Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12981

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
C/09/494414 / FA RK 15-6331
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-6331

Zaaknummer: C/09/494414

Datum beschikking: 11 november 2015

Gezag

Beschikking op het op 13 augustus 2015 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

advocaat: -.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift.

Op 6 oktober 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De gegevens van de moeder zijn blijkens het uittreksel uit de basisregistratie personen van de gemeente in onderzoek. De vader heeft verklaard dat de moeder naar het buitenland is vertrokken en niet is teruggekeerd. Dit wordt bevestigd door de door de man overgelegde berichten van de politie en de Turkse Centrale Autoriteit. De moeder is openbaar opgeroepen door middel van een oproep in de Staatscourant van [datum] . De moeder is evenwel niet verschenen. Voorts is na de terechtzitting meermalen tevergeefs geprobeerd de moeder telefonisch te bereiken op het van haar bekende mobiele telefoonnummer.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- de brief d.d. 7 oktober 2015, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. De moeder woonde tot voor kort met de minderjarige in [plaats] .

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister d.d. 27 januari 2010.

- De vader, de moeder en minderjarige hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de vader verzoekt hem te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige. Voorts verzoekt de vader te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem in Nederland zal zijn.

De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De vader heeft verklaard dat hij op woensdag 6 mei 2015 in de woning van de moeder en ook in het bijzijn van de moeder op verzoek van de moeder een formulier heeft ondertekend waarmee hij de moeder toestemming heeft gegeven om samen met de minderjarige voor vier dagen naar Turkije te reizen. De moeder en de minderjarige zouden op 10 mei 2015 weer terugkeren. Dit is niet gebeurd. De vader heeft contact gezocht met de familie van de moeder en die wist te vertellen dat de moeder niet was teruggekeerd naar Nederland en plannen zou hebben om samen met de minderjarige naar Syrië te reizen. De vader heeft inmiddels aangifte gedaan bij de politie, contact opgenomen met het Centrum Internationale Kinderontvoering en via de Nederlandse Centrale Autoriteit een teruggeleidingsverzoek ingediend bij de Centrale Autoriteit van Turkije. De politie heeft de vader bericht dat de moeder en de minderjarige vermoedelijk in Syrië verblijven. Dit leidt de Turkse politie af uit foto's die de moeder van zichzelf en de minderjarige via Whatsapp aan haar zus heeft gestuurd. De vader heeft niet ingestemd met het vertrek van de moeder met de minderjarige naar Syrië. De Turkse politie heeft verder vastgesteld dat de moeder met de minderjarige per vliegtuig Turkije is binnengekomen en dat zij dat land niet via een officiële route heeft verlaten. De moeder heeft via Whatsapp-berichten aan haar familie laten weten dat zij niet terugkomt.

De gewone verblijfplaats van de minderjarige was in Nederland. Uit de overgelegde stukken is echter komen vast te staan dat de moeder met de minderjarige naar het buitenland (Turkije of Syrië) is vertrokken en dat zij niet voornemens is terug te keren. Turkije en Syrië zijn geen lid van de Europese Unie en evenmin aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299 (hierna: HKBV 1996).

De overbrenging (of het niet doen terugkeren) van de minderjarige naar Turkije en/of Syrië is geschied zonder toestemming van de vader. Deze overbrenging is dus in strijd met het mede aan de vader toekomende gezagsrecht. Het gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging werd daadwerkelijk door de vader uitgeoefend. Daarom is hier sprake van ongeoorloofde overbrenging als bedoeld in artikel 2 sub 11 van de EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (hierna: Brussel IIbis) en artikel 7 van het HKBV 1996.

Brussel IIbis, dat in beginsel de rechtsmacht bepaalt in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid als het kind zijn verblijfplaats in Nederland heeft, kent in artikel artikel 10 wel een regeling voor het geval dat er sprake is van ongeoorloofde overbrenging naar een andere lidstaat, maar niet voor het geval van overbrenging naar een andere staat (zoals Turkije of Syrië). Daarom past de rechtbank artikel 7 van het HKBV 1996 toe, welk verdrag ook van toepassing is voor Nederland in relatie tot een niet-verdragsstaat. Dit verdrag kent wel een regeling voor de rechtsmacht na ontvoering naar een niet-verdragsstaat. Ingevolge artikel 7 HKBV 1996 blijft de Nederlandse rechter in geval van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige bevoegd te beslissen op het door de vader gedane verzoek en wel totdat de minderjarige een gewone verblijfplaats heeft verworven in een andere staat en ofwel de vader in de overbrenging heeft berust ofwel de minderjarige ten minste een jaar nadat de vader op de hoogte is geraakt van de verblijfplaats van dat kind in die staat heeft verbleven, geen verzoek tot teruggeleiding is ingediend en de minderjarige in de nieuwe omgeving is geworteld. Nu aan geen van deze voorwaarden is voldaan, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

De rechtbank zal op het door de vader gedane verzoek, overeenkomstig de bepalingen van het HKBV 1996, Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Gezag

