Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:13003

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3066
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/3066

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.R. Hoendermis),

en

het college van Burgemeester en Wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Ameziane).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de eerder opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer wordt gelegd en dat haar dienstbetrekking met ingang van 1 oktober 2014 op grond van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG) wordt beëindigd.

Bij besluit van 17 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [vertegenwoordiger]

Overwegingen

1. Eiseres was werkzaam in dienst van verweerder als Administratief Medewerker B. In verband met deze functie had zij toegang tot informatiesystemen, waaronder de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Nadat verweerder is gebleken dat eiseres de GBA niet-functioneel heeft geraadpleegd, heeft hij bij besluit van 20 mei 2011 aan eiseres de disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proefperiode van twee jaar, eindigend op 20 mei 2013. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Op 31 augustus 2011 heeft zij een integriteitsverklaring ondertekend, waarin zij onder meer heeft verklaard dat zij de gegevens in de GBA en in andere systemen alleen zal raadplegen indien dit nodig is voor de uitoefening van haar functie.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 17 februari 2014 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de inzagen van eiseres in onder andere de GBA. De bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 5 juni 2014. Gebleken is dat eiseres op 29 april 2013 en op 24 oktober 2013 een niet-functionele inzage in de GBA heeft gepleegd bij familieleden, respectievelijk haar overleden grootvader en haar zus. Bij brief van 2 september 2014 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn voornemen het eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen per 1 oktober 2014. Op 10 september 2014 heeft eiseres haar zienswijze ingediend en toegelicht. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. In bezwaar is eiseres door de Algemene bezwarencommissie personeelsbesluiten (de Commissie) van verweerder gehoord op 21 januari 2015. De Commissie heeft op 9 maart 2015 advies uitgebracht. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit primair het standpunt ingenomen dat er voldoende grond is voor de tenuitvoerlegging van het eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslag. Eiseres heeft in de periode van 15 oktober 2012 tot 18 februari 2014 tweemaal de GBA niet-functioneel geraadpleegd. De raadpleging op 29 april 2013 is gelegen binnen de proefperiode die is verbonden aan het in 2011 opgelegde voorwaardelijk strafontslag. Eiseres heeft zich daarmee binnen de proefperiode schuldig gemaakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor het voorwaardelijk strafontslag is opgelegd. Daarmee is de voorwaarde voor tenuitvoerlegging vervuld. Het had eiseres duidelijk kunnen en moeten zijn dat het strafontslag ten uitvoer zou worden gelegd, indien zij tijdens de proefperiode wederom de GBA niet-functioneel zou raadplegen. Verweerder is van mening dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan afgezien had moeten worden van de tenuitvoerlegging.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder subsidiair aan eiseres ontslag verleend op grond van onbekwaamheid en ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie anders dan op grond van ziekten of gebreken, zoals bepaald in artikel 8:6 van de ARG.

3. Eiseres voert aan dat zij goede redenen had voor de niet-functionele raadplegingen, dit in tegenstelling tot de raadplegingen waarvoor in 2011 voorwaardelijk strafontslag aan haar is opgelegd. Verder stelt zij dat uit de handelwijze van verweerder niet blijkt dat haar gedragingen dermate ernstig waren dat de voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag is vervuld. Zij wijst erop dat zij niet is geschorst en dat tussen de anonieme melding en het primaire besluit geruime tijd is verstreken. Bovendien is de disciplinaire straf tenuitvoergelegd ruim anderhalf jaar na afloop van de proefperiode. Eiseres stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat zij de proefperiode van twee jaar goed had doorstaan. Zij stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Verder is zij van mening dat verweerder had kunnen volstaan met een andere straf. Ten slotte stelt eiseres dat verweerder met het bij het bestreden besluit subsidiair opgelegde ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid voor de functie onderstreept dat het plichtsverzuim niet ernstig genoeg was om het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen.

4. De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot voorwaardelijk strafontslag van 20 mei 2011, nu eiseres daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend, een vaststaand gegeven is. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt, waarbij er naast die beoordeling geen plaats meer is voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld dient dus te worden of verweerder de voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit. Het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke disciplinaire straf brengt met zich mee dat alleen onder bijzondere omstandigheden van een bestuursorgaan kan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld. (Zie de uitspraken van de CRvB van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637, en 4 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG6794.)

