Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13238

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 12489
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De afwijzing aanvraag verblijfsvegunningen van Turks echtpaar om hier arbeid als zelfstandigen te mogen verrichten en van hun kinderen om bij hen te mogen blijven, is door de staatsecretaris onvoldoende gemotiveerd. Uit bestreden besluiten blijkt niet duidelijk of de staatssecretaris aanneemt dat de ouders een levensvatbaar stukadoorsbedrijf hebben. Dit is van belang nu eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel hebben gedaan en daartoe met concrete voorbeelden hebben onderbouwd dat bij vergelijkbare vergunde gevallen uitsluitend de levensvatbaarheid is beoordeeld en niet ook de vraag of de ondernemingen een negatief effect op de werkgelegenheidssituatie hebben, zoals bij eisers wel is gebeurd. De staatsecretaris heeft weliswaar gesteld dat in die vergelijkbare gevallen ook aan het verdringingseffect is getoetst, maar heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/12489 (beroep), AWB 15/12490 (voorlopige voorziening), AWB 15/12491 (beroep), AWB 15/12492 (voorlopige voorziening), AWB 15/12530 (beroep) en AWB 15/12531 (voorlopige voorziening)

V-nrs: [volgnummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 6 november 2015 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] , eiser en verzoeker, hierna eiser,

[de vrouw]

geboren op [geboortedatum] , eiseres en verzoekster, hierna eiseres,

in hun hoedanigheid als ouders mede namens:

[minderjarige]

geboren op [geboortedatum] ,

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] en

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] ,

allen van Turkse nationaliteit,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. C.A. Madern),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoots).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 11 november 2014 (de primaire besluiten I) heeft verweerder de aanvragen van eiser en eiseres om verlening van een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Bij eveneens afzonderlijke besluiten van 11 november 2014 (de primaire besluiten II) heeft verweerder de aanvragen van de kinderen van eiser en eiseres om verlening van een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘verblijf bij ouders’ afgewezen.

De tegen de primaire besluiten I en II gemaakte bezwaren zijn bij afzonderlijke besluiten van

2 juni 2015 (de bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

Hangende de bezwaarfase hebben eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Deze verzoeken zijn door de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 6 februari 2015 afgewezen (AWB 14/25809, AWB 14/25805, AWB 14/25800, AWB 14/25795 & AWB 14/25807).

Op 26 juni 2015 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen. Bij brieven van 26 juni 2015 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting van eisers te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Eiser, eiseres en hun oudste kind zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig

A. Calbaijir, tolk in de Turkse taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep inzake AWB 15/12489 en AWB 15/12491

1.1

Eiser en eiseres hebben eerder op respectievelijk 19 april 2010 en 26 juli 2010 een aanvraag ingediend om in Nederland arbeid als zelfstandige te kunnen verrichten. Bij besluiten van 14 september 2010 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen en bij besluiten van 1 april 2011 de bezwaren ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van

22 januari 2013 (kenmerk: 201109479/1/V1) de laatstgenoemde besluiten in stand gelaten.

1.2

Eiser en eiseres hebben op 27 september 2013 onderhavige aanvraag ingediend om in Nederland arbeid als zelfstandige te kunnen verrichten als vennoot van de vennootschap onder firma (VOF) [firma] . Eiser en eiseres drijven samen als elkaars medevennoot de VOF sinds 4 november 2009.

1.3

Ter onderbouwing van hun aanvraag hebben eiser en eiseres een ondernemingsplan van 13 juni 2013, verklaringen van opdrachtgevers, aangiften omzet- en inkomstenbelasting over 2012 tot en met het tweede kwartaal van 2014, (concept en tussentijdse) balans- en verlies- en winstrekeningen over 2012 en 2013, (tussentijdse) jaarrekeningen over 2012 en 2013, salarisstroken van werknemers, facturen, bankafschriften, offertes en aanslagen van de Belastingdienst overgelegd. In bezwaar hebben eiser en eiseres elf adviezen van de minister van Economische zaken (EZ) overgelegd in andere zaken met betrekking tot Turkse zelfstandigen, te weten:

