met het mes (blz. 290 dossier). Dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het korte tijdsbestek tussen de overval en hun aanhouding – ongeveer 20 minuten – tot in detail hun verklaring op elkaar hebben afgestemd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Daar komt nog bij dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanvankelijk juist geen belastende verklaring over een ander, waaronder de verdachte, hebben willen afleggen, doch uitsluitend over hun eigen aandeel hebben willen verklaren, waarbij zij een nagenoeg volledige bekentenis hebben afgelegd. Deze omstandigheden in combinatie met het gegeven dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beiden op zwakbegaafd niveau functioneren en niets erop wijst dat zij op berekenende wijze te werk zijn gegaan om zich daarmee ten koste van verdachte te kunnen ontlasten, maken dat de rechtbank geen aanleiding ziet de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als onbetrouwbaar terzijde te schuiven. Dat zij op bepaalde punten verschillend hebben verklaard, maakt dit niet anders. Dit betreffen immers geen essentiële punten die bovendien geen bevreemding wekken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aannemelijk en voldoende betrouwbaar en wordt het verweer van de raadsman verworpen.

3.5

De beoordeling van de tenlastelegging.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.1

Op 20 januari 2015 doet [benadeelde 1] (hierna: aangever) aangifte van diefstal onder bedreiging van een mes. Omstreeks 15:00 uur bevindt hij zich in zijn pizzeria, te weten [benadeelde 2] in De Lier, gemeente Westland. Er komen twee jongens binnen. Een van de twee jongens, de kleinste, pakt aangever beet en houdt de armen van aangever vast. De andere jongen, de langste, houdt een mes vast, vlakbij zijn hals. Vervolgens wordt aangever in de richting van de kassa geduwd, waarna hem wordt gezegd dat hij de kassa open moet maken. Vervolgens pakt de langste jongen het geld uit de geopende kassa en rennen beide jongens weg. Er blijkt € 130,- te zijn weggenomen.2

Kort hierna worden in de directe omgeving van de pizzeria medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden.3

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bekennen dat zij de overval samen hebben gepleegd. Zij zijn samen de pizzeria binnengegaan en [medeverdachte 1] heeft de man in de pizzeria vastgepakt. [medeverdachte 2] pakte het mes en hield het voor zich. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] het geld gepakt en zijn ze weggerend.4

Wat betreft het mes hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beiden verklaard dat [medeverdachte 2] het mes aan aangever heeft getoond en met de punt naar boven heeft gehouden.5 Hoewel aangever hier anders over verklaart, mist de rechtbank, gelet op de voor het overige gave bekentenis van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de overtuiging dat het mes ‘tegen en/of bij de keel van die [benadeelde 1] ’ is gehouden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het mes ‘bij die [benadeelde 1] ’ is gehouden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op 20 januari 2015 bij [benadeelde 2] te De Lier een diefstal met geweld en bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden, waarbij een geldbedrag van € 130,- is weggenomen.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare uitlokking van deze overval. Ten behoeve van de beantwoording van die vraag dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte het opzet heeft gehad op uitlokking van het feit, of de verdachte hiertoe een ander heeft aangezet, of de verdachte hierbij een of meerdere uitlokkingsmiddelen zoals misbruik van gezag, bedreiging of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft gebruikt, of het uitgelokte delict is gevolgd en of de uitgelokte strafbaar is.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op vrijdag voor de overval (de rechtbank begrijpt: vrijdag 16 januari 2015) met [betrokkene 1] had gesproken. [betrokkene 1] zei dat hij een klusje had en [medeverdachte 1] zei “ja dat is goed”. [medeverdachte 1] wist toen niet om wat voor klus het ging.6

[betrokkene 1] heeft [medeverdachte 1] vervolgens appjes gestuurd op zaterdag (de rechtbank begrijpt: zaterdag 17 januari 2015) dat hij dinsdag (de rechtbank begrijpt: dinsdag 20 januari 2015) om 14:30 uur bij station Delft moest zijn. [medeverdachte 1] moest een extra t-shirt voor hemzelf en [medeverdachte 2] meenemen om hun gezicht te bedekken – dit had hij van [betrokkene 1] geleerd – en een mes.7

