Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13347

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
C/09/496201 / KG ZA 15-1414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitlevering naar Georgië toegestaan. Taakverdeling tussen enerzijds de uitleveringsrechter en anderzijds de Minister en de civiele rechter. Geen nieuwe feiten en/of omstandigheden. Voldoende garanties bedongen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/496201 / KG ZA 15-1414

Vonnis in kort geding van 18 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. C.J. Knoops-Hamburger te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brieven van de Staat van 27 en 30 oktober 2015 en van 2 en 3 november 2015, (telkens) met producties;

- de brief van [eiser] van 30 oktober 2015, met producties;

- de op 4 november 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 3 juni 2014 hebben de Georgische autoriteiten verzocht om de uitlevering van [eiser] , zulks met het oog op diens berechting ter zake van wederrechtelijke vrijheidsbeneming, foltering en moord.

2.2.

In verband daarmee is [eiser] op 19 juni 2014 aangehouden en in verzekering gesteld.

2.3.

Bij uitspraak van 14 november 2014 heeft de uitleveringskamer van deze rechtbank de uitlevering van [eiser] aan Georgië toelaatbaar verklaard. Bij advies van diezelfde datum heeft de rechtbank aan de minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister') verzocht om (i) bijzondere aandacht te besteden aan de politieke aspecten van de vervolging van [eiser] , (ii) garanties te bedingen betreffende (a) de veiligheid van [eiser] in gevangenis nummer 9 in [plaats 2] en (b) de ter beschikkingstelling aan [eiser] van het volledige hepatitis C-programma tijdens de voorlopige hechtenis, (iii) regelmatig onaangekondigde bezoeken te doen brengen aan de inrichting waarin [eiser] verblijft, (iv) het proces in de zaak van [eiser] te doen waarnemen en rapporten dienaangaande publiek toegankelijk te maken, (v) de Georgische autoriteiten te wijzen op het belang van de onschuldpresumptie, onafhankelijke rechtspraak en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM') en (vi) te bedingen dat de tijd die [eiser] in Nederlandse uitleveringsdetentie heeft doorgebracht wordt afgetrokken van een eventueel in Georgië op te leggen vrijheidsstraf.

2.4.

Bij verstekvonnis van het Tbilisi City Court van 27 maart 2015 is [eiser] vrijgesproken van de tegen hem gerezen verdenking ter zake van wederrechtelijke vrijheidsberoving en foltering. Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld door het Georgische openbaar ministerie.

2.5.

[eiser] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank van 14 november 2014. Bij arrest van 9 juni 2015 heeft de Hoge Raad dat cassatieberoep verworpen.

2.6.

Bij brief van 16 juni 2015 heeft de Minister - met het oog op de (mogelijke) uitlevering van [eiser] en naar aanleiding van het advies van deze rechtbank van 14 november 2014 - een aantal vragen gesteld aan de Georgische autoriteiten. Deze hebben daarop - bij brief van 3 juli 2015 - gereageerd.

2.7.

Bij brief van 30 juli 2015 heeft [eiser] aan de Minister verzocht zijn uitlevering aan Georgië te weigeren, dan wel - voor zover de uitlevering toelaatbaar wordt geacht - bij de Georgische autoriteiten een aantal, aan de uitlevering verbonden, garanties te bedingen.

2.8.

Bij beschikking van 3 september 2015 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan Georgië toegestaan.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [eiser] , zakelijk weergegeven:

primair

- de Staat te bevelen niet over te gaan tot de uitlevering van [eiser] ;

subsidiair

a. de Staat te bevelen niet over te gaan tot de uitlevering van [eiser] , zolang niet kan worden gegarandeerd dat [eiser] dezelfde medische zorg in Georgië zal ontvangen als in Nederland beschikbaar is;

b. de Staat te bevelen niet over te gaan tot de uitlevering van [eiser] , zolang bepaalde garanties niet duidelijk worden gekwalificeerd, dan wel dusdanig zijn gepreciseerd dat de rechten van [eiser] op een eerlijk proces afdoende zijn verzekerd;

meer subsidiair

- de uitlevering van [eiser] aan te houden in afwachting van aanvullend medisch onderzoek naar de medische implicaties van diens ziekte hepatitis C en naar een mogelijke nieuwe behandeling die in drie maanden zou kunnen worden afgerond in Nederland;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

De Minister heeft ten onrechte de uitlevering van [eiser] aan Georgië toegestaan. Daarnaast is de Minister op onjuiste gronden slechts ten dele tegemoet gekomen aan de door [eiser] - in zijn brief van 30 juli 2015 - verzochte garanties, die - mede gelet op het advies van de rechtbank Den Haag van 14 november 2014 - naar zijn mening moeten worden bedongen bij de Georgische autoriteiten voordat tot de feitelijke uitlevering van [eiser] aan Georgië kan worden overgegaan.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Alvorens over te gaan tot de (verdere) bespreking van de vorderingen van [eiser] wordt vooropgesteld dat in de onderhavige procedure uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de Minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de uitlevering van [eiser] aan Georgië toe te staan.

