Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13065

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
09/807724-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft een 54–jarige man en een 32–jarige vrouw veroordeeld tot 9 maanden cel voor flessentrekkerij. De man en de vrouw hebben in een periode van vijf maanden bij 16 bedrijven onder meer gebak, drank, sigaretten, kerstversiering en kunstkerstbomen op rekening gekocht en daarvoor niet betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/807724-14

Datum uitspraak: 16 november 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ,

[adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 augustus 2014 (niet-inhoudelijk), 21 november 2014 (inhoudelijk) en 2 november 2015 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Polderman en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. W.C. Alberts, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat hij:

1.

hij in of omstreeks de periode 1 augustus 2013 tot en met 29 april 2014 op na te noemen plaatsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

(zaak 1)

a. in of omstreeks de periode van 23 december 2013 tot en met 2 januari 2014

te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder taarten en/of gebak) met een totale waarde van 1.447,69 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 1] en/of

(zaak 2)

in of omstreeks de periode 18 november 2013 tot en met 17 januari 2014 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder salades en/of broodjes en/of gebak) met een totale waarde van 4.295,95 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 2] en/of

(zaak 3)

in of omstreeks de periode van 28 oktober 2013 tot en met 15 januari 2014 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder taarten en/of gebak) met een totale waarde van 2.233,14 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 3] en/of

(zaak 4)

in of omstreeks 25 september 2013 tot en met 18 december 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder belegde broodjes en/of taarten) met een totale waarde van 346,25 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 4] en/of

(zaak 5)

in of omstreeks de periode 26 september 2013 tot en met 6 november 2013 te Schiedam en/of Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder rookwaar en/of alcoholische dranken) met een totale waarde van 65.409,86 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 5] en/of

(zaak 6)

in of omstreeks de periode 11 oktober 2013 tot en met 23 oktober 2013 te Pijnacker, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, huishoudelijke artikelen en/of decoratiemateriaal met een totale waarde van 1.357,04 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 6] en/of

(zaak 7)

in of omstreeks de periode 16 oktober 2013 tot en met 1 november 2013 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, decoratiemateriaal (waaronder kerstversiering en/of kunstkerstbomen) en/of levensmiddelen met een totale waarde van 5.910,27 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 7] en/of

(zaak 8)

in of omstreeks de periode 1 augustus 2013 tot en met 11 september 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, huishoudelijke artikelen (waaronder een citruspers en/of een friteuse en/of een keukenmachine) met een totale waarde van 14.457,46 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 8] en/of

(zaak 9)

i. in of omstreeks de periode 1 december 2013 tot en met 31 januari 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, decoratiemateriaal (waaronder kerststukken en/of kerstversieringen en/of kunstkerstbomen) met een totale waarde van 2.907,29 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 9] en/of

(zaak 10)

in of omstreeks de periode 9 januari 2014 tot en met 13 januari 2014 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder flessen alcoholische drank) met een totale waarde van 1.058,25 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 10] en/of

(zaak 11)

in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 30 december 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder flessen alcoholische drank) met een totale waarde van 2.067,80 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 11] en/of

(zaak 12)

in of omstreeks de periode 15 september 2013 tot en met 11 november 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder gebak en/of broodjes) met een totale waarde van 3.900,14 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 12] en/of

(zaak 13)

in of omstreeks de periode 1 oktober 2013 tot en met 30 november 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, huishoudelijke artikelen en/of decoratiemateriaal met een totale waarde van 2.532,98 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 13] ;

(zaak 14)

in of omstreeks de periode 12 december 2013 tot en met 18 december 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder chocolade letters) met een totale waarde van 420,50 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 14] en/of

(zaak 15)

in of omstreeks de periode van 29 augustus 2013 tot en met 31 augustus 2013 te Rotterdam en/of Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder frisdrank en/of rookwaren) met een totale waarde van 5.406,18 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 15] en/of

(zaak 16)

in of omstreeks de periode van 26 december 2013 tot en met 22 januari 2014 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, levensmiddelen (waaronder beefburgers en/of brownies) met een totale waarde van 1.325,60 euro, althans een hoge waarde, bij [slachtoffer 16] ;

2.

ter berechting gevoegd 852099-14:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 december 2012 tot en met 5 maart 2014 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, terwijl verdachte (als natuurlijk persoon handelend onder de naam [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 14 januari 2014, in staat van faillissement is verklaard, de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, waarmee volgens de artikelen 10 boek twee en/of artikel 15i boek 3 administratie is gevoerd en die hij ingevolge dat artikel bewaard heeft, niet in ongeschonden staat tevoorschijn heeft gebracht;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 17 december 2012 tot en met 5 maart 2014 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als natuurlijk persoon handelend onder de naam [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 14 januari 2014, in staat van faillissement is verklaard, en door de curator en/of rechter-commissaris wettelijk is opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk niet is verschenen en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De zaak draait in essentie om de vraag of verdachte zich in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 29 april 2014, al dan niet samen met een of meer anderen, schuldig heeft gemaakt aan flessentrekkerij door bij diverse bakkerijen, drankhandels, groothandels en tuincentra goederen af te nemen terwijl hij niet van plan was daarvoor te betalen (feit 1).

Verder moet de rechtbank beoordelen of verdachte na het faillissement van zijn bedrijf [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft nagelaten zijn administratie over te leggen (feit 2, eerste cumulatief/alternatief), met opzet niet heeft gereageerd op een oproep van de curator, niet de juiste inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft verschaft (feit 2 tweede cumulatief/alternatief).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit en dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte] (de zaken 3, 4, 5, 8) althans alleen (de zaken 1, 2, 10, 11, 12 en 14, 15 en 16) heeft begaan, met dien verstande dat zij vrijspraak heeft gevorderd voor de zaken 6, 7, 9 en 13.

Daarnaast acht de officier van justitie het onder 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit eveneens wettig en overtuigend bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Op de zitting van 2 november 2015 heeft de raadsman van [medeverdachte] , mr. A.C. Bosch, om nader onderzoek gevraagd. De raadsvrouw van [verdachte] heeft zich daarbij aangesloten in die zin, dat zij de rechtbank heeft verzocht om als het verzoek van mr. Bosch toegewezen wordt, dit onderzoek ook in de zaak van haar cliënt te verrichten.

