Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13341

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
C-09-496135 FA RK 15-7126
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Verzoek vader tot teruggeleiding van twee minderjarigen naar Suriname. De ouders zijn nooit getrouwd geweest. De moeder heeft van rechtswege de voogdij en de vader is door de kantonrechter te Paramaribo benoemd tot toeziend voogd.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt de toeziende voogdij naar Surinaams recht niet in dat aan de vader het gezagsrecht toekomt als bedoeld in artikel 7 lid 2 onder a van het (analoog toegepaste) Verdrag.

Moeder had dus geen toestemming nodig van de vader voor de verhuizing van de minderjarigen naar Nederland.

Vader heeft, voor het geval zijn verzoek tot teruggeleiding zal worden afgewezen, subsidiair verzocht een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te gelasten naar de meest geschikte woonplaats van de minderjarigen. T.a.v. dit verzoek is de rechtbank Den Haag niet bevoegd, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Rosmalen is. Dit verzoek is voor verdere behandeling doorverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant (locatie Den Bosch).

Verder heeft de vader vaststelling van een omgangs- en informatieregeling verzocht. Hierover hebben partijen ter terechtzitting afspraken gemaakt, welke zijn opgenomen in de beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-7126

Zaaknummer: C/09/496135

Datum beschikking: 22 oktober 2015 (bij vervroeging)

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 11 september 2015 ingekomen verzoek van:

[de vader]

de vader,

wonende te [woonplaats] (Suriname),

advocaat: mr. J.A. Neslo te Almere.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    de brief d.d. 22 september 2015, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief d.d. 23 september 2015, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief d.d. 9 oktober 2015, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    het verweerschrift, ingediend op 14 oktober 2015.

Op 24 september 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J.M. Vink. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 29 september 2015 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd.

De minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname), is op 15 oktober 2015 in raadkamer gehoord.


Op 15 oktober 2015 is de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader heeft primair verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór 1 oktober 2015, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Suriname, dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Suriname, met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Subsidiair heeft de vader, voor het geval het verzoek tot teruggeleiding zal worden afgewezen, verzocht een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te gelasten naar de meest geschikte woonplaats voor de minderjarigen dan wel naar de situatie van de minderjarigen, alsmede vaststelling van een omgangsregeling en een informatieregeling.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname).
De vader heeft de minderjarigen naar Surinaams recht erkend.

- De moeder is van rechtswege belast met de voogdij over de minderjarigen.

- Bij beschikking van de Kantonrechter te Paramaribo (Suriname) van 23 oktober 2013 is de vader tot toeziende voogd benoemd.

- Bij voornoemde beschikking is een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen bepaald van een weekend per veertien dagen alsmede de helft van de schoolvakanties. Tevens is een door de vader met ingang van 1 november 2013 te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen van SRD 400,- per kind per maand vastgesteld.

- De moeder heeft op 14 april 2015 de vader via een Whatsapp-bericht laten weten dat zij met de minderjarigen in Nederland verblijft.

- Op 17 april 2015 heeft de moeder de vader via een Whatsapp-bericht medegedeeld dat zij in Nederland werk kan krijgen.

- De moeder en de minderjarigen verblijven sedertdien in Nederland.

- De minderjarigen gaan in [woonplaats] naar de basisschool.

- De vader, de moeder en de minderjarigen hebben allen de Surinaamse nationaliteit.

- De vader heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 150091.

Beoordeling

De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Hoewel Suriname geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag?

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Suriname hadden. Wel in geschil is welke betekenis dient te worden gegeven aan de positie van de vader als toeziend voogd.

Volgens de vader houdt deze toeziende voogdij, in combinatie met de actieve rol die hij had in het leven van de minderjarigen, in dat hij feitelijk het gezagsrecht uitoefende en dat de moeder toestemming aan hem had moeten vragen voor een verhuizing naar Nederland. Wat betreft deze actieve rol wijst de vader op de ruime omgangsregeling die hij had en zijn betrokkenheid bij school en alle activiteiten van de minderjarigen. De vader maakte van elke gelegenheid gebruik om de minderjarigen te kunnen zien, zo stelt hij.

Nu de moeder geen toestemming aan hem heeft gevraagd voor vertrek naar Nederland met de minderjarigen, is er sprake van ongeoorloofde overbrenging, aldus de vader. Hij is daarbij van mening dat de moeder, door op deze manier de voogdij uit te oefenen, een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de belangen van de minderjarigen zelf. De moeder heeft de minderjarigen, zonder dat ze daarop voorbereid waren, op ondoordachte en onzorgvuldige wijze uit hun vertrouwde en veilige leefomgeving weggehaald. De moeder heeft daarbij geen rekening gehouden met de schadelijke gevolgen die dit voor de minderjarigen kan meebrengen.

De moeder is van mening dat zij als voogdes over de minderjarigen mag bepalen waar de minderjarigen wonen en dat zij daarvoor niet de toestemming van de vader nodig heeft. Volgens de moeder is de rol van de toeziende voogd slechts beperkt tot het toezicht op de vermogensrechtelijke gang van zaken met betrekking tot een kind. Er is dan ook geen sprake van ongeoorloofde overbrenging, aldus de moeder.