De primaire vordering

4.2.

Met het oog op de door de Minister te nemen beslissing op het uitleveringsverzoek heeft [eiser] - in zijn brief van 30 juli 2015 - een vijftal redenen aangevoerd waarom de verzochte uitlevering hoe dan ook dient te worden geweigerd. Met de Staat moet worden vastgesteld dat [eiser] er daarvan slechts twee heeft gehandhaafd in het onderhavige geschil, te weten de argumenten dat hij in Georgië wordt blootgesteld aan de vervolging van een politiek delict en dat hij onschuldig is ter zake van de feiten waarvan de uitlevering is verzocht. Voor wat betreft de primaire vordering worden dan ook enkel die kwesties beoordeeld.

4.3.

Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister, zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. Die taakverdeling betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich echter op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan door de Minister indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (Hoge Raad 11 juli 2014; ECLI:NL:HR:2014:1680). De hiervoor bedoelde andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal heeft het gerechtshof Den Haag nader genuanceerd, in die zin dat het moet gaan over nadien voorgevallen nieuwe feiten en/of omstandigheden (ECLI:NL:GHDHA:2014:3750).

4.4.

Het beroep van [eiser] op de onschuldexceptie en de 'politieke vervolging' is reeds behandeld door de uitleveringskamer van de rechtbank en (deels) de Hoge Raad in de uitleveringsprocedure. De Staat heeft aangevoerd dat [eiser] zich - behoudens voor wat betreft de door [eiser] (als productie 8) in het geding gebrachte verklaring van Amnesty International - noch in zijn brief aan de Minister van 30 juli 2015, noch in het onderhavige kort geding heeft beroepen op nieuwe feiten, omstandigheden of bewijsmiddelen in de hiervoor vermelde zin. [eiser] heeft dat niet weersproken, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan. De voorhanden zijnde stukken wijzen ook niet op het tegendeel. Voormelde verklaring van Amnesty International kan [eiser] echter niet baten. De verklaring betreft "ill-treatment of inmates in the Prison N8", terwijl uit de inhoud c.q. strekking ervan niet volgt de vervolging van [eiser] een politiek karakter heeft, noch dat [eiser] onschuldig is. Daar komt bij dat - op grond van de processtukken - ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] zal worden gedetineerd in gevangenis nummer 9 en niet in nummer 8 waarop de verklaring betrekking heeft.

4.5.

Op grond van het voorgaande stond het de Minister vrij om zich voor wat betreft de onderhavige twee kwesties volledig aan te sluiten bij het oordeel van de uitleveringsrechter en de klachten van [eiser] te verwerpen. Dit brengt mee dat de primaire vordering zal worden afgewezen.

De subsidiaire vorderingen

4.6.

Gelijktijdig met de uitspraak in de uitleveringsprocedure heeft de uitleveringskamer van de rechtbank aan de Minister geadviseerd een aantal kwesties te betrekken bij diens beslissing over de toelaatbaarheid van de uitlevering van [eiser] aan Georgië, zulks - in het bijzonder - ter voorkoming van schending(en) van fundamentele (mensen)rechten. In zijn brief van 30 juli 2015 heeft [eiser] - mede in aansluiting op voormeld advies - subsidiair een aantal garanties verzocht als voorwaarde voor de uitlevering. Deze komen op het volgende neer:

( i) regelmatige en onaangekondigde bezoeken aan de inrichting waarin [eiser] is gedetineerd, teneinde te verzekeren dat de veiligheid van [eiser] is gegarandeerd;

(ii) waarneming van het strafproces van [eiser] in Georgië en het publiek toegankelijk maken van de naar aanleiding daarvan opgestelde rapporten;

(iii) de tijd die [eiser] in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht moet in mindering worden gebracht op de eventuele vrijheidsstraf waartoe hij in Georgië wordt veroordeeld;

(iv) [eiser] moet de uitkomst van zijn strafzaak in vrijheid kunnen afwachten;

( v) na de uitlevering mag [eiser] niet worden aangeklaagd voor additionele feiten, die zouden hebben plaatsgevonden voordat hij Georgië in september 2012 verliet;

(vi) behandeling in verband met hepatitis C waaraan [eiser] lijdt tijdens zijn detentie, zowel in voorarrest als tijdens het ondergaan van een (eventuele) vrijheidsstraf die hem wordt opgelegd.

Volgens [eiser] is daaraan ten onrechte slechts ten dele tegemoetgekomen door de Minister. De in dat verband door [eiser] aangevoerde bezwaren zullen hierna - in de hiervoor vermelde volgorde - worden besproken.

