Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13006

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
09-777236-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstraf - ontucht

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn (stief)broertje, dat in de bewezenverklaarde periode tussen de 9 en 12 jaar oud was. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van zijn (stief)broertje gemaakt. Hij heeft de grens van het toelaatbare overschreden en misbruik gemaakt van de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van zijn (stief)broertje. Bovendien heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn (stief)broertje in hem stelde. In plaats van hem te beschermen heeft de verdachte zijn eigen behoeften voorop gesteld. Ook de omstandigheid dat de handelingen plaatsvonden in het eigen huis van de verdachte en zijn (stief)broertje maakt dat zijn (stief)broertje in zijn gevoel van veiligheid is aangetast.

Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring heeft zijn (stief)broertje veel last ondervonden van hetgeen de verdachte hem heeft aangedaan. De ervaring leert dat jeugdige slachtoffers van ontucht ook op latere leeftijd nog ernstige nadelige gevolgen kunnen ondervinden in hun emotionele en vaak ook lichamelijke ontwikkeling.

De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777236-14

Datum uitspraak: 12 november 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1999,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. Ceuninck van Capelle-Willems en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. L.E. Calis, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2010 tot en met 05 oktober 2014 te Alphen aan den Rijn meermalen, althans een maal, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het aftrekken en/pijpen van die [slachtoffer] en/of het zich laten aftrekken

door die [slachtoffer] en/of het brengen/duwen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, anus;

art 247 Wetboek van Strafrecht

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 12 maart 2010 tot en met 5 oktober 2014 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] .

Gedurende een deel van deze periode was verdachte nog geen twaalf jaren oud en derhalve nog niet strafrechtelijk vervolgbaar. Zijn strafrechtelijke vervolgbaarheid vangt aan op de datum waarop hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, te weten 22 juni 2011.

De rechtbank verklaart de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor zover het de periode van 12 maart 2010 tot 22 juni 2011 betreft.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte in de periode van 22 juni 2011 tot en met 5 oktober 2014 met zijn jongere stiefbroer ontuchtige handelingen heeft gepleegd. De verdachte heeft bij de politie, bij de rechter‑commissaris en ook ter terechtzitting bekend deze handelingen te hebben gepleegd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte,

d.d. 15 oktober 2014, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2014245227-14,

inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte (p. 28-34);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte,

d.d. 16 oktober 2014, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2014245227-17,

inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte (p. 35-41);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 10 oktober 2014,

opgenomen in het dossier met het nummer PL1500 2014245227-1, inhoudende de

verklaring van [getuige] (p. 48-51);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige,

d.d. 12 november 2014, opgenomen in het dossier met het nummer PL1500 2014245227-

21, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 76-101);

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

29 oktober 2015.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij in de periode van 22 juni 2011 tot en met 05 oktober 2014 te Alphen aan den Rijn meermalen, met [slachtoffer] , geboren op 12 maart 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het aftrekken en pijpen van die [slachtoffer] en het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en het brengen/duwen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, anus.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De straf/maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 30 uren en tot jeugddetentie voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering en het volgen van een behandeling bij de Waag alsook – op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer – een gebiedsverbod, in die zin dat de verdachte niet binnen een straal van 100 meter van de woning van [slachtoffer] mag komen, en een contactverbod van de verdachte met [slachtoffer] . De officier van justitie acht een evaluatie van deze verboden na een jaar aangewezen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit aan de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering en het volgen van een behandeling bij de Waag op te leggen, maar geen gebieds- en contactverbod. Deze afspraken kunnen, aldus de raadsvrouw, ook in het kader van de behandeling en begeleiding worden gemaakt. Gelet op de problematiek van de verdachte dient de behandeling van de verdachte te prevaleren en met de Raad voor de Kinderbescherming is de raadsvrouw van mening dat een onvoorwaardelijke werkstraf geen pedagogische meerwaarde heeft, temeer ook omdat de ontuchtige handelingen binnen het gezin hebben plaatsgevonden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn (stief)broertje, dat in de bewezenverklaarde periode tussen de 9 en 12 jaar oud was. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van zijn (stief)broertje gemaakt. Hij heeft de grens van het toelaatbare overschreden en misbruik gemaakt van de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van zijn (stief)broertje. Bovendien heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn (stief)broertje in hem stelde. In plaats van hem te beschermen heeft de verdachte zijn eigen behoeften voorop gesteld. Ook de omstandigheid dat de handelingen plaatsvonden in het eigen huis van de verdachte en zijn (stief)broertje maakt dat zijn (stief)broertje in zijn gevoel van veiligheid is aangetast.

Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring heeft zijn (stief)broertje veel last ondervonden van hetgeen de verdachte hem heeft aangedaan. De ervaring leert dat jeugdige slachtoffers van ontucht ook op latere leeftijd nog ernstige nadelige gevolgen kunnen ondervinden in hun emotionele en vaak ook lichamelijke ontwikkeling.

De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank weegt mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 oktober 2015 nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 18 december 2014 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door

dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, alsook op het pro justitia rapport d.d. 29 december 2014 betreffende het psychiatrisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater.

Blijkens de informatie uit deze rapporten is er bij de verdachte sprake van een verminderde emotionele ontwikkeling wat als een gebrekkige ontwikkeling kan worden opgevat.