 een advies van 27 januari 2011 inzake [naam] ;

 een advies van 3 augustus 2012 inzake [naam2] ;

 een advies van 7 november 2012 inzake [naam3] ;

 adviezen van 30 november 2012 en 13 augustus 2013 inzake [naam4] ;

 een advies van 12 december 2012 inzake [naam5] ;

 een advies van 19 januari 2013 inzake [naam6] ;

 een advies van 12 februari 2013 inzake [naam7] ;

 een advies van 13 februari 2013 inzake [naam8] ;

 een advies van 6 februari 2014 inzake [naam9] ;

 een advies van onbekende datum inzake [naam10] .

Verder hebben eiser en eiseres een door een accountant op 4 december 2014 aangepast en uitgebreid ondernemingsplan overgelegd, alsmede stukken van ABN AMRO, het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) en Afbouwpost Stukadoors met betrekking tot de brancheprognose. Tevens zijn nadere facturen, aangiften omzetbelasting over het 2e en 3e kwartaal van 2014 en het 1e kwartaal van 2015, aangiften inkomstenbelasting over 2014, aangifte loonheffing mei 2015, bankafschriften, verklaringen van opdrachtgevers, jaarcijfers over 2014, salarisstroken van twee werknemers en kwartaalcijfers over het 1e kwartaal van 2015 overgelegd. In beroep is een artikel afkomstig van www.nu.nl van 9 juli 2015 en een artikel afkomstig van www.nos.nl van 16 juli 2015 overgelegd.

2.1

In de primaire besluiten I heeft verweerder de aanvraag van eiser en eiseres afgewezen onder verwijzing naar een negatief advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) van 23 oktober 2014 (het advies). In dit advies is geconcludeerd dat met de arbeid van eiser en eiseres geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend. Overwogen wordt dat uit de door eiser en eiseres overgelegde stukken is gebleken dat de onderneming, waarmee weliswaar het wettelijk minimumloon wordt verdiend, grotendeels afhankelijk is van een tweetal opdrachtgevers. Dit betekent een gevaar voor de continuïteit van de onderneming. Bovendien heeft deze manier van werken voor Nederland geen meerwaarde, maar juist een negatieve invloed op de markteconomie en de werkgelegenheidssituatie. De werkzaamheden zijn niet van dien aard dat deze niet door een nu nog werkloze gedaan zouden kunnen worden. Gezien het feit dat Nederland kampt met een zeer hoge werkloosheid, ook in de bouw, zorgt iedere toetreding in deze branche voor een ongewenste instandhouding van bestaande werkloosheid, ook van zzp’ers die hun bedrijf te gronde hebben zien gaan als gevolg van de crisis.

2.2

In de bestreden besluiten handhaaft verweerder de primaire besluiten I en stelt zich daarbij – kort samengevat – op het standpunt dat eiser en eiseres geen contra-expertise dan wel andere stukken hebben overgelegd waarmee het advies wordt weerlegd. De omstandigheid dat, zoals door eiser en eiseres is aangevoerd, zij met de onderneming alle jaren een winst hebben behaald van meer dan de minimumnorm en derhalve moet worden aangenomen dat de onderneming levensvatbaar is, is irrelevant. Immers, wanneer sprake is van verdringing, is levensvatbaarheid van de onderneming niet voldoende om te kunnen concluderen tot het bestaan van een wezenlijk Nederlands economisch belang. De in bezwaar door eiser en eiseres ingediende financiële stukken vormen dan ook geen aanleiding om de aanvraag opnieuw aan de RvO voor te leggen.

3.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat sprake is van een herhaalde aanvraag. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraken van 27 september 2013 ECLI:NL:RVS:2013:1350 en van 12 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2003) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd, dan wel uit hetgeen is aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser en eiseres voldoende nieuwe stukken hebben overgelegd die dateren van na de eerdere aanvraag. Deze stukken hebben bovendien geleid tot voorlegging van het dossier aan de RvO voor advies, hetgeen bij de vorige aanvraag niet het geval is geweest. Alleen al daarom kan niet worden geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarvan op voorhand duidelijk is dat deze niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit. De rechtbank zal dan ook overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de beroepen.