De raadsvrouw heeft voorts ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde feiten betoogd dat verdachte nooit de bedoeling heeft gehad de afgenomen goederen niet te betalen, zodat het oogmerk daarop ontbreekt en verdachte daarvan integraal moet worden vrijgesproken. Meer subsidiair heeft zij bepleit dat verdachte niet betrokken was bij de zaken 6, 7, 9 en 13. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat verdachte de overige feiten tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd, omdat die buiten medeweten van verdachte om bestellingen heeft gedaan waarbij ze zijn bedrijfsgegevens heeft gebruikt. Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw gemotiveerd vrijspraak bepleit.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Feit 1

De rechtbank merkt allereerst op, dat zij het door mr. Bosch verzochte onderzoek niet noodzakelijk heeft geacht voor de verdediging. Zij zal dus ook de behandeling van de zaak van verdachte niet aanhouden voor onderzoek.

3.4.1.1 Inleiding

Verdachte is vanaf 17 december 2012 eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , volgens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel gevestigd aan de [adres 2] te Den Haag.2 Verdachte stond ook ingeschreven op dat adres en heeft daar naar zijn zeggen in de periode van mei 2013 tot begin 2014 gewoond.3Het bedrijf is op 14 januari 2014 door de rechtbank Den Haag failliet verklaard.4

3.4.1.2 Partiële vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de zaken 6, 7, 9 en 13 (betreffende de aankopen bij de tuincentra). Uit het dossier valt namelijk niet af te leiden dat verdachte op een of andere manier betrokken is geweest bij de aankopen die [medeverdachte] op naam van [bedrijf 1] bij deze tuincentra heeft gedaan.

3.4.1.3 [slachtoffer 8] (zaak 8)

[aangever 1] heeft namens [slachtoffer 8] (volgens de facturen: [slachtoffer 8] ) te Den Haag aangifte gedaan van oplichting door verdachte en zijn dochter [medeverdachte] . Zijn verklaring luidt als volgt.

Eind augustus 2013 zijn [verdachte] en zijn dochter [medeverdachte] bij aangever (de rechtbank begrijpt: bij [getuige 1] ) geweest om te praten over de mogelijkheden om goederen te kopen op rekening. De voorwaarden waren het verstrekken van een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een machtiging voor automatische incasso. Verdachte gaf te kennen dat hij dit wel wilde. Tussen 5 september 2013 en 11 september 2013 zijn er goederen gekocht voor een totaalbedrag van 14.457,46 euro. De goederen zijn of door [verdachte] of door [medeverdachte] meegenomen.

Aangever heeft verklaard dat hij op verschillende manieren geprobeerd heeft om het geld te incasseren. Als hij contact had met verdachte zei deze dat hij zo snel mogelijk zou betalen en [medeverdachte] zei elke keer dat zij contact op zou nemen met haar vader over de betaling en dat zij daar niets mee te maken had5.

[aangever 1] heeft ‘ [medeverdachte] ’ later herkend op een foto van [medeverdachte]6.

[medeverdachte] heeft erkend dat zij een keer met [verdachte] naar een Sligro-achtig bedrijf is geweest7. De rechtbank merkt op dat de Sligro evenals het [slachtoffer 8] een horecagroothandel betreft.

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij klant was bij het [slachtoffer 8] . Hij heeft voor een bedrag van ongeveer 9000 euro goederen op rekening aangeschaft en was echt van plan om te betalen, maar toen hij hoorde dat er aangifte was gedaan heeft hij geen contact meer opgenomen. Hij heeft een machtiging (de rechtbank begrijpt: voor automatische incasso) ondertekend. Op zijn zakelijke rekening heeft hij nooit een gulden gezet of ervan afgehaald8.

Verdachte heeft uiteindelijk verklaard dat het [medeverdachte] was die zich hier heeft uitgegeven voor [medeverdachte]9.

Ter zitting heeft verdachte nog verklaard dat hij bij dit bedrijf een citruspers heeft gehaald en dat [verdachte] een dubbele friteuse en een keukenmachine heeft meegenomen10.

De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat verdachte en [medeverdachte] samen naar het [slachtoffer 8] zijn gegaan om te bewerkstelligen dat zij bij dit bedrijf op rekening konden kopen. Hierbij hebben zij zich voorgedaan als vader en dochter. [medeverdachte] gebruikte hier de valse naam ‘ [medeverdachte] ’. Daarna hebben zei allebei goederen op rekening afgenomen. Enige betaling is uitgebleven.

3.4.1.4 [slachtoffer 5] (zaak 5)

[aangever 2] heeft op 8 november 2013 namens [slachtoffer 5] , een groothandel in levensmiddelen in Schiedam, aangifte gedaan van oplichting. Hij verklaarde dat hij in september 2013 werd gebeld door [medeverdachte] . Zij vertelde dat haar vader, [verdachte] , eigenaar was [bedrijf 1] Export en [bedrijf 2] en dat zij bruiloften en partijen verzorgden. Zelf had zij een kledingzaak en een lunchroom. Zij deed voor € 1.000,- inkopen per week en vroeg of zij klant kon worden van [slachtoffer 5] en goederen af kon nemen.11

Op 17 september 2013 hebben mevrouw [medeverdachte] en haar vader een gesprek gehad met [getuige 1] van [slachtoffer 5] . Dit gesprek vond plaats aan de [adres 3] te Capelle aan den IJssel. [medeverdachte] vertelde dat ze veel bruiloften, partijen, kinder- en doopfeestjes verzorgden en dat het hem te veel tijd kostte om de levensmiddelen steeds op te halen. Hij wilde ze graag laten bezorgen.

Nadat er een ondertekende machtiging voor automatische incasso was binnengekomen, volgde een aantal bestellingen en leveringen. Incasso’s werden echter gestorneerd. [medeverdachte] zegde telefonisch meermalen toe dat er betaald zou worden, maar dat gebeurde niet.

[getuige 1] heeft verklaard, dat hij de afspraak in Capelle had gemaakt met [verdachte] en dat gaandeweg het gesprek werd overgenomen door [medeverdachte] , zijn dochter. Zij zou in het pand in Capelle haar bedrijf gaan starten. [getuige 1] herkende [medeverdachte] op een foto van [medeverdachte] .12 Volgens [getuige 1] heeft verdachte gezegd dat zijn dochter [medeverdachte] alle zaken regelde en zijn belangen behartigde.13

In het dossier bevinden zich facturen van [slachtoffer 5] gericht aan verdachte en gedateerd 30 september 2013 (€ 5476,20), 7 oktober 2013 (€ 6534,84), 14 oktober 2013 (€ 7836,87), 21 oktober 2013 (€ 13.417,99) 28 oktober 2013 (€ 10.687,23) en 4 november 2013 (€ 21.456,73)14. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 65.409,86 dat op naam van [bedrijf 1] bij [slachtoffer 5] aan levensmiddelen (waaronder rookwaar en alcoholische dranken) is besteld en geleverd. Uit de vrachtbrieven15 blijkt, dat het afleveradres [adres 2] te Den Haag was, het adres van verdachte.

[getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij een van de eerste bestellingen heeft afgeleverd op de [adres 2] . Hier hebben drie vrouwen de goederen namens [bedrijf 1] overgenomen en in de hal neergelegd. [getuige 2] herkende verdachte [medeverdachte] niet op een foto, maar verklaart dat het een soortgelijk type was. De vrouwen hadden volgens [getuige 2] een jongetje bij zich van aan jaar of 816. De rechtbank merkt op dat [medeverdachte] een zoontje heeft van die leeftijd.

De rechtbank concludeert hieruit dat [medeverdachte] de bewuste levering, met twee anderen, heeft aangenomen.

[medeverdachte] heeft (uiteindelijk) toegegeven dat zij zich bij [slachtoffer 5] heeft voorgedaan als [medeverdachte] .17

Verdachte heeft tegenover de politie [slachtoffer 5] genoemd als een van de bedrijven waar hij goederen heeft besteld en nooit heeft betaald18. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij drie bestellingen heeft ontvangen en later dat hij (alleen maar) enkele levensmiddelen heeft meegenomen voor eigen gebruik.19

De rechtbank concludeert dat verdachte en [medeverdachte] samen een gesprek zijn aangegaan met [getuige 1] van [slachtoffer 5] om te bewerkstelligen dat zij bij dit bedrijf op rekening konden kopen. Zij hebben zich toen, net als bij het [slachtoffer 8] , voorgedaan als vader en dochter. [medeverdachte] gebruikte daarbij de valse naam [medeverdachte] . Daarna hebben zij goederen op rekening besteld, die zijn bezorgd op het adres van verdachte. De rol van [medeverdachte] blijkt verder uit de telefonische contacten met ‘ [medeverdachte] ’ en haar aanwezigheid bij de aflevering zoals beschreven door [getuige 2] . Verdachte heeft wisselend verklaard over zijn eigen aandeel, maar duidelijk is dat hij en [medeverdachte] hebben samengewerkt en dat ook verdachte een deel van de bestellingen heeft ontvangen. Enige betaling is uitbleven.

3.4.1.5 [slachtoffer 3] (zaak 3)

[aangever 3] heeft op 21 januari 2014 aangifte gedaan. Zij verklaarde dat in de periode van 28 oktober 2013 tot 31 december 2013 te Den Haag, op naam van [bedrijf 1] , meermalen levensmiddelen, waaronder taarten en gebak, zijn afgenomen. Het openstaande bedrag van € 2.233,14 is nooit betaald. De eerste bestelling is telefonisch gedaan door een vrouw die zei dat ze voor haar vader moest bestellen. De bestelling betrof taarten en Bossche bollen. Dit betreft factuur [factuurnummer] . Deze bestelling is volgens haar collega’s opgehaald door twee vrouwen. De andere bestellingen werden steeds opgehaald door een man, die zij omschreef als mager, rond de 50 jaar en scheel.20 Toen zij de man erop aansprak dat hij de eerste bestelling nog niet betaald had, antwoordde die dat zijn dochter de factuur in de map concepten had geplaatst. Ondanks meerdere betalingsverzoeken aan de man is er niet betaald.

In het dossier bevinden zich facturen van [slachtoffer 3] aan ‘ [bedrijf 1] totaal onderhoud t.a.v. [verdachte] ’ waaruit blijkt dat er divers gebak is geleverd vanaf 2 november tot en met 31 december 201421.

Verdachte, van wie de rechtbank ter zitting heeft kunnen constateren dat hij aan voornoemd signalement voldoet22, heeft tegenover de politie [slachtoffer 3] genoemd als een van de bedrijven waar hij goederen heeft besteld en nooit heeft betaald23. Daarnaast heeft hij verklaard dat zijn ex-vriendin [betrokkene 1] hier bij betrokken was.24

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] op 3 november 2013 een foto van onder meer een blauwe geboortetaart op haar Facebook-account heeft geplaatst. Verder kan uit de reacties op de foto’s worden opgemaakt dat sprake was van een babyshower.25 [getuige 3] van [slachtoffer 3] heeft de taart herkend als een taart die hij heeft gemaakt.26 De taart is blijkens de factuur met nummer [factuurnummer] op 2 november 2013 geleverd.27 [medeverdachte] heeft in eerste instantie verklaard niets van de taart te weten noch een babyshower te hebben gehad. Nadat zij door verbalisanten met de foto werd geconfronteerd, verklaarde ze dat zij de taart van haar schoonmoeder en schoonzus heeft gekregen. Daarnaast heeft zij aanvankelijk ontkend dat zij heeft gebeld met [slachtoffer 3] , maar nadat zij werd geconfronteerd met onderzoeksbevindingen waaruit bleek dat haar telefoonnummer [telefoonnummer] contact heeft gehad met het nummer van [slachtoffer 3] ,28 verklaarde zij dat dat voor Bossche bollen was. De rechtbank stelt vast dat blijkens de factuur [factuurnummer] van 9 november 2013 op 2 november 2013 behalve de geboortetaart ook 20 Bossche bollen zijn geleverd.29 Op grond van het vorenstaande, in samenhang met het feit dat de eerste bestelling door een vrouw voor haar vader werd gedaan, terwijl het vader-dochterthema ook bij de zaken 8 en 5 speelde waarvan vaststaat dat [medeverdachte] zich voor de dochter van [verdachte] uitgaf, heeft de rechtbank de overtuiging dat niet [betrokkene 1] , maar [medeverdachte] de betreffende bestelling heeft gedaan en afgenomen. Zoals een van de aanwezigen op haar Facebookpagina schreef; “De catering was weer heerlijk.”30

De rechtbank concludeert dat verdachte en [medeverdachte] in de periode van 28 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 allebei, op naam van [bedrijf 1] , goederen hebben afgenomen bij [slachtoffer 3] en dat zij daarvoor niet hebben betaald.

3.4.1.6 [slachtoffer 4] (zaak 4)

[aangever 4] heeft op 28 januari 2014 aangifte gedaan van flessentrekkerij. Hij heeft het volgende verklaard.