(i) bezoeken aan detentie-inrichting

4.7.

Vooropgesteld wordt dat op grond van de brief van de Georgische autoriteiten van 25 september 2014 (prod. 2 van de Staat) ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] - als waarborg voor zijn veiligheid - zal worden gedetineerd in een speciale vleugel van Prison 9 in [plaats 2] . Voorts is van belang dat de Staat de "Georgian Young Lawyers Association" (hierna 'GYLA') bereid heeft gevonden tot monitoring van de detentieomstandigheden ten aanzien van [eiser] in Georgië. Gesteld noch gebleken is dat GYLA daartoe niet in staat is en evenmin dat zij daarvoor niet geschikt is. Daarnaast hebben de Georgische autoriteiten - in hun brief van 3 juli 2015 - aangegeven dat er een onbeperkte mogelijkheid bestaat om [eiser] , zonder toezicht, in detentie te bezoeken. De Staat mag er op vertrouwen dat die toezegging zal worden nagekomen. Bovendien heeft de Staat gemotiveerd aangevoerd dat de Ombudsman van Georgië, als nationaal toezichthouder ingevolge het Antifolteringsverdrag van de Verenigde Naties, ook de nodige monitoringsactiviteiten zal verrichten. Reeds gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat aan de door [eiser] verlangde garantie is voldaan. Op de zitting is nog aan de orde geweest de vraag of GYLA [eiser] enkel op diens verzoek zal bezoeken of dat zij dat ook zonder een dergelijk verzoek zal doen. Volledige duidelijkheid daarover is niet ontstaan. Gelet hierop en nu niet kan worden uitgesloten dat verzoeken om een bezoek van [eiser] niet altijd bij GYLA zullen terechtkomen, terwijl het van belang is dat regelmatig bezoeken plaatsvinden (met rapportage aan de Staat/ambassade), zal voor wat betreft de onderhavige garantie worden bepaald dat GYLA periodiek bezoeken dient af te leggen aan [eiser] . De Staat heeft zich daartegen ook niet verzet.

(ii) waarneming strafproces

4.8.

Voor wat betreft de monitoring van het strafproces van [eiser] in Georgië heeft de Staat GYLA eveneens bereid gevonden. Ook in dat kader is gesteld noch gebleken dat GYLA daartoe niet in staat is, noch dat zij daarvoor ongeschikt is. Verder is van belang dat van de monitoring rapportages worden opgesteld, waarvan moet worden aangenomen dat zij publiek toegankelijk worden gemaakt. Het tegendeel is in ieder geval gesteld noch gebleken. Daarnaast hebben de Georgische autoriteiten gemotiveerd alle waarborgen voor een eerlijk proces, met de mogelijkheid van monitoring ervan, gegarandeerd. Gelet hierop en nu in het uitleveringsverzoek al is toegezegd dat [eiser] zal worden behandeld in overeenstemming met de grondwet van Georgië, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten mag de Staat er op vertrouwen dat de Georgische autoriteiten die garantie zullen nakomen.

(iii) aftrek uitleveringsdetentie

4.9.

In de brief van 30 juli 2015 hebben de Georgische autoriteiten gegarandeerd dat de uitleveringsdetentie in mindering zal worden gebracht op een eventueel op te leggen vrijheidsstraf. Op de zitting is duidelijk geworden dat [eiser] de nakoming van die garantie op zich zelf niet in twijfel trekt. Hij vreest echter dat hij voor een langere periode in voorlopige hechtenis zal worden gehouden dan de wettelijke toegestane termijn van negen maanden. In reactie daarop heeft de Staat toegezegd er bij de uitlevering de nadruk op te zullen leggen dat de voorlopige hechtenis niet langer mag duren dan toegestaan ingevolge het Georgische recht. Om verdere discussie te vermijden zal de Staat daartoe worden veroordeeld.

(iv) vrijheid tot einde strafzaak

4.10.

De door [eiser] gewenste garantie dat hij de uitkomst van de strafzaak in vrijheid mag afwachten heeft de Minister op goede gronden afgewezen. Het is aan de Georgische rechter om te bepalen of [eiser] in voorlopige hechtenis moet worden genomen. Dienaangaande een garantie vragen zou - zoals de Staat terecht heeft gesteld - een onbestaanbare inmenging betekenen in de rechtspleging in Georgië. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is op grond waarvan de Staat gehouden zou zijn een dergelijke garantie te bedingen.

(v) specialiteitsbeginsel

4.11.