4.1

Op grond van artikel 3.30, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan een verblijfsvergunning worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend.

4.2

Van een wezenlijk Nederlands belang is sprake indien een vreemdeling met de door hem beoogde bedrijfsmatige activiteit een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie levert. Zodanige bijdrage doet zich slechts voor, indien de desbetreffende activiteit in een behoefte voorziet en geen negatieve invloed heeft op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands economisch belang is voldaan.

5.1

Eiser en eiseres voeren allereerst aan dat hun onderneming levensvatbaar is nu zij sinds de start van hun onderneming, vijf jaar geleden, een winst hebben behaald die jaarlijks ruimschoots meer dan het wettelijk minimumloon bedroeg. Verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en artikel 41 van het Aanvullend Protocol bij het Associatieverdrag EEG-Turkije (de standstill-bepaling). De RvO heeft immers in eerdere adviezen, te weten de adviezen inzake [naam5] en [naam2] , met betrekking tot Turkse zelfstandigen juist het behalen van een dergelijke winst doorslaggevend geacht. Ook is de afhankelijkheid van één of twee opdrachtgevers in eerdere adviezen, te weten die inzake

[naam] , [naam4] en [naam9] , niet als een gevaar voor de continuïteit van de onderneming gezien, terwijl dit – overigens ten onrechte nu eiser en eiseres, anders dan in het advies is opgenomen, meer dan twee opdrachtgevers hebben – wel aan eiser en eiseres wordt tegengeworpen.

5.2

Verweerder lijkt zich in de bestreden besluiten enerzijds op het standpunt te stellen dat, gezien het feit dat eiser en eiseres met de onderneming in alle jaren winst van meer dan de minimumnorm hebben behaald, moet worden aangenomen dat de onderneming levensvatbaar is. Anderzijds lijkt verweerder zich, onder verwijzing naar het advies, op het standpunt te stellen dat de onderneming grotendeels afhankelijk is van een tweetal opdrachtgevers en dat een dergelijke situatie een gevaar voor de continuïteit van de onderneming betekent. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat de levensvatbaarheid niet direct in geschil is en dat de onderneming weliswaar winstgevend is, maar dat dit niet ziet op de toekomstverwachting, wat juist van belang is voor de levensvatbaarheid van de onderneming.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat het op basis van de hiervoor weergegeven motivering niet duidelijk is of verweerder aanneemt dat sprake is van een levensvatbare onderneming. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat eiser en eiseres in het kader van de levensvatbaarheid van de onderneming hebben gedaan. Hieruit volgt dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 3:46 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is reeds hierom gegrond.

6. Ten behoeve van de nadere besluitvorming en finalisering van het geschil zal de rechtbank hierna ingaan op de overige beroepsgronden.

6.1

Eiser en eiseres voeren verder aan dat het tegenwerpen van het verdringingseffect door verweerder niet reëel en bovendien in strijd met de standstill-bepaling is. Het verdringingseffect wordt in het advies aangehaald gelet op de vooruitzichten voor 2014 van de marktsituatie en de arbeidsmarkt, maar die zijn gebaseerd op achterhaalde en verouderde cijfers en trends uit 2013. Uit de door eiser en eiseres overgelegde stukken van EIB en ABN AMRO blijkt dat de situatie gunstiger is dan in het advies is voorgehouden. Voorts is verweerder geheel voorbij gegaan aan het feit dat de onderneming zich vooral bezig houdt met restauratie van ornamenten in oudere panden. Door deze specialisatie is er met het werk van en door eiser en eiseres geen sprake van het verdringen van een ‘gewone’ stukadoor.

6.2

De rechtbank overweegt dat het vaste jurisprudentie van de Afdeling is dat een advies van de RvO kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden (zie onder meer de uitspraak van 22 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:947). Daartoe dient het advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent te zijn. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder het advies aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies.