Vervolgens heeft [medeverdachte 1] op zondag voor de overval (de rechtbank begrijpt: zondag 18 januari 2015) met [medeverdachte 2] gesproken over dat ze “doekoe” zouden pakken, te weten geld verdienen.8

Op 20 januari 2015 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen naar het station in Delft gegaan, alwaar ze [betrokkene 1] en een vriend van [betrokkene 1] genaamd [betrokkene 2] zagen. [betrokkene 1] zei tegen [medeverdachte 1] dat hij er wel klaar voor moest zijn. Vervolgens zijn ze met z’n vieren in de bus naar De Lier gestapt.9

Aldaar aangekomen “zeiden ze dat wij die pizzeria moesten overvallen”, “we moesten het gewoon doen”, aldus [medeverdachte 1] .10

“De jongens hebben eigenlijk alles geregeld, die wisten dat we de pizzeria moesten overvallen en welke tijd enzo. Zij hadden het in gang gezet en wij moesten daar gewoon achteraan lopen”.11

Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de pizzeria waren gelopen, zijn zij aanvankelijk weer teruggekeerd. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zeiden toen echter “ja je moet gewoon gaan”. [betrokkene 1] werd een beetje boos. Hierop zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] weer teruggelopen naar de pizzeria en heeft de overval plaatsgevonden.12

In de telefoon van [medeverdachte 1] is het volgende WhatsApp-gesprek met het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] en de naam [betrokkene 1] gedateerd 20 januari 2015 tussen 08:53 uur en 13:37 uur aangetroffen:

- ja

- hoe laat

- ik app jou. Jij moet klaar staan. Want ik kan je op elk moment appe

- kan niet. Half 2.

- ik app jou

- is goed. Wij zijn bij Leiden wij komen er nu aan. Luister dan. [betrokkene 1] . Ben er.

- eehj. Kom Delft.

- Waar ben jij wij staan daar al. Waar ben jij (13:05 uur)

- heb je 4 eu

- gewoon zwart. Waar ben jij. Hoe laat ben je hier.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het via de WhatsApp over geld verdienen had gehad. [medeverdachte 1] had hem op zaterdag voor de overval (de rechtbank begrijpt: 17 januari 2015) verteld dat [betrokkene 1] overvallen doet en had hem gevraagd “ga je mee?”. Die dinsdag (de rechtbank begrijpt: dinsdag 20 januari 2015) moest [medeverdachte 2] om 10:30 uur buiten staan. [medeverdachte 2] had een extra trui meegenomen, omdat [medeverdachte 1] hem op maandag (de rechtbank begrijpt: maandag 19 januari 2015) gezegd had die mee te nemen. Hij wist niet waarvoor dit was. Ook moest hij een mes meenemen. Dat moest van [betrokkene 1] , maar dat heeft hij niet gedaan. Vervolgens is hij samen met [medeverdachte 1] naar Delft gegaan. Daar hoorde [medeverdachte 2] van [medeverdachte 1] dat het de bedoeling was dat ze een overval zouden plegen en heeft hij [betrokkene 1] en een andere jongen ontmoet. Ze zijn in de bus gestapt. Op een gegeven moment zei [betrokkene 1] “hier uitstappen”, zijn zij uitgestapt en is hij met [medeverdachte 1] erachteraan gelopen.

