Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:12902

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
C/09/456709 / HA ZA 13-1401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van samenwerking, inbreng en winstdeling tussen juridisch adviseur en advocaat. Rekening en verantwoording. Ambtshalve getuigenverhoor ex art. 166 Rv van de twee partijgetuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2227

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

Vonnis van 11 november 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/456709 / HA ZA 13-1401 van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat: mr. J. Frissen te Den Haag ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne te Den Haag .

De rechtbank zal de twee procespartijen hierna kortheidshalve eiser en gedaagde noemen.

De procedure

1.1

De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 4 december 2013 tegen de eerste rolzitting van 18 december 2013, met de producties 1 t/m 12 van eiser;

  • -

    de conclusie van antwoord van 26 februari 2014 (zonder de aangekondigde producties);

  • -

    het comparitievonnis van 12 maart 2014 en de beschikking datumbepaling van 7 april 2014 van de rechtbank;

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de eerste comparitie van partijen van 8 juli 2014;

  • -

    de op 21 juli 2014 ter civiele griffie ontvangen faxbrief van mr. Van Lookeren Campagne met zijn akte met (alsnog) 5 ongenummerde producties van gedaagde;

  • -

    de conclusie van repliek van 20 augustus 2014 met de producties 13 t/m 17 van eiser;

  • -

    de conclusie van dupliek van 1 oktober 2014, met 1 ongenummerde productie van gedaagde;

  • -

    de akte uitlaten productie van 15 oktober 2014;

  • -

    de antwoord-akte van 19 november 2014;

  • -

    de schriftelijke rolbeslissing van de rechtbank van 17 december 2014;

  • -

    het tussenvonnis van de rechtbank van 15 april 2015;

  • -

    de op 30 juni 2015 ter civiele griffie ontvangen brief van mr. Frissen met de producties 18 t/m 24 van eiser;

  • -

    de op 30 juni 2015 ter civiele griffie ontvangen faxbrief van mr. Van Lookeren Campagne met 6 extra ongenummerde producties van gedaagde;

  • -

    het proces-verbaal van het ambtshalve getuigenverhoor van eiser als partijgetuige en van de (korte) tweede comparitie van partijen van 14 juli 2015, met daaraan gehecht de ter zitting ontvangen extra ongenummerde productie van eiser;

  • -

    de op 14 juli 2015 om 16.37 uur ter civiele griffie ontvangen faxbrief van mr. Van Lookeren Campagne;

  • -

    de op 14 juli 2015 om 18.48 uur ter civiele griffie ontvangen faxbrief van mr. Frissen;

  • -

    de door de rechtbank op 15 juli 2015 per faxbrief met ontvangstbevestiging om 09.46 uur en 09.47 uur verzonden beschikking, waarbij gelet op de inhoud van beide faxbrieven van beide advocaten van 14 juli 2015 het ambtshalve getuigenverhoor van partijgetuige [gedaagde] (gedaagde) is verplaatst van donderdag 16 juli 2015 om 15.00 uur naar donderdag 16 juli 2015 om 09.30 uur;

  • -

    het proces-verbaal van het (niet gehouden) ambtshalve getuigenverhoor van gedaagde als partijgetuige van 16 juli 2015.

1.2

Ter zitting van 16 juli 2015 heeft mr. Frissen vonnis gevraagd en heeft de rechtbank vonnis bepaald op 14 oktober 2015. Die vonnisdatum is om organisatorische redenen uitgesteld tot vandaag, 11 november 2015.

1.3

Na de vonnisbepaling op 16 juli 2015 heeft de rechtbank op 21 juli 2015 nog ontvangen een B5-formulier van mr. Van Lookeren Campagne, waarin hij samengevat “buitengewoon ernstig bezwaar maakt tegen de gang van zaken”. Gelet op tekst en strekking van artikel 6.1 van het landelijk procesreglement en op het feit dat niet is gebleken van enige instemming van mr. Frissen, zal de rechtbank bij het wijzen van dit eindvonnis geen acht meer slaan op de inhoud van dat B5-formulier van mr. Van Lookeren Campagne.