6.3

De rechtbank stelt vast dat eiser en eiseres geen contra-expertise hebben overgelegd.

Anders dan eiser en eiseres betogen kunnen de eerdere adviezen met betrekking tot andere Turkse zelfstandigen niet worden aangemerkt als een contra-expertise nu deze niet ingaan op de specifieke omstandigheden van de onderneming in geschil. De aanpassing van het ondernemingsplan heeft evenmin te gelden als een (vorm van) contra-expertise nu dit een weergave vormt van de onderneming, van de inzet van eiser en eiseres binnen de onderneming en van de plannen die zij hebben ten aanzien van de bedrijfsvoering. Onderdeel daarvan is een markt- en risicoanalyse. Dat valt evenwel niet aan te merken als een tegenonderzoek op basis waarvan concrete aanknopingspunten zijn aan te wijzen voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de RvO. De overgelegde stukken van EIB en ABN AMRO doen voorts niet af aan het advies, nu dat is gebaseerd op cijfers en prognoses van ING en Rabobank ten aanzien van de bouwsector. Daarin is ook een stabilisatie van de woningmarkt benoemd, maar desalniettemin wordt geen snel herstel van de bouwsector verwacht, aldus het advies. De door eiser en eiseres overgelegde stukken geven naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies. Dit geldt tevens voor de stelling van eiser en eiseres ten aanzien van het specialistische werk dat de onderneming verricht. Verweerder mocht daarom bij haar besluitvorming uitgaan van het advies. Het betoog faalt.

6.4

Eiser en eiseres betogen voorts dat het verdringingseffect bovendien niet op hen van toepassing is gegeven de adviezen in andere, vergelijkbare zaken, te weten de adviezen in de zaken [naam5] , [naam] , [naam2] , [naam7] , [naam3] , [naam10] en [naam8] . Uit deze positieve adviezen blijkt dat verweerder in dergelijke gevallen enkel heeft getoetst aan de levensvatbaarheid van de ondernemingen en dat het verdringingseffect in het geheel niet is beoordeeld. Het verdringingseffect is derhalve als zodanig eerder niet tegengeworpen, zodat het nu alsnog tegenwerpen ervan in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en de standstill-bepaling.

6.5

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gestelde omstandigheid dat de RvO in andere zaken alleen heeft gekeken naar de levensvatbaarheid en niet naar het verdringingseffect, niet maakt dat het beleid dienaangaande is gewijzigd. Er is sprake van voortschrijdend inzicht met betrekking tot de toepassing van dat beleid, zodat geen sprake is van het – in strijd met de standstill-bepaling of het gelijkheidsbeginsel – opwerpen van een nieuwe beperking. Verweerder verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van

24 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2879). Ter zitting heeft verweerder het bestreden besluit op dit punt toegelicht en aangegeven dat altijd al en in alle zaken aan het verdringingseffect is getoetst en dat, waar dit niet is gebeurd, dit op een ambtelijke misslag berust.

6.6

De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de hiervoor onder 6.5 door verweerder genoemde uitspraak heeft geoordeeld dat het verdringingseffect onderdeel is van de beoordeling of de vreemdeling met zijn onderneming een negatief effect heeft op de werkgelegenheidssituatie en reeds om die reden geen wezenlijk Nederlands belang dient. Dat in het advies rekening is gehouden met het verdringingseffect betekent daarom niet dat het daarop gebaseerde besluit in strijd is met de standstill-bepaling. Dit betoog faalt daarom.