Daarnaast heeft [medeverdachte 2] verklaard dat ze op een gegeven moment in een steegje stonden. [betrokkene 1] wees [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op een pizzeria, waar zij zojuist langs waren gereden en zei: “Hij heeft heel veel geld in zijn zak zitten. (…) Jullie moeten die man overvallen en zeggen dat hij op de grond moet liggen en dan moet je al het geld in zijn broekzak voelen en als daar niks zit, gewoon de kassa pakken (…) pak ook telefoons (…) en dit mes moet je ook mee naar binnen nemen.”13

[medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat het mes vervolgens werd gekeurd door [betrokkene 1]14 die zei dat het een goed mes was. [betrokkene 1] zei toen dat ze naar binnen moesten gaan en dat ze moesten zeggen dat de man op de grond moest gaan liggen. Volgens [medeverdachte 2] moest hij vragen om geld en de kassa pakken. Toen heeft [medeverdachte 2] gezegd dat hij dat niet ging doen. Toen zei [betrokkene 1] dingen als:

- “ je doet het wel anders bedreig ik jou met het mes”,

- “ hij zei anders ga ik je verwonden met dat mes”,

- “ als je het niet doet, dan gaan we je in elkaar slaan enzo, ik weet je overal te vinden” en

- “ ik heb overal mannetjes dus die pakken je wel als je vlucht”, aldus [medeverdachte 2] .15

In het steegje hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij het t-shirt om zijn hoofd moest knopen, waarbij [betrokkene 1] [medeverdachte 2] heeft geholpen.16

[medeverdachte 2] heeft tot slot verklaard dat [betrokkene 1] zei dat er geen camera’s waren. [betrokkene 1] en die vriend zeiden waar ze heen moesten rennen nadat zij de pizzeria hadden overvallen.17

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij via WhatsApp contact heeft gehad met [medeverdachte 1] (naar de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) en dat zij op dinsdag 20 januari 2015 hadden afgesproken om te chillen. Vervolgens heeft de verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (naar de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] ) in Delft ontmoet. Hier was ook nog een vierde jongen bij. Zij zijn gezamenlijk met de bus naar De Lier gegaan. Uiteindelijk hebben zij gezamenlijk in een steegje gestaan en is er gesproken over een overval. De verdachte heeft gezegd dat hij het er niet mee eens was en is vervolgens samen met zijn vriend weggerend, aldus de verdachte.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat waar [medeverdachte 1] in zijn verklaring spreekt over [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] over [betrokkene 1] respectievelijk [betrokkene 1] ”, een en dezelfde persoon wordt bedoeld, te weten de verdachte. Uit de hiervoor aangehaalde passages, waaronder de eigen verklaring van de verdachte, volgt immers dat de verdachte via de WhatsApp contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en vervolgens op 20 januari 2015 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een vierde jongen in Delft en dat zij gezamenlijk naar De Lier zijn gereisd. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat het hiervoor aangehaalde WhatsApp gesprek tussen [medeverdachte 1] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] een gesprek tussen [medeverdachte 1] en de verdachte betreft, nu de verdachte zelf heeft verklaard via WhatsApp contact te hebben gehad met [medeverdachte 1]

De rechtbank acht, gelet op de hiervoor aangehaalde passages uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare uitlokking van deze overval. Het plan om de overval te plegen, vindt zijn oorsprong bij de verdachte. Hij heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar De Lier geleid, hen op de (locatie van de) pizzeria gewezen en gezegd dat zij deze moesten overvallen. Hij heeft [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] gezegd een mes en extra t-shirt mee te nemen om het gezicht mee af te dekken, hij heeft ze geïnformeerd dat er geen camera’s zouden zijn en voorts geïnstrueerd hoe zij het geld en telefoons afhandig moesten maken. Toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangaven deze overval niet te willen plegen, is de verdachte boos geworden en heeft hij in ieder geval [medeverdachte 2] bedreigd. Uiteindelijk heeft de overval plaatsgevonden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn beide strafbaar gebleken voor de gepleegde overval en bij vonnis van heden hiervoor veroordeeld. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat aan alle volgens de wet gestelde vereisten voor een strafbare uitlokking is voldaan.

