Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
AWB 15/7087
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 83a Vw; artikel 3.109e Vb; relevante wijziging recht

Het betoog dat artikel 83a Vw over de wijze van toetsing van een asielbesluit een relevante wijziging van het recht is, die bij de beoordeling moet worden betrokken, wordt niet gevolgd. De rechtbank overweegt dat artikel 83a Vw van toepassing is op de rechterlijke procedure. Deze bepaling richt zich niet tot de beslissingsautoriteit, waartoe in Nederland verweerder is aangewezen. In aanmerking genomen dat met artikel 83a Vw niet een beoordelende in plaats van een toetsende rechter is beoogd, zoals volgt uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:11350), heeft deze bepaling derhalve geen directe relevantie voor de beoordeling door de beslissingsautoriteit van de voorliggende asielaanvraag, zodat om die reden geen sprake is van een relevante wijziging van het recht. Het betoog dat artikel 18 van Richtlijn 2013/32, dat geïmplementeerd is in artikel 3.109e Vb, relevant gewijzigd recht is wordt evenmin gevolgd. Verweerder heeft eerder op basis van de onderzoeksbevindingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde stukken, eisers asielrelaas op essentiële onderdelen ongeloofwaardig bevonden. Onder deze omstandigheden is er geen grond voor het oordeel dat deze bepaling voor eiser kan worden aangemerkt als een relevante wijziging van het recht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat hij zijn standpunt handhaaft dat hij niet terugkomt van zijn in rechte vaststaande standpunt over de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas, waaruit is af te leiden dat verweerder een medisch onderzoek, als bedoeld in artikel 3.109e Vb, niet relevant acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 15/7087

Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2015

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [nummer] ,

van Armeense nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder, (onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Op 7 februari 2011 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag heeft verweerder laatstelijk bij besluit van 10 maart 2015 afgewezen. Daarnaast heeft verweerder besloten eiser geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te verlenen.

Op 3 april 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.D. Albarda. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Op 29 september 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna het onderzoek is gesloten.

De beoordeling

Ten aanzien van de afwijzing van de asielaanvraag

1. Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser van

7 februari 2011 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij uitspraak van 29 oktober 2013 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat verweerder zijn standpunt dat de medische klachten van eiser geen aanleiding geven voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onvoldoende heeft gemotiveerd (AWB 12/31964). In deze uitspraak, gelezen in samenhang met de tussenuitspraak van 27 juni 2013, heeft de rechtbank voorts overwogen dat verweerder zich, onder verwijzing naar het door de minister van Buitenlandse Zaken opgestelde individuele ambtsbericht van 7 augustus 2012 (hierna: het individuele ambtsbericht), op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert en derhalve ongeloofwaardig is.

2. Tegen de uitspraak van 29 oktober 2013 is geen hoger beroep ingesteld, zodat het daarin opgenomen oordeel over de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas in rechte vaststaat. Dit laat onverlet dat indien en voor zover eiser ter zake nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, dan wel als hij bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, thans neergelegd in artikel 83.0a van de Vw 2000, het nieuw genomen besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen daaronder begrepen, ook in zoverre door de bestuursrechter kan worden getoetst.

3. Het betoog van eiser dat het Besluit van 12 december 2014, nummer

WBV 2014/36, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2014, nr. 36910; hierna: WBV 2014/36) een wijziging van recht behelst, dat een ander licht werpt op het in rechte vaststaande oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, kan niet slagen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 9 april 2015 (zaak nr. 201501445/1/V2, AB 2015/292) houdt de in WBV 2014/36 neergelegde integrale geloofwaardigheidsbeoordeling geen wijziging van recht in.

4. Eiser heeft voorts betoogd dat het per 20 juli 2015 luidende artikel 83a van de Vw 2000 een wijziging van recht inhoudt die bij de beoordeling moet worden betrokken.

In artikel 83a van de Vw 2000 is bepaald dat de toetsing van een asielbesluit een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Dit betreft een implementatie van artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: de Richtlijn).

Op grond van artikel II, eerste lid, van de Wet tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Richtlijn heeft artikel 83a van de Vw 2000 onmiddellijke werking, behalve als het onderzoek voor die datum is gesloten.