Ten aanzien van het in dit kader door eiser en eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat uit in ieder geval een aantal van de door hen genoemde en met onderhavige zaak vergelijkbare zaken, te weten [naam5] , [naam7] , [naam10] en [naam8] , niet kenbaar blijkt dat aan het verdringingseffect is getoetst. Nu eiser en eiseres hun stelling met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit kader met concrete gevallen hebben onderbouwd, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de enkele, niet nader onderbouwde opmerking van algemene aard dat in die adviezen, hoewel dit niet uit de adviezen blijkt, wel degelijk ook aan het verdringingseffect is getoetst. Het is aan verweerder om meer specifiek aan te geven waarom de vergelijking met de aangegeven gevallen niet kan slagen. Datzelfde geldt voor de stelling van eiser en eiseres dat in de zaken van [naam6] , [naam4] en [naam9] pas een verdringingseffect zou worden aangenomen als ze op de arbeidsmarkt zouden verschijnen en geen zzp-er meer zijn, terwijl in het geval van eiser en eiseres wordt aangenomen dat iedere toetreding in de branche als verdringing wordt beschouwd. Verweerder heeft op dit onderdeel van het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet gereageerd. De beroepsgrond slaagt.

6.7

Het betoog van eiser en eiseres dat verweerder ten onrechte de inreisverboden niet heeft opgeheven nu deze in strijd met de standstill-bepaling zijn opgelegd, faalt. De rechtbank stelt vast dat deze inreisverboden zijn opgelegd bij de besluiten van

9 augustus 2013, genomen op hun aanvragen op grond van de definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen (de Kinderpardonregeling). In de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 13 juni 2014 (Awb 14/2185), waarbij het beroep van eisers ongegrond is verklaard, is tevens geoordeeld dat de inreisverboden terecht door verweerder zijn opgelegd. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, staan de opgelegde inreisverboden in rechte vast.

6.8

Verweerder heeft gelet op al het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie kunnen komen dat het beroep kennelijk ongegrond is en heeft ten onrechte van het horen van eiser en eiseres afgezien. Het beroep van eiser en eiseres op schending van de in artikel 7:2 van de Awb neergelegde hoorplicht slaagt.

7. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Nu de geconstateerde gebreken niet eenvoudig te herstellen zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaken te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank draagt verweerder dan ook op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

Ten aanzien van het beroep inzake AWB 15/12530

8.1

Namens de minderjarige kinderen zijn op 2 januari 2014 afzonderlijke aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [de man] ’. Verweerder heeft deze aanvragen bij de primaire besluiten II, gehandhaafd bij de bestreden besluiten, afgewezen en zich op het standpunt gesteld dat, nu eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, zijn kinderen reeds om die reden niet in aanmerking komen voor een van hem afhankelijke verblijfsvergunning.

8.2

Nu het beroep in de zaak AWB 15/12489 gegrond is verklaard en verweerder in die zaak is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, is het beroep in deze zaak reeds hierom gegrond. Immers, de minderjarige kinderen hebben verzocht om een van hun vader afgeleide verblijfsvergunning, terwijl de bezwaren naar aanleiding van de afwijzing van die vergunning opnieuw door verweerder dienen te worden beoordeeld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

8.3

Omdat verweerder in het kader van de nieuwe besluitvorming opnieuw zal moeten toetsen aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, bestaat geen aanleiding de hierop betrekking hebbende beroepsgronden thans nader te bespreken.

Ten aanzien van de verzoeken om voorlopige voorzieningen

9. De gevraagde voorzieningen strekken ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op de beroepen. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, gelet op het feit dat de rechtbank heden op de beroepen heeft beslist.

Ten aanzien van alle zaken:

10.1

Op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb treft de rechtbank voorts een voorlopige voorziening die ertoe strekt de uitzetting van eisers te verbieden totdat opnieuw op de bezwaren is beslist.

10.2

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers de door hen betaalde griffierechten vergoedt.

10.3

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Nu de beroepsgronden in alle zaken zijn ingediend middels weliswaar afzonderlijke, maar gelijkluidende beroepschriften, ziet de rechtbank aanleiding hiervoor 1 punt toe te kennen. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummer: AWB 15/12489 en AWB 15/12491,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/12530,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummer: AWB 15/12490, AWB 15/12492 en AWB 15/12531,

- wijst de verzoeken af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- treft een voorlopige voorziening die ertoe strekt de uitzetting van eisers te verbieden totdat opnieuw op de bezwaren is beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.002,-- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.470,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Knikkink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MK

Coll.: NV

D:

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.