Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13082

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/7494 (vovo)

SGR 15/7463 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 november 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland),

en

de burgemeester van [gemeente], verweerder,

(gemachtigde: C.B.L.M. de Ridder en drs. P.J.L Broersen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [adres] te [woonplaats] te sluiten voor een periode van drie maanden.

Bij besluit van 8 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en bepaald dat de sluiting ingaat op 3 november 2015.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij e-mail van 22 oktober 2015 heeft verweerder medegedeeld dat het bestreden besluit wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015.

Verzoekster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Haar partner is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gevraagde voorziening aanwezig. Uit de behandeling ter zitting blijkt immers dat er nog geen uitvoering is gegeven aan het vonnis van de kantonrechter van 28 oktober 2015, waarin de huurovereenkomst tussen verzoekster en [huurstichting X] is ontbonden, in die zin dat verzoekster en haar kinderen nog in de woning wonen, zodat zij belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening.

1.2

Omdat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op het beroep.

2 De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.1

Verzoekster woont met haar vier minderjarige kinderen ( ± 17, 13, 9 en 1) in de woning [adres] te [woonplaats]. Verzoekster huurt de woning van [huurstichting X].

2.2

Op 17 december 2014 heeft de politie in de woning [adres] te [woonplaats] een hennepkwekerij aangetroffen. In een kamer stond een kweektent met 125 hennepplanten.

3 Vanwege de hennepkwekerij heeft verweerder overeenkomstig zijn beleid de sluiting gelast van de woning voor de duur van drie maanden.

4 Verzoekster stelt – kort gezegd- dat het beleid niet op de juiste wijze is gepubliceerd en inhoudelijk onverbindend is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers dat bij een eerste overtreding moet worden volstaan met een waarschuwing. Anders dan in Maastricht is er in [woonplaats] geen drugsproblematiek, zoals blijkt uit een rapport van de GGD Hollands Midden. Voorts valt niet in te zien waarom er in het beleid onderscheid wordt gemaakt tussen de aanwezigheid van hennep en een hennepkwekerij. Verder stelt verzoekster dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat de Opiumwet niet is bedoeld voor herstel van de openbare orde, woon- en leefklimaat. Volgens verzoekster had moeten worden volstaan met een waarschuwing. Voorts heeft de sluiting een punitief karakter, omdat de overtreding reeds tien maanden geleden is beëindigd. De sluiting is in strijd met de proportionaliteit en subsidairiteit. De hennepkwekerij is van haar partner, zij is ook niet strafrechtelijke veroordeeld. Verweerder heeft de belangen van verzoekster onvoldoende betrokken. Tot slot voert verzoekster aan dat sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden.

5 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1

De stelling van verzoekster dat zij geen betrokkenheid had bij de kwekerij kan haar niet baten. Het bestaan van enige mate van schuld, betrokkenheid of verwijtbaarheid aan de zijde van de eigenaar en/of bewoner van de woning is geen vereiste om tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet te kunnen overgaan. Als huurder van de woning is verzoekster verantwoordelijk voor hetgeen zich daarin afspeelt.

5.2

In het dossier ontbreken stukken waaruit blijkt dat de politie gemachtigd was om binnen te treden. Echter, ook indien een machtiging tot binnentreden ontbrak, leidt dat niet zonder meer tot het oordeel dat het besluit tot sluiting van de woning onrechtmatig was. Daarvoor is nodig dat de bij binnentreding verkregen informatie tegenover haar is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die informatie onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken omdat verzoekster haar standpunt op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

5.3

Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet geldt als uitgangspunt dat bij een eerste overtreding van dit artikel een waarschuwing of een soortgelijke maatregel volgt, waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Dit vanwege het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor de bewoners.

Verweerder beschikt bij de uitoefening van de bevoegdheid om een woning te sluiten op grond van de Opiumwet over beleidsvrijheid, als gevolg waarvan de rechter de invulling van die bevoegdheid door de burgemeester met enige terughoudendheid moet toetsen. De gemeente [woonplaats] heeft in haar “Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet” opgenomen dat indien er een hennepkwekerij wordt aangetroffen bij een eerste overtreding direct tot sluiting van de woning wordt overgegaan. Onder artikel 7 is in het beleid een hardheidsclausule opgenomen.

Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat [woonplaats] een groot drugsprobleem kent en dat de gemeenteraad prioriteit aan bestrijding daarvan heeft gegeven.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beleid niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever, namelijk dat er bij eerste overtreding een waarschuwing wordt gegeven voordat over wordt gegaan tot sluiting van een woning, tenzij sprake is van een ernstig geval. Het betoog van verweerder dat in [woonplaats] sprake is van een groot drugsprobleem die het voeren van een dergelijk streng beleid zou rechtvaardigen, kan niet worden gevolgd. Nog daargelaten of een uitzonderlijke drugsproblematiek zou kunnen leiden tot afwijking van bovengenoemd uitgangspunt, is van een dergelijke situatie in [woonplaats] niet gebleken.

Het beleid geeft de mogelijkheid om bij bijzondere omstandigheden, als de gevolgen voor de betrokkene onevenredig zijn met het te dienen doel, af te wijken van het beleid. Die afwijkingsbevoegdheid acht de voorzienigenrechter echter onvoldoende. Ingevolge de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3941) dient verweerder immers bij de toepassing van het beleid alle relevante feiten en omstandigheden, alsmede alle indicatoren, zowel belastende als ontlastende, zorgvuldig in kaart te brengen en kan niet worden volstaan met de beoordeling van bijzondere omstandigheden. Verweerder dient vervolgens een afweging te maken van deze feiten, omstandigheden en indicatoren om te beoordelen of de situatie dermate ernstig is dat sluiting moet volgen, dan wel dat met een waarschuwing of een andere, minder ingrijpende, maatregel kan worden volstaan.

Dat verweerder niet alle relevante feiten, omstandigheden en indicatoren heeft betrokken bij zijn besluitvorming blijkt ook in de nu voorliggende casus. Verweerder heeft ten aanzien van de aanwezigheid van vier minderjarige kinderen slechts overwogen dat die aanwezigheid geen reden is om van het beleid af te wijken. Uit de navraag van verweerder bij Jeugdzorg over opvang van de jongste drie kinderen bij hun opa en oma tijdens de sluiting blijkt immers niet dat verweerder de belangen van de kinderen betrokken heeft bij de besluitvorming om over te gaan tot een sluiting. Daaruit blijkt slechts dat verweerder zich ervan heeft vergewist dat nà sluiting van de woning er een oplossing voorhanden was voor de opvang van de kinderen. Dat verweerder bij zijn besluit heeft betrokken dat de drie jongste kinderen voor de duur van de sluiting gescheiden zouden leven van hun moeder en oudste broer en of de sluiting een dergelijke inbreuk kan rechtvaardigen is in de besluitvorming niet meegewogen. Voorts is niet gebleken dat verweerder heeft het tijdsverloop tussen de geconstateerde overtreding en het besluit tot sluiting op enige wijze heeft betrokken bij de besluitvoering.

5.4

Met inachtneming van het voorgaande acht de voorzieningenrechter de in geding zijnde bepalingen uit het beleid onverbindend. Dit heeft tot gevolg dat verweerder niet bevoegd is op grond van die bepaling uit het beleid de woning van verzoekster te sluiten. Het beroep van verzoekster is dan ook gegrond en het bestreden besluit van 8 september 2015 dient te worden vernietigd. Omdat het een bevoegdheidsgebrek betreft ziet de voorzieningerechter tevens aanleiding om het primaire besluit van 24 april 2015 te herroepen.

6 Gezien de beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7 De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt van het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep.

8 De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 7:15 en artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken, één en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 4 punten toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het gelijkluidende beroep- en het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het totaal door verweerder aan verzoekster te vergoeden bedrag bedraagt € 1.960,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 september 2015;

- herroept het primaire besluit van 24 april 2015;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.960-;

- draagt verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht (2x) van in totaal € 334,- aan verzoekster te vergoeden;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.