Op 25 en 30 september 2013 en op 18 december 2013 heeft [verdachte] via de website van bakkerij [slachtoffer 4] op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , bestellingen gedaan. Deze bestellingen zijn gedaan vanaf de IP-adressen [IP-adres 1] en [IP-adres 2] . Op 26 september 2013 en op 1 oktober 2013 hebben leveringen plaatsgevonden aan de [adres 2] te Den Haag die werden aangenomen door een vrouw. De laatste bestelling is niet geleverd. Een bedrag van € 180,80 is onbetaald gebleven.31 Blijkens de bestelformulieren zijn levensmiddelen, waaronder belegde broodjes en taarten, afgenomen.32

De chauffeur die de eerste twee bestellingen heeft afgeleverd, heeft verklaard dat deze werden aangenomen door een vrouw met een flink postuur, donker haar en tussen de 40 en 50 jaar oud. De tweede keer was er ook een jonge vrouw bij met lang blond haar. De getuige herkende de foto van [medeverdachte] niet als van deze vrouw33.

De rechtbank stelt vast dat het IP-adres [IP-adres 1] toebehoort aan [betrokkene 2] , die woont op de [adres 4] te Rotterdam. Deze woning grenst aan het huis van [medeverdachte] .34 Het is een feit van algemene bekendheid dat omwonenden elkaars IP-adressen kunnen gebruiken als die niet goed beveiligd zijn. Voornoemde [betrokkene 2] heeft echter verklaard dat zijn IP-adres was beveiligd met een wachtwoord.

De rechtbank stelt vast dat het bewijs tegen [medeverdachte] in deze zaak niet heel sterk is, maar dat het bezien tegen de achtergrond van de al besproken zaken 8, 5 en 3 voldoende overtuigt om aan te nemen dat zij (tenminste) een bestelling heeft gedaan. Het gebruik van het IP-adres van haar buurman wijst op haar betrokkenheid. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] de jonge, blonde vrouw moet zijn geweest die bij het aannemen van de tweede bestelling aanwezig was.

Verdachte heeft tegenover de politie [slachtoffer 4] genoemd als een van de bedrijven waar hij goederen heeft besteld en nooit heeft betaald35. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij alleen de laatste bestelling heeft gedaan, die niet geleverd is.

Gelet op verdachtes aanvankelijke bekentenis en het ontbreken van een uitleg bij zijn verklaring ter zitting zal de rechtbank deze verklaring als niet aannemelijk terzijde schuiven.

De rechtbank concludeert dat verdachte en [medeverdachte] in de periode van 25 september 2013 tot en met 1 oktober 2013 goederen hebben afgenomen bij [slachtoffer 4] ter waarde van € 180,80 en dat zij daarvoor niet hebben betaald.

3.4.1.7 [slachtoffer 1] (zaak 1)

Verdachte heeft bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte in de periode van 23 november 2013 tot en met 2 januari 2014 te Den Haag meermalen via e-mail, op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , levensmiddelen, waaronder taarten en gebak, heeft besteld bij voornoemde bakkerij. Verdachte heeft de bestellingen zelf opgehaald en het openstaande bedrag van € 1.447,69 is niet betaald.36

3.4.1.8 [slachtoffer 2] (zaak 2)

Verdachte heeft ter zitting bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte in de periode van 18 tot en met 30 november 2013 te Den Haag meermalen telefonisch en via de website, op naam van [bedrijf 1] , levensmiddelen, waaronder salades, broodjes en gebak, heeft besteld bij voornoemde bakkerij. Verdachte heeft een aantal bestellingen opgehaald. Verder heeft een levering plaatsgevonden aan de [adres 2] te Den Haag. Verdachte heeft het openstaande bedrag van € 4.295,95 niet betaald37.

3.4.1.9 [slachtoffer 10] (zaak 10)

Verdachte heeft ter zitting bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte op 9 januari 2014, op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , te Den Haag, levensmiddelen, waaronder flessen alcoholische drank, heeft besteld bij voornoemde slijterij. Verdachte zei dat het inkopen voor een personeelsfeest waren. De bestelling is op 13 januari 2014 bij verdachte afgeleverd. Het openstaande bedrag van € 1.058,25 is nooit betaald.38

3.4.1.10 [slachtoffer 11] (zaak 11)

Verdachte heeft ter zitting bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte in de periode van 24 december 2013 tot en met 30 december 2014 te Den Haag, op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , meermalen levensmiddelen, waaronder grote hoeveelheden alcoholische drank, heeft afgenomen bij voornoemde slijterij. Verdachte zei dat hij een horecabedrijf wilde starten aan de [adres 2] te Den Haag. Het openstaande bedrag van € 2.067,80 is nimmer betaald.39

3.4.1.11 [slachtoffer 12] (zaak 12)

Verdachte heeft ter zitting bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte in de periode van half september 2013 tot en met 11 november 2013 te Den Haag, op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , via e-mail tien keer levensmiddelen, waaronder gebak en broodjes, heeft besteld bij voornoemde bakkerij. Verdachte haalde bestellingen telkens een dag later op en zei steeds dat er iets was misgegaan met de betaling, maar dat hij het geld zou overmaken. Het openstaande bedrag van € 3.900,14 is nooit betaald.40

3.4.1.12 [slachtoffer 14] (zaak 14)

Verdachte heeft ter zitting bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte in de periode van 12 december 2013 tot en met 18 december 2013 te Den Haag, op naam van [bedrijf 1] , via de website meermalen levensmiddelen, waaronder chocoladeletters, heeft besteld bij voornoemde bakkerij. De bestellingen zijn afgeleverd op de [adres 2] te Den Haag. Het openstaande bedrag van € 420,50 is nimmer betaald.41

3.4.1.13 [slachtoffer 15] (zaak 15)

Verdachte heeft ter zitting bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte op 29 en 30 augustus 2013 in Rotterdam levensmiddelen, waaronder frisdrank en rookwaren, heeft afgenomen bij voornoemde groothandel. Verdachte heeft hiervoor twee machtigingen voor automatische incasso overgelegd. Op 31 augustus 2013 is verdachte gezegd dat hij eerst moest betalen voordat hij opnieuw spullen op rekening kon afnemen. Verdachte is daarna niet meer teruggekomen. Het openstaande bedrag van € 5.406,18 is nooit betaald.42

3.4.1.14 [slachtoffer 16] (zaak 16)

Verdachte heeft ter zitting bekend en de rechtbank stelt vast, dat verdachte in de periode van 26 december 2013 tot en met 22 januari 2014 te Den Haag, op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , levensmiddelen, waaronder beefburgers en brownies, heeft besteld bij en ontvangen van voornoemde bakkerij. Het openstaande bedrag van € 1,325,60 is niet betaald.43

3.4.1.15 Oogmerk

Door de verdediging is aangevoerd dat het nooit de bedoeling van verdachte is geweest om de afgenomen goederen niet te betalen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Dat verdachte de intentie had om te betalen, moet uit concrete feiten en omstandigheden blijken.