De Minister heeft terecht ook geen aanleiding gezien om een garantie bedingen dat [eiser] niet voor additionele feiten zal worden vervolgd na diens uitlevering naar Georgië. Op grond van artikel 14 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, dat zowel door Georgië als Nederland is geratificeerd, is het verboden om een uitgeleverde persoon te vervolgen, te berechten en in hechtenis te nemen ter zake van een ander vóór de overlevering begaan feit dan het feit dat reden is geweest voor de uitlevering. Het 'vertrouwensbeginsel' brengt mee dat ervan mag worden uitgegaan dat die bepaling zal worden gerespecteerd door de Georgische autoriteiten. In het uitleveringsverzoek is dat overigens uitdrukkelijk gegarandeerd. In die situatie mag van de Minister niet worden verlangd dat hij dienaangaande nog(maals) een dergelijke garantie bedingt. Daaraan doen - mede bezien in het licht van al hetgeen hiervoor al is overwogen - de door [eiser] overgelegde rapportages niet af.

(vi) medische behandeling

4.12.

[eiser] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de door de Minister verkregen garantie van de Georgische autoriteiten betreffende zijn medische behandeling in verband met zijn ziekte hepatitis C tijdens de detentie in Georgië onvoldoende en ontoereikend is.

4.13.

In de brief van 3 juli 2015 delen de Georgische autoriteiten - samengevat - het volgende mee aan de Minister:

- op 20 april 2015 heeft de Georgische regering een programma ter eliminatie van hepatitis C in werking gesteld;

- dat programma is gericht op preventie, diagnose en behandeling van de ziekte;

- het programma is bij voorrang beschikbaar voor gedetineerden, zowel in voorlopige hechtenis als na een veroordeling en ongeacht de ernst en het stadium van de ziekte;

- daarnaast kent het gevangeniswezen in Georgië een eigen programma voor de behandeling van hepatitis C, dat naast het hiervoor bedoelde programma kan worden toegepast;

- aan [eiser] zal de volledige behandeling voor hepatitis C ter beschikking worden gesteld vanaf het moment dat hij in Georgië is gedetineerd.

4.14.

Daar komt bij dat - zoals hiervoor al overwogen - de detentieomstandigheden regelmatig zullen (moeten) worden gemonitord. Hieronder valt zeker ook de medische behandeling van [eiser] .

4.15.

Bij die stand van zaken valt niet in te zien welke garantie daarnaast nog zou moeten worden bedongen. Hieraan doet niet af de uitspraak van het EHRM uit 2009 en de (relevante) rapportage(s) die [eiser] in het geding heeft gebracht. Deze dateren van vóór het op 20 april 2015 in werking gestelde hepatitis C-programma. Bovendien stelt [eiser] zelf de dat de medische zorg in gevangenissen in Georgië de afgelopen jaren is verbeterd.

Slotsom

4.16.

Al het voorgaande brengt mee dat subsidiaire vorderingen (slechts) toewijsbaar zijn op na te melden wijze.

De meer subsidiaire vordering

4.17.

Ter onderbouwing van zijn meer subsidiaire vordering heeft [eiser] aangevoerd dat zijn behandelend arts heeft medegedeeld dat hij met het oog op de hepatitis C een nieuwe behandeling zou kunnen ondergaan in Nederland die drie maanden in beslag zou nemen, waarna hij grotendeels zou zijn genezen van zijn ziekte.

4.18.

Gesteld noch gebleken is dat thans sprake is van een acute situatie op grond waarvan [eiser] die behandeling onmiddellijk zou moeten ondergaan. De Staat heeft dat in ieder geval gemotiveerd betwist. Bovendien staat vast dat [eiser] op dit moment niet wordt behandeld in verband met zijn ziekte. Daar komt bij dat - gelet op hetgeen hiervoor onder 4.12 tot en met 4.15 is overwogen - niet kan worden aangenomen dat [eiser] tijdens zijn detentie in Georgië niet adequaat zal worden behandeld ter zake van zijn ziekte. In die omstandigheden bestaat er geen aanleiding de zaak aan te houden teneinde [eiser] in staat te stellen nog een onderzoek en/of een behandeling in Nederland te laten ondergaan.

Afronding

4.19.

Op grond van al het bovenstaande zal worden beslist zoals hieronder in het dictum vermeld.

4.20.

[eiser] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

beveelt de Staat, in aanvulling op de reeds bedongen garanties:

- er voor zorg te dragen dat GYLA de detentieomstandigheden van [eiser] in Georgië periodiek monitort en met het oog daarop regelmatig bezoeken aflegt bij hem, ongeacht of daartoe een verzoek is uitgegaan van [eiser] ;

- bij de daadwerkelijke uitlevering van [eiser] ten opzichte van de Georgische autoriteiten te benadrukken dat de voorlopige hechtenis ten aanzien van [eiser] niet langer mag duren dan toegestaan ingevolge het Georgische recht;

5.2.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op18 november 2015.

jvl