1.4

Terzijde: in de processen-verbaal van 14 en 16 juli 2015 en in de beschikking van 15 juli 2015 heeft de rechtbank de procedurele gang van zaken in de periode van 14 t/m 16 juli 2015 en haar beslissingen daarover vanzelfsprekend zo zorgvuldig mogelijk vastgelegd en gemotiveerd. Kortheidshalve volstaat de rechtbank nu met een verwijzing naar de aan beide advocaten bekende processtukken in die periode, zoals hiervoor opgesomd bij 1.1.

De vaststaande feiten

2.1

Eiser was en is werkzaam als juridisch adviseur in [plaats] . Gedaagde was en is werkzaam als advocaat in [plaats] . Deze civiele procedure betreft kort gezegd de mislukte samenwerking tussen beide juristen in de jaren 2010 t/m 2012 vanaf het toen formeel gezamenlijke kantooradres aan de [adres] te [plaats] . Feitelijk werkte gedaagde in die drie jaren overigens vaker thuis te [woonplaats 2] dan op dat gedeelde [… ] kantooradres, zoals blijkt uit de hierna bij 4.5 vermelde correspondentie per e-mail.

2.2

Eiser en gedaagde verschillen van mening over de exacte aard en omvang van hun mislukte samenwerking in de jaren 2010 t/m 2012 en over de financieel-juridische gevolgen die daaruit voor beiden voortvloeien. Beide juristen hebben hun mondeling afgesproken samenwerking van drie jaar destijds niet vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.

De geschillen

3.1

Na eisvermindering ter zitting van 8 juli 2014, heeft eiser gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met kostenveroordeling:

  1. gedaagde zal veroordelen om binnen vier weken na de vonnisdatum (…) aan eiser op deugdelijke wijze rekening en verantwoording af te leggen over de door gedaagde per bank op rekeningnummer (…) en/of op andere wijze (in de) in de producties 7 t/m 10 van eiser vermelde gemeenschappelijke zaken ontvangen gelden, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat gedaagde in gebreke blijft;

  2. gedaagde zal veroordelen om aan eiser te betalen al hetgeen gedaagde op grond van de verantwoording aan eiser verschuldigd mocht blijken te zijn.

3.2

Eiser baseert zijn vorderingen op zijn kernstelling dat tussen eiser en gedaagde een maatschap of een daarmee vergelijkbare samenwerking is overeengekomen, waarbij volgens eiser uiteindelijk is overeengekomen dat de winst van de gezamenlijke rechtspraktijk over de jaren 2010 t/m 2012 voor 40% zou toekomen aan eiser en voor 60% aan gedaagde.

3.3

Gedaagde betwist dit en voert als kernverweer dat weliswaar is onderhandeld over een winstdeling maar dat die net als vele andere voor een maatschap vereiste elementen nooit is overeengekomen, waardoor er in de jaren 2010 t/m 2012 volgens gedaagde slechts sprake was van twee afzonderlijke praktijken van twee zelfstandige ondernemers op een gedeeld kantooradres met slechts gedeelde huurkosten.

De verdere beoordeling

4.1

De rechtbank blijft bij al hetgeen zij heeft overwogen in haar tussenvonnis van 15 april 2015. Kortheidshalve volstaat zij nu met een verwijzing naar de inhoud daarvan.

4.2

Het kerngeschil van partijen betreft de aard en omvang van hun samenwerking in de jaren 2010 t/m 2012 en de financieel-juridische gevolgen voor beiden. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze procedure na het tussenvonnis alsnog komen vast te staan dat het gelijk ten deze grotendeels bij eiser ligt. Daartoe is het volgende doorslaggevend.

4.3

Van een volwaardige maatschap tussen eiser en gedaagde in de zin van wetsartikel 7A:1655 BW en Hoge Raad 2 september 2011, NJ 2012, 75 was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daartoe ontbrak het kort gezegd aan voldoende gelijkwaardigheid bij de samenwerking tussen eiser en gedaagde en aan afspraken over kernelementen van een maatschap zoals taakverdeling, boekhouding en conflictoplossing.