De rechtbank constateert dat verdachte zich tweemaal (in de zaken 8 en 5) met [medeverdachte] heeft voorgedaan als vader en dochter en dat [medeverdachte] hierbij de valse naam [medeverdachte] heeft gebruikt. Zij vertelden dan dat zij het bedrijf [bedrijf 1] en [bedrijf 2] samen dreven en dat zij veel feesten en partijen organiseerden. Het kan niet anders dan dat deze werkwijze was bedoeld om vertrouwen te wekken. Dat er ooit feesten door hen zijn georganiseerd is niet gebleken, met uitzondering van de babyshower (zaak 3).

Over de zakelijke rekening, waarvoor verdachte telkens machtigingen voor automatische incasso verleende, heeft hij verklaard, dat hij daar geen geld opzette of afhaalde. Het gestelde vertrouwen dat de rekeningen zouden worden betaald, kan dus niet hebben berust op het saldo van de bankrekening.

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht de rekeningen te kunnen voldoen uit de opbrengst van de activiteiten waarvoor de goederen bestemd waren. Tegenover de politie heeft hij verklaard, dat hij de goederen heeft aangeschaft voor een griet van 29, [betrokkene 1] , die hem had wijsgemaakt dat ze een eigen horeca- en kledingzaak had en feesten en trainingen organiseerde. Ze heeft hem echter bedrogen. Zij heeft de spullen vanaf de [adres 2] overgebracht naar haar bedrijf in Capelle aan den IJssel. Dit bedrijf bleek achteraf helemaal niet te bestaan.

Ter terechtzitting van 21 november 2014 heeft verdachte verklaard dat hij met [medeverdachte] een cateringbedrijf en een broodjeszaak wilde starten. Het ondernemingsplan zat alleen in zijn hoofd. Met de omzet van dat bedrijf zouden zij de openstaande rekeningen betalen. Verder heeft hij opnieuw verklaard dat een deel van de goederen bestemd was voor [betrokkene 1] , maar dat zij hem nooit heeft betaald.

De rechtbank merkt op dat verdachte voorafgaand aan laatstgenoemde zitting nooit melding heeft gemaakt van het starten van een onderneming met [medeverdachte] en dat hiervan uit het dossier ook niet blijkt. Van het bestaan van [betrokkene 1] is ondanks onderzoek daarnaar door de politie44 evenmin gebleken. Verdachte heeft haar zelf ook niet kunnen traceren, ondanks eerdere verklaringen dat hij haar zo zou hebben gevonden. Er zijn bovendien opvallende overeenkomsten tussen haar en [medeverdachte] . [medeverdachte] noemde zich immers [medeverdachte] en ook zij heeft een bedrijf(sruimte) in Capelle aan den IJssel gehad (zaak 5).

Dit alles overziende concludeert de rechtbank dat [betrokkene 1] hoogstwaarschijnlijk niet bestaat en dat verdachte wisselende, ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over de manier waarop hij de rekeningen dacht te voldoen. Daar komt bij dat hij een spoor van onbetaalde rekeningen achterliet en desondanks maar doorging met bestellen. Wanneer er werd gevraagd waar de betaling bleef, hield hij de leveranciers aan het lijntje. Als het ene bedrijf niet meer leverde, ging hij naar het volgende. Dit is niet de handelwijze van iemand die de bedoeling heeft zijn openstaande rekeningen te voldoen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van herhaaldelijk welbewust kopen zonder betaling. Dit handelen van verdachte dient te worden aangemerkt als een door de pluraliteit van handelingen gevormde gewoonte, waarmee sprake is van een gewoonte als bedoeld in artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht.

3.4.1.16 Medeplegen in de zaken 3, 4, 5 en 8

Ten aanzien van de zaken 3, 4, 5 en 8 overweegt de rechtbank dat medeplegen veronderstelt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] , welke samenwerking moet zijn gericht op een gezamenlijk doel.


Uit de eerder genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte] het volgende af.

Verdachte en [medeverdachte] hebben zich vanaf augustus 2013 tegenover medewerkers van de [slachtoffer 8] (zaak 8) voorgedaan als vader en dochter en daarna ook bij [slachtoffer 5] (zaak 5). [medeverdachte] gebruikte daarbij de valse naam [medeverdachte] . Zij vertelden daar dat zij samen het bedrijf [bedrijf 1] dreven en dat zij veel feesten en partijen verzorgden. Dat was niet waar. Verdachte zorgde, indien nodig, voor een machtiging voor automatische incasso. Daarna werden door verdachte en [medeverdachte] meermalen goederen op rekening afgenomen. Dit hebben zij ook gedaan bij de [slachtoffer 3] (zaak 3) en [slachtoffer 4] (zaak 4). Er heeft geen enkele betaling plaatsgevonden. Naar uiterlijke verschijningsvorm was er sprake van een vooropgezet plan. De rechtbank concludeert dat verdachte én [medeverdachte] telkens het oogmerk hebben gehad om goederen af te nemen zonder daarvoor te betalen.


Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met [medeverdachte] dat sprake is van medeplegen van deze vier feiten. De omstandigheid dat verdachten mogelijk niet op de hoogte waren van alle bestellingen gedaan of ontvangen door de ander, maakt dat oordeel niet anders.

3.4.1.17 Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 22 januari 2014 tezamen met [medeverdachte] (in de zaken 3, 4, 5 en 8), dan wel alleen (in de zaken 1, 2, 10, 11, 12, 14, 15 en 16) schuldig heeft gemaakt aan flessentrekkerij, door goederen van bedrijven af te nemen met het oogmerk om zonder betaling zichzelf en/of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren.

Het vorenstaande brengt mee dat verdachte in de zaken 1, 2, 10, 11, 12, 14, 15 en 16 partieel zal worden vrijgesproken van medeplegen. Uit het dossier valt niet af te leiden dat verdachte die feiten tezamen met een ander zou hebben gepleegd.

3.4.2

Vrijspraak feit 2 eerste cumulatief/alternatief

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Zij overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voor zijn bedrijf [bedrijf 1] en [bedrijf 2] geen administratie heeft gevoerd. Dit is strafbaar gesteld onder artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht (bedrieglijke bankbreuk). Verdachte wordt blijkens te tenlastelegging echter verweten hij wel administratie heeft gevoerd, maar dat hij die administratie na het faillissement niet aan de curator heeft gegeven (ex artikel 340 van het Wetboek van Strafrecht, eenvoudige bankbreuk). Nu uit het dossier niet valt af te leiden dat verdachte enige administratie heeft gevoerd, acht de rechtbank het feit niet wettig bewezen.