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

primair

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] op 20 januari 2015 te De Lier, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen geld (130 euro), toebehorende aan [benadeelde 1] en/of de pizzeria Lier, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en

gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het vastpakken bij het lichaam en de armen en vervolgens vasthouden van die [benadeelde 1] en

- het tonen van een mes en genoemd mes houden bij die [benadeelde 1] en

- vervolgens die [benadeelde 1] de woorden toevoegen: "maak de kassa open”;

welk feit verdachte in de periode van 17 januari 2015 tot en met 20 januari 2015 te De Lier, gemeente Westland, en/of Delft, althans in Nederland, door bedreiging en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door:

- meermalen tegen die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] op dwingende wijze te zeggen dat zij die pizzeria moesten overvallen en

- aan die [medeverdachte 1] mede te delen op welk tijdstip zij naar Delft moesten komen en welke spullen zij mee moesten nemen en

- vervolgens samen vanuit Delft met de bus met die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] naar die pizzeria in De Lier te gaan en

- tegen die [medeverdachte 2] te zeggen dat die [medeverdachte 2] in elkaar geslagen zou worden, indien die [medeverdachte 2] zou weigeren die pizzeria te overvallen en

- tegen die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] te zeggen welke spullen zij uit die pizzeria moesten meenemen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte voor de duur van maximaal één jaar bij De Hoenderloo Groep zal verblijven en dat hij de leerstraf TACT regulier zal gaan volgen. De officier van justitie heeft de rechtbank tevens verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van deze bijzondere voorwaarden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het onvoorwaardelijke gedeelte van een eventueel op te leggen vrijheidsbenemende straf in duur niet langer zal zijn dat het reeds door de verdachte in voorarrest doorgebrachte aantal dagen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Door verdachtes handelen hebben twee jongens zich schuldig gemaakt aan een brutale overval op klaarlichte dag van (de eigenaar van) een pizzeria. Dit is een zeer ernstig feit. Het slachtoffer is tijdens deze overval vastgehouden, waarbij hem een mes is getoond. De verdachte heeft door dit feit uit te lokken, er aan bijgedragen dat het slachtoffer doodsangst is aangejaagd en schade is toegebracht. Daarnaast heeft de verdachte hiermee getoond dat hij geen respect heeft voor anderen en voor eigendommen van anderen en bereid en in staat is om daarop, kennelijk met het oog op eigen behoeftebevrediging, op grove wijze inbreuk te maken. Aannemelijk is dat het slachtoffer nog geruime tijd nadelige psychische gevolgen van het feit zal ondervinden. Dat komt ook duidelijk naar voren uit de inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring zoals door het slachtoffer opgesteld en ter zitting voorgehouden. De verdachte heeft met het plegen van dit feit gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaakt, niet alleen bij het slachtoffer maar ook in de maatschappij in het algemeen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij degene is geweest die de overval heeft beraamd en die vervolgens anderen voor zijn karretje heeft gespannen om de overval uit te voeren. Hij heeft ter zitting geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen, laat staan enig inzicht verschaft in zijn beweegredenen hiertoe.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf geboden is.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2005, niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 2 april 2015, betreffende een psychologisch onderzoek, opgemaakt en ondertekend door drs. E.M. van Engers, GZ‑psycholoog, orthopedagoog en drs. L.M. Verhoef-van der Meer, GZ‑psycholoog, orthopedagoog-generalist NVO. De deskundigen concluderen dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is in diagnostische zin sprake van een gedragsstoornis, een ontwikkelingsstoornis met een vroege start vanuit hechtingsproblematiek waardoor er gesproken kan worden van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Gezien de belaste voorgeschiedenis en de persoonlijkheidsconstellatie van de verdachte wordt hij verminderd in staat geacht zijn wil te bepalen en de consequenties van zijn handelen te overzien. De gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling zijn altijd onderdeel van het functioneren van de verdachte. De deskundigen concluderen voorts dat hierdoor gesproken kan worden van een enigszins vermindering van toerekeningsvatbaarheid voor het ten laste gelegde.