Hoewel het besluit dateert van voor 20 juli 2015, heeft sluiting van het onderzoek na

19 juli 2015 plaatsgevonden. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat artikel 83a van de Vw 2000 op grond van het overgangsrecht geen relevantie heeft.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 83a van de Vw 2000 is neergelegd op welke wijze de rechter een asielbesluit toetst. Aldus is dit artikel van toepassing op de rechterlijke procedure. Deze bepaling richt zich niet tot de beslissingsautoriteit, waartoe in Nederland verweerder is aangewezen. In aanmerking genomen dat met artikel 83a van de Vw 2000 niet een beoordelende in plaats van een toetsende rechter is beoogd, zoals volgt uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:11350), heeft deze bepaling derhalve geen directe relevantie voor de beoordeling door de beslissingsautoriteit van de voorliggende asielaanvraag, zodat om die reden geen sprake is van een relevante wijziging van het recht.

5. Volgens eiser is artikel 18 van de Richtlijn, dat geïmplementeerd is in artikel 3.109e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), eveneens een relevante wijziging van het recht.

Ingevolge artikel 3.109e, eerste lid, van het Vb 2000, zoals dat luidt met ingang van
20 juli 2015, biedt verweerder, indien hij het voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, relevant acht, een medisch onderzoek aan naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade.

Eiser heeft gesteld dat hij psychische klachten en littekens heeft die verband houden met zijn asielrelaas. Volgens eiser dient te worden beoordeeld of deze klachten en littekens stroken met zijn verklaringen.

In de voorgaande procedure is geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij geen geloof hecht aan de verklaringen van eiser omtrent de redenen van zijn vertrek uit Armenië. Dit standpunt heeft verweerder gebaseerd op de conclusies van het individuele ambtsbericht. Daaruit blijkt dat een aantal door eiser ter ondersteuning van zijn asielrelaas overgelegde stukken vals, of naar alle waarschijnlijkheid vals, zijn bevonden en niet zijn afgegeven door de daartoe bevoegde instanties. Ook blijkt daaruit dat een persoon met de naam van eiser niet in het door hem genoemde ziekenhuis heeft gelegen, het door eiser opgegeven woonadres niet is gelokaliseerd, maar dat eiser wel staat geregistreerd op een ander adres, en dat een persoon met de naam van eiser niet wordt gezocht door de Armeense autoriteiten. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 27 juni 2013 vastgesteld dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd en overwogen dat in de door eiser geplaatste kanttekeningen geen concrete aanknopingspunten te vinden zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het individuele ambtsbericht, zodat verweerder zijn standpunt over de geloofwaardigheid hierop heeft kunnen baseren. Ten aanzien van het betoog dat aan de littekens van eiser onvoldoende bewijskracht is toegekend, is overwogen dat dit faalt omdat uit de (enkele) aanwezigheid van littekens niet zonder meer volgt dat eiser moet worden gevolgd in zijn verklaringen over de wijze waarop hij aan deze littekens is gekomen. Omdat eiser tegen dit oordeel geen hoger beroep heeft ingesteld staat dit in rechte vast.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder op basis van de onderzoeksbevindingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde stukken, eisers asielrelaas op essentiële onderdelen, zoals zijn woonplaats en zijn verblijf in een ziekenhuis, ongeloofwaardig heeft bevonden. Onder deze omstandigheden is er geen grond voor het oordeel dat deze bepaling voor eiser kan worden aangemerkt als een relevante wijziging van het recht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder op de zitting van 10 september 2015 heeft bevestigd dat hij zijn standpunt handhaaft dat hij niet terugkomt van zijn in rechte vaststaande standpunt over de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas, waaruit is af te leiden dat verweerder een medisch onderzoek, als bedoeld in artikel 3.109e van het Vb 2000, niet relevant acht. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat deze bepaling voor eiser kan worden aangemerkt als een relevante wijziging van het recht. De beroepsgrond faalt derhalve.

6. Bij uitspraak van 29 oktober 2013 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard omdat verweerder zijn standpunt dat de medische klachten van eiser niet konden leiden tot de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onvoldoende had gemotiveerd.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de adviezen van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 6 mei 2014, 6 januari 2015 en

3 maart 2015 geen aanleiding bestaat om eiser op grond van zijn medische klachten op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

8. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer D. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 2 mei 1997, nr. 30240/96, Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 6 februari 2001, nr. 44599/98, en N. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 27 mei 2008, nr. 26565/05; alle: www.echr.coe.int, kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebreke aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens de hiervoor genoemde uitspraken van het EHRM slechts sprake zijn als de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

9. Het BMA heeft in dit kader drie adviezen uitgebracht. In het advies van
6 mei 2014 heeft de BMA-arts geconcludeerd dat eiser psychische klachten heeft die voortkomen uit een posttraumatische stressstoornis en een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. In het advies staat verder vermeld dat eiser in Oostenrijk een suïcidepoging heeft gedaan en dat hij suïcide overweegt indien hij wordt uitgezet. Volgens de arts bevindt eiser zich niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van enige ziekte. Bij het uitblijven van behandeling zal geen medische noodsituatie op korte termijn ontstaan. Wel zijn medische voorzieningen rondom de reis noodzakelijk. Eiser dient tijdens de reis te worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige en ook dient een fysieke overdracht aan de behandelaar in Armenië plaats te vinden.