3.4.3

Vrijspraak feit 2 tweede cumulatief/alternatief

Verdachte wordt verder nog verweten dat hij, nadat hij door de curator was opgeroepen om te verschijnen, opzettelijk niet is verschenen en/of heeft geweigerd inlichtingen te geven en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven. De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij er pas in februari 2014 achter kwam dat hij failliet verklaard was en dat hij daarna contact heeft opgenomen met de curator, wat ook blijkt uit het openbaar faillissementsverslag van 21 februari 2014. Daarna is verdachte, blijkens hetzelfde verslag, op 7 februari 2014 bij de curator verschenen. Blijkens de aangifte van de [curator] heeft verdachte zijn verhaal gedaan, maar kon hij veel van de vragen van de curator niet beantwoorden. Verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat hij geen verdere inlichtingen kón geven. Deze verklaring vindt deels steun in het dossier, omdat is gebleken dat [medeverdachte] ook op naam van [bedrijf 1] heeft gehandeld in zaken waarvan niet is vast komen te staan dat verdachte daarbij was betrokken, zoals het kopen zonder te betalen bij de tuincentra.

Gezien het vorenstaande is onvoldoende gebleken dat verdachte opzettelijk niet is verschenen bij de curator of heeft geweigerd inlichtingen te geven of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven. Dat brengt mee dat het onder 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit evenmin wettig bewezen kan worden en verdachte hiervan dus ook moet worden vrijgesproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

in de periode 29 augustus 2013 tot en met 22 januari 2014 op na te noemen plaatsen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte of verdachte en zijn mededader, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

(zaak 1)

a. in de periode van 23 december 2013 tot en met 2 januari 2014 te Den Haag, levensmiddelen (waaronder taarten en gebak) met een totale waarde van 1.447,69 euro, bij [slachtoffer 1] en

(zaak 2)

in de periode van 18 november 2013 tot en met 30 november 2013 te Den Haag, levensmiddelen (waaronder salades en broodjes en gebak) met een totale waarde van 4.295,95 euro, bij [slachtoffer 2] en

(zaak 3)

in de periode van 28 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, levensmiddelen (waaronder taarten en gebak) met een totale waarde van 2.233,14 euro, bij [slachtoffer 3] en

(zaak 4)

in de periode van 25 september 2013 tot en met 1 oktober 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, levensmiddelen (waaronder belegde broodjes en/of taarten) met een totale waarde van 180,80 euro, bij [slachtoffer 4] en

(zaak 5)

in de periode van 26 september 2013 tot en met 6 november 2013 te Schiedam en/of Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, levensmiddelen (waaronder rookwaar en alcoholische dranken) met een totale waarde van 65.409,86 euro, bij [slachtoffer 5] en

(zaak 8)

in of omstreeks de periode 5 september 2013 tot en met 11 september 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, huishoudelijke artikelen (waaronder een citruspers en een friteuse) met een totale waarde van 14.457,46 euro, bij [slachtoffer 8] [slachtoffer 8] [slachtoffer 8] [slachtoffer 8] [slachtoffer 8] en

(zaak 10)

in de periode van 9 januari 2014 tot en met 13 januari 2014 te Den Haag, levensmiddelen (waaronder flessen alcoholische drank) met een totale waarde van 1.058,25 euro, bij Wijnhandel Versluis VOF en

(zaak 11)

in de periode van 24 december 2013 tot en met 30 december 2013 te Den Haag, levensmiddelen (waaronder flessen alcoholische drank) met een totale waarde van 2.067,80 euro, bij [slachtoffer 11] en

(zaak 12)

omstreeks de periode 15 september 2013 tot en met 12 november 2013 te Den Haag, levensmiddelen (waaronder gebak en broodjes) met een totale waarde van 3.900,14 euro, bij [slachtoffer 12] en

(zaak 14)

in de periode van 12 december 2013 tot en met 18 december 2013 te Den Haag, levensmiddelen (waaronder chocoladeletters) met een totale waarde van 420,50 euro, bij [slachtoffer 14] en

(zaak 15)

in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2013 te Rotterdam levensmiddelen (waaronder frisdrank en rookwaren) met een totale waarde van 5.406,18 euro, bij [slachtoffer 15] en

(zaak 16)

in de periode van 26 december 2013 tot en met 22 januari 2014 te Den Haag, levensmiddelen (waaronder beefburgers en brownies) met een totale waarde van 1.325,60 euro, bij [slachtoffer 16] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op de volgende strafbare feiten:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;

en

een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde de schadeloosstelling van de benadeelde partijen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een aanzienlijke matiging van gevorderde straf bepleit. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte slechts de stroman was van [medeverdachte] en heeft zij verwezen naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting en overige LOVS-afspraken. Daarnaast heeft de raadsvrouw gewezen op verdachtes persoonlijke omstandigheden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich in een periode van vijf maanden schuldig gemaakt aan flessentrekkerij door bij 12 verschillende bedrijven goederen te af te nemen, terwijl hij nooit van plan is geweest die goederen te betalen. De totale schade bij de bedrijven beloopt een bedrag van ruim € 100.000,-.

De rechtbank zal gezien de ernst en de omvang van de feiten voor de strafoplegging als uitgangspunt een gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden dan wel een taakstraf met een bijkomende voorwaardelijke gevangenisstraf hanteren, gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en overige LOVS-afspraken inzake fraude.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij het vertrouwen van de betreffende ondernemers ernstig heeft geschaad. Dergelijk vertrouwen is van essentieel belang voor een goed verloop van het handelsverkeer. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen belang en aanzienlijke schade en overlast veroorzaakt bij vele ondernemers, die op een eerlijke manier hun brood proberen te verdienen. Zo’n financiële benadeling komt in een tijd van economische neergang extra hard aan. Dat blijkt ook uit de verschillende verklaringen van de benadeelden die in het dossier zijn te vinden. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij daaraan volkomen voorbij is gegaan. Zij weegt ook mee dat verdachte de betrokkenen soms langdurig en kennelijk zonder enige gêne aan het lijntje hield wanneer zij hem aanspraken op het uitblijven van betaling en dat hij gewoon doorging met het plaatsen van bestellingen. Verder valt op dat hij zijn handelwijze goedpraat met drogredeneringen als: wanneer een bedrijf aangifte doet, laat ik niets meer van mij horen.

Over de rol van verdachte overweegt de rechtbank verder dat haar niet is gebleken dat verdachte, zoals door de verdediging is betoogd, slechts een stroman was en dat hij zelf door anderen is geflest. Het is aan verdachte om dit aannemelijk te maken. Hij heeft ongetwijfeld niet het achterste van zijn tong laten zien, maar of hij daarmee alleen zichzelf probeert te beschermen of dat er meer achter zit, is niet duidelijk geworden. Ook is niet gebleken dat verdachte door derden onder druk is gezet om de strafbare feiten te plegen.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee, dat hij de feiten heeft bekend.