De vader heeft ten aanzien van de minderjarige een verzoek tot teruggeleiding gedaan. Artikel 15 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: Uitvoeringswet) bepaalt dat de rechter die moet beslissen met betrekking tot het gezag over een kind ten aanzien van hetwelk een verzoek tot teruggeleiding is gedaan, zijn beslissing aanhoudt totdat op het verzoek tot teruggeleiding onherroepelijk is beslist. De rechtbank zal de beslissing in deze zaak echter niet aanhouden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Genoemd artikel is in de wet opgenomen ter uitvoering van artikel 16 van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: HKOV). Artikel 16 HKOV richt zich echter met zoveel woorden enkel tot de rechter van de staat waarheen het kind ongeoorloofd is overgebracht. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 15 van de Uitvoeringswet (Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20462, nr. 3) volgt dat dit artikel in de wet is opgenomen om te voorkomen dat de ouder die het kind heeft ontvoerd of heeft vastgehouden onmiddellijk na de ontvoering een gezagsvoorziening te zijnen of haren gunste kan krijgen om de gedwongen teruggeleiding van het kind te voorkomen. De rechtbank leidt hieruit af dat ook artikel 15 van de Uitvoeringswet ziet op gevallen waarin sprake is van ongeoorloofde overbrenging van het kind naar het land waarin het gezagsverzoek aanhangig is en niet op ongeoorloofde overbrenging vanuit het land waarin het gezagsverzoek aanhangig is.

Het onderzoeksteam van de politie Den Haag en het openbaar ministerie zijn ervan overtuigd dat de moeder en de minderjarige niet meer in Turkije maar in Syrië zijn. Daarom is niet waarschijnlijk dat het teruggeleidingsverzoek in Turkije tot een teruggeleidingsbeslissing zal kunnen leiden. Syrië is niet aangesloten bij het HKOV en de situatie in dat land is momenteel zodanig dat überhaupt niet te verwachten is dat rechterlijke beslissingen worden gerespecteerd. Nu niet op afzienbare termijn een beslissing op een teruggeleidingsverzoek te verwachten is, ziet de ook buiten de bepaling van artikel 15 van de Uitvoeringswet geen aanleiding de beslissing aan te houden.

Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van één van hen het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 1:252 BW, beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige kinderen toekomt. Het eerste en derde lid van artikel 1:251a zijn van overeenkomstige toepassing. De rechtbank beëindigt het gezamenlijk gezag slechts indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank is gebleken dat de omstandigheden zijn gewijzigd. De vader heeft immers sinds mei 2015 geen contact meer gehad met de minderjarige, nu de moeder vermoedelijk met de minderjarige naar Syrië is vertrokken. Gelet hierop is de vader ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van het gezag.

De vader heeft gesteld dat de moeder zich heeft bekeerd tot het moslimgeloof. In mei van dit jaar is de moeder samen met de minderjarige naar Turkije gegaan. De moeder en de minderjarige zouden op 10 mei 2015 weer terugkeren. Dit is niet gebeurd. Op zaterdag 9 mei 2015 heeft de vader de minderjarige voor het laatst telefonisch gesproken. De moeder en de minderjarige verblijven thans vermoedelijk in Syrië. De vader maakt zich ernstige zorgen om het welzijn van de minderjarige. Mocht het lukken om de minderjarige terug te laten keren naar Nederland dan wenst de vader uit te sluiten dat de moeder de minderjarige nogmaals meeneemt naar het buitenland. Voorts is de vader van mening dat de moeder volledig in strijd met het belang van de minderjarige heeft gehandeld door haar zonder toestemming van de vader achter te houden en haar bloot te stellen aan de zeer onveilige situatie in Syrië. Ook handelt de moeder in strijd met het omgangsrecht van de vader. Gelet hierop is gezamenlijk gezag volgens de vader niet langer in het belang van de minderjarige.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vader anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De moeder is zonder toestemming van de vader niet teruggekeerd naar Nederland en is waarschijnlijk met de minderjarige naar Syrië vertrokken. Dat land verkeert in staat van oorlog, zodat alleen al daarom sprake is van onveilige situatie voor de minderjarige. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de moeder in strijd handelt met het contactrecht van de vader met de minderjarige. Door de actie van de moeder is geregeld fysiek contact tussen vader en dochter onmogelijk, terwijl het voor de ontwikkeling van een zo jong meisje als de minderjarige van groot belang is dat dit er wel is. Bovendien heeft de huidige echtgenoot van de moeder via Whatsapp-berichten aan de vader laten weten dat de vader niet meer met de moeder en met de minderjarige mag communiceren, zodat ook telefonisch of skype-contact onmogelijk is. De rechtbank is op grond van dit alles van oordeel dat de moeder handelt in strijd met het belang van de minderjarige.

Gelet op het vorenstaande zal dan ook het verzoek van de vader om hem alleen met het gezag te belasten worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

Nu het verzoek van de vader ten aanzien van het ouderlijk gezag zal worden toegewezen en de vader het gezag over de minderjarige alsdan alleen uitoefent, zal het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Beslissing
De rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarige:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.D. Bellaart, kinderrechter, bijgestaan door

mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

11 november 2015.