Naar aanleiding van een suïcidepoging van eiser na de totstandkoming van het voornemen van 10 juni 2014 heeft het BMA op 6 januari 2015 op verzoek van verweerder een nieuw advies uitgebracht dat een soortgelijke strekking heeft als het advies van 6 mei 2014.


In het advies van 3 maart 2015 heeft de BMA-arts geconcludeerd dat zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan. Het BMA herhaalt de conclusies die in het advies van
6 mei 2014 zijn opgenomen.

10. Eiser heeft betoogd dat hij ten onrechte niet voorafgaand aan het besluit van

10 maart 2015 in kennis is gesteld van het BMA-advies van 3 maart 2015.

Niet in geschil is dat eiser voorafgaand aan het besluit van 10 maart 2015 niet in kennis is gesteld van het BMA-advies van 3 maart 2015. Nu verweerder het besluit van

10 maart 2015 heeft genomen zonder eiser vooraf in kennis te stellen van dit advies, dat verweerder heeft ingewonnen naar aanleiding van hetgeen bekend is geworden over de medische klachten van eiser, en dat advies, omdat het besluit daar mede op is gebaseerd, van aanmerkelijk belang is geweest voor het nemen van dat besluit, heeft verweerder door eiser daarvan voorafgaand aan dat besluit niet in kennis te stellen, in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2011 (201012200/1) en 9 maart 2011 (201007028/1). De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, aangezien eiser in het kader van de beroepsprocedure de gelegenheid heeft gehad om op het BMA-advies van 3 maart 2015 te reageren, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt, zodat hij niet in zijn belangen is geschaad.

11. Eiser heeft betoogd dat het advies van 3 maart 2015 onzorgvuldig tot stand is gekomen. De onderdelen van het advies van het BMA van 6 mei 2014, waarop eiser in de zienswijze kritiek heeft geleverd, zijn in ongewijzigde vorm in latere adviezen herhaald, zodat deze kritiek niet is weerlegd, aldus eiser.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1), strekt, indien en voor zover verweerder adviezen van het BMA aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de adviezen van het BMA - naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent zijn.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd. In hetgeen eiser heeft aangevoerd over de juistheid van de adviezen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet van de adviezen heeft mogen uitgaan. Het plaatsen van kritische kanttekeningen ten aanzien van de conclusies van het BMA over eisers medische toestand, zonder deze te onderbouwen met een contra-expertise, is onvoldoende om de juistheid van het als deskundigenbericht aan te merken advies van het BMA te weerleggen. Het betoog van eiser dat de punten in het advies van het BMA van

6 mei 2014 waarop eiser in de zienswijze kritiek heeft geleverd in ongewijzigde vorm in latere adviezen zijn herhaald, waardoor deze latere adviezen, die aan het besluit van

10 maart 2015 ten grondslag zijn gelegd, onzorgvuldig zijn, heeft eiser niet nader geconcretiseerd. Bovendien heeft eiser in de zienswijze de kritische opmerkingen op het BMA-advies van 6 mei 2014 met name geplaatst in het licht van de suïcidepoging van eiser, die nadien heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze suïcidepoging heeft het BMA nieuwe adviezen uitgebracht, waarbij die suïcidepoging is betrokken. Ook overigens zijn er onvoldoende aanknopingspunten dat de BMA-adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Uit het feit dat in het BMA-advies van 3 maart 2015 wordt aangegeven dat in december 2014 nog niet bekend was welke behandelvorm gegeven zou worden, blijkt die onzorgvuldigheid niet.

Eiser heeft verder betoogd dat zijn terugkeer naar Armenië strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM, omdat geen sprake is van een veilige behandelomgeving. In dit kader heeft eiser zich beroepen op het rapport ‘Human Rights situation in Neuropsychiatric Medical Institutions in 2013’ van het Helsinki Citizens Assembly Vanadzor (hierna: HCA) van 2014. Uit dit rapport blijkt volgens eiser dat mishandeling voorkomt in psychiatrische instellingen, in de vorm van fysiek of psychologisch geweld en door arbeidsuitbuiting.