Als strafverzwarende omstandigheden neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Verdachte heeft bij twaalf verschillende bedrijven meermalen goederen afgenomen, meestal onder valse voorwendselen. Voorts heeft verdachte in een aantal zaken tezamen en in vereniging met [medeverdachte] gehandeld. Verder heeft verdachte ook nu nog niets betaald aan de slachtoffers.

Mede gelet op voornoemde strafverzwarende omstandigheden zou oplegging van een taakstraf volstrekt onacceptabel zijn.

Blijkens zijn strafblad is verdachte de afgelopen vijf jaren niet voor een vermogensdelict veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport d.d. 6 augustus 2014 betreffende verdachte. In zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank geen strafverminderende omstandigheden kunnen constateren.

Alles overwegende en rekening houdend met de straffen die in het algemeen voor dergelijke misdrijven plegen te worden opgelegd, en daarbij in het bijzonder gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en overige LOVS-afspraken, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Het voorwaardelijk deel dient als stok achter deur om verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank ziet geen aanleiding de schadeloosstelling van de slachtoffers als bijzondere voorwaarde op te leggen. Het ziet er, gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag en de omstandigheid dat verdachte nog steeds werkloos is en failliet is verklaard, niet naar uit dat hij de benadeelden op korte termijn schadeloos kan stellen. De rechtbank zal dit overlaten aan het Centraal Justitieel Incassobureau door middel van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Mogelijk ziet dit bureau kans een regeling met verdachte te treffen.

7 De vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

Inleiding

De hierna vermelde bedrijven hebben zich door middel van hun gemachtigden gevoegd als benadeelde partij.

7.1.1

Ten aanzien van feit 1

(zaak 1) [betrokkene 3] heeft zich namens [slachtoffer 17] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.447,69, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(zaak 3) [betrokkene 4] heeft zich namens [slachtoffer 3] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.233,14, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(zaak 5) [aangever 2] heeft zich namens [slachtoffer 5] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 88.731,78, te vermeerderen met de wettelijke rente.

(zaak 6) [betrokkene 5] heeft zich namens [slachtoffer 6] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.121,52, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(zaak 8) [betrokkene 6] heeft zich namens [slachtoffer 8] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 12.758,85, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(zaak 9) [betrokkene 8] heeft zich namens [slachtoffer 9] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.807,27.

(zaak 10) [betrokkene 9] heeft zich namens [slachtoffer 10] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.058,25, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(zaak 11) [betrokkene 10] heeft zich namens [slachtoffer 11] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.579,98, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(zaak 13) [betrokkene 11] heeft zich namens [slachtoffer 13] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.532,98, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(15) [betrokkene 7] heeft zich namens [slachtoffer 15] als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.779,09, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1.2

Ten aanzien van feit 2

De curator van verdachte, [curator] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 197.175,15.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie gevorderd dat de vorderingen benadeelde partij geheel, althans gedeeltelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de nagenoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering worden verklaard:

  • -

    [betrokkene 5] namens [slachtoffer 6] (zaak 6);

  • -

    [betrokkene 8] namens [slachtoffer 9] (zaak 9);

  • -

    [betrokkene 11] namens [slachtoffer 13] (zaak 13);

  • -

    [curator] , curator (feit 2).

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade dan wel omdat de beoordeling van de vorderingen in het kader van deze strafzaak te complex zou zijn.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen beoordeeld dienen te worden naar civiel recht. Dat strekt zich ook uit naar eventuele vragen omtrent de ontvankelijkheid van de vordering.

In het civiele recht zijn de vorderingen in een procedure niet-ontvankelijk door het persoonlijke faillissement van de verdachte en moeten de benadeelden zich wenden tot de curator om hun vordering ter verificatie aan te melden. Door de faillietverklaring verliest de gefailleerde immers de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen (‘de boedel’). Dit heeft gevolgen voor de civiele procedures over dat vermogen, aangezien de Faillissementswet (Fw), met het oog op de paritas creditorum — de gelijkheid van schuldeisers —, een exclusieve regeling bevat voor gerechtelijke procedures tegen een gefailleerde, die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel.

Art. 26 Fw bepaalt dat vorderingen tot nakoming van een verbintenis die tot de boedel behoort, tijdens het faillissement slechts bij de curator ter verificatie kunnen worden aangemeld. Met ‘rechtsvorderingen die nakoming van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben’, wordt uitsluitend gedoeld op faillissementsvorderingen. De bepaling ziet dus — kort gezegd — op verbintenisrechtelijke vorderingen op de gefailleerde die vóór de faillietverklaring zijn ontstaan. Dit brengt mee dat een schuldeiser die zijn vordering op een andere wijze instelt, daarin niet ontvangen kan worden. De vordering kan derhalve niet tegen de gefailleerde worden ingesteld door voeging als benadeelde partij in een strafrechtelijke procedure.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat deze rechtbank bij vonnis van 14 januari 2014 het faillissement van verdachte heeft uitgesproken. Vast staat tevens dat de vorderingsrechten van de benadeelde partijen, die hun grond vinden in verdachtes onrechtmatig handelen jegens de benadeelde partijen, vóór de datum van het faillissement van verdachte zijn ontstaan. Gelet op de datum van voeging als benadeelde partij, betreffen de (civielrechtelijke) vorderingen tot schadevergoeding de boedel en deze vorderingen dienen derhalve bij de curator in het faillissement van verdachte ter verificatie te worden aangemeld. De benadeelde partijen zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

De curator, die zijn vordering in casu zowel tegen als voor de boedel heeft ingediend, kan in zijn vordering namens de gezamenlijke schuldeisers evenmin worden ontvangen.

Dit brengt mee dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vorderingen zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen gemaakte kosten dragen.

8 De in beslag genomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle op de beslaglijst vermelde voorwerpen (bijlage I) aan verdachte worden geretourneerd, met uitzondering van het onder 12 vermelde voorwerp, de citruspers. Deze is afkomstig van [slachtoffer 8] en dient aan haar geretourneerd te worden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte van de op de beslaglijst onder 1 t/m 9 en 13 t/m 21 genummerde voorwerpen.

Ten aanzien van de onder 10 en 11 genummerde voorwerpen, te weten respectievelijk een wokpan en een Tefal koekenpan, overweegt de rechtbank dat uit blz. 845 van het dossier blijkt dat deze voorwerpen op 10 mei 2014 reeds zijn teruggegeven aan [betrokkene 12] .