De rechtbank overweegt als volgt. De toeziende voogdij is geregeld in de artikelen 419 tot en met 429 van het Surinaamse Burgerlijk Wetboek (hierna: SBW). Volgens artikel 424 SBW bestaan de verplichtingen van de toeziende voogd in het waarnemen van de belangen van de minderjarige, wanneer deze met die van de voogd in strijd zijn. De artikelen 425 tot en met 427 SBW hebben betrekking op toezicht op verplichtingen van de voogd van vermogensrechtelijke aard. Artikel 428 SBW bepaalt dat de toeziende voogd, indien –samengevat– de voogdij niet wordt uitgeoefend, benoeming van een nieuwe voogd dient te bewerkstelligen, en intussen alle daden van voogdij moet verrichten die geen uitstel dulden.
Uit de door de rechtbank bij het Internationaal Juridisch Instituut opgevraagde informatie kan worden afgeleid dat de taak van de toeziende voogdij vooral gelegen is op het vermogensrechtelijke vlak.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt de toeziende voogdij naar Surinaams recht aldus niet in dat aan de vader een gezagsrecht toekomt in de zin van artikel 7 lid 2 onder a van het (analoog toegepaste) Verdrag. Het feit dat een door de rechter vastgestelde omgangsregeling van kracht is en de vader een actieve rol speelt in het leven van de minderjarigen, maakt dat niet anders, nu dergelijk intensief contact en betrokkenheid bij het leven van de minderjarigen ook mogelijk is zonder formeel gezag.

Dat betekent dat de moeder geen toestemming van de vader behoefde voor de verhuizing van de minderjarigen naar Nederland. Het zou de moeder hebben gesierd als zij in de onderhavige situatie, waarbij er een goed en regelmatig contact was tussen de vader en de minderjarigen, wel overleg had gevoerd met de vader en dat zij de minderjarigen en de vader niet voor een voldongen feit had geplaatst. Zoals ook ter terechtzitting naar voren is gekomen acht de rechtbank de wijze waarop de moeder de minderjarigen onvoorbereid heeft meegenomen naar Nederland, zonder dat zij afscheid hebben kunnen nemen van hun vader, hun school en hun vriendjes en vriendinnetjes, niet in het belang van de minderjarigen. Ook acht de rechtbank de komst naar Nederland zonder op enige wijze de voortzetting van het contact met hun vader te borgen, niet in het belang van de minderjarigen. Nu de moeder als voogdes echter wel de bevoegdheid had om de minderjarigen mee te nemen naar Nederland, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ongeoorloofde overbrenging in de zin van het Verdrag. Het verzoek van de vader tot teruggeleiding zal dan ook worden afgewezen.

Subsidiair verzoek

Ter terechtzitting heeft de vader, voor het geval het verzoek tot teruggeleiding zal worden afgewezen, subsidiair verzocht een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te gelasten naar de meest geschikte woonplaats voor de minderjarigen dan wel naar de situatie van de minderjarigen, gelet op het feit dat zij recht hebben op contact met beide ouders. In dat verband heeft de vader gewezen op het feit dat de moeder in strijd met de belangen van de minderjarigen heeft gehandeld. De rechtbank vat dit verzoek op als een verzoek tot wijziging van de (hoofd) verblijfplaats van de minderjarigen en overweegt hieromtrent het volgende.

Nu uit het voorgaande volgt dat het de moeder vrijstond zonder toestemming van de vader met de minderjarigen naar Nederland te verhuizen, bevindt de gewone verblijfplaats van de minderjarigen zich als gevolg van deze verhuizing thans in Nederland. Nu de
moeder in [woonplaats] woont, geldt dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in [woonplaats] hebben. Dat betekent dat deze rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige verzoek van de vader. De rechtbank zal dit verzoek ter verdere behandeling doorverwijzen naar de bevoegde rechtbank, te weten de rechtbank [plaats] .

De vader heeft ook verzocht om vaststelling van een omgangsregeling en een informatieregeling. Naar aanleiding van dit verzoek hebben de ouders ter terechtzitting afspraken gemaakt en de rechtbank eenparig verzocht deze in de onderhavige beschikking op te nemen. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen.
Met betrekking tot de omgangsregeling zijn partijen de volgende regeling overeengekomen. De moeder gaat in de zomer van 2016 twee weken met de minderjarigen naar Suriname, zodat de minderjarigen bij de vader kunnen zijn. Als het met haar werk mogelijk is langer te gaan, zal zij dit doen. In de meivakantie 2017 zal zij eveneens twee weken met de minderjarigen naar Suriname gaan, dit alles zolang haar positie als voogd in Suriname zeker is.

De vader zal in de zomer (niet duidelijk is over welke zomer dat gaat) drie weken naar Nederland komen en de minderjarigen bij zich hebben, waarbij de planning in overleg zal geschieden. Verder zal hij in de meivakantie –naar de rechtbank begrijpt in 2016 – twee weken naar Nederland komen en de minderjarigen bij zich hebben alsmede in de kerstvakantie twee weken, met uitzondering van één kerstdag.

Als de vader buiten de tussen partijen ter zitting afgesproken regeling naar Nederland komt, mag hij de minderjarigen ook zien en dit geldt omgekeerd ook als de moeder buiten de afgesproken regeling naar Suriname komt. Een en ander dient wel in overleg te geschieden.

De rechtbank zal deze omgangsregeling vastleggen in deze beschikking.

Met betrekking tot de informatieregeling hebben partijen afgesproken dat de moeder de vader tweemaandelijks informeert en daarbij foto’s stuurt. Indien er bijzondere zaken aan de orde zijn, zal de moeder de vader tussentijds informeren.

Kosten

Nu het verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen, bestaat geen aanleiding de moeder te veroordelen in de kosten. Dit verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname), en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

naar Suriname;

neemt de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling en informatie- en consultatieregeling, zoals hiervoor weergegeven, op in deze beschikking, en verklaart deze regeling uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek met betrekking tot de (hoofd)verblijfplaats van de minderjarigen en verwijst de zaak met betrekking tot dit verzoek in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank [plaats] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.A. Keulen, N.B. Verkleij en O.F. Bouwman, kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Pereira Horta-van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2015.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.

De griffier is buiten staat deze

beschikking mede te ondertekenen