4.4

Wel is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat er sprake was van een samenwerkingsovereenkomst van eigen aard tussen eiser en gedaagde, waarbij overeenstemming bestond over in ieder geval twee andere kernelementen van een maatschap van samenwerkende beroepsbeoefenaren: 1) overeenstemming over de inbreng van nieuwe of bestaande cliënten met nieuwe zaken in een gezamenlijke rechtspraktijk van gemeenschappelijke zaken in de jaren 2010 t/m 2012, en 2) overeenstemming over een winstdeling van 40% voor eiser en 60% voor gedaagde in die gemeenschappelijke zaken.

4.5

De rechtbank baseert dit oordeel op kort gezegd haar afweging van de inhoud van alle stellingen van beide partijen en al hun producties in onderling verband en samenhang beschouwd, maar vooral op de hierna bij 4.5.1 t/m 4.5.10 opgesomde feiten uit de jaren 2010 t/m 2012, door de rechtbank zo veel mogelijk geplaatst in chronologische volgorde en voorzien van illustratieve citaten uit de producties. Een relevant deel van deze op basis van de schriftelijke bewijsstukken nader vastgestelde feiten - veelal citaten van toenmalige schriftelijke berichten van gedaagde aan eiser - heeft de rechtbank pas bij eindvonnis kunnen vaststellen, omdat eiser die desbetreffende producties pas na het tussenvonnis van 15 april 2015 in het geding heeft gebracht.

4.5.1

In een e-mail van 9 maart 2010 heeft gedaagde aan eiser onder meer geschreven: Goed nieuws: ik ben vanaf vandaag daadwerkelijk ingeschreven bij de raad voor de rechtsbijstand. Het betreft vooralsnog civiele toevoegingen. (…) We kunnen nu dus volop van start en dus volop reclame gaan maken, bijvoorbeeld op de radio zoals jij suggereerde. Tijd om eens met de partners uit eten te gaan. Tijd ook, om een en ander eens vast te leggen. Ik kan mij overigens slechts op de [adres] inschrijven met jouw toestemming. Ik wil mijn BV daar ook inschrijven. Ik zal in onze overeenkomst vast leggen dat de BV aldaar geen activiteiten zal ondernemen en/of activa en/of passiva zal aanhouden. (…) Ik moet overigens van de raad voor rechtsbijstand bij administratieve samenwerking wel (afgeleide) geheimhouding opleggen, ook voor ondersteunend personeel.

4.5.2

In een ondertekende schriftelijke verklaring heeft de heer [A] geschreven: Ondergetekende, heer [A] , directeur van [X] B.V., verklaart hierbij dat hij in het jaar 2010 de heer mr. [eiser] , heeft verzocht de bovengenoemde vennootschap de nodige juridische bijstand te verlenen in de zaak [X] ca [Y] . [eiser] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in bovenvermelde zaak de gedingstukken geconcipieerd en in verband daarmee intensief contact met ondergetekende onderhouden. De processuele vertegenwoordiging en financiële afrekening heeft plaats gevonden door [gedaagde] .

4.5.3

In de periode van 26 april 2011 tot en met 6 juni 2012 heeft gedaagde zoals blijkt uit de in kopie geproduceerde bankafschriften aan eiser acht betalingen per bank gedaan van in totaal € 11.570,-, met daarbij vijf keer de omschrijving voorschot en twee keer de omschrijving voorschot winstdeel. Per 1 mei 2011 is eiser voorts bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als medebestuurder van de Stichting Beheer Derdengelden van/voor de advocatenpraktijk van gedaagde.

4.5.4

In een e-mail van 16 maart 2012 heeft eiser aan gedaagde onder meer geschreven: Het lijkt mij goed om hetgeen op woensdag j.l. is besproken in beknopte vorm vast te leggen. (…) 2. verdeling inkomsten: jij stelt als laatste bod voor 60% voor jou en 40% voor mij. Mijn reactie daarop was: ik neem het in overweging en beslis binnenkort. 3. er zal een splitsing komen tussen privé- en kantooruitgaven. Daarvoor is een aparte kantoorrekening noodzakelijk. Jij zorgt daar op korte termijn voor. 4. Ik heb de wens te kennen gegeven om maandelijks een voorschot van

€ 1500 te ontvangen middels overmaking op mijn bankrekening. (…) Ik hoop dat ik het besprokene zo correct heb weer gegeven. Overigens vond ik de avond gezellig en constructief en hopelijk hebben wij in de toekomst iets meer van dit soort avonden, uiteraard op kosten van de zaak.