Voorts concluderen de deskundigen dat de kritische factoren die van belang zijn voor de kans op recidive zijn: de geschiedenis van ernstige verwaarlozing, de stressvolle en negatieve gebeurtenissen die de verdachte heeft meegemaakt in zijn levensloop en het overlevingsgedrag dat hieruit is voortgekomen, het gebrek aan empathie en berouw en zijn berekenende gedrag. Probleeminzicht en hulpvraag ontbreken bij de verdachte. Voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling is de verdachte gebaat bij een residentiële behandeling die aansluit bij zijn gemiddelde cognitieve mogelijkheden en sociaal-emotionele beperkingen. Dit in een gestructureerde omgeving met duidelijke kaders en grenzen en een dagopleiding op een plek waar hij langere tijd kan verblijven.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemd rapport over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 27 mei 2015, alsmede op het rapport van de Jeugdreclassering, Jeugdbescherming Gelderland d.d. 5 november 2015. De ter terechtzitting aanwezige deskundige M. Koot heeft verklaard dat de Raad voor de Kinderbescherming het in het rapport van de Jeugdreclassering neergelegde advies onderschrijft. Dit advies houdt in dat aan de verdachte wordt opgelegd dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen van en afspraken met Jeugdbescherming Gelderland, dat hij zal meewerken aan de residentiële behandeling bij De Hoenderloo Groep voor de duur van maximaal één jaar en dat hij de leerstraf TACT regulier zal volgen. Daarnaast is geadviseerd dat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid zal bevelen van de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht.

De rechtbank zal, gelet op het hiervoor overwogene, een groot deel van de op te leggen vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd. De rechtbank zal tevens, zoals geadviseerd, de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden bevelen.

7 De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 930,-. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 130,-, bestaande uit de post ‘contant geld’, en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 800,-.

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast heeft hij gevorderd dat voor het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, aangezien de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 130,, toewijsbaar, nu dit het contante geld betreft dat ten gevolge van het bewezenverklaarde feit is weggenomen.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 800,, als vergoeding van de immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, gelet op de psychische gevolgen en de toegewezen bedragen in vergelijkbare zaken.

De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 930,-.

De rechtbank zal bepalen dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door een van zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 20 januari 2015 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 930,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1]

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

opzettelijke uitlokking van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor de bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 103 (honderddrie) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door Jeugdbescherming Gelderland, locatie Apeldoorn, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze periode door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

- zich voor de duur van maximaal één jaar, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de jeugdreclassering nodig achten, zal laten opnemen bij De Hoenderloo Groep, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een leerstraf, te weten TACT regulier voor de duur van 35 UREN, aangeboden door de jeugdreclassering of een soortgelijke instelling, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland, locatie Apeldoorn, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1] , een bedrag van € 930,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door een van zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 930,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1]

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Kramer, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

en mr. C.L. Strop, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.N. Schuurmans-van Erkel, griffier.

Het vonnis is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven – delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL 1563 2015021826, doorgenummerd blz. 001 t/m 299.

2 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 1] (blz. 48-50).

3 Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 1] (blz. 32-34) en proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte 2] (blz. 18-20).

4 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 278 en Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 2] ), blz. 291.

5 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 120 en Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 2] ), blz. 291.

6 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] , blz. 277.

7 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 121, 217 en 218.

8 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 277 en 278.

9 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 121, 202, 277, 278.

10 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 118, 120, 202 en 214.

11 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 215.

12 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 1] ), blz. 202 en 278.

13 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 2] ), blz. 246 en 290.

14 In het proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 2] ), blz. 282 t/m 294 wordt wisselend de naam [betrokkene 1] en “ [betrokkene 1] ” gebruikt.

15 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 2] ), blz. 237, 246 en 290.

16 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 2] ), blz. 241, 245, 288 en 289.

17 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking studioverhoor [medeverdachte 2] ), blz. 236, 242, 290, 291 en 294.