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op 29 april 2013 de GBA niet-functioneel heeft geraadpleegd en dat daarmee sprake is geweest van plichtsverzuim. Daarmee staat vast dat eiseres soortgelijk plichtsverzuim heeft begaan als waarvoor haar bij besluit van verweerder van 20 mei 2011 voorwaardelijk strafontslag is opgelegd. Eiseres betwist echter dat sprake is geweest van ernstig plichtsverzuim en dat het plichtsverzuim aan haar toegerekend kan worden. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

6. Gelet op verweerders besluit van 20 mei 2011 tot oplegging van voorwaardelijk strafontslag, had eiseres kunnen en moeten weten dat het raadplegen van de GBA, anders dan in de uitoefening van haar functie, aangemerkt wordt als ernstig plichtsverzuim. Zij heeft bovendien op 31 augustus 2011 een integriteitsverklaring ondertekend, waarin zij expliciet heeft verklaard de gegevens in automatiseringssystemen alleen te zullen raadplegen wanneer dat nodig is voor de uitoefening van haar functie. Zij heeft desondanks in haar proefperiode van twee jaar op 29 april 2013 opnieuw de GBA niet-functioneel geraadpleegd. Daarmee staat vast dat sprake is van soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor het voorwaardelijk strafontslag is opgelegd. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat, mede gelet op de voorgeschiedenis, reeds één niet-functionele raadpleging voldoende was om het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen. Eiseres was immers gewaarschuwd en bevond zich nog in de proefperiode. Zoals door verweerder ter zitting naar voren is gebracht, had eiseres zich bovendien voor het verkrijgen van gegevens over inschrijvingen op het adres van haar grootvader op de gebruikelijke wijze als burger tot de gemeente moeten wenden of het verzoek van haar vader moeten bespreken met haar leidinggevende. Gelet op de voorgeschiedenis had eiseres moeten begrijpen dat zij de raadpleging niet op eigen initiatief had mogen doen in de uitoefening van haar functie.

7. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder het plichtsverzuim ten onrechte als ernstig heeft aangemerkt, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat een inschattingsfout is gemaakt voor wat betreft het laten doorwerken van eiseres in haar functie. Achteraf is ingezien dat in ieder geval de autorisaties van eiseres onmiddellijk hadden moeten worden beëindigd. Dat het primaire besluit circa zeven maanden na de anonieme melding is genomen, is het gevolg geweest van vertragingen in het onderzoek. Tijdens het onderzoek door de integriteitscoördinator is een tweede anonieme melding binnengekomen. Deze tweede melding is uit zorgvuldigheidsoverwegingen meegenomen in het onderzoek. Dit heeft weliswaar geen nieuwe feiten opgeleverd, maar heeft de duur van het onderzoek wel verlengd. Daarnaast is gedurende het onderzoek een nieuwe integriteitscoördinator aangetreden. Verweerder heeft verder toegelicht dat aan medewerkers die toegang hebben tot de GBA en andere systemen hoge eisen worden gesteld voor wat betreft integriteit en gewezen op zijn belang dat medewerkers zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens. Verweerder is daarom van mening dat wel degelijk sprake is van ernstig plichtsverzuim. Gelet op het voorgaande brengt de handelwijze van verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet met zich mee dat verweerder zou hebben erkend dat het plichtsverzuim niet als ernstig moet worden aangemerkt. De rechtbank ziet ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ernstig plichtsverzuim.

8. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het rechtszekerheidsbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft ter zitting gewezen op artikel 3.1 van het Centraal onderzoeksprotocol vermoedelijke integriteitsschending (het Protocol), waarin is bepaald dat een onderzoek alleen plaatsvindt nadat op grond van concrete aanwijzingen een vermoeden van een integriteitsschending is ontstaan. Verweerder heeft op 17 februari 2014 op basis van een anonieme melding het vermoeden gekregen van een integriteitsschending. Gelet op artikel 3.1 van het Protocol kon verweerder pas vanaf dat moment een integriteitsonderzoek uitvoeren. Daarnaast is voor de vraag of eiseres zich gedurende de proefperiode van twee jaar opnieuw schuldig heeft gemaakt aan soortgelijk plichtsverzuim van belang op welk moment het plichtsverzuim daadwerkelijk is gepleegd. Het feit dat de proefperiode reeds was afgelopen ten tijde van de anonieme melding maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het alsnog ten uitvoer leggen van het voorwaardelijk strafontslag in strijd is met de rechtszekerheid. Op het moment dat eiseres tijdens de proefperiode de verweten gedragingen pleegde wist zij, althans had zij kunnen weten, dat dit op enig moment aan het licht zou kunnen komen en dat dit dan zou (kunnen) leiden tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich wederom schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Niet gebleken is dat het plichtsverzuim niet aan eiseres is toe te rekenen. Verweerder was dan ook bevoegd om het eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van de tenuitvoerlegging is de rechtbank niet gebleken.

10. Uit het voorgaande volgt dat de primaire grondslag van het bestreden besluit stand houdt. De rechtbank komt daarom niet toe aan bespreking van de subsidiaire grond.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Zetstra, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.