In een e-mail van 20 maart 2012 heeft eiser vervolgens aan gedaagde geschreven:

Hierbij deel ik je mede dat ik accoord ga met jouw voorstel omtrent de winstdeling namelijk 60% voor jou en 40% voor mij. Wel vind ik dat gelet op het feit dat de grond voor jouw overbedeling is gelegen in het feit dat jij als advocaat ingeschreven bent de kosten die strikt te maken met jouw advocaat zijn zoals opleidingskosten en verzekeringen in het kader van de winstdeling ook voor jouw rekening komen. Ik vind dit redelijk, maar wens er geen breekpunt van te maken als je een andere mening bent toegedaan. (…)

4.5.5

In een e-mail van 5 juni 2012 heeft gedaagde aan eiser onder meer geschreven:

Gisteren trof ik op de fax afschrift van de uitspraak van de bestuursrechter in kort geding betreffende [Q] / [Z] v. de gemeente [de Gemeente] . (...) Zie ik het goed, dan heb je mij die uitspraak toegefaxt om mij voor te houden dat wij wellicht beter af zijn met een kort geding voor de bestuursrechter, dan voor de burgerlijke rechter. Die gedachte kan ik heel goed volgen. Laten we dat dan maar doen, dus, zou ik zeggen. We hebben nu immers zelf geschapen jurisprudentie waar we ons op kunnen beroepen. Hoe staat het met het verzoek om dag en uur? Is dat al ingediend? Gaarne overleg. Ben bijna weer op volle toeren aan het werk. Had zojuist contact met Mr. [B] , de advocate van de man van cliënte [C] . Zij faxt mij het reeds gesloten convenant toe. Zij vroeg mij of cliënte nog steeds met dat convenant kan leven. Ik bestudeer het eerst, en laat je daarna nog wel weten, dus e.e.a. nog niet communiceren met cliënte. (…)

4.5.6

In een e-mail van 19 juni 2012 heeft gedaagde aan eiser onder meer geschreven:

Business is picking up. Morgenochtend hebben wij een afspraak met mijnheer [D] . Hij wil een kort geding tegen parate executie van zijn drie panden door de [Bank] . [… ] , rechtbank Dordrecht dus, lijkt mij. A.u.b. zoveel mogelijk alvast voorbereiden. (…) Voorschot ad € 2.500,-- plus BTW plus griffierecht eiser kort geding sektor civiel (…)

4.5.7

In een e-mail van 26 juni 2012 heeft gedaagde aan eiser onder meer geschreven:

Ik vind jouw reactie over het uitdeclareren van de griffierechten niet OK. Die griffierechten hadden al lang / al veel eerder moeten zijn uitgedeclareerd. (…) Jij doet de back-office, dus kennis daaromtrent ligt op jouw pad. Dat is jouw pakkie an. Daar krijg je godbetert 40% van de winst voor! En vervolgens had je dus die griffierechten uit moeten declareren. (…) Du moment dat de hoogte van het griffierecht bekend is, moet er doodeenvoudig een factuur uit. Zo simpel is het. (…) Het moet. Anders gaan we failliet.

4.5.8

In een e-mail van 16 augustus 2012 heeft gedaagde aan eiser geschreven:

Dank voor de toezending van het concept verzoekschrift inzake cliënt [E] . In bijlage tref je het concept verweerschrift inzake [C] v [F] . Ik verzoek je om exact dat format aan te houden bij het opstellen van je concepten.