Zoals volgt uit de BMA-adviezen bevindt eiser zich niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van enige ziekte, zodat de medische klachten reeds hierom geen grond opleveren voor het oordeel dat hem bij terugkeer een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te wachten staat. Voor zover eiser beoogd heeft te stellen dat

hij na overdracht aan de behandelaar in Armenië op grond van de situatie in de instellingen een zelfstandig risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM kan dit betoog evenmin slagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met het door hem overgelegde rapport onvoldoende aannemelijk gemaakt dat iemand als eiser, die wordt overgedragen aan een behandelaar in Armenië, tegen zijn zin in een instelling zal worden opgenomen en vastgehouden. Daarbij komt dat eiser voor behandeling ook terecht kan in een van de andere, niet door het HCA onderzochte en in het HCA-rapport betrokken instellingen genoemd in de landeninformatie behorend bij de BMA-adviezen, en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in deze instellingen sprake is van een dusdanige situatie dat terugkeer naar Armenië zal leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM.


12. Voorts betoogt eiser dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 64 van de Vw 2000.


Op 3 maart 2015 heeft het BMA een afzonderlijke nota in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 uitgebracht. Hierin wordt vermeld dat sinds de vorige advisering, in het BMA-advies van 6 januari 2015, de situatie ongewijzigd is, zodat een deel van de destijds gegeven antwoorden wordt overgenomen. Nadien verkregen informatie van het FACT 3 team van Orbis Geestelijke Gezondheidszorg is voorts betrokken bij de advisering.

In het advies wordt, kort en zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat het uitblijven van de behandeling van de klachten van eiser niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Eiser is in staat om te reizen, onder de voorwaarden dat hij wordt begeleid en fysiek wordt overgedragen aan een psychiater in Armenië. De benodigde behandeling is voorts in Armenië aanwezig.

Ten aanzien van het betoog dat eiser niet voorafgaand aan het besluit van 10 maart 2015 in kennis is gesteld van het BMA-advies van 3 maart 2015, is de rechtbank van oordeel dat dit betoog slaagt. Voor de motivering en de consequenties daarvan verwijst de rechtbank kortheidshalve naar hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 10.

Ten aanzien van het beroep op artikel 64 van de Vw 2000 overweegt de rechtbank dat eiser niet gemotiveerd heeft betwist dat hij in staat is om te reizen en dat er bij het uitblijven van de behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

13. Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om eiser ambtshalve in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid faalt reeds omdat dit beleid (per 1 januari 2003) is afgeschaft. Dat het driejarenbeleid zou zijn afgeschaft met het argument dat geen noodzaak meer bestond voor dit beleid, vanwege de snellere asielprocedures onder de Vw 2000, en de asielprocedure van eiser reeds meerdere jaren duurt, doet daaraan niet af.

Voor zover eiser heeft betoogd dat het Vb 2000 de mogelijkheid biedt om hem op grond van schrijnende omstandigheden met gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning te verlenen, betekent niet dat verweerder in onderhavig geval aan eiser een verblijfsvergunning asiel had moeten verlenen of hem ambtshalve in het bezit had moeten stellen van een reguliere verblijfsvergunning. Indien eiser van mening is dat hij op humanitaire gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning dient hij een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.

14.Eiser heeft in het aanvullend beroepschrift tenslotte te kennen gegeven dat zijn zienswijze op het voornemen van 10 juni 2014 als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Nu verweerder op die zienswijze evenwel in het besluit van 10 maart 2015 heeft gereageerd en eiser met de enkele verwijzing niet heeft gesteld dat en waarom die reactie van verweerder tekortschiet, faalt de beroepsgrond reeds hierom.

15.Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

16. Eiser heeft de rechtbank verzocht om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Sinds het instellen van beroep door eiser op 8 oktober 2012 tegen het besluit van

4 oktober 2012 tot deze uitspraak zijn drie jaar en een maand verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. De rechterlijke fase heeft geduurd van

8 oktober 2012 tot en met 29 oktober 2013 en van 3 april 2015 tot de datum van deze uitspraak. De bestuurlijke fase heeft geduurd van 29 oktober 2013 tot en met 3 april 2015.

Aan het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase is overschreden. Op het verzoek om schadevergoeding zal nog moeten worden beslist. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de rechtbank daarbij de Staat der Nederlanden (de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het onderzoek onder een nieuw nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van eiser om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, mr. Tj. Gerbranda en
mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).