De psycholoog geeft aan dat dit in alexithymie tot uitdrukking komt, hetgeen betekent dat de verdachte geen woorden voor emoties heeft, in die zin dat hij deze niet herkent c.q. niet kan onderscheiden. De verdachte is in mindere mate (dan leeftijdgenoten) in staat zich in de ander te verplaatsen en gevoelens van de ander te herkennen. Het is mogelijk dat hij daardoor onvoldoende aandacht heeft gehad voor mogelijke signalen van zijn stiefbroertje als die liet blijken ambivalent/negatief ten opzichte van de handelingen te staan.

Beide rapporteurs achten de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en concluderen dat het risico op recidive als matig kan worden geschat.

Ambulante behandeling van de verdachte bij de Waag is geïndiceerd. In de behandeling is stimulering van zijn emotionele ontwikkeling aangewezen. Voor de verdachte is het naar de mening van de rapporteurs van belang dat hij zijn emotionele beleving beter leert kennen en hieraan meer ruimte geeft in het denken en handelen. Vanuit de stimulering van zijn emotionele beleving zal de verdachte beter in staat zijn om de emotionele beleving van anderen als een relevante factor te zien. Dat is zowel voor de persoonlijke ontwikkeling van de verdachte als ook voor de reductie van risicofactoren van belang. Dit is zowel gericht op algemene risicofactoren als voor de risico’s van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Continuering van de begeleiding door de jeugdreclassering is gewenst en ook gezinsgesprekken zijn van belang, nu het gebeurde in de levens van alle betrokken gezinsleden diep heeft ingegrepen.

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive uit voornoemde rapporten over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op enkele voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het meest recente rapport d.d. 27 oktober 2015.

Blijkens dit rapport werkt de verdachte aan alle begeleiding mee en accepteert hij de bij de opschorting van de inbewaringstelling opgelegde voorwaarden zoals het contactverbod. Op vrijwel alle leefgebieden functioneert de verdachte volgens de rapporteur goed, echter, op het gebied van attitude en vaardigheden zijn er iets meer zorgen zichtbaar. De verdachte praat openlijk en ogenschijnlijk met gemak over hetgeen voorgevallen is en zijn rol hierin, maar de rapporteur heeft de indruk dat de verdachte enigszins sociaal wenselijke antwoorden geeft. Uit het persoonlijkheidsonderzoek komt naar voren dat de verdachte moeite heeft om aan zijn emoties woorden te geven. Daarnaast geeft de verdachte aan dat er sprake was van dwang, maar bagatelliseert hij dit ook nog steeds. Het is van belang dat dit aspect van de ontucht de aandacht blijft krijgen binnen verdere behandeling en hulp. Binnen de behandeling van de Waag staan de volgende doelen op de voorgrond: voorkomen van recidive, inzien wat zijn eigen seksuele/lichamelijke grenzen zijn, de grenzen van anderen herkennen, verantwoordelijkheid nemen en uiten en herkennen van emoties. Er lijkt sprake te zijn van een vooruitgang waarbij de verdachte steeds meer verantwoordelijkheid voor zijn gedrag neemt.

Echter, binnen de behandeling maakt de verdachte een emotioneel vlakke indruk wat het moeilijk maakt om in te schatten hoe doorleefd het nemen van verantwoordelijkheid bij hem is. Er is een verstoorde ontwikkeling in het verleden zichtbaar geweest. Het lijkt erop dat dit langzamerhand aan het herstellen is, wat positief te noemen is.

Duidelijk is dat het huidige hulpaanbod voortgezet moet worden om zo een eventuele kans op herhaling kleiner te maken. De behandeling van de Waag zal nog zeker een jaar in beslag gaan nemen om tot een zo positief mogelijk resultaat te komen.

Geadviseerd wordt de verdachte een (deels) voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, onder de algemene voorwaarden dat de verdachte:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- zijn medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit;

- zijn medewerking verleent aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken

daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich laat behandelen bij de Waag binnen het reeds uitgezette behandelingstraject;

- op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie

aanwezig is ten behoeve van begeleiding van de Jeugdreclassering;

waarbij aan Stichting Jeugdbescherming West opdracht moet worden gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank onderschrijft de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank is echter, gelet op de aard en de ernst van het feit en de impact die dit op het slachtoffer en de overige leden van het gezin heeft, van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentiestraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank de meldplicht opleggen alsook het volgen van een behandeling bij de Waag.

De rechtbank ziet geen aanleiding het door de officier van justitie gevorderde gebiedsverbod en contactverbod als aparte bijzondere voorwaarden op te leggen, nu de rechtbank ervan uitgaat dat het maken van afspraken over eventueel toekomstig contact(herstel) tussen de verdachte en het slachtoffer binnen de behandeling bij de Waag past. De behandelaar bij

de Waag kan in onderlinge afstemming met de jeugdreclassering bepalen of en wanneer de verdachte en het slachtoffer daaraan toe zijn.

Gelet op de tijd die is verstreken tussen het tijdstip waarop de vervolging van de verdachte is aangevangen en de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsook gelet op de intensieve behandeling die de verdachte volgt en nog zal moeten volgen, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte naast voornoemde voorwaardelijke jeugddetentiestraf nog een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor zover het de periode van 12 maart 2010 tot 22 juni 2011 betreft;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem overigens bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAREN BUITEN ECHT ONTUCHTIGE HANDELINGEN PLEGEN, MEERMALEN GEPLEEGD

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 2 MAANDEN

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht,

bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij

de (jeugd)reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag, op de tijden en

plaatsen als door of namens de behandelaars aan te geven;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west, tot

het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de

veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter,

en mr. C.L. Strop, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2015.