4.5.9

In een e-mail van 28 augustus 2012 heeft eiser aan gedaagde geschreven:

Ik heb dringend een voorschot van 2000 euro nodig om aan mijn verplichtingen van vorige maand en deze maand te voldoen. Kun je voor overmaking per omgaande zorg dragen ? Er liggen een drietal declaraties naar de raad voor ondertekening gereed op kantoor en [G] krijgt vandaag een voorschotdeclaratie van 2500 euro. [H] heeft ook een declaratie ontvangen.

Daarop reageerde gedaagde: Dat heb ik niet. Ik moet 6,5 duizend aan belasting betalen en de BTW.

Vervolgens reageerde eiser met: Dat is heel naar voor mij. Kan je mij een overzicht geven van de winst/verlies over de jaren 2010 en 2011. Ik moet binnenkort aangifte doen over 2010 en 2011 (steeds uitstel gevraagd) maar weet niet wat ik moet opgeven. (…) Ik heb enige tijd geleden gevraagd om splitsing van de kantoor- en privé rekening zodat een gemakkelijker overzicht op zakelijke inkomsten en uitgaven is. Dat is helaas niet gebeurd.

4.5.10

Nadat eiser en gedaagde eind oktober of begin november 2012 hadden besloten om hun samenwerking per 31 december 2012 te beëindigen, heeft gedaagde aan eiser in een e-mail van 19 november 2012 geschreven:

Ik moet de toevoeging hebben inzake dhr. [I] . Ik vond hem niet op kantoor. Ik kon jouw kamer niet meer in. Kennelijk is het slot gewisseld. Ik wijs je erop dat ik nog altijd kantoor houd op de [adres] . Het mij onthouden van toegang tot mijn eigen kantoor en/of administratie is onrechtmatig. Ik neem daar dan ook geen genoegen mee. Ik moet overigens mijn bankafschriften hebben, en de lopende dossiers. Ik zal je kortelings de door jou gevraagde cijferopstellingen doen toekomen. Wat die cijferopstellingen betreft, wijs ik je nog op het feit dat daarin waarschijnlijk niet zijn verwerkt de door jou gedeclareerde en geïnde griffierechten en overige verschotten en de eventuele dossiers die jij buiten mij om hebt gehouden.

4.6

De hiervoor bij 4.5.1 tot en met 4.5.10 door de rechtbank nader vastgestelde feiten bevestigen in onderling verband en samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank de juistheid van de feitelijke stellingen van eiser dat eiser eind 2009 of begin 2010 met gedaagde is overeengekomen dat zij in de jaren 2010 t/m 2012 voor gemeenschappelijke rekening en risico een gezamenlijke rechtspraktijk zouden uitoefenen vanaf hun gezamenlijk kantooradres aan de [adres] te [plaats] , dat zij die gemeenschappelijke rechtspraktijk ook daadwerkelijk hebben uitgeoefend in die drie jaren, en dat zij uiteindelijk in 2012 (nader) zijn overeengekomen dat zij de uit die gezamenlijke rechtspraktijk behaalde winst zouden delen in de verhouding 40% voor eiser en 60% voor gedaagde.

4.7

Met deze aldus nader vastgestelde feiten kan redelijkerwijs niet meer worden geconcludeerd dat eiser en gedaagde destijds slechts zouden hebben afgesproken de huurkosten te delen maar dat ieder voor het overige de eigen rechtspraktijk met ieder de eigen inkomsten en eigen uitgaven zou behouden waardoor er sprake zou zijn geweest van twee afzonderlijke praktijken van twee zelfstandige ondernemers op een gedeeld kantooradres met slechts gedeelde huurkosten, zoals gedaagde in deze procedure naar de kern genomen heeft gesteld. Het enkele formele feit dat eiser en gedaagde bij de Kamer van Koophandel in die jaren formeel ieder een eigen rechtspraktijk hadden ingeschreven en geen maatschap met een gemeenschappelijke naam zoals gedaagde als verweer heeft benadrukt, kan aan de bovenstaande materiële conclusies van de rechtbank niet of onvoldoende afdoen.