Ten aanzien van het op de beslaglijst onder 12 genummerde voorwerp, te weten SANTOS HANDLID (handleiding van een citruspers), overweegt de rechtbank dat vast is komen te staan dat deze handleiding behoort bij een citruspers die is afgenomen bij [slachtoffer 8] en dat verdachte noch de [verdachte] hiervoor heeft betaald. Gelet hierop zal de rechtbank de teruggave aan [slachtoffer 8] gelasten.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 en 326a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;

en

een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren.

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) maanden;

bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

verklaart de benadeelde partijen,

[betrokkene 3] namens [slachtoffer 17] (zaak 1)

[betrokkene 4] namens [slachtoffer 3] (zaak 3)

[aangever 2] namens Bidvest [slachtoffer 5] (zaak 5)

[betrokkene 5] namens [slachtoffer 6] (zaak 6)

[betrokkene 6] namens [slachtoffer 8] (zaak 8)

[betrokkene 8] namens [slachtoffer 9] (zaak 9)

[betrokkene 9] namens [slachtoffer 10] (zaak 10)

[betrokkene 10] namens [slachtoffer 11] (zaak 11)

[betrokkene 11] namens [slachtoffer 13] (zaak 13)

[betrokkene 7] namens [slachtoffer 15] (zaak 15)

en curator [curator] ,

niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen ten aanzien van de vordering gemaakte kosten dragen;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst (bijlage I) onder 1 t/m 9 en 13 t/m 21 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan Horecacentrum de Randsteden van het op de beslaglijst (bijlage I) onder 12 genummerde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Eisses, voorzitter,

mr. A.M. Boogers, rechter,

mr. I. Mantel-Duetz, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. Mentrop-Huliselan, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2015.

Mr. I. Mantel-Duetz is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van:- ZD1: het proces-verbaal met het nummer PL1511-2014011861, van de politie eenheid Haaglanden, district Den Haag/Centrum, bureau Karnebeek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1814) en;- ZD2: het proces-verbaal met het nummer PL2013-2014045389, van de politie eenheid Den Haag, Financiële Recherche Unit, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1-79).

2 ZD2: Een geschrift, te weten een uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 26 maart 2014, blz. 35.

3 ZD1: Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 april 2014, blz. 632.

4 Vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 14 januari 2014, blz. 32-33.

5 ZD1: Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 27 september 2013, blz. 335-336

6 ZD1: proces-verbaal van verhoor [aangever 1] d.d. 4 maart 2014, blz. 338

7 ZD1: proces-verbaal verhoor [medeverdachte] d.d. 29 april 2014, blz. 614

8 ZD1: proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 12 januari 2014, blz. 922

9 ZD1: proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 mei 2014, blz. 660

10 Verklaring verdachte, proces-verbaal terechtzitting 21 november 2014

11 ZD1: Proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2013, blz. 208-210

12 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , d.d. 11 februari 2014, om 13:30 uur, blz. 258-259.

13 ZD1: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris d.d. 13 oktober 2014, punt 16.

14 ZD1, geschriften, facturen van [slachtoffer 5] , blz. 224-252

15 ZD1: geschriften, vrachtbrieven [slachtoffer 5] , blz. 213-223

16 ZD1: proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 18 februari 2014, blz 260-261

17 ZD1: Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 29 april 2014 om 14:53 uur, blz. 618

18 ZD1: proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 30 april 2014, blz. 635

19 ZD1: Eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 november 2014

20 ZD1: Proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 3] d.d. 21 januari 2014, blz. 165-167

21 ZD1: geschriften, facturen van [slachtoffer 3] , blz. 169 tot en met 173

22 Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzittingen van 21 november 2014 en 2 november 2015

23 ZD1: proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 30 april 2014, blz. 635

24 ZD1: Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 juni 2014, blz. 1041.

25 ZD1: Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2014, blz. 85-86.

26 ZD1: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 12 februari 2014, blz. 192.

27 ZD1: Een geschrift, te weten een factuur van [slachtoffer 3] van 9 november 2013 .

28 ZD1: Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2014, blz. 679.

29 ZD1: Een geschrift, te weten een factuur, blz. 169.

30 ZD1, proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2014, blz. 93

31 ZD1: proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] namens [slachtoffer 4] d.d. 28 januari 2014, blz. 195-196; proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 4] , opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris d.d. 16 oktober 2014, punt 5.

32 ZD1: Geschriften, te weten bestelformulieren van [slachtoffer 4] , blz. 197-202.

33 ZD1: proces-verbaal van verhoor [betrokkene 14] d.d. 12 februari 2014, blz. 204

34 ZD1: Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 januari 2014 om 09:00 uur, blz. 439.

35 ZD1: proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 30 april 2014, blz. 635

36 ZD1: Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 3] , d.d. 17 januari 2014, blz. 119-120; geschriften, te weten afdrukken van e-mails inhoudende bestelformulieren, alsmede facturen, blz. 121-133; eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 november 2015

37 ZD1: proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 13] d.d. 21 januari 2014, blz. 142-143; geschriften, aanmaningen van [slachtoffer 2] , alsmede verzamelfacturen van [slachtoffer 2] , blz. 151-158

38 ZD1: Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 9] namens [slachtoffer 10] d.d. 30 april 2014, blz. 368-369; eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 november 2014.

39 ZD1: Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 10] namens [slachtoffer 11] , d.d. 30 april 2014, blz. 373-374; eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 november 2014.

40 ZD1: Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 15] namens [slachtoffer 12] d.d. 30 april 2014, blz. 380-381; geschriften, te weten afdrukken van e-mailberichten inhoudende bestelformulieren, alsmede verzamelfacturen, blz. 385-402; eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 november 2014.

41 ZD1: Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 16] namens [slachtoffer 14] d.d. 30 april 2014, blz. 425-426; geschriften, facturen van [slachtoffer 14] , blz. 428-429; eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 november 2014.

42 ZD1: Proces-verbaal aangifte van [betrokkene 7] namens [slachtoffer 15] , d.d. 1 mei 2014, blz. 430-431; proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2014, blz. 951; geschriften, te weten machtigingen automatische incasso en facturen, blz. 956-957 en 959-965; eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 november 2014.

43 ZD1: Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 17] namens [slachtoffer 16] , d.d. 1 mei 2014, blz. 434; geschriften, twee ingebrekestellingen namens [slachtoffer 16] , blz. 436-437.

44 Proces-verbaal van bevindingen van 17 augustus 2014, blz. 1632