4.8

Tijdens zijn verhoor als partijgetuige op 14 juli 2015 heeft eiser voorts niet alleen de twijfels en vragen weggenomen die er bij de rechtbank ten tijde van het tussenvonnis van 15 april 2015 nog bestonden aan en over de door gedaagde betwiste feitelijke stellingen van eiser, maar heeft eiser ook een geloofwaardige en steekhoudende verklaring gegeven voor de belangrijkste productie van gedaagde die tot dan tegen het standpunt van eiser pleitte, dat is de factuur van 31 januari 2011 van eiser aan gedaagde van € 2.380,- inclusief BTW voor honorarium voor verrichte werkzaamheden. Dat past immers eerder bij een overeenkomst van opdracht dan bij een gezamenlijke rechtspraktijk met winstdeling. Daarover heeft eiser onder ede tijdens zijn getuigenverhoor echter verklaard dat het in feite om een door hem aan gedaagde gevraagd voorschot op de winstdeling ging, maar dat gedaagde dat toen alleen wilde betalen op basis van een factuur met daarin het woord honorarium. Voorts heeft eiser toen uitgelegd dat partijen volgens hem bij aanvang in 2010 mondeling een winstdeling van ieder 50% waren overeengekomen, maar dat dit op aandringen van gedaagde in 2012 is veranderd in 40% voor eiser en 60% voor gedaagde. Voor het overige volstaat de rechtbank nu met een verwijzing naar de inhoud van het proces-verbaal van het op de voet van art. 166 Rv op 14 juli 2015 gehouden ambtshalve getuigenverhoor van eiser als partijgetuige.

4.9

Gedaagde is vervolgens zonder enige vooraankondiging niet verschenen op het aan gedaagde bekende - althans bekend veronderstelde - ambtshalve getuigenverhoor op 16 juli 2015 van gedaagde als partijgetuige. Kortheidshalve verwijst de rechtbank hier opnieuw naar de gedetailleerde inhoud van de hiervoor bij 1.1 opgesomde en bij 1.4 bedoelde processtukken uit de periode van 14 tot en met 16 juli 2015. Daardoor heeft gedaagde zichzelf de kans ontnomen om de bovenstaande feiten en argumenten die tegen het standpunt van gedaagde pleiten alsnog te weerleggen of te ontzenuwen. Dat alles moet bij deze stand van zaken en in dat late stadium van de procedure in eerste aanleg naar het oordeel van de rechtbank voor risico en rekening van gedaagde blijven.

4.10

Gedaagde heeft tenslotte nog het verweer gevoerd dat hij bij brief van 4 maart 2013 wegens de redenen vermeld in die brief en in zijn eerdere brief van 28 februari 2013 de (eventuele) overeenkomst met eiser heeft vernietigd wegens de wilsgebreken uit de wetsartikelen 3:44 BW en 6:228 BW. Dit verweer kan niet slagen, reeds omdat het in die wetsartikelen om wilsgebreken bij de totstandkoming van de overeenkomst gaat - dat is in dit geval eind 2009 of begin 2010 - en gedaagde in die brieven feitelijk slechts verwijten aan eiser maakt over gestelde maar betwiste malversaties en/of wanprestaties van eiser tijdens de samenwerking in de jaren 2010 t/m 2012, d.w.z. ruim ná totstandkoming van de overeenkomst van partijen.

4.11

De aard van de (vooral) mondelinge overeenkomst van winstdeling uit de gezamenlijke rechtspraktijk van eiser en gedaagde in de jaren 2010 t/m 2012, zoals hiervoor door de rechtbank vastgesteld, en het feitelijk ontbreken van een gezamenlijke bankrekening van die gezamenlijke rechtspraktijk brengen onder meer met zich dat gedaagde aan eiser zoals gevorderd deugdelijk rekening en verantwoording moet afleggen over de door gedaagde in de gemeenschappelijke zaken op de bankrekening van gedaagde of eventueel op andere wijze ontvangen gelden. De eerste hoofdvordering van gedaagde moet dus worden toegewezen. Om executiegeschillen daarover zo veel mogelijk te voorkomen zal de rechtbank “op deugdelijke wijze” daarbij nader definiëren als “op begrijpelijke wijze en onderbouwd met alle relevante bewijsstukken”.

4.12

Gelet op het bepaalde in wetsartikel 611a lid 3 Rv zal de rechtbank anders dan gevorderd ook beslissen dat de gevorderde dwangsommen pas worden verbeurd na betekening van het vonnis aan gedaagde. Ook zal de rechtbank de gevorderde dwangsommen maximeren op € 25.000,- in totaal, onder meer gelet op de uit alle processtukken met alle producties blijkende financiële gegevens en belangen in dit concrete geval. Daarbij zal de rechtbank ambtshalve ook bepalen dat de opgelegde dwangsommen naderhand vatbaar zijn voor matiging en verdere maximering door de rechtbank, indien en voor zover algehele handhaving daarvan in de concrete omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.13

De tweede hoofdvordering van eiser moet worden afgewezen, zoals al aangekondigd in rechtsoverweging 4.5 van het tussenvonnis van 15 april 2015 en nader besproken met beide advocaten ter tweede (korte) comparitie van 14 juli 2015, zoals blijkt uit punt III op bladzijde 6 van het van de zitting van 14 juli 2015 opgemaakte proces-veerbaal. In deze procedure ontbreken immers nu nog steeds ondanks het relatief langdurige procesverloop alle vereiste vaststaande financiële gegevens om tot de met zijn tweede vordering door eiser beoogde financiële eindafrekening tussen eiser en gedaagde te komen.

4.14

Daarbij moeten immers alle inkomsten en uitgaven van zowel eiser als gedaagde in de gemeenschappelijke zaken in de jaren 2010 t/m 2012 worden meegewogen, en eventueel ook de over en weer aangestipte schadevergoedingen. Al die vereiste vaststaande financiële gegevens aan beide zijden ontbreken nog steeds. Aan de financiële gegevens die nu al wel zijn gesteld maar zijn betwist ontbreekt het in de meeste gevallen aan een begrijpelijke toelichting en/of aan relevante behoorlijke achterliggende bewijsstukken. Dat moet bij deze stand van zaken en in dit late stadium van de procedure in eerste aanleg voor risico en rekening van eiser blijven. Die financiële eindafrekening zal dus na dit vonnis eventueel in een tweede civiele procedure tussen eiser en gedaagde moeten worden vastgesteld.

4.15

De rechtbank zal gedaagde als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van de proceskosten van eiser tot dusver. De rechtbank begroot die proceskosten op € 96,77 voor kosten dagvaarding, € 842,- voor betaald griffierecht en

€ 2.316,- voor forfaitair salaris advocaat, dat is in totaal € 3.254,77, zoals onweersproken gevorderd vermeerderd met de wettelijke daarover vanaf de dag van betekening van dit vonnis aan gedaagde en alle veroordelingen zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De forfaitaire kosten advocaat voor de conclusie van repliek en de akte uitlaten productie na dupliek zal de rechtbank daarbij voor rekening van eiser laten, omdat van eiser in dit specifieke geval mocht worden gevergd dat hij alle relevante producties al bij dagvaarding had geproduceerd en niet pas zoals in dit geval na de eerste comparitie, na het tussenvonnis en voor of tijdens het ambtshalve getuigenverhoor met tweede comparitie van partijen.

De beslissingen

De rechtbank:

- veroordeelt gedaagde om binnen 4 weken na betekening van dit vonnis aan gedaagde op begrijpelijke wijze en onderbouwd met alle relevante bewijstukken rekening en verantwoording af te leggen aan eiser over alle door gedaagde ontvangen gelden in de in de producties 7 t/m 10 van eiser vermelde gemeenschappelijke zaken van eiser en gedaagde, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat gedaagde in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen en met een maximum dwangsom van
€ 25.000,- in totaal;

- bepaalt dat de opgelegde dwangsommen naderhand vatbaar zijn voor matiging en verdere maximering door de rechtbank, indien en voor zover algehele handhaving daarvan in de concrete omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn;

- veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen € 3.254,77 voor de proceskosten van eiser, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van betekening van dit vonnis aan gedaagde;

- verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het door eiser meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